Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
C/09/484030 / KG ZA 15-290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering vakcentrales tegen sectorwerkgever Rijk (Minister voor Wonen en Rijksdienst) met betrekking tot werkgeversdeel pensioenpremievrijval. Vakcentrales vorderen uitkering van deze vrijval in de vorm van een salarisverhoging van 0,8% met ingang van 1 januari 2015, terwijl de Minister deze vrijval wil betrekken in de nog te voeren cao-onderhandelingen sector Rijk, waarmee hij het standpunt inneemt dat van besteding eerst sprake kan zijn na het sluiten van een cao. Partijen twisten daarmee over de uitleg van een bepaling uit het Pensioenakkoord, meer in het bijzonder de zinsnede ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’ . Deze bepaling dient aan de hand van het Haviltex-criterium te worden uitgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor het standpunt van geen van beide partijen overtuigende steun kan worden gevonden in de tekst van het Pensioenakkoord. De bepaling dient te worden uitgelegd in het licht van hetgeen voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord in de Pensioenkamer en het SOR is besproken. Van doorslaggevende betekenis is hetgeen op 13 november 2014 in de Pensioenkamer is besproken en meer in het bijzonder hetgeen namens het VSO omtrent de intentie van de desbetreffende bepaling is verklaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat (a) het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval beschikbaar is met ingang van 1 januari 2015, (b) dit geld tot besteding moet komen en (c) dat de sectoren afspraken moeten maken over de besteding daarvan. Daarnaast kenden partijen tijdens dit overleg aan de zinsnede ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’ dezelfde betekenis toe, te weten de duiding van de overlegtafel waaraan overleg dient te worden gevoerd over de besteding van de pensioenpremievrijval en niet de duiding van het onderhandelingsproces (het sluiten van een sectorale cao). De stelling van de Minister dat eerst een sectorale cao dient te worden afgesloten alvorens tot besteding van de pensioenpremievrijval kan worden gekomen, vindt aldus geen steun in het op 13 november 2014 bereikte onderhandelingsresultaat. Op grond van artikel 105 ARAR dient aan de sectorale cao-tafel Rijk overleg te worden gevoerd over zowel de besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval als over het voorstel van de Minister om de besteding van deze vrijval te betrekken bij de nog te voeren cao-onderhandelingen in de sector Rijk. De omstandigheid dat het Pensioenakkoord de besteding van de premievrijval niet koppelt aan het sluiten van een cao, laat immers onverlet dat de Minister aan de sectorale cao-tafel wel het voorstel kan doen om deze koppeling aan te brengen. Over dit voorstel alsmede over de besteding van de premievrijval dient met inachtneming van de voorschriften van artikel 105 ARAR te worden beslist. Vaststaat dat het overleg en de besluitvorming als hiervoor bedoeld tot op heden niet hebben plaatsgevonden. Dit staat – zoals van de zijde van Minister terecht is opgemerkt – aan toewijzing van de vordering van de vakcentrales in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/622
PJ 2015/85
TAR 2015/121
AR-Updates.nl 2015-0354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/484030 / KG ZA 15-290

Vonnis in kort geding van 10 april 2015

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ALGEMENE CENTRALE VAN OVERHEIDSPERSONEEL (ACOP),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CHRISTELIJKE CENTRALE VAN OVERHEIDS- EN ONDERWIJSPERSONEEL (CCOOP),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

AMBTENARENCENTRUM (AC),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CENTRALE VAN MIDDELBARE EN HOGERE FUNCTIONARISSEN BIJ OVERHEID, ONDERWIJS, BEDRIJVEN EN INSTELLINGEN (CMHF),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

eiseressen,

advocaat mr. M.J. Klinkert te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, meer specifiek de Minister voor Wonen en Rijksdienst),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. S. van Heukelom-Verhage en R. van Arkel te Den Haag.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de vakcentrales’. Gedaagde wordt hierna ‘de Minister’ genoemd.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 maart 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De vakcentrales behartigen onder meer de belangen van het overheidspersoneel, waaronder die van het in de sector Rijk werkzame personeel, waarvan de Minister te beschouwen is als werkgever. In het kader van deze belangenbehartiging voeren de vakcentrales overleg met de werkgevers binnen de diverse sectoren van de overheid over diverse arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen en gaan zij collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) aan. De vakcentrales hebben zich verenigd in de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (hierna: ‘de SCO’).

1.2.

De diverse overheidswerkgevers hebben zich verenigd in het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (hierna: ‘het VSO’).

1.3.

De SCO en het VSO zijn beide vertegenwoordigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (hierna: ‘ROP’), het centrale overlegplatform van de gezamenlijke sectorwerkgevers en sectorwerknemers bij de overheid. De ROP voert overleg met onder meer de Minister en adviseert het kabinet en de Tweede Kamer over aangelegenheden die het overheidspersoneelsbeleid betreffen. Ook doet de ROP aanbevelingen aan de overheidssectoren en is hij, meer in het bijzonder de specifiek daartoe ingerichte Pensioenkamer, verantwoordelijk voor de aard en de inhoud van de pensioenvoorziening van het overheidspersoneel.

1.4.

In 1993 werd tussen onder meer de vakcentrales en de Minister het 'Protocol sectoralisatie van het overleg 1993 en 1994' ondertekend. Daarmee werd met ingang van 1993 het zwaartepunt van het arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid verlegd van het centrale niveau naar de diverse sectoren, waaronder de sector Rijk. Thans wordt per sector een cao afgesloten en is per sector sprake van een onderhandelingstafel, de zogenaamde sectorale cao-tafel. Het overleg over de pensioenvoorziening van overheidspersoneel is na 1993 centraal belegd gebleven in de Pensioenkamer van de ROP.

1.5.

Het overleg over de arbeidsvoorwaarden van het bij de sector Rijk werkzame personeel vindt, behoudens de pensioenvoorziening (zie rov. 1.4), sinds 1993 plaats in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (hierna: ‘het SOR’), meer in het bijzonder in de Sectorcommissie overleg rijkpersoneel. In het SOR, dat voor wat betreft het rijkspersoneel te beschouwen is als sectorale cao-tafel, participeren namens de werknemers de vakcentrales en namens de sectorwerkgever de Minister.

1.6.

Op 27 mei 2014 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de (gewijzigde) Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen. Sindsdien is in de Pensioenkamer onderhandeld over een aanpassing van de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP. Deze onderhandelingen hebben op 13 november 2014 geleid tot de ondertekening van het ‘Pensioenakkoord Pensioenkamer Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid over de wijzigingen van de ABP-pensioenregeling naar aanleiding van de aanpassing van het fiscale pensioenkader “Witteveen 2015”’ (hierna: ‘het Pensioenakkoord’). In het Pensioenakkoord is – voor zover thans van belang – het volgende overeengekomen:

“Deze aanpassingen vanuit het versoberde fiscale kader en de versobering van de voorwaardelijke inkoopregeling leiden per saldo tot verlaging van de pensioenpremies. Voor een deel leidt dat tot verlaging van werknemersbijdrage en dus direct tot verbetering van netto-inkomen. De verlaging van de werkgeverspremies krijgt – voor zover niet besteed aan de kwaliteit van de pensioenregeling – volledig doorwerking via de sectorale cao-tafels in verbetering van salaris (of andere arbeidsvoorwaarden als cao-partijen daarvoor kiezen), in aanvulling op de salarisafspraken op grond van de bestendige sectorsystematiek.”

1.7.

Op 13 november 2014 heeft het SOR voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord overleg gevoerd over onder meer het aanwenden van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval. Namens de Minister waren tijdens dit overleg onder meer aanwezig mevrouw [betrokkene 1] (voorzitter) en de heer [betrokkene 2]. Namens de SCO waren onder meer de heer [betrokkene 3] en de heer [betrokkene 4] aanwezig. Blijkens het verslag is dienaangaande tijdens dit overleg – voor zover thans van belang – het volgende besproken:

“De heer [betrokkene 2] bevestigt de afspraak uit het pensioenakkoord dat per 1 januari 2015 0,8% beschikbaar is voor de sectorale tafels. Van werkgeverszijde wordt voorgesteld de vrijval te betrekken bij de cao-afspraken. Volgens de heer [betrokkene 4] is het geld dat vrijvalt op grond van het pensioenakkoord beschikbaar voor de sectortafels. Het akkoord bepaalt niet dat het onderdeel dient te zijn van een cao-afspraak. (…) De centrales willen voorkomen dat hun leden worden benadeeld door de looptijd van het cao-traject, waarvan zij voorzien dat het langdurig zal zijn. (…) De heer [betrokkene 3] voegt hier aan toe dat het van belang is dat de 0.8% per 1 januari 2015 beschikbaar is en niet later in het jaar met terugwerkende kracht, zodat het per 1 januari a.s. pensioengevend is. De heer [betrokkene 2] herhaalt dat de afspraak volgens werkgevers bepaalt dat de 0,8% per 1 januari 2015 beschikbaar komt voor de sectorale cao-tafel. Als het de bedoeling zou zijn geweest dat het geld per 1 januari ineens beschikbaar is, dan zou dat in de pensioenkamer zijn afgesproken en dat is niet het geval. De heer [betrokkene 3] bevestigt dat er verschillen zijn tussen de cao-tafels, maar acht de door de centrales voorgestelde constructie gerechtvaardigd, gezien het feit dat er al 4 jaar lang sprake is van een nullijn. In die 4 jaar hebben partijen er alles aan gedaan om tot overeenstemming te komen. Spreker acht het niet redelijk de vrijval onderdeel te laten zijn van het reguliere cao-traject. Voor de centrales is de enige optie dat de 0,8% beschikbaar is voor salaris. De heer [betrokkene 4] licht, desgevraagd door de voorzitter, toe dat de formulering in het pensioenakkoord luidt “via de sectorale tafels” omdat dat de enige manier om sectoraal verbetering van salaris af te spreken, in aanvulling op de salarisafspraken. De centrales willen het geld gebruiken voor salaris per 1 januari 2015. Daarbij wijzen zij op het feit dat het geld beschikbaar is ‘eigen geld’ is, al moeten er op de cao-tafel afspraken over worden gemaakt. Zo wordt uitvoering gegeven aan het pensioenakkoord dat met veel moeite tot stand is gekomen. Als partijen er al niet in slagen hier afspraken over te maken, dan geeft dat weinig vertrouwen in het komende cao-overleg. De heer [betrokkene 2] heeft begrip voor de wijze waarop de centrales het pensioenakkoord interpreteren. Het is echter de intentie van de werkgever Rijk om de 0,8% die beschikbaar komt te betrekken bij de cao, inclusief de variant met terugwerkende kracht. [de voorzitter, toevoeging voorzieningenrechter] Verdere toezeggingen kan de werkgever nu niet doen.

(…)

De voorzitter heeft begrip voor de opstelling van de centrales maar stelt geen ruimte te hebben om iets toe te voegen aan hetgeen vóór de schorsing is gesteld. Zij stelt geen valse hoop te willen wekken dat er alsnog iets geregeld zou kunnen worden. Op een vraag van de heer [betrokkene 3] welke ruimte er dan wel is, antwoordt de voorzitter dat de werkgever vasthoudt aan de tekst van het pensioenakkoord. De centrales zien in de tekst van het pensioenakkoord geen enkele noodzaak de vrijval onderdeel te laten zijn van een cao-afspraak voor 2015 en verdere jaren. Zij zijn stellig van mening dat dit aan de cao-tafel Rijk als apart onderdeel kan worden afgesproken en vinden zelfs dat die afspraak gemaakt moet worden vóórdat overleg over een cao 2015 en verder mogelijk is. (…)”

1.8.

Op 13 november 2014 is voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord de Pensioenkamer eveneens in zitting bijeengekomen. Van de zijde van het VSO waren daarbij onder meer de heer [betrokkene 5], mevrouw [betrokkene 6], mevrouw [betrokkene 7] en de heer [betrokkene 8] (voorzitter) aanwezig. Van de zijde van de SCO werd deze zitting onder meer bijgewoond door de heer [betrokkene 4] en de heer [betrokkene 9]. Uit het verslag van deze zitting blijkt dat tijdens deze zitting met betrekking tot het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval onder meer het volgende is besproken:


“(…) Op dit moment in de vergadering wordt voorgesteld over te gaan tot het punt ondertekening van het onderhandelingsresultaat.

De heer [betrokkene 4] verwijst naar zijn eerdere sfeerschets (…) Er bestaat nog een verschil in interpretatie ten aanzien van de aanwending van de vrijval van 0.8% in de sectoren. Spreker kent dit het meest prangend uit de sector Rijk. Hedenochtend is in het SOR tot uiting gebracht dat de werkgever stellig van mening is dat de passage over de vrijval betekent dat er een cao gesloten moet worden om de 0.8% in de salarissen te kunnen verwerken. SCO is echter stellig van mening op basis van de gevoerde onderhandelingen, dat er geen cao hoeft te worden gesloten, maar dat aan de sectorale tafel een afspraak wordt gemaakt over het inbrengen in het loongebouw. SCO ziet zich dus voor een probleem gesteld dat in ieder geval één van de sectorwerkgevers niet op de juiste manier uitvoering aan de afspraken geeft. Voor de orde van de vergadering stelt de heer [betrokkene 9] de vraag of de centrales nu op basis van hetgeen ze hebben geconstateerd wel kunnen overgaan tot de ondertekening van het onderhandelingsresultaat. De vraag die daarmee samenhangt is of de handtekening van de werkgever straks betekent dat de centrales er ook op kunnen rekenen dat in de sectoren de salaristabellen op 01-01-2015 met 0.8% zijn verhoogd, tenzij aan de sectortafel iets anders is overeengekomen. Spreker gebruikt bewust zijn verhoogd. Zolang er nog gewerkt wordt met de peildatumsystematiek is het van belang dat verhoging geschiedt op basis van besluitvorming vóór 01-01-2015 omdat de 0.8% anders ook niet doorwerkt in de pensioenopbouw. In het kader van de middelloonopbouw is het zeer relevant of die met 0.8% verhoogd is of niet. Het kan aldus spreker niet zo zijn –en dat is regelmatig tussen partijen gewisseld– dat er een verschil van interpretatie is over de vraag of die passage in het onderhandelingsresultaat betekent dat de salarissen per 01-01-2015 extra verhoogd zijn, tenzij er aan de onderhandelingstafel iets anders wordt overeengekomen. Toen het signaal van de VNG kwam is er wat emailverkeer tussen de voorzitter VNG en de centrales geweest en dat leidde tot het bericht dat de handtekening van VSO garandeert dat 0.8% inderdaad per 01-01-2015 zal worden uitgekeerd. Aan de cao-tafels worden nu andere geluiden gehoord, zoals vanochtend aan de cao-tafel Rijk. SCO wil nu klip en klaar vastgesteld hebben, voordat er getekend wordt, dat die passage ook in alle sectoren zal worden uitgevoerd in de vorm van tijdig verhogen van de salarissen met 0.8% per 01-01-2015 tenzij aan de sectortafel iets anders wordt afgesproken. De heer [betrokkene 5] stelt vast dat dit inderdaad de afspraak is. Alle sectoren zijn er ook nog eens nadrukkelijk op gewezen dat VSO het door de centrales gesignaleerde afwijkende gedrag niet zal uitstralen. Wat partijen in de PK hebben afgesproken bindt alle sectoren onverkort en zonder voorbehoud –ook al hebben zij niet getekend– aan het akkoord. (…) De heer [betrokkene 9] benadrukt dat (…) er moet worden vastgesteld of er overeenstemming wordt bereikt over een afwijkende besteding, anders wordt per 01-01-2015 het salaris verhoogd met 0.8%. Het is van groot belang dat dit ook per die datum gebeurt omdat het anders niet meer meetelt in de pensioenopbouw van het jaar 2015. (…) De heer [betrokkene 5] (…) wil benadrukken dat sectoren de verplichting hebben om uit te voeren wat hier nu voor ligt en de sectoren zullen dat ook doen. (…) De heer [betrokkene 4] benadrukt dat er hedenochtend door de werkgever Rijk keihard is gezegd de 0.8% niet eerder uit te betalen dan dat er een cao-akkoord ligt. In dit het voorliggende pensioenakkoord is geen enkele relatie gelegd met een cao-akkoord op een sectorale tafel. Er is een relatie gelegd met de sectorale cao-tafel in de zin dat er afspraken moeten worden gemaakt of het salaris wordt of iets anders. De koppeling met een cao-akkoord is wat de centrales betreft onacceptabel. (…) De heer [betrokkene 4] wijst erop dat de centrales keer op keer aandacht hebben gevraagd voor een mogelijk interpretatieverschil. Spreker moet vaststellen dat hij dit al van verre aan zag komen en derhalve meerdere malen heeft geverifieerd of de uitleg zoals de centrales die hebben gegeven, ook de juiste uitleg was. Dat is door werkgeverszijde elke keer onderschreven, zij in bijeenkomsten die niet genotuleerd zijn. Nu worden de centrales geconfronteerd met een werkgever die zegt dat partijen eerst een cao moeten sluiten. De heer [betrokkene 5] beaamt dat de 0.8% vrijval bij de werkgever beschikbaar is. De manier waarop partijen bij elkaar komen, kan per sector verschillen, maar de sectoren gaan het voorliggende akkoord uitvoeren. (…) De heer [betrokkene 5] merkt (…) op, dat er in de sectoren allerlei invullingen kunnen worden gegeven, maar dat het gaat om een besparing als gevolg van de daling van de premies en hetgeen wordt bespaard wordt teruggegeven aan de werknemers, in de vorm van een salarisverbetering óf in de vorm van andere arbeidsvoorwaarden als partijen daarvoor kiezen. Het akkoord gaat in met ingang van 01-01-2015. Met ingang van 01-01-2015 is er sprake van een versobering van de pensioenen, met ingang van 01-01-2015 dalen die premies en dus is er per die datum geld beschikbaar, daar kan de discussie niet over gaan. Het enige waar de discussie over kan gaan is de besteding. De heer [betrokkene 4] stelt vast dat dus ook het sluiten van een cao geen noodzakelijke voorwaarde kan zijn om tot uitkering te komen. De heer [betrokkene 5] verklaart hierop dat iedere werkgever begrijpt dat de versobering van pensioenen leidt tot een bepaalde afrekening en geen enkele werkgever zal de intentie hebben om hier aan te verdienen. De heer [betrokkene 9] vraagt zich dan toch af waarom de werkgever aan de cao-tafel van de sector Rijk in opdracht van de mandaatgever verklaart dat er eerst een cao-afspraak moet liggen. De heer [betrokkene 5] zegt daar niet bij te zijn geweest, de beste garantie dat de afspraken gestand worden gedaan is om het akkoord nu te ondertekenen. (…) De heer [betrokkene 4] vraagt of de woorden van VSO mogen worden vertaald als zijnde dat er vanuit het akkoord geen enkele belemmering is om het salaris vanaf 01-01-2015 uit te betalen als partijen er niet voor kiezen om andere voorwaarden voor de 0.8% in te vullen. De heer [betrokkene 5] stel vast dat er geen belemmering is. Mevrouw [betrokkene 6] vult aan dat het wel op de cao-tafel ligt. De heer [betrokkene 4] nuanceert dat het daar wel ligt, maar niet in relatie tot het afsluiten van een cao, de 0.8% moet per 01-01-2015 in de portemonnee van de werknemer zitten en niet in de portemonnee van de werkgever in afwachting van een cao-akkoord. (…) De heer [betrokkene 9] wil van de vertegenwoordiger van de sector Rijk, mevrouw [betrokkene 6], horen hoe zij de afspraak die moet worden gemaakt per 01-01-2015 formuleert. Mevrouw [betrokkene 6] verwijst naar het onderhandelingsresultaat. Er staat aldus spreekster niet dat de salarissen per 01-01-2015 in de sectoren verhoogd worden, tenzij anders overeengekomen. Er wordt pas iets veranderd als er afspraken zijn gemaakt. De heer [betrokkene 9] brengt hier tegen in dat er ook niet staat dat er eerst onderhandeld moet worden om tot een akkoord te komen. (…) De heer [betrokkene 5] acht het punt van de centrales volstrekt helder en aan het begin van de onderhandelingen is ook gezegd dat een deel van de vrijval ook aan de koopkrachtverbetering moet worden besteed. Voorstel is dat partijen zich vasthouden aan dit uitgangspunt en niet in als-dan-scenario’s gaan denken. Spreker zegt deze signalen overigens ook niet te hebben ontvangen. De heer [betrokkene 9] merkt op dat de centrales die signalen nu juist wel hebben gekregen, ook nog eens versterkt door de vertegenwoordiger Rijk in deze PK. De heer [betrokkene 5] zegt toe het signaal van, en de discussie met, de centrales over te brengen aan de sectorwerkgever Rijk en nog een keer de intentie van de afspraak benadrukken.

Na een korte pauze heropent de voorzitter de vergadering. Verzoek is nogmaals uiteen te zetten wat nu precies de intentie is van de gemaakte afspraak. De heer [betrokkene 5] verwoordt dat alsvolgt. Per 01-01-2015 worden de pensioenen versoberd. Dat betekent in dit geval dat er sprake is van een premiedaling. Partijen hebben hier de afgelopen maanden over overlegd en afspraken gemaakt hoe tot aanwending kan worden gekomen van de werkgeversdeel van de premie. Een deel van die vrijval en een deel van die opbrengstbesparing hebben partijen besteed aan de kwaliteit van de pensioenregeling en een deel van de opbrengst die niet is besteed, hebben partijen door laten vertalen in de vorm van een concreet genoemd bedrag in termen van pensioenpremie uitgedrukt, naar loon ten behoeve van de sectorale cao-tafels, zodat zij aldaar met elkaar kunnen spreken over de aanwending van het budget. Dat kan zijn in de vorm van salaris of andere arbeidsvoorwaarden, in aanvulling op de reguliere salarisafspraken op grond van de cao. Het is volstrekt helder dat het geld beschikbaar is met ingang van 01-01-2015 en dat het geld tot besteding moet komen en dat de sectoren daar afspraken over moeten maken. Het zijn de werkgevers geweest die in hun inzetbrief hebben aangegeven dat wat hen betreft het allergrootste deel van de pensioenvrijval moet worden doorvertaald naar salarissen om tot koopkrachtverbetering te komen. De voorzitter nuanceert dat de term sectorale cao-tafels wordt gebruikt als duiding van de overlegtafel, niet van een cao. De heer [betrokkene 5] stelt dat de besteding onderdeel kan zijn van een cao, maar dat hoeft dus niet. (…) De heer [betrokkene 5] benadrukt dat zijn samenvatting van zojuist wordt gedragen door VSO. De heer [betrokkene 4] verwijst nogmaals naar de heldere uitspraak van de sectorwerkgever Rijk dat er geen uitkering plaatsvindt voordat er een cao ligt. De vraag is of deze discussie heeft geleid tot een wijziging van dat standpunt. De heer [betrokkene 5] stelt vast dat hij het standpunt van een sectorwerkgever niet kan corrigeren. De heer [betrokkene 9] verwoordt zijn conclusie als volgt. De aanwending van 0.8% is salaris, tenzij er overeenstemming is bereikt over een andere aanwening. Is die overeenstemming er niet, dan wordt het dus salaris per 01-01-2015. Mevrouw [betrokkene 7]nuanceert dat het budget per 0.8% beschikbaar is en zo snel mogelijk wordt uitgekeerd. Er staat nergens dat als er geen overeenstemming is bereikt voor 01-01-2015 het automatisch resulteert in een uitkering per 01-01-2015. De heer [betrokkene 9] beaamt dat, maar de centrales hechten daar wel belang aan.

De hele discussie in achtnemend wordt overgegaan tot de ondertekening van Pensioenakkoord (PK/14.00093) en het Pensioenreglement (PK/14.00098-3).

1.9.

De SCO hebben naar aanleiding van hetgeen op 13 november 2014 in het SOR is besproken bij brief van 25 november 2014 aan de voorzitter van het SOR bericht dat de weigering om de premievrijval per 1 januari 2015 als salarisverhoging uit te keren en het voornemen om deze premievrijval te betrekken bij de komende cao-onderhandelingen, strijdig zijn met het Pensioenakkoord. Om die reden stellen de SCO te hebben besloten het overleg binnen het SOR per direct stil te leggen tot het moment dat de Minister de toezegging heeft gedaan de loonruimte die uit hoofde van het Pensioenakkoord beschikbaar komt per 1 januari 2015 uit te betalen.

1.10.

Bij brief van 18 december 2014 heeft de Minister in reactie op voormelde brief van 25 november 2014 aan de SCO bericht dat hij de in het Pensioenakkoord neergelegde afspraken respecteert. Daarnaast heeft hij de SCO verzocht het overleg binnen het SOR te hervatten. Daarbij heeft de Minister gesteld dat het bestendig gebruik is om salarisverhogingen in cao-verband te plaatsen en dat het Pensioenakkoord daarvoor de ruimte biedt. De Minister heeft voorts bij deze brief aangekondigd dat hij in januari 2015 zijn voorstellen voor het cao-overleg voor de sector Rijk bekend zal maken.

1.11.

De Minister heeft bij brief van 23 januari 2015 zijn voorstellen voor een nieuwe cao voor de sector Rijk aan de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel doen toekomen.

1.12.

Bij brief van 28 januari 2015 hebben de SCO aan de Minister bericht dat wat hen betreft nader overleg aan de sectorale tafel Rijk over de vrijval van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval niet nodig is, nu volstrekt helder is dat deze vrijval beschikbaar is voor de verbetering van het salaris per 1 januari 2015. Volgens de SCO is daarom het meenemen van deze vrijval in het reguliere cao-overleg strijdig met hetgeen in de Pensioenkamer is overeengekomen. De SCO verwijzen in dit verband naar hetgeen op 13 november 2014 van de zijde van het VSO in de Pensioenkamer met betrekking tot de aanwending van de premievrijval is verklaard. Volgens de SCO behoefde aan de sectorale tafel enkel nog gesproken te worden over de aanwending van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval. Nu partijen het hier inmiddels over eens zijn, bestaat volgens de SCO geen noodzaak voor nader overleg hieromtrent aan de sectorale tafel Rijk. Naar de mening van de SCO heeft het voorstel van de Minister te gelden als een vertragingstactiek, waarmee lijnrecht wordt ingegaan tegen het kabinetsbeleid om verlaging van de pensioenpremie door de versobering van de pensioenopbouw zo snel mogelijk om te zetten in koopkrachtverbetering. De SCO hebben de Minister in deze brief ten slotte verzocht schriftelijk te bevestigen dat de salarissen van ambtenaren in de sector Rijk met ingang van 1 januari 2015 met 0,8% worden verhoogd en dit besluit vóór 15 februari 2015 op de geëigende wijze bekend te maken.

1.13.

Bij brief van 20 februari 2015 heeft de advocaat van de vakcentrales de Minister een laatste maal in de gelegenheid gesteld om de bijlagen A en B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 aldus te wijzigen dat de daarin vermelde bedragen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 met 0,8% worden verhoogd en het daartoe strekkende besluit vóór 4 maart 2015 op de geëigende wijze bekend te maken.

2 Het geschil

2.1.

De vakcentrales vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Minister te gebieden om binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis aan alle ambtenaren die een bezoldiging ontvangen op grond van bijlagen A en B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bij wege van voorschot met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 een bedrag te betalen gelijk aan 0,8% van hun salaris, zulks tot het moment dat bijlagen A en B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Ambtenaren met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften van artikel 105 e.v. van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) zullen zijn aangepast en/of in een nog te starten bodemprocedure vonnis zal zijn gewezen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2.

Daartoe voeren de vakcentrales – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Vanaf mei 2014 tot en met medio november 2014 hebben partijen in de Pensioenkamer onderhandeld over de inhoud van het Pensioenakkoord. Het VSO was van meet af aan bereid het werkgeversgedeelte van de pensioenpremievrijval ten goede te laten komen aan de werknemers. Op 13 november 2014 heeft de Minister tijdens het SOR echter onder verwijzing naar de tekst van het onderhandelaarsakkoord voorgesteld deze premievrijval te betrekken bij de nog te maken reguliere cao-afspraken voor de sector Rijk. De vakcentrales stellen primair dat de Minister daarmee het Pensioenakkoord niet op juiste wijze nakomt. Uit de tekst van het Pensioenakkoord volgt volgens hen dat de verlaging van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval in principe dient te leiden tot een verbetering van het salaris, tenzij partijen er gezamenlijk voor kiezen deze premievrijval aan andere arbeidsvoorwaarden te besteden. Partijen zijn het erover eens dat de premievrijval niet aan andere arbeidsvoorwaarden dient te worden besteed, zodat aldus verbetering van het salaris dient plaats te vinden. Het Pensioenakkoord biedt geen grond om de premievrijval mee te nemen in de komende reguliere cao-onderhandelingen in de sector Rijk. De passage ‘in aanvulling op de salarisafspraken op grond van de bestendige sectorsystematiek’ is nu juist in het Pensioenakkoord opgenomen om te benadrukken dat de premievrijval losstaat van de salarisafspraken die via de bestendige sectorsystematiek (dat wil zeggen in een reguliere cao) worden gemaakt. De vakcentrales doen een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en wijzen in dit verband op hetgeen van de zijde van de Minister, meer in het bijzonder door de heer [betrokkene 5], op 13 november 2014 in de Pensioenkamer is verklaard. De heer [betrokkene 5] concludeert immers voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord dat de premievrijval niet noodzakelijkerwijs onderdeel behoeft te zijn van een nog te sluiten cao. Dit brengt met zich dat partijen in het SOR de afspraak kunnen maken om de salarissen van de in de sector Rijk werkzame ambtenaren met ingang van 1 januari 2015 te verhogen. De Minister maakt door handhaving van zijn standpunt misbruik van zijn bevoegdheid. Zijn standpunt dient immers geen redelijk doel en leidt slechts tot een wezenlijke en substantiële vertraging in de uitbetaling van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval, waardoor voormelde ambtenaren schade leiden. Een en ander klemt te meer nu partijen in de sector Rijk er de afgelopen vier jaar niet in zijn geslaagd om een cao af te sluiten en niet te verwachten is dat dit op korte termijn wel zal gaan lukken. Nu de vakcentrales reeds schriftelijk bij brief van 19 februari 2015 hun instemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 105 ARAR, dient de Minister over te gaan tot wijziging van de bijlagen A en B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

2.2.1.

Subsidiair stellen de vakcentrales dat het op oneigenlijke wijze door de Minister invulling geven aan het Pensioenakkoord een onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 BW. Deze handelswijze heeft immers tot gevolg dat de per 1 januari 2015 vrijgevallen premie voor onbepaalde tijd onder het Rijk blijft en niet ten goede komt aan de in de sector Rijk werkzame ambtenaren, hetgeen strijdig is met het Pensioenakkoord. In dat verband is van belang dat het juist het idee van de Minister en het kabinet was om met de premievrijval de koopkracht te bevorderen. De uitvoering van dit idee wordt thans op onredelijke wijze vertraagd. De dientengevolge te lijden schade bestaat hieruit dat de in de sector Rijk werkzame ambtenaren geen pensioen opbouwen over het bedrag waarmee de salarissen per 1 januari 2015 dienden te worden verhoogd. Onduidelijk is in hoeverre dit achteraf kan worden gerepareerd. Daarnaast zullen medewerkers die hangende het cao-overleg met pensioen gaan de zowel de loonsverhoging als de pensioenopbouw over deze verhoging mislopen. Deze schade kan aan de Minister worden toegerekend. De vakcentrales stellen met het oog op het beperken van voormelde schade een spoedeisend belang te hebben bij toewijzing van hun onderhavige vordering.

2.3.

De Minister voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

De Minister heeft ten verwere primair betoogd dat het de vakcentrales ontbreekt aan een (voldoende) spoedeisend belang bij het thans door hen gevorderde. Met de Minister is de voorzieningenrechter van oordeel dat de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het door de vakcentrales gestelde spoedeisend belang. In dat verband is van belang dat ter zitting van de zijde van de Minister is gesteld dat een eventuele loonsverhoging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 kan doorwerken in de pensioengrondslag, ook ten aanzien van hen die voorafgaand aan deze loonsverhoging met pensioen zijn gegaan (en wel in de vorm van een nabetaling). De vakcentrales hebben hierop op hun beurt niet nader onderbouwd waarom dat in hun visie niet mogelijk is. Daarnaast is van de zijde van de Minister aan de hand van een berekening betoogd dat van een acute financiële (nood)situatie, die tot een onmiddellijk ingrijpen van de voorzieningenrechter noopt, geen sprake is nu het op jaarbasis slechts gaat om een zeer beperkt bedrag (tussen de € 3,-- en € 15,--) aan gemiste pensioenopbouw per ambtenaar. Ook naar aanleiding van deze stelling hebben de vakcentrales hun spoedeisend belang niet nader onderbouwd.

3.2.

Echter ook indien moet worden aangenomen dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang, is de vordering van de vakcentrales niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

3.3.

In deze procedure staat ter beoordeling of de Minister (primair) in strijd handelt met het Pensioenakkoord dan wel (subsidiair) onrechtmatig handelt door het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval als gevolg van de per 1 januari 2015 doorgevoerde versobering van de pensioenopbouw te betrekken bij de nog te voeren cao-onderhandelingen aan de sectorale cao-tafel Rijk en dit onderdeel van de pensioenpremievrijval niet – zoals de vakcentrales voorstaan – met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 aan te wenden ter verhoging van de salarissen van de in de sector Rijk werkzame ambtenaren. De Minister heeft ten verwere gemotiveerd betoogd dat het Pensioenakkoord hem wel degelijk de ruimte biedt om eerst in het kader van het nog te voeren reguliere cao-overleg in de sector Rijk met de vakcentrales afspraken te maken over de aanwending van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval. Partijen twisten aldus over de vraag hoe de in rov. 1.6 geciteerde bepaling uit het Pensioenakkoord moet worden begrepen. De voorzieningenrechter knoopt in het kader van de beantwoording van deze vraag aan bij het zogenaamde Haviltex-criterium, op grond waarvan het niet uitsluitend aankomt op de zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, maar ook op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voor het standpunt van geen van beide partijen overtuigende steun worden gevonden in de tekst van het Pensioenakkoord. Op grond van de ter discussie staande bepaling uit dit akkoord krijgt de premievrijval ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels in verbetering van salaris (of andere arbeidsvoorwaarden als cao-partijen daarvoor kiezen), in aanvulling op de salarisafspraken op grond van de bestendige sectorsystematiek’. Helder is dat het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval ten goede dient te komen aan de werknemers en dat een eventuele daaruit voortvloeiende salarisverbetering los moet worden gezien van de salarisafspraken op grond van de bestendige sectorsystematiek (lees: cao-afspraken). Dit staat overigens tussen partijen ook niet ter discussie. De tekst van het Pensioenakkoord geeft echter geen uitsluitsel omtrent de vraag wat moet worden verstaan onder ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’. Is hiermee, zoals de vakcentrales betogen, bedoeld de onderhandelingstafel te duiden waaraan dient te worden overlegd over de besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval of dient deze passage, zoals de Minister voorstaat, aldus te worden begrepen dat eerst een nieuwe sectorale cao moet worden gesloten om bedoelde premievrijval in de salarissen te verwerken? Nu aldus de tekst van het pensioenakkoord ter zake geen uitsluitsel biedt, dient voor wat betreft de zin die partijen aan deze bepaling mochten toekennen en het antwoord op de vraag wat zij op basis van deze bepaling redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, mede acht te worden geslagen op hetgeen partijen hangende de onderhandelingen over het Pensioenakkoord omtrent deze bepaling hebben verklaard.

3.5.

Blijkens het verslag van de zitting van de Pensioenkamer van 13 november 2014 heeft de heer [betrokkene 4] tijdens die zitting namens de vakcentrales betoogd dat hij gedurende de onderhandelingen over het Pensioenakkoord diverse malen de door de vakcentrales voorgestane lezing van voormelde bepaling uit (destijds) het onderhandelingsakkoord aan de diverse sectorwerkgevers heeft voorgehouden en dat de juistheid van de lezing van de vakcentrales keer op keer door de sectorwerkgevers werd onderschreven. Voor zover de vakcentrales dit betoog ook thans aan hun vordering ten grondslag leggen, overweegt de voorzieningenrechter dat de gegrondheid van dit betoog in dit kort geding niet kan worden getoetst. De heer [betrokkene 4] heeft tijdens de zitting van de Pensioenkamer op 13 november 2014 immers eveneens verklaard dat van de desbetreffende onderhandelingsbijeenkomsten geen notulen zijn opgemaakt. Dit betekent dat de stelling van de heer [betrokkene 4] eerst na bewijslevering, naar valt te verwachten in de vorm van het leveren van getuigenbewijs, op juistheid kan worden getoetst. Dergelijke bewijslevering gaat het beperkte bestek van dit kort geding echter te buiten. In het kader van dit kort geding hebben partijen uitsluitend het verslag van het SOR van 13 november 2014 en het verslag van de zitting van de Pensioenkamer van diezelfde dag overgelegd. Bij gebreke van overige verslagen van onderhandelings-bijeenkomsten, dient in dit kort geding de ter discussie staande bepaling van het Pensioenakkoord te worden uitgelegd aan de hand van voormelde twee verslagen.

3.6.

Tijdens het SOR van 13 november 2014 is blijkens het opgemaakte verslag van de zijde van de vakcentrales op basis van het onderhandelingsakkoord het voorstel gedaan de salarissen met ingang van 1 januari 2015 met 0,8% te verhogen. Van de zijde van de Minister is tijdens dit overleg bevestigd dat op basis van het onderhandelingsakkoord per 1 januari 2015 0,8% beschikbaar is voor de sectorale cao-tafels en is voorgesteld het werkgeversgedeelte van de pensioenpremievrijval te betrekken bij het reguliere cao-overleg van de sector Rijk. Daarbij is van de zijde van Minister uitdrukkelijk gesteld dat ‘als het de bedoeling zou zijn geweest dat het geld per 1 januari ineens beschikbaar is, dan zou dat in de pensioenkamer zijn afgesproken en dat is niet het geval.’ Tevens is van de zijde van de Minister benadrukt dat geen verdere toezeggingen kunnen worden gedaan. Nu aldus tijdens dit overleg door partijen dezelfde standpunten zijn ingenomen als in de onderhavige kortgedingprocedure en door geen van beide partijen toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan, waaruit blijkt dat het ingenomen standpunt werd verlaten, is de conclusie dat dit verslag geen aanknopingspunten biedt voor het antwoord op de vraag welke zin partijen aan de desbetreffende bepaling uit het Pensioenakkoord mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten.

3.7.

Het verslag van de zitting van de Pensioenkamer van 13 november 2014 biedt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dergelijke aanknopingspunten wel. De vakcentrales hebben tijdens die zitting benadrukt dat zij, mede gelet op de uitlatingen van de Minister tijdens het SOR eerder die dag, voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord klip en klaar vastgesteld wilden hebben dat de desbetreffende passage in het Pensioenakkoord zal worden uitgevoerd, in die zin dat de salarissen per 01-01-2015 met 0,8% worden verhoogd, tenzij aan de sectorale cao-tafel een andere besteding wordt afgesproken. De heer [betrokkene 5] heeft deze wijze van uitvoeren van het Pensioenakkoord namens het VSO bevestigd en te kennen gegeven dat de discussie tussen partijen nog uitsluitend kan gaan over de besteding, dat wil zeggen of salarisverbetering of verbetering van andere arbeidsvoorwaarden, hetgeen impliceert dat de discussie aan de sectorale cao-tafel zich dient te beperken tot de besteding van de pensioenpremievrijval en aldus niet eerst een sectorale cao dient te worden gesloten alvorens tot uitkering van de pensioenpremievrijval kan worden overgegaan. Mevrouw [betrokkene 6] heeft vervolgens de nodige onduidelijkheid gecreëerd door namens het VSO te benadrukken dat ‘het’ wel op de sectorale cao-tafels ligt en voor wat betreft de gemaakte afspraken te verwijzen naar het onderhandelingsresultaat, waaruit volgens haar niet blijkt ‘dat de salarissen per 01-01-2015 in de sectoren verhoogd worden, tenzij anders overeengekomen’. Volgens haar wordt er ‘pas iets veranderd als er afspraken zijn gemaakt’. Onduidelijk blijft echter waarover in de visie van mevrouw [betrokkene 6] afspraken dienen te worden gemaakt. Nadat een pauze was ingelast heeft de heer [betrokkene 5] desgevraagd omtrent de intentie van de gemaakte afspraak in het onderhandelingsakkoord onder meer het volgende verklaard: “Een deel van die vrijval en een deel van die opbrengstbesparing hebben partijen besteed aan de kwaliteit van de pensioenregeling en een deel van de opbrengst die niet is besteed, hebben partijen door laten vertalen in de vorm van een concreet genoemd bedrag in termen van pensioenpremie uitgedrukt, naar loon ten behoeve van de sectorale cao-tafels, zodat zij aldaar met elkaar kunnen spreken over de aanwending van het budget. Dat kan zijn in de vorm van salaris of andere arbeidsvoorwaarden, in aanvulling op de reguliere salarisafspraken op grond van de cao. Het is volstrekt helder dat het geld beschikbaar is met ingang van 01-01-2015 en dat het geld tot besteding moet komen en dat de sectoren daar afspraken over moeten maken. Voorzitter [betrokkene 8] heeft, eveneens namens het VSO, de nuance aangebracht dat de term sectorale cao-tafels wordt gebruikt als duiding van de overlegtafel, niet van een cao. De heer [betrokkene 5] heeft hierop te kennen gegeven dat de besteding onderdeel kan zijn van een cao, maar dat dit niet hoeft. De heer [betrokkene 5] heeft vervolgens benadrukt dat zijn samenvatting wordt gedragen door het VSO. Ten slotte zijn partijen overgegaan tot het ondertekenen van het Pensioenakkoord.

3.7.1.

Nu de heer [betrokkene 5] heeft benadrukt dat zijn verwoording van de intentie van het Pensioenakkoord door VSO wordt gedragen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat het Pensioenakkoord aldus moet worden begrepen dat (a) het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval beschikbaar is met ingang van 1 januari 2015, (b) dit geld tot besteding moet komen en (c) dat de sectoren afspraken moeten maken over de besteding daarvan. Daarnaast volgt uit hetgeen de heer [betrokkene 5] namens VSO heeft verwoord dat beide partijen voorafgaand aan de ondertekening van het Pensioenakkoord aan de daarin opgenomen zinsnede ‘volledige doorwerking via de sectorale cao-tafels’ dezelfde betekenis toekenden, te weten de duiding van de overlegtafel waaraan overleg dient te worden gevoerd over de besteding van de pensioenpremievrijval en niet de duiding van het onderhandelingsproces (het sluiten van een sectorale cao). De stelling van de Minister dat eerst een sectorale cao dient te worden afgesloten alvorens tot besteding van de pensioenpremievrijval kan worden gekomen, vindt aldus geen steun in het op 13 november 2014 bereikte onderhandelingsresultaat. Nu de Minister zijn met het Pensioenakkoord strijdige standpunt na de ondertekening van het Pensioenakkoord onverkort heeft gehandhaafd, is invoelbaar dat de vakcentrales in reactie hierop het SOR, en meer in het bijzonder het overleg tussen de Minister en de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, dat voor wat betreft de sector Rijk heeft te gelden als sectorale cao-tafel, hebben opgeschort. Echter op grond van artikel 105 ARAR dient aan de sectorale cao-tafel Rijk overleg te worden gevoerd over zowel de besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval als over het voorstel van de Minister om de besteding van deze vrijval te betrekken bij de nog te voeren cao-onderhandelingen in de sector Rijk. De omstandigheid dat het Pensioenakkoord de besteding van de premievrijval niet koppelt aan het sluiten van een cao, laat immers onverlet dat de Minister aan de sectorale cao-tafel wel het voorstel kan doen om deze koppeling aan te brengen. Over dit voorstel alsmede over de besteding van de premievrijval dient met inachtneming van de voorschriften van artikel 105 ARAR te worden beslist. Vaststaat dat het overleg en de besluitvorming als hiervoor bedoeld tot op heden niet hebben plaatsgevonden. Dit staat – zoals van de zijde van Minister terecht is opgemerkt – aan toewijzing van de vordering van de vakcentrales in de weg.

3.8.

Hoewel de vordering van de vakcentrales niet toewijsbaar is, ziet de voorzieningenrechter in het door de Minister handhaven van zijn met het Pensioenakkoord strijdige standpunt dat eerst een nieuwe cao voor de sector Rijk dient te worden afgesloten alvorens tot besteding van het werkgeversdeel van de pensioenpremievrijval kan worden gekomen, aanleiding de proceskosten te compenseren op de wijze als hierna vermeld.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.