Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
3859073 / CV EXPL 15-846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia vordert dat bij vonnis voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de tussen haar en afnemer gesloten leaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer verschuldigd is. Het vooropgestelde verweer van de afnemer dat Dexia geen belang heeft bij deze vordering en de stelling dat door Dexia misbruik wordt gemaakt van procesbevoegdheid wordt afgewezen. Vervolgens wordt beoordeeld het verweer van de afnemer dat hij nog vorderingen op Dexia heeft en dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht daarom niet kan worden toegewezen. In het kader van dit verweer komen aan de orde de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote en de verjaring hiervan, de aankoop en behoud van aandelen door Dexia, de beurskoersen waartegen wordt afgerekend, beleggingstechnische tekortkomingen van de leaseproducten, de door afnemer aangevoerde advisering en de aanspraak op buitengerechtelijke kosten. Ook dit verweer wordt verworpen en de kantonrechter wijst de vordering van Dexia toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Locatie Leiden

FV

Rolnr.: 3859073 / CV EXPL 15-846

Datum: 7 oktober 2015 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

Partijen zullen hierna “Dexia” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.

Procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-

de dagvaarding van 2 februari 2015 van Dexia, met producties,

-

de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties,

-

de conclusie van repliek met producties,

-

de conclusie van dupliek met producties,

-

de akte uitlating producties van Dexia.

Op 17 augustus 2015 heeft een pleidooi plaatsgevonden in onder meer 28 andere “Leidse Dexia-zaken”, waarbij in die zaken de gemachtigden van de partijen (tevens gemachtigden van partijen in deze zaak) een nadere toelichting hebben gegeven. Tijdens de zitting hebben voornoemde gemachtigden aangegeven dat deze toelichting moet worden geacht ook in deze procedure te zijn gegeven, voor zover het onderwerpen betreft die hierin aan de orde zijn gesteld.

De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

a

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster als rechtspersoon opgehouden te bestaan. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b

[gedaagde] heeft de navolgende twee leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij Dexia (hierna: de leaseovereenkomsten):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

36002099

13-11-1997

Spaarleasen

180 mnd

ƒ 45.129,60

36002100

13-11-1997

Spaarleasen

180 mnd

ƒ 45.129,60

c

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

36002099

21-11-2005

+ € 3.600,18

36002100

21-11-2005

+ € 3.600,18

d

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van ieder van de leaseovereenkomsten € 10.921,92 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Het aan [gedaagde] uitgekeerde dividend bedraagt per leaseovereenkomst € 2.415,20.

e

Bij brief van 16 februari 2006 heeft [de vrouw] , echtgenote van [gedaagde] , aan Dexia bericht dat zij aan [gedaagde] geen toestemming heeft verleend voor de twee met Dexia afgesloten leaseovereenkomsten en dat zij die overeenkomsten vernietigt op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 1:89 BW.

f

De toenmalige gemachtigde van [gedaagde] heeft Dexia bij brief van 4 april 2006 – voor zover hier van belang – als volgt aangeschreven:

Hierbij bericht ik u dat bovengenoemde cliënt mij verzocht heeft zijn belangen in het geschil met u te behartigen. Ik sluit een kopie van de door hem getekende volmacht bij.

Ik sluit tevens een concept bij van de door de echtgenote van cliënt aan u gerichte brief waarin de contracten worden vernietigd op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van de andere echtgenote. Namens cliënt wordt een beroep gedaan op de aldus ontstane nietigheid.

(...)

Voorts worden de contracten voor zover nog nodig, vernietigd c.q. ontbonden op grond van de artikelen 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), 6:74 BW (wanprestatie), 6:162 BW (onrechtmatige daad), 6:194 BW (misleidende reclame) en 6:228 BW (dwaling). Namens cliënt wordt het recht voorbehouden om hiertoe nog andere gronden aan te voeren.

(...)

Op grond van het bovenstaande wordt u hierbij verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om binnen twee weken na heden alle door cliënt aan u betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen alsmede het BKR te Tiel op de hoogte te stellen van het feit dat de contracten met terugwerkende kracht nietig zijn en dus geacht moeten worden nimmer te hebben bestaan.

(...)

Sans préjudice en onder voorbehoud van alle rechten.

g

Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [gedaagde] is aan Dexia meegedeeld dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

h

Bij brief van 14 augustus 2014 heeft Dexia het volgende – voor zover van belang – aan [gedaagde] meegedeeld:

In het verleden heeft u effectenleaseovereenkomsten met Dexia afgesloten. Uw belangenbehartiger, Leaseproces B.V., heeft namens u aangegeven dat u in aanmerking zou komen voor een schadevergoeding, maar heeft dit nimmer toegelicht. Dexia wil graag met u bepalen of u nog in aanmerking komt voor een schadevergoeding.

Dexia volgt bij het bepalen of u in aanmerking komt voor een schadevergoeding het Hofmodel van het Gerechtshof Amsterdam. Bij dit Hofmodel wordt gekeken of de verplichtingen voor uw overeenkomsten een aanvaardbaar of onaanvaardbaar zware financiële last vormden. De hoogte van de schadevergoeding is afhankelijk van het antwoord op deze vraag. (...) Als u kunt aantonen dat in uw geval sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last dan komt u mogelijk wel in aanmerking voor een schadevergoeding. Meer informatie vindt u op www.dexia-schikken.nl.

Aan USG Legal Professionals is gevraagd uw situatie samen met u door te nemen. Zij zullen in de komende maanden contact met u opnemen. (...)

i

USG Legal Professionals heeft bij brief van 30 september 2014 aan [gedaagde] meegedeeld dat Dexia het geschil met [gedaagde] definitief wenst te beëindigen en verzoekt [gedaagde] hieraan mee te werken. [gedaagde] is hierbij de mogelijkheid geboden om gegevens aan te leveren teneinde, conform het zogenoemde “hofmodel”, aan te tonen dat [gedaagde] recht zou hebben op enige schadevergoeding. Indien [gedaagde] zou menen geen recht te hebben op enige schadevergoeding is aan [gedaagde] verzocht de bijgevoegde waiver te ondertekenen en te retourneren. Een kopie van deze brief is aan de gemachtigde van [gedaagde] verzonden.

j

Op de voormelde brief van 30 september 2014 van USG Legal Professionals is geen antwoord gevolgd.

Vordering

Dexia vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de met [gedaagde] gesloten leaseovereenkomsten met nummers 36002099 en 36002100 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Hetgeen Dexia ter toelichting van deze vordering heeft gesteld komt op het volgende neer.
Dexia ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft in verband met de tussen hen gesloten leaseovereenkomsten.

Verweer

Het verweer, waarmee [gedaagde] de vordering heeft bestreden, zal – voor zover daaraan wordt toegekomen – hierna aan de orde komen.

Beoordeling
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – waaronder [gedaagde] – aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen maakt deel uit van een groot aantal financiële massa-schadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massa-schadezaken als geheel is en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en de gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaat- staven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of er nog sprake is van aanspraken van [gedaagde] jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

Naar aanleiding hiervan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraak van [gedaagde] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de leaseovereenkomsten), dat méér dan 15 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomsten heeft al vele jaren geleden plaatsgevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer zes jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] een vordering op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] worden geacht reeds vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid te hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vordering op Dexia te onderzoeken.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof Amsterdam - dan wel in de daarna uitgesproken arresten - is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof Amsterdam, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en) van hof Amsterdam. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde] . Een dergelijke mogelijkheid is immers altijd aanwezig, ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft. Voor zover [gedaagde] van mening is dat hij nog een vorderingsrecht jegens Dexia heeft dan is hij voldoende in de gelegenheid geweest om een daartoe strekkend verweer in conventie te voeren en/of een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van zijn aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM – wat daar verder ook van zij – kan dan ook geen sprake zijn.

Er bestaat geen aanleiding voor een aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde leaseovereenkomsten worden behandeld en beslist.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt. Dit is evenmin in strijd met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op de vordering van Dexia zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

De vernietiging van de leaseovereenkomsten op grond van artikel 1:88 jo. 1:89 BW

Dit onderwerp van geschil spitst zich toe op de buitengerechtelijke vernietiging van de twee leaseovereenkomsten (door [gedaagde] aangegaan op 13 november 1997) door de echtgenote van [gedaagde] bij de aan Dexia verzonden brief van 16 februari 2006 (zie feiten sub e).

Dexia stelt zich op het standpunt dat het recht van de echtgenote van [gedaagde] om de leaseovereenkomsten op grond van artikel 1:88 BW jo. artikel 1:89 BW te vernietigen reeds was verjaard op 16 februari 2006. Dexia beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 3:52 lid 1 sub d BW en op jurisprudentie ten aanzien van deze bepaling. De verjaring vangt volgens artikel 3:52 lid 1 sub d BW aan drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. Voor de uitleg die in vergelijkbare procedures is gegeven aan het wettelijk criterium “ten dienste is komen te staan” heeft Dexia onder meer verwezen naar HR 20 april 2001, NJ 2002/384 en naar een tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, d.d. 1 september 2005 (kenmerk CV 04-21012).

[gedaagde] betwist dat de rechtsvordering tot buitengerechtelijke vernietiging van de leaseovereenkomsten door zijn echtgenote op 16 februari 2006 was verjaard. Door [gedaagde] is niet weersproken dat zijn echtgenote in 1997 wist dat de leaseovereenkomsten door hem werden afgesloten. Ook wist zijn echtgenote dat de overeenkomsten iets met aandelen te maken hadden en dat het ging om beleggingen met geleend geld. Zij wist echter niet dat het ging om zeer risicovolle overeenkomsten die tot grote schulden konden leiden, laat staan dat zij wist dat het ging om een huurkoopovereenkomst. Zijn echtgenote wist pas kort voor het versturen van de vernietigingsbrief dat zij schriftelijke toestemming had moeten verlenen en dat zij door het gebrek daaraan een vernietigingsbevoegdheid had.

Zij was niet eerder dan drie jaar voor het versturen van de vernietigingsgrond aan Dexia op de hoogte van het feit dat zij ingevolge artikel 1:88 en 1:89 BW die bevoegdheid had. Hieruit vloeit voort dat de vernietigingsbevoegdheid niet eerder dan drie jaar voor het versturen van de vernietigingsbrief aan haar ten dienst is komen te staan. [gedaagde] ontleent dit standpunt aan de door hem genoemde jurisprudentie en aan de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling.

Ter beoordeling ligt derhalve voor hoe het criterium “ten dienste komen te staan” uit artikel 3:52 lid 1 sub d BW moet worden uitgelegd. Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat dit niet betekent dat de echtgeno(o)t(e), die bekend is geworden met het bestaan van een bepaalde overeenkomst voor het aangaan waarvan zijn of haar toestemming was vereist, tevens bekend is met de juridische beoordeling van de overeenkomst. Evenmin hoeft die echtgeno(o)t(e) bekend te zijn met de rechten die voor hem of haar uit de juridische beoordeling van de betrokken overeenkomsten voortvloeien. Voldoende, maar ook noodzakelijk, is dat de echtgeno(o)t(e) van wie de toestemming was vereist met het feitelijk bestaan van de overeenkomst(en) bekend is geworden. Door verloop van drie jaar na het tijdstip hiervan verjaart niet alleen zijn of haar vordering tot vernietiging van de betrokken overeenkomst(en), maar vervalt ook de bevoegdheid deze op dezelfde grond door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen (dit volgt uit artikel 3:52 lid 2 BW). In deze zin heeft de Hoge Raad zich overigens thans ook uitgesproken in zijn arrest van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1866).

In deze procedure staat vast dat [gedaagde] de twee leaseovereenkomsten op 13 november 1997 is aangegaan en dat zijn echtgenote hiervan toen ook wetenschap heeft gehad. Pas bij de brief van 16 februari 2006 (zie feiten sub e) is de vernietiging van de leaseovereenkomsten ingeroepen. De verjaringstermijn van drie jaren uit artikel 3:52 lid 1 sub d BW was toen ruim overschreden en de vernietiging is mitsdien zonder rechtsgevolg gebleven. Partijen zijn aan de tussen hen gesloten leaseovereenkomsten gebonden gebleven.

Aankoop en behoud aandelen

De stellingen van [gedaagde] inhoudende dat Dexia niet op de in de leaseovereenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagde] aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In haar beschikking van 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande leaseovereenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door de AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). In dit arrest heeft het hof Amsterdam eveneens de stelling verworpen dat uit het feit dat in de jaarrekeningen aanzienlijke optieposities worden genoemd om de verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten af te dekken, volgt dat Dexia geen aandelen heeft gekocht. De kantonrechter sluit zich bij de daarin genoemde overwegingen aan. Daarbij komt dat de gegevens uit de jaarrekeningen waarnaar [gedaagde] verwijst in de onderzoeksperiode ook bekend waren en kennelijk geen aanleiding vormden voor nader onderzoek op dit punt voor de betrokken partijen. Concrete feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn door [gedaagde] niet gesteld, zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagde] worden gepasseerd.

Beurskoersen

[gedaagde] stelt dat Dexia bij de aankoop van de aandelen waar de leaseovereenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd, omdat zij mogelijk een opslag in rekening bracht. Hij stelt dat Dexia door de wijze waarop zij de aandelen aankocht een gemiddelde prijs kon behalen, maar mogelijk een opslag heeft berekend door aan de belegger de hoogste dagkoers in rekening te brengen.

Ten aanzien van dit door Dexia betwiste verweer wordt het volgende overwogen. De bij de aankoop gehanteerde beurskoersen zijn in de overeenkomsten zelf opgenomen en de exacte informatie over de beurskoersen is op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk. Tegen die achtergrond heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat Dexia in zijn concrete geval een onjuiste koers in rekening heeft gebracht. Uit de door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat Dexia een hogere dagkoers dan de laagste danwel de door Dexia behaalde gemiddelde dagkoers in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft daarmee onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in zijn geval en met betrekking tot de in geding zijnde leaseovereenkomsten in strijd met de gesloten leaseovereenkomsten dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige leaseovereenkomsten.

Beleggingstechnische tekortkomingen

[gedaagde] stelt dat de door Dexia aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor [gedaagde] ofwel heeft gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagde] meent dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven:

  1. de samenstelling van de portefeuille is onvoldoende gespreid; het zijn drie of vier fondsen, terwijl het tien tot twintig fondsen zouden moeten zijn;

  2. feitelijk is het onmogelijk de leaseovereenkomsten tussentijds te beëindigen of de aandelen om te wisselen;

  3. gezien de hoge rente op de lening bestaat er slechts een kleine mogelijkheid om rendement te maken;

  4. e leaseovereenkomsten bieden geen mogelijkheid om koersverliezen af te dekken;

  5. r dient niet belegd te worden met geleend geld.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] , daaronder begrepen de verwijzing naar de conclusies van prof. dr. M. Damm in zijn rapport van 7 oktober 2013 waar ook in deze procedure naar wordt verwezen, zijn in het arrest van hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) uitgebreid besproken en verworpen (vgl. r.o. 3.18 van dat arrest). Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling in verband met een onjuiste voorstelling van zaken betreffende de beleggingstechnische risico’s. Naar die overwegingen wordt verwezen en deze maakt de kantonrechter tot de zijne. De stelling dat effectenleaseovereenkomsten zoals Dexia die aanbood veel meer risico in zich droegen dan het ‘gewoon’ beleggen in aandelen met geleend geld en dat bij de vaststelling van de mate van eigen schuld van de afnemers rekening zou moeten worden gehouden met een veel hoger risico bij effectenleaseproducten dan een normaal beleggersrisico, wordt verworpen.

De rapporten van dr. A. Plantinga en prof. dr. J. Koelewijn, die [gedaagde] ter gelegenheid van het pleidooi nog heeft overgelegd, hebben de kantonrechter er niet van overtuigd dat in deze anders dient te worden geoordeeld dan hiervoor is vermeld.

Advisering door of namens Dexia (Vero)

Partijen zijn het er over eens dat Dexia gebruik heeft gemaakt van het externe callcenter Vero Telemarketing v.o.f. (hierna: Vero) teneinde haar producten onder de aandacht van het publiek te brengen. Dexia heeft onweersproken gesteld dat de medewerkers van Vero zich met toestemming van Dexia als medewerkers van Dexia hebben gepresenteerd.

[gedaagde] heeft – samengevat – het volgende standpunt ingenomen. De medewerker van Vero heeft [gedaagde] ongevraagd benaderd, geadviseerd en daarbij onvolledige en onjuiste informatie verstrekt.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat een medewerker van Vero hem destijds ongevraagd telefonisch heeft benaderd en het product “Spaarleasen” aan hem heeft aangeprezen als een uniek spaarproduct. Hij liet toen aan de medewerker van Vero weten dat hij wel wilde sparen om zijn pensioen aan te vullen, waarop de medewerker van Vero vertelde dat dit product uitstekend geschikt was voor deze doelstelling. [gedaagde] stemde er mee in dat een folder van dit product aan hem werd toegezonden. Hierna werd hij enkele malen telefonisch benaderd door een medewerker van Vero en werd hij door een medewerker op zijn werk bezocht. Aan hem werd verzekerd dat het product “Spaarleasen” een goed product was. Over de enorme risico’s die aan dit product kleefden, werd hij niet geïnformeerd. Hem werd verteld dat hij met het Spaarleaseproduct sowieso winst zou behalen en op die manier zijn pensioen kon aanvullen.

Voorts verwijst [gedaagde] ter onderbouwing van zijn stellingen naar de instructie van Vero aan de medewerkers over hoe zij te werk moesten gaan bij het verkopen van de producten van Dexia. In die instructie staat de opbouw van een adviesgesprek weergegeven. Daarin staat onder andere dat de medewerkers de behoefte moesten bepalen en zo nodig creëren. Verder staat daarin dat, naast een brochure, een persoonlijk rekenvoorbeeld werd aangeboden en dat een advies werd gegeven over de hoogte van het rekenvoorbeeld aan de hand van persoonlijke gegevens. Vervolgens diende een terugbelafspraak te worden gemaakt ter bespreking van de toegestuurde informatie.

[gedaagde] heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad (Van Uden/NBG) van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) aangevoerd dat hij er in beginsel van mocht uitgaan dat Vero de op haar rustende zorgplicht jegens hem naleefde. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat hij bij een door Vero geadviseerde constructie minder snel bedacht hoefde te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De relatie tussen [gedaagde] en Vero verschilt, volgens [gedaagde] , aldus wezenlijk van de standaard effectenleaserelatie waarop de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 zien. Dit betekent volgens [gedaagde] dat in het onderhavige geval niet kan worden uitgegaan van een verdeling van de schade, zoals in de effectenleaserechtspraak is beslist.

Dexia heeft dit verweer van [gedaagde] weersproken en daarbij onder meer betwist dat er sprake is geweest van advisering aan [gedaagde] door een medewerker van het door haar ingeschakelde callcenter Vero.

Ten aanzien van het geschil van partijen inzake advisering wordt het volgende overwogen.

Vero heeft (namens Dexia) een effectenleaseproduct van Dexia aan [gedaagde] aangeboden. In het onderhavige geval betrof dit het kant-en-klare product “Spaarleasen”.

Daarmee ligt de vraag voor of in dit geval een advies is gegeven op grond waarvan dient te worden besloten tot een andere verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld dan die uit de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel voortvloeit. [gedaagde] heeft hiertoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725). In dit arrest heeft de Hoge Raad een onderscheid gemaakt tussen een standaard effectenleaserelatie (zoals aan de orde in de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel) en advisering waarbij een opdrachtgever een financieel dienstverlener heeft benaderd voor een op zijn specifieke situatie toegesneden advies. In een zodanige situatie rust op de dienstverlener een bijzondere zorgplicht, die onder meer behelst dat zij naar behoren onderzoek doet naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat zij hem dient te waarschuwen voor eventuele risico's, alsook voor het feit dat een door hem beoogde of toegepaste constructie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid. In dat geval mag de cliënt er in beginsel van uitgaan dat de dienstverlener die zorgplicht jegens hem naleeft en hoeft een cliënt bij die geadviseerde constructie minder snel bedacht te zijn op en zich minder snel eigener beweging te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een kant-en-klaar effectenleaseproduct (zoals het product “Spaarleasen”).

Uit de door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat de medewerker van Vero [gedaagde] een op zijn persoonlijke situatie toegesneden advies over dit specifieke product heeft gegeven, waardoor [gedaagde] eerder mocht afgaan op dat verstrekte advies en minder snel bedacht behoefde te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoefde te verdiepen in niet vermelde risico’s dan diegene die zich zonder dat advies te hebben verkregen wendde tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. Enkel de - door Dexia betwiste - mededeling van de Vero-medewerker, dat het kant-en-klare product “Spaarleasen” een uniek spaarproduct betreft dat geschikt is voor de doelstelling pensioenaanvulling, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. Weliswaar kan uit de door [gedaagde] overgelegde instructie worden afgeleid dat het voorkwam dat potentiële beleggers een op hun persoonlijke situatie toegesneden advies kregen, maar [gedaagde] heeft niet gesteld dat dit bij hem ook het geval is geweest. Zo heeft hij niet gesteld dat ook aan hem een persoonlijk rekenvoorbeeld is toegestuurd en dat hij naar aanleiding daarvan is teruggebeld ter bespreking van het toezonden materiaal. Dit had wel op zijn weg gelegen. De omstandigheid dat [gedaagde] mogelijk in algemene zin is geadviseerd en dat het product hem ongevraagd is aangeprezen geeft onvoldoende aanleiding voor een andere verdeling van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld dan die uit de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad en het hofmodel voortvloeit. Deze conclusie betekent dat niet meer wordt toegekomen aan hetgeen [gedaagde] overigens bij dit onderdeel van het verweer nog heeft aangevoerd.

Buitengerechtelijke kosten

[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die zijn gemachtigde voorafgaand aan deze procedure heeft verricht. Uit die beschrijving blijkt dat het ten dele gaat om werkzaamheden ter instructie van de zaak, waarvoor in geval van een procedure de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde (proces)kosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Dit zijn derhalve geen buitengerechtelijke verrichtingen die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De beschrijving ziet voor het overige op gestandaardiseerde buitengerechtelijke verrichtingen van de gemachtigde van [gedaagde] , tevens gemachtigde van een zeer groot aantal andere opponenten van Dexia. Een opgave en specificatie van aan deze gestandaardiseerde verrichtingen verbonden kosten ontbreekt en evenmin is onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten aan [gedaagde] zullen worden toegerekend. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] ter zake van buitengerechtelijke kosten nog een vordering op Dexia geldend zal kunnen maken.

Slotsom

Niet is in geschil dat bij toepassing van de maatstaven en beoordelingskaders (zoals geformuleerd door de Hoge Raad in de voormelde arresten van 2008 en 2009 en nader uitgewerkt in het hofmodel) [gedaagde] – die geen restschuld heeft – geen recht heeft op schadevergoeding jegens Dexia. De door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan gevoerde verweren bieden geen grond om van deze jurisprudentie af te wijken. Volledigheidshalve wordt hierbij nog overwogen dat de kantonrechter bij het voorgaande is uitgegaan van de door Dexia bij inleidende dagvaarding overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken. Nu Dexia uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomsten, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben. Dit betekent dat de vordering van Dexia toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten met de nummers 36002099 en 36002100 heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op:
voor verschuldigd griffierecht € 116,00
voor het exploot van dagvaarding € 77,84

informatiekosten € 1,63
voor salaris gemachtigde € 150,00 +
totaal € 345,47, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten;

-
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.P.L.M. Vennix en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2015 (bij vervroeging) in tegenwoordigheid van de griffier.