Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11408

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
C/09/492901 / KG ZA 15-1085
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

BREIN vordert van Google afgifte persoonsgegevens van aanbieder e-books via Google Play. Afweging belangen/grondrechten. Toewijzing onder voorwaarde.

Wetsverwijzingen
Auteurswet 1912
Auteurswet 1912 28
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2016/12 met annotatie van F.W.E. Eijsvogels
JBP 2015/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/492901 / KG ZA 15-1085

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING BREIN,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mr. D.J.G. Visser en mr. P. de Leeuwe te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

GOOGLE INC.,

gevestigd te Mountain View, California, Verenigde Staten van Amerika,

2. de vennootschap naar vreemd recht

GOOGLE IRELAND LTD.,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagden,

advocaten mr. R.D. Chavannes en mr. A. Strijbos te Amsterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds ‘BREIN’ en anderzijds ‘Google’, respectievelijk afzonderlijk ‘Google Inc’ en ‘Google Ireland’, genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 juli 2015;

- de bij brief van mr. Visser van 29 juli 2015 overlegde producties 1-19;

  • -

    de bij brief van 10 september 2015 van mr. Chavannes ingediende conclusie van antwoord met daarbij producties 1-5;

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 september 2015;

  • -

    de pleitnota van BREIN;

  • -

    de wijziging van eis;

  • -

    de pleitnota van Google.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

BREIN is opgericht door de stichting Stemra, de Nederlandse Vereniging van Producenten en Importeurs van Beeld- en Geluidsdragers (NVPI), de Motion Picture Association (MPA) en de Nederlandse Vereniging van Filmdistributeurs (NVF). Tevens neemt onder andere het Platform Multimediaproducenten en het Nederlandse Uitgeversverbond (NUV) deel aan BREIN. Deze partijen zijn, tezamen met hun leden, aangesloten bij BREIN (hierna ook wel: ‘Aangeslotenen’ of ‘Rechthebbenden’).

2.2.

De statuten van BREIN vermelden als doelstelling:

“het bestrijden van de onrechtmatige exploitatie van informatiedragers en informatie en het te dien einde behartigen van de belangen van de rechthebbende op informatie en van de rechtmatige exploitanten daarvan, met name van haar aangeslotene, in het bijzonder door het handhaven, het bevorderen en verkrijgen van een afdoende juridische bescherming van de rechten en belangen van die rechthebbenden en exploitanten, alles in de ruimste zin.”

2.4.

Onder de naam ‘Google Play’ biedt Google Inc. een website en een applicatie aan waarmee apps kunnen worden geïnstalleerd op mobiele telefoons en tablets die draaien op Android. Google Play is in feite de Android-tegenhanger van de App Store van Apple.

2.5.

Via Google Play worden naast apps, ook films, muziek en e-books aangeboden. Deze worden aangeboden in respectievelijk Google Play Films, Google Play Muziek en Google Play Boeken. Bij Google Play Boeken wordt de content als afkomstig van derden door Google verkocht. Een e-book wordt betaald aan en geleverd door Google Ireland, althans Google.

2.6.

Google biedt daarbij het zogenaamde ‘Books Partner Center’ aan. Dit geeft derden een platform om ‘van hen afkomstige’ e-books via Google Play Boeken te distribueren en daarvoor geld te vragen. Vanaf eind mei 2015 lijkt het, in ieder geval in Nederland, niet meer mogelijk om een account bij het ‘Books Partner Center’ aan te maken. De reeds ingeschreven aanbieders kunnen dit platform echter wel blijven gebruiken.

2.7.

In mei 2015 bereikte BREIN de melding van een uitgeverij dat via Google Play Boeken onder de naam ‘Flȃmanca Hollanda’ een groot aantal Nederlandstalige e-books – te weten werken van Nederlandse auteurs of Nederlandse vertalingen van werken van buitenlandse auteurs – tegen een lage prijs te koop werd aangeboden. Zo werden op dit account e-books van onder meer Harry Mulisch, (vertalingen van) John Grisham en Tommy Wieringa tegen een prijs van € 2,21 aangeboden, in plaats van de gebruikelijke € 13 - 15.

2.8.

Bij bijna alle aangeboden titels van dit account ontbreekt de (juiste) naam van de auteur en werd daarvoor in de plaats ‘Flȃmanca Hollanda’ vermeld. Ook werd in de meeste gevallen ‘dragonletebooks’ vermeld in plaats van de daadwerkelijke uitgever. Voorts werden via dit account e-books aangeboden zonder cover, met een aangepaste cq. ‘zelf ontworpen’ cover, met een verouderde cover of met een cover die is overgenomen van een andere retailer, zoals bol.com.

2.9.

Op 18 mei 2015 heeft BREIN een testaankoop gedaan van een e-book aangeboden via het account van Flȃmanca Hollanda. Naar aanleiding van de betaling van een bedrag van € 2,29 aan de verkoper, Google Ireland, ontving BREIN het desbetreffende e-book digitaal. De cover van dit e-book is afkomstig van retailer bol.com. Bovendien is dit niet de cover waaronder het e-book wordt uitgegeven, maar de cover van een paperback uitgave. Ook komt het aantal bladzijden van het e-book niet overeen met het aantal bladzijden van het legaal aangeboden e-book.

2.11.

Op 19 mei 2015 heeft BREIN bij Google melding gemaakt van de naar haar mening inbreukmakende activiteiten die plaatsvonden op het Google Play account Flȃmanca Hollanda. Daarbij heeft BREIN Google verzocht het account van Google Play te verwijderen en BREIN de identificerende bedrijfsgegevens van de verantwoordelijke(n) voor dit account te verstrekken.

2.12.

Op 22 mei 2015 heeft Google bevestigd dat het desbetreffende account is verwijderd. Voor het verzoek tot opgave van de identificerende bedrijfsgegevens, is BREIN verwezen naar de juridische afdeling van Google Inc. Op 27 mei 2015 heeft BREIN melding bij de juridische afdeling van Google Inc. gedaan, in reactie waarop Google heeft aangegeven niet bereid te zijn deze identificerende gegevens vrijwillig aan BREIN te verschaffen.

2.13.

Ook in reactie op de sommatie van de advocaat van BREIN van 12 juni 2015 aan Google, is verwezen naar het antwoord van de juridische afdeling van Google Inc. van 2 juni 2015.

3 Het geschil

3.1.

BREIN vordert na eiswijziging:

1. Google te gebieden om binnen 3 weken na het te dezen te wijzen vonnis aan de raadsman van BREIN ten behoeve van BREIN de volgende gegevens, voor zover Google daarover beschikt, te verschaffen met betrekking tot de houder(s) van de Google Play Books Partner Center Publisher Account(s) van waaruit boeken zijn geüpload onder de Google Play Books URL(s) die BREIN heeft aangemeld in haar verwijderingsverzoek van 19 mei 2015 (Google zaaknr. 76488000007259) (hierna: de betrokkene respectievelijk het Publisher Account), zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding:

Ten aanzien van het Publisher Account:

a. abonnee-informatie;

b. het IP adres van de computer waarmee het Publisher Account is aangemaakt;

c. facturatie-informatie, d.w.z. postadres en bankrekeningnummer, naam van de bank en tenaamstelling van de bankrekening;

Ten aanzien van het Google Account dat is gebruikt om het Publisher Account aan te maken:

d. de datum en tijd waarop het Google Account is aangemaakt;

e. het IP adres van de computer waarmee het Google Account is aangemaakt;

f. IP adressen van de computers waarmee de gebruiker heeft ingelogd op het Google Account;

g. het voor het Google Account opgegeven secundaire emailadres en de opgegeven voor-en achternaam;

een en ander onder de voorwaarde dat de betrokkene niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis bij enige rechterlijke instantie een procedure is gestart met het doel om verstrekking van deze gegevens aan BREIN te voorkomen;

zulks met bepaling dat indien de betrokkene wel binnen de genoemde termijn een dergelijke procedure is gestart en Google daarover heeft geïnformeerd, Google deze informatie onmiddellijk ter kennis brengt van BREIN en van de voorzieningenrechter, waarna de voorzieningenrechter, na partijen hierover te hebben gehoord, alsnog – bij wijze van onvoorwaardelijke uitspraak – een oordeel zal vellen over de eventuele gevolgen van die procedure voor de aan Google opgelegde verplichting;

2. Te bepalen dat het onder 1. gegeven bevel uitvoerbaar bij voorraad is, doch uitsluitend voor zover het ziet op de verstrekking van gegevens die betrekking hebben op adressen, bankrekeningen en IP-adressen binnen de Europese Unie.

3. Google te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

BREIN legt aan haar vorderingen ten grondslag dat via (het op Nederland gerichte deel van de website) Google Play illegale e-books te koop zijn aangeboden door de houder van de Google- en Publisher account Flȃmanca Hollanda. BREIN wenst afgifte van de persoonsgegevens voor deze accounts op basis van (i) artikel 28 lid 9 Aw1, (ii) 6:162 BW2 (onrechtmatig handelen van Google door de gevraagde gegevens niet af te geven vanwege strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid), (iii) artikel 26d Aw/3:15a BW en (iv) 843a Rv3.

3.3.

Google voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Google heeft de bevoegdheid van de voorzieningenrechter uitsluitend bestreden voor zover de vorderingen zien op gegevens die betrekking hebben op landen buiten de EU. Zij heeft toegelicht daarmee het oog te hebben op adressen en adresgegevens van buiten de EU, bankrekeningen gehouden buiten de EU en IP adressen die leiden naar buiten de EU (nr. 24 pleitnota Google). Desgevraagd heeft Google aangegeven de bevoegdheid voor zover deze ziet op gegevens die betrekking hebben op landen binnen de EU niet (langer) te bestrijden zodat de voorzieningenrechter in zoverre in ieder geval bevoegd is op basis van artikel 26 EEX II-Vo4 respectievelijk artikel 9 Rv. Voor de gegevens van buiten de EU overweegt de voorzieningenrechter dat hij bevoegd is omdat het schadebrengende feit zich in Nederland voordoet of kan voordoen in de zin van artikel 7 lid 2 EEX II-Vo/6 onder e Rv. BREIN legt aan haar vorderingen als gezegd (i) artikel 28 lid 9 Aw, (ii) 6:162 BW, (iii) artikel 26d Aw/3:15a BW en (iv) 843a Rv ten grondslag. Al deze grondslagen zijn te beschouwen als een geschil betreffende een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7 lid 2 EEX II/6 onder e Rv, omdat deze beogen Google aansprakelijk te stellen zonder dat sprake is van een verbintenis uit overeenkomst (vgl. HvJ EG 27 september 1988, NJ 1990, 425, ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis/Schröder) en HvJ EG 30 november 1976, NJ 1977, 494, ECLI:EU:C:1976:166 (Bier)). BREIN stelt daarmee de vraag aan de orde of de weigering gegevens te verstrekken die betrekking hebben op landen buiten de EU, welke weigering buiten Nederland plaatsvindt, onder de gestelde omstandigheden van het geval niettemin leidt tot schending van de genoemde in Nederland geldende bepalingen en daardoor schade in Nederland veroorzaakt Net als bij de door BREIN gestelde inbreuk op auteursrechten van haar leden door de gebruiker van het account Flȃmanca Hollanda in Nederland, doet de schade als gevolg van de weigering de gevraagde gegevens af te geven zich dus in Nederland gevoelen (HvJ EU 25 oktober 2011, NJ 2012, 224, ECLI:EU:C:2011:685 (Edate advertising), HvJ EU 19 april 2012, NJ 2012, 403, ECLI:EU:C:2012:220 (Wintersteiger), HR 7 december 2012, NJ 2013, 199 (H&M/G-Star), HvJ EU 3 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:635 (Pinckney) en HvJ EU 5 juni 2014, IER 2015/16, ECLI:EU:C:2014:1318 (Coty). Artikel 6 onder e Rv is volgens de parlementaire geschiedenis op gelijke wijze te interpreteren. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is zodoende ook bevoegd voor zover de gegevens betrekking hebben op landen buiten de EU. De omstandigheid dat het (privacy)recht van dergelijke landen zich zou kunnen verzetten tegen een bevel tot inzage/afgifte, raakt niet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, maar mogelijk wel de toewijsbaarheid van de vordering, waarover hierna. Evenmin is in dit kader van belang de door Google opgeworpen vraag of haar weigering ook onrechtmatig is in andere landen, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten of Ierland, dan wel of er naar het recht van die landen een verplichting tot inzage/afgifte bestaat. BREIN beroept zich immers op verplichtingen van of onrechtmatig handelen door Google in Nederland en naar Nederlands recht (en voorts op inbreuk op de auteursrechten in Nederland), waarvan de schade zich – als gezegd – hier te lande doet gevoelen. Tot slot kan geen gewicht in de schaal leggen dat Google stelt dat er ook sprake is van inbreuken op rechten van buitenlandse auteurs nu BREIN zich beroept op de auteursrechten ten aanzien van de vertalingen van dergelijke boeken en overigens nog altijd slechts inbreuk op de auteursrechten in Nederland stelt.

Ontvankelijkheid/spoedeisend belang

4.2.

BREIN heeft gesteld dat zij ingevolge haar statuten, alsook, althans in samenhang met artikel 3:305a BW, bevoegd is om vorderingen als in deze procedure aan de orde in te stellen ten behoeve van haar Aangeslotenen. Die bevoegdheid is niet bestreden zodat daarvan is uit te gaan.

4.3.

Gelet op de gestelde dreiging van inbreuk op de auteursrechten van de Aangeslotenen in Nederland en de voortdurende weigering door Google de gegevens af te staan, is het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven. De omstandigheid dat het aanbod na twee weken in mei 2015 alweer door Google geblokkeerd is, doet hier niet aan af omdat de e-books nu elders, al dan niet onder een andere naam, kunnen worden aangeboden.

Toepasselijk recht

4.4.

Partijen hebben niet nadrukkelijk stilgestaan bij de vraag welk recht op hun rechtsverhouding van toepassing is. Uit de stellingen van BREIN blijkt dat zij zich op Nederlands recht beroept. Google heeft weliswaar, waarover hierna, genoemd dat zij bij de vordering mogelijk in conflict komt met buitenlands recht, maar zij heeft niet gesteld dat ander recht op het hoofdgeschil van toepassing is (de voorzieningenrechter leest in nr. 22 van de conclusie van antwoord niet iets anders). Wat daarvan ook zij, naar voorlopig oordeel is op basis van artikel 4 lid 1 dan wel 8 lid 1 van Rome II5, Nederlands recht van toepassing.

Afgifte persoonsgegevens Flȃmanca Hollanda

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat Google de stelling van BREIN niet heeft bestreden dat (het relevante onderdeel van) Google Play op Nederland is gericht omdat deze in het Nederlands is gesteld en Nederlandse boeken van Nederlandse auteurs in de Nederlandse taal aanbiedt, terwijl ook in het hier te lande geldige betaalmiddel (euro) kan worden betaald en de aanbieder in kwestie “Hollanda” in de naam heeft.

4.6.

BREIN voert aan dat in wezen sprake is van piraterij doordat de via Google Play aldus in Nederland aangeboden e-books evident illegale kopieën zijn. Dit is als zodanig door Google niet bestreden. Zij stelt wel dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van een geldige licentie of van uitputting (nr. 59 conclusie van antwoord) maar bij gebreke van enige onderbouwing moet dit verweer worden gepasseerd. Hierbij wreekt zich dat Google, zoals zij desgevraagd ter zitting heeft aangegeven, geen contact heeft gezocht met de accounthouder/verkoper Flȃmanca Hollanda voor een reactie op de aantijgingen van BREIN. Er is zodoende uit te gaan van inbreuk op de auteursrechten van de bij BREIN Aangeslotenen in Nederland.

4.7.

Vervolgens heeft Google bestreden dat de persoonsgegevens volgens artikel 28 lid 9 Aw dienen te worden afgegeven omdat dit artikel niet van toepassing zou zijn nu het ziet op vorderingen die de rechthebbende kan instellen in een procedure van inbreuk op auteursrechten. De inbreukmakende partij dient volgens Google derhalve betrokken te zijn in de procedure. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan bij artikel 2.22 lid 5 BVIE6, waarover de zaak Converse/Alpi handelde7, de tekst van artikel 28 lid 9 Aw voor deze lezing geen aanknopingspunten biedt. De eerste zin van het artikellid ziet op een bevel aan de inbreukmaker om informatie over de herkomst en distributiekanalen te geven. De tweede zin is echter gericht op een bevel aan (bepaalde) derden om deze informatie te geven. Er is geen beperking te lezen dat dit bevel slechts in een procedure waarin de inbreukmaker partij is zou kunnen worden gevorderd. Ook de parlementaire geschiedenis bij dit artikel ondersteunt de lezing van Google niet. Uit de volgende passage in de nota naar aanleiding van het verslag is het volgende te lezen:

“Daarnaast is het mogelijk om in kort geding (of in een bodemprocedure) rechtstreeks een tussenpersoon (internetprovider) te dagvaarden om van hem de NAW-gegevens van websitehouders te vorderen . [onderstreping vzr] Ook in deze procedure zal de eiser voldoende aannemelijk moeten maken dat hij belang heeft bij toewijzing van de vordering, namelijk het beëindigen of voorkomen van een inbreuk. Verder is het mogelijk om de vordering tot staking door de internetprovider van zijn diensten die door derden worden gebruikt om inbreuk te maken, te combineren met een vordering deze internetprovider te gebieden de NAW-gegevens bekend te maken van de houder van de website waarop de inbreuk op het intellectuele eigendomsrecht gemaakt wordt. Voor toewijzing is wel een belangenafweging vereist in verband met de privacy van de betrokkenen en het gelaedeerde belang (artikel 8 onder f Wet bescherming persoonsgegeven, zie ook Hoge Raad 25 november 2005, RvdW 2005, 133, Lycos/Pessers).”8

Aan de verwijzing naar het arrest Lycos/Pessers in het slot van deze passage ontleent Google dat 28 lid 9 Aw geen zelfstandige grondslag zou bieden maar dat de grondslag enkel kan zijn onrechtmatig handelen wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid, als in dat arrest benoemd. De voorzieningenrechter verwerpt dit betoog. Door de wetgever wordt immers vooropgesteld dat de derde rechtstreeks (lees: zonder de inbreukmaker) in rechte kan worden aangesproken. De verwijzing naar het arrest Lycos/Pessers ziet op de afweging van de belangen van de gelaedeerde tegenover de privacy van de betrokkene, oftewel in deze zaak die van BREIN tegenover die van Flȃmanca Hollanda. Die afweging zal hierna plaatsvinden.

4.8.

Google heeft niet bestreden te kwalificeren als een derde die op commerciële schaal diensten verleent die bij de inbreuk worden gebruikt. Zij heeft nog wel aangevoerd dat deze vordering niet zou zijn in te stellen tegen een neutrale aanbieder van een online platform die zelf geen inbreuk maakt. Ook voor die stelling biedt artikel 28 lid 9 Aw evenwel geen grond. Het tegendeel kan bovendien worden afgeleid uit het arrest HvJ EU 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:485 (Coty/Sparkasse) dat een verplichting van een bank betrof tot afgifte van naam- en adresgegevens van een rekeninghouder volgens artikel 8, lid 1, onder c), van de Handhavingsrichtlijn9. Artikel 28 lid 9 Aw vormt een implementatie van dat artikel van de Handhavingsrichtlijn, waarbij artikel 28 lid 9 Aw slechts in zoverre ruimer lijkt dan artikel 8 van de Handhavingsrichtlijn dat de vordering niet tijdens een inbreukprocedure behoeft te worden gedaan.

4.9.

Het betreft hier volgens partijen een conflict tussen grondrechten, enerzijds het recht op bescherming van eigendom van (de Aangeslotenen bij) BREIN (alsmede het in het Unierecht neergelegde beginsel dat inbreuken op rechten van intellectuele eigendom dienen te worden tegengegaan en de effectiviteit van de Handhavingsrichtlijn10) en anderzijds het recht van Google op vrij ondernemerschap en van Flȃmanca Hollanda op vrije meningsuiting, waaronder ook kan worden begrepen het belang om anoniem te blijven11 respectievelijk het recht op privacy/eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ten eerste is volgens artikel 52 Handvest EU12 vereist dat de beperking bij wet is geregeld, hetgeen het geval is in artikel 28 lid 9 Aw. Ten tweede dient de beperking noodzakelijk te zijn en ten derde evenredig. Google heeft zich op het standpunt gesteld dat er een belangenafweging moet worden gemaakt maar zich ter zake de uitkomst daarvan gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Overwogen wordt dat BREIN voldoende onderbouwd heeft dat de op te leggen maatregel noodzakelijk is en evenredig omdat haar belangen zwaarder dienen te wegen dan die van Google of Flȃmanca Hollanda.

4.10.

BREIN heeft een reëel belang bij verkrijging van de identificerende gegevens, namelijk de effectieve handhaving van de auteursrechten van haar leden. Zolang Flȃmanca Hollanda dan wel de persoon daarachter niet in rechte kan worden aangesproken, zal hij/zij de inbreukmakende activiteiten via Google Play (en/of langs andere wegen) kunnen blijven voortzetten en zal de schade die de Rechthebbenden lijden voortduren. BREIN heeft voorts onweersproken aangevoerd dat haar geen minder ingrijpende mogelijkheid ten dienste staat om de gegevens van de houder van het account Flȃmanca Hollanda te achterhalen. Google is, naar niet is bestreden, voor BREIN het enige aanknopingspunt om deze houder te achterhalen en in rechte te kunnen aanspreken.

4.11.

De daartegenover staande belangen van de houder van Flȃmanca Hollanda leggen naar voorlopig oordeel thans weinig gewicht in de schaal. Hoewel niet lichtvaardig voorbij mag worden gegaan aan het belang van de vrijheid van meningsuiting, vermag de voorzieningenrechter met BREIN vooralsnog niet in te zien dat dit belang in deze zaak een wezenlijke rol speelt. Het lijkt de houder van Flȃmanca Hollanda immers om niets anders te gaan dan het verspreiden van inbreuk makende e-books. Ook valt onvoldoende in te zien waarom het privacybelang van deze, niet in de privésfeer maar kennelijk – gelet op de hoeveelheid aangeboden werken en dat hij/zij een vergoeding daarvoor bedingt – in het economisch verkeer actieve persoon, anderszins zou moeten prevaleren. Hetzelfde geldt voor de informatievrijheid. Google heeft ook niet op een zwaarwegend belang aan haar zijde gewezen om tot een andere afweging te komen, waarbij meespeelt dat mag worden aangenomen dat zij een vergoeding ontvangt voor de via Google Play aangeboden boeken. De inbreuk op de vrijheid van ondernemerschap van Google is minimaal te achten: zij hoeft enkel de gegevens ter beschikking te stellen die zij, zo heeft zij erkend, thans nog heeft. Voorts is ook de hierna nog te bespreken procedure rond het verzet dat de houder kan instellen tegen verwerking van zijn persoonsgegevens niet bijzonder ingrijpend, althans is zulks door Google niet aangevoerd.

4.12.

Voor zover al anders over de toepasselijkheid van artikel 28 lid 9 Aw zou worden geoordeeld, zou het bovendien in strijd komen met de Google betamende zorgvuldigheid om onder voornoemde omstandigheden de gegevens niet af te geven (vgl. HR Lycos/Pessers).

4.13.

De houder van het account zal bovendien nog een mogelijkheid krijgen thans niet onderkende belangen aan de orde stellen. BREIN heeft haar vordering zodanig ingericht dat de betrokkene eerst ingelicht zal worden van de mogelijke verwerking van de persoonsgegevens en de mogelijkheid van een verzet krijgt, een en ander kennelijk om te voldoen aan artikel 40 Wbp13:

  1. Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.

  2. De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is beëindigt hij terstond de verwerking.

  3. De verantwoordelijke kan voor het in behandeling nemen van een verzet een vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger mag zijn dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. De vergoeding wordt teruggegeven in geval het verzet gegrond wordt bevonden.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op openbare registers die bij de wet zijn ingesteld.

Zodoende komt hetgeen BREIN vordert niet in strijd met de Nederlandse toepasselijke privacywetgeving.

Gegevens van buiten de EU

4.14.

Google bestrijdt voorts dat zij in dit kort geding door de Nederlandse rechter verplicht kan worden om gegevens die betrekking hebben op landen buiten de EU aan BREIN af te staan, omdat zij meent dat er landen zijn waarbij dit in strijd kan komen met de aldaar toepasselijke privacywetgeving. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Zoals uit het voorgaande is gebleken bestaat er naar Nederlands recht een dergelijke verplichting. Het verweer van Google is in wezen te typeren als overmacht. Wat zij immers stelt is dat nakoming van haar verplichting naar Nederlands recht haar door toepasselijke buitenlandse privacywetgeving onmogelijk wordt gemaakt. Google, aan wie het is om een dergelijke overmacht te stellen en bij betwisting te bewijzen, heeft evenwel op geen enkele buitenlandse rechtsregel gewezen die dit gevolg met zich brengt. Hierbij wreekt zich dat er geen inzicht is in welk mogelijk buitenlands recht dan van toepassing zou kunnen zijn. Google heeft dat niet aangegeven hoewel zij over deze informatie beschikt. Er is bij wege van voorbeeld gesproken over de mogelijke toepasselijkheid van Turks of Amerikaans recht, maar iedere onderbouwing ontbreekt dat in een geval als dit Google daadwerkelijk de gegevens naar het recht van die landen niet zou mogen afgeven. Voorts verdient opmerking dat geenszins is uit te sluiten dat de gegevens naar een Nederlandse account zijn te herleiden, waarbij de privacywetgeving zoals hiervoor overwogen voorshands geen belemmering vormt.

Slotsom

4.15.

Met partijen is gesproken over hoe een eventueel toe te wijzen bevel is in te richten. Omdat onzeker is of de houder verzet aantekent, zal de voorzieningenrechter een tussenvonnis wijzen waarbij Google bevolen wordt de gevorderde gegevens aan BREIN te geven, evenwel onder de voorwaarde dat de houder van het account Flȃmanca Hollanda geen verzet aantekent tegen de hem/haar aangekondigde verwerking van de persoonsgegevens. Mocht er verzet komen, dan zal dit aan de voorzieningenrechter worden voorgelegd zoals door BREIN beoogd, waarbij Google de reactie van de houder op het verwijt van BREIN en eventuele door hem/haar nog specifiek gestelde belangen geanonimiseerd zal inzenden. Google dient daarbij wel specifiek aan de houder te melden dat indien deze zich op het standpunt stelt dat van auteursrechtinbreuk geen sprake is (bijvoorbeeld vanwege een licentie of uitputting als voornoemd), dit gedocumenteerd en onderbouwd dient te worden gedaan. Omdat in het laatste geval er weinig reden lijkt dat de houder onbekend blijft, kan Google haar aankondiging doen vergezellen van een verzoek aan de houder om zich dan ook in deze procedure te voegen of tussen te komen dan wel anderszins ter zitting aanwezig te zijn. De zaak zal pro forma worden aangehouden tot zaterdag 12 december 23:00 u om een en ander uitvoering te geven, voor welke datum de meest gerede partij de voorzieningenrechter schriftelijk zal laten weten of een vervolgzitting geagendeerd moet worden, desnodig onder opgave van verhinderdata.

4.16.

De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat het te prefereren was geweest dat, zoals ter zitting aangegeven en hiervoor reeds opgemerkt, Google de anonymus voorafgaand aan de zitting zou hebben gevraagd om een reactie op de aantijgingen van BREIN en/of hij/zij zich verzet tegen afgifte van de gevraagde persoonsgegevens en waarom. Dan zou een tussenvonnis wellicht niet nodig zijn geweest.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt Google om binnen 3 weken na dit vonnis aan de raadsman van BREIN ten behoeve van BREIN de volgende gegevens, voor zover Google daarover beschikt, te verschaffen met betrekking tot de houder(s) van de Google Play Books Partner Center Publisher Account(s) van waaruit boeken zijn geüpload onder de Google Play Books URL(s) die BREIN heeft aangemeld in haar verwijderingsverzoek van 19 mei 2015 (Google zaaknr. 76488000007259), zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding:

Ten aanzien van het Publisher Account:

a. abonnee-informatie;

b. het IP adres van de computer waarmee het Publisher Account is aangemaakt;

c. facturatie-informatie, d.w.z. postadres en bankrekeningnummer, naam van de bank en tenaamstelling van de bankrekening;

Ten aanzien van het Google Account dat is gebruikt om het Publisher Account aan te maken:

d. de datum en tijd waarop het Google Account is aangemaakt;

e. het IP adres van de computer waarmee het Google Account is aangemaakt;

f. IP adressen van de computers waarmee de gebruiker heeft ingelogd op het Google Account;

g. het voor het Google Account opgegeven secundaire emailadres en de opgegeven voor-en achternaam;

een en ander onder de voorwaarde dat de betrokkene niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis bij Google verzet heeft aangetekend met het doel om verstrekking van deze gegevens aan BREIN te voorkomen;

5.2.

verklaart het onder 5.1 gegeven bevel uitvoerbaar bij voorraad, doch uitsluitend voor zover het ziet op de verstrekking van gegevens die betrekking hebben op adressen, bankrekeningen en IP-adressen binnen de Europese Unie;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan, pro forma tot zaterdag 12 december 23:00 u om een en ander uitvoering te geven, voor welke datum de meest gerede partij de voorzieningenrechter schriftelijk zal laten weten of een vervolgzitting geagendeerd moet worden, desnodig onder opgave van alle relevante verhinderdata, danwel of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan of doorgehaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F. Brinkman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2015.

1 Auteurswet

2 Burgerlijk Wetboek

3 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

4 Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)

5 Verordening (EG) Nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”), PB EU 31-7-2007, L 199/40

6 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), inwerkingtreding: 1-9-2006, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2007, 1

7 Vzr. rb Haarlem 31 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9502

8 Kamerstukken II, 2005/06, 30392, nr. 6, pp. 2-3.

9 Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

10 HvJ EU 12 juli 2011 inzake L’Oréal/eBay (zaak C-324/09)

11 Zie r.o. 5.3.7 van HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, Lycos/Pessers

12 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, PB EU C 364 van 18/12/2000 blz. 0001 – 0022

13 Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens)