Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
C/09/495825 / KG ZA 15-1365
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:2949, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Haagse kortgedingrechter wijst de eis van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) om de in de Pensioenkamer ten aanzien van de pensioenen genomen besluiten in te trekken, af.

Op 10 juli 2015 is tussen de betrokken ministers, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales voor overheidspersoneel een onderhandelingsakkoord bereikt over loonruimte voor de publieke sector. Daarbij zijn zowel loon- als pensioenafspraken gemaakt, die – voor wat betreft de pensioenafspraken – één op één zijn bekrachtigd in de daarvoor speciaal ingestelde overlegstructuur, de Pensioenkamer van de ROP. Op basis van deze bekrachtigde afspraken wordt binnenkort de ABP-pensioenregeling aangepast en vinden CAO-onderhandelingen plaats.

FNV heeft aan haar eis ten grondslag gelegd dat zij zich buiten spel gezet voelt bij de totstandkoming van de ten aanzien van de pensioenen genomen besluiten. Zij is bij het onderhandelingsakkoord niet aanwezig geweest en stelde bij de kortgedingrechter dat over de pensioenafspraken in de Pensioenkamer geen open en reëel overleg heeft plaatsgevonden. Hierdoor is volgens de FNV het grondrecht op collectief onderhandelen met voeten getreden. Volgens de FNV hebben de pensioenafspraken grote gevolgen voor de pensioenen van het overheidspersoneel.

Over de in het onderhandelingsakkoord neergelegde pensioenafspraken heeft volgens de kortgedingrechter tussen alle werkgevers- en werknemerscentrales open en reëel overleg plaatsgevonden. FNV is bij het aan het onderhandelingsakkoord voorafgaande overleg aanwezig geweest maar heeft er zelf voor gekozen om het overleg op 9 juli 2015 te verlaten, waardoor zij bij het sluiten van het akkoord, op 10 juli 2015, niet aanwezig is geweest. Het besluit over het onderhandelingsakkoord is desalniettemin met de vereiste meerderheid van stemmen genomen en de daarbij gemaakte pensioenafspraken zijn vervolgens in de Pensioenkamer bekrachtigd. Anders dan FNV stelt kan niet gezegd worden dat hierdoor gehandeld is in strijd met haar recht op collectieve onderhandelingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1827
RAR 2016/7
JAR 2015/272
AR-Updates.nl 2015-0938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/495825 / KG ZA 15-1365

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2015

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ALGEMENE CENTRALE VAN OVERHEIDSPERSONEEL (ACOP FNV),

statutair gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

advocaten mr. S.F. Sagel en mr. M.B. Kerkhof te Amsterdam,

tegen:

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Ministerie van Veiligheid en Justitie; Ministerie van Defensie; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),

zetelende te Den Haag,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

UNIE VAN WATERSCHAPPEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

HET INTERPROVINCIAAL OVERLEG,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN NEDERLANDSE GEMEENTEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN SAMENWERKENDE NEDERLANDSE UNIVERSITEITEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

6. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDSE FEDERATIE VAN UNIVERSITAIR MEDISCHE CENTRA,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

7. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

WERKGEVERSVERENIGING ONDERZOEKSINSTELLINGEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

8. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING HOGESCHOLEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

9. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

MBO RAAD,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Woerden,

gedaagden,

advocaten: mr. M.B. de Witte-van den Haak en mr. S. van Heukelom-Verhage te Den Haag,

10. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CHRISTELIJKE CENTRALE VAN OVERHEIDS- EN ONDERWIJSPERSONEEL,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

11. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

AMBTENARENCENTRUM,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

12. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CENTRALE VAN MIDDELBARE EN HOGERE FUNCTIONARISSEN BIJ OVERHEID, ONDERWIJS, BEDRIJVEN EN INSTELLINGEN (CMHF),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagden,

advocaat: mr. drs. H. Aydemir te Utrecht.

Eiseres wordt hierna aangeduid als ‘ACOP FNV’, gedaagden sub 1-9 gezamenlijk als ‘de overheidswerkgevers’ en gedaagden sub 10-12 gezamenlijk als ‘de overige vakcentrales’.

1 De procedure

1.1.

Van partijen zijn de volgende stukken ontvangen:

- de dagvaardingen, met producties 1 tot en met 18;

- de faxbrief van mr. De Witte-Van den Haak van 16 september 2015, waarin zij aankondigt wie namens gedaagden sub 1-9 ter zitting aanwezig zullen zijn;

- de faxbrief van mr. Sagel van 16 september 2015, met producties 19 en 20;

- de faxbrief van mr. Aydemir van 16 september 2015, met producties 1 tot en met 7;

- de faxbrief van mr. Aydemir van 16 september 2015, waarin zij aankondigt wie namens de overige vakcentrales ter zitting aanwezig zullen zijn;

- de faxbrief van mr. Sagel van 16 september 2015, met productie 21;

- de faxbrief van mr. Sagel van 16 september 2015, waarin hij verzoekt de door mr. Aydemir overgelegde producties buiten beschouwing te laten;

- de faxbrief van mr. Sagel van 16 september 2015, waarin hij aankondigt wie namens eiseres ter zitting aanwezig zullen zijn;

- de faxbrief van mr. De Witte-Van den Haak van 16 september 2015, waarin zij mede namens mr. Aydemir verzoekt om verlenging van de spreektijd;

- de faxbrief van mr. De Witte-Van Haak van 16 september 2015, waarin zij aankondigt dat op 17 september 2015 om 9.00 uur een set van 12 producties zal worden overgelegd en waarbij zij producties 1,3,5 en 8 op voorhand overlegt;

- de faxbrief van mr. Aydemir van 16 september 2015, waarin zij verzoekt het verzoek van mr. Sagel tot het buiten beschouwing laten van de door haar ingediende producties af te wijzen;

- de faxbrief van mr. Sagel van 16 september 2015, waarin hij verzoekt de door mr. De Witte-Van den Haak overgelegde producties buiten beschouwing te laten;

- de brief van mr. De Witte-Van den Haak van 17 september 2015, met producties 1 tot en met 12;

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 17 september 2015 overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ter zitting zijn de van de zijde van ACOP FNV geuite bezwaren tegen (het tijdstip van overlegging van) de door de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales in het geding gebrachte producties besproken. Gelet op het bepaalde in artikel 6.2 van het ‘Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie’ heeft de voorzieningenrechter besloten de door de overheidswerkgevers overgelegde productie 1 en de door de overige vakcentrales overgelegde productie 4 buiten beschouwing te laten.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

ACOP FNV en de overige vakcentrales behartigen de belangen van het overheidspersoneel. In het kader van deze belangenbehartiging voeren zij overleg met de overheidswerkgevers binnen de diverse overheidssectoren over arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen en gaan zij collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) aan.

2.2.

ACOP FNV en de overige vakcentrales hebben zich verenigd in de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (SCO). De overheidswerkgevers hebben zich verenigd in het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO).

2.3.

SCO en VSO zijn beide vertegenwoordigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP), het centrale overlegplatform van de gezamenlijke sectorwerkgevers en sectorwerknemers bij de overheid. De ROP voert overleg met het kabinet en adviseert het kabinet en de Tweede Kamer over aangelegenheden die het overheidspersoneelsbeleid betreffen. Ook doet de ROP aanbevelingen aan de overheidssectoren en is hij, meer in het bijzonder de specifiek daartoe ingerichte Pensioenkamer, verantwoordelijk voor de aard en de inhoud van de pensioenvoorziening van het overheidspersoneel.

2.4.

In 1993 werd tussen de vier vakcentrales, gedaagden 2-4 en (destijds) de minister van Binnenlandse Zaken het 'Protocol sectoralisatie van het overleg 1993 en 1994' ondertekend. Daarmee werd met ingang van 1993 het zwaartepunt van het arbeidsvoorwaardenoverleg bij de overheid verlegd van het centrale niveau naar de diverse overheidssectoren. Thans wordt per sector een cao afgesloten en is per sector sprake van een onderhandelingstafel, de zogenaamde sectorale cao-tafel. Het overleg over de pensioenvoorziening van overheidspersoneel is na 1993 centraal belegd gebleven in de Pensioenkamer van de ROP.

2.5.

Op 10 juli 2015 is tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: ‘de Minister’), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales een onderhandelingsresultaat bereikt over loonruimte voor de publieke sector, hetwelk is vastgelegd in de ‘Loonruimte-overeenkomst Publieke Sector 2015 2016’ (hierna: ‘de Loonruimte-overeenkomst’).

2.5.1.

In de Preambule van de Loonruimte-overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“In diverse overheidssectoren is reeds geruime tijd sprake van een impasse aan de onderhandelingstafel als gevolg van de beperkte budgettaire ruimte voor arbeidsvoorwaarden. Daardoor is er in verschillende sectoren inmiddels sprake van collectieve actie voor een betere cao. Partijen vinden het van groot belang dat de impasse doorbroken wordt, reden om de voorliggende overeenkomst te sluiten. Met deze overeenkomst willen partijen het goede signaal afgeven naar overheidswerknemers en de samenleving. Naar het oordeel van de partijen wordt met deze bovensectorale overeenkomst waardering voor de medewerkers uitgedrukt en kan het zorgen voor de nodige rust binnen de overheidssectoren. (…)

Achteraf bezien acht het kabinet de keuze voor een nominale nullijn geen gelukkige. Immers het algemeen belang is eveneens ermee gediend dat de onderscheiden publieke werkgevers en werknemers(organisaties) in samenspraak kunnen komen tot een integrale afweging tussen eisen van bedrijfsvoering, goed publiek werkgeverschap en arbeidsvoorwaarden. Daarvoor is onderhandelingsvrijheid een noodzakelijke. Om die reden is het belangrijk dat ook bij zeer beperkte of geen budgettaire ruimte er wel altijd overleg gevoerd zal kunnen worden. Het kabinet beseft dat het basisuitgangspunt voor normale arbeidsverhoudingen open en reëel overleg is en dit zal voor de toekomst de beleidslijn zijn.

Partijen benadrukken dat deze bovensectorale afspraak een unieke uitzondering is op het geldende sectorenmodel, waar geen precedent van uit mag gaan. Het uitzonderlijke van deze overeenkomst zit erin dat partijen het wenselijk achten nu een integrale afweging van pensioen en primair loon te kunnen maken. Partijen benadrukken dat onderwerpen voor de kwaliteitsagenda aan de sectortafels zijn voorbehouden en volledig los staan van deze overeenkomst. Daar afspraken over de pensioenen enkel bovensectoraal tot stand kunnen komen, moet de gehele overeenkomst bovensectoraal zijn. De hier gemaakte afspraken zijn bindend voor de betreffende sectorale cao-tafels, tenzij sociale partners aan de sectorale tafels gezamenlijk besluiten tot een andere besteding. Voor wat betreft het jaar 2016 dienen deze afspraken voor 1 januari 2016 gemaakt te zijn. Bestaande afspraken worden hierbij vanzelfsprekend gerespecteerd en waar nodig verder uitgewerkt. Daarnaast blijft de ruimte bestaan om aan de sectortafel met elkaar in gesprek te blijven over andere arbeidsvoorwaarden. Partijen zijn door hun handtekening gebonden aan deze afspraken. De overeenkomst geldt voor de jaren 2015 en 2016.

Deze bijzondere afspraak leidt tot een verlaging van de ABP-premie. Ondertekenaars van werkgeverszijde zeggen toe dat het werkgeversdeel van deze premiedaling direct en volledig, per 01-01-2016 door alle VSO-werkgevers wordt doorvertaald naar het primair loon. Daarnaast daalt ook het werknemersdeel van de pensioenpremie, hetgeen een positief effect heeft op het nettosalaris.”

2.5.2.

In de Loonruimte-overeenkomst zijn voor de kabinetssectoren (Rijk, Politie, Defensie en Rechterlijke Macht), de onderwijssectoren (PO, VO, MBO/BVE, HBO en WO) en de overige VSO-sectoren (gemeenten, provincies, waterschappen, UMC’s en onderzoeksinstellingen) zowel loon- als pensioenmaatregelen overeengekomen.

2.5.3.

Ten aanzien van het pensioen gaat het om de volgende maatregelen:

Indexatieambitie

(…) De huidige financiële situatie bij het ABP maakt het met de nu geldende rekensystematiek onmogelijk om de aanspraken de komende jaren te indexeren. (…) Daarom hebben partijen besloten per 1 januari 2016 de ABP-regeling voor ouderdomspensioen voortaan te indexeren op basis van de prijsinflatie in plaats van looninflatie. Daarmee wordt koopkrachtbehoud de ambitie. In de geldende rekensystematiek is volledige prijsindexatie eerder te bereiken dan volledige loonindexatie. Aanpassing van het ambitieniveau bij de indexatie van loon- naar prijsniveau, leidt tot een lagere ABP-premie. Het hieruit voortvloeiende lagere werkgeversdeel van de ABP premie wordt volledig per 1 januari 2016 aangewend voor loonstijging. Daarnaast heeft het lagere werknemersdeel van de ABP premie een positief effect op het netto loon van werknemers van circa 0,5% punt (afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de werknemer).

Ten behoeve van de overgang naar prijsindexatie wordt het pensioenreglement per 1 januari 2016 aangepast, evenals de Wet Privatisering ABP.

Komende jaren staan in het teken van het toekomstbestending maken van het pensioenstelsel. Partijen spreken af dat zij in het licht van deze discussie, en afhankelijk van de pensioenvooruitzichten van de deelnemers en de situatie van het fonds, open en reëel [overleg, toevoeging vzr.] voeren over een voor de langere termijn houdbare pensioenambitie, waarbij uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt betrokken om weer terug te keren naar een ambitie van loonindexatie. Dit te financieren uit de dan beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte.

Partijen spreken af dat de overeengekomen maatregelen door hun vertegenwoordigers in de Pensioenkamer één op één bekrachtigd zullen worden in de pensioenregeling.

Herstelopslag

(…) Partijen komen (…) overeen om tot 1 januari 2021 in het pensioenreglement op te nemen dat er geen premieopslagen geheven worden. Het ABP-bestuur zal op basis van deze bindende afspraak zijn herstelbeleid moeten herzien.

(…)

Voorts komen partijen overeen dat het werkgeversdeel van de hiermee uitgespaarde premiestijging per 1 januari 2016 volledig ten goede komt aan primair loon.

(…)

Partijen spreken tot slot af dat de overeengekomen maatregelen door hun vertegenwoordigers in de Pensioenkamer één op één bekrachtigd zullen worden in de pensioenregeling.”

2.5.4.

Voor de kabinets- en onderwijssectoren is in de Loonruimte-overeenkomst overeengekomen dat het primaire loon in de periode 2015-2016 in totaal zal stijgen met 5,05%. Deze stijging wordt in de Loonruimte-overeenkomst voor deze sectoren als volgt gemotiveerd:

“De aanpassing van de pensioenregeling en het schrappen van de premieopslag leidt tot de vrijval van 1,4% van de loonsom vanaf 2016. Dit werkgeversdeel van de premiedaling wordt direct en volledig per 01-01-2016 doorvertaald naar het primair loon. Daarnaast zal een extra structurele loonsverhoging worden gegeven van 1,6% per 1 januari 2016 wat leidt tot een totaal van 3,0% per 2016. In 2015 is het primair loon met 0,8% (vanwege premiedaling ABP) gestegen. Daarnaast zal in 2015 een structurele loonsverhoging plaatsvinden van 1,25% met ingang van 1 september 2015.

Voorts wordt een eenmalig bedrag van €500,- uitgekeerd in september 2015. (…)

Bovenop deze maatregelen van werkgeverszijde zorgt de pensioenaanpassing ook aan de werknemerszijde voor een verbetering van het netto loon van circa 0,5% (afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer), met ingang van 2016.

2.5.5.

Voor de overige VSO-sectoren is in de Loonruimte-overeenkomst het volgende overeengekomen:

“Voor de overige VSO-sectoren (…) stijgt het primaire loon per 1 januari 2016 met 1,4%. Dit betreft de verlaging van de ABP werkgeverspremie zoals bij de kabinetssectoren beschreven. Dit werkgeversdeel van de premiedaling wordt direct en volledig per 01-01-2016 doorvertaald naar het primair loon. De overige VSO-sectoren hebben met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid. Aan de cao-tafels van de overige VSO-sectoren kunnen nadere loonafspraken worden gemaakt welke leiden tot een hogere loonstijging dan de genoemde 1,4%.”

2.6.

Bij brief van 4 augustus 2015 heeft ACOP FNV aan de overige vakcentrales bericht dat de Loonruimte-overeenkomst in haar visie een formele status ontbeert en dat om die reden zowel in de ROP als op de sectortafels via het overeenstemmingsvereiste en het bijbehorende meerderheidsbesluit tot een aangepaste overeenkomst moet worden gekomen. ACOP FNV heeft de overige vakcentrales in deze brief verzocht hierover met haar in overleg te treden.

2.7.

Op 19 augustus 2015 heeft op verzoek van ACOP FNV een vergadering van de ROP plaatsgevonden, ter gelegenheid waarvan ACOP FNV de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales onder meer heeft uitgenodigd om te komen tot open en reëel overleg over de in de Loonruimte-overeenkomst neergelegde maatregelen.

2.8.

Bij brief van 21 augustus 2015 heeft ACOP FNV het kabinet, meer in het bijzonder de Minister, verzocht schriftelijk te bevestigen dat de Loonruimte-overeenkomst niet zal worden omgezet in een overeenkomst met de vakcentrales en dat aan de afspraken uit de Loonruimte-overeenkomst geen uitvoering zal worden gegeven. ACOP FNV onderbouwt dit verzoek onder meer als volgt:

“De FNV heeft als grootste vakcentrale voor het overheidspersoneel met 60% van de georganiseerde leden in de overheidssector niet deelgenomen aan de onderhandelingen en het akkoord niet ondertekend. Het kabinet stelde namelijk dwingende voorwaarden vooraf om in onderhandeling te gaan, zo moest het ABP-pensioen worden verslechterd, er werd een te lage loonsverhoging geboden met bovendien een flinke sigaar uit eigen doos en het akkoord zou worden ondertekend door een beperkt aantal werkgevers. De FNV kon niet akkoord gaan met deze dwingende voorwaarden vooraf en kreeg geen mandaat van de FNV-leden om te gaan onderhandelen.

(…)

FNV is van mening dat dit akkoord, dat ingrijpt in pensioenen van 2,8 miljoen ABP-deelnemers, niet gesloten had mogen worden. Daarnaast is er geen sprake geweest van een zo groot mogelijk draagvlak tussen sociale partners en van zorgvuldige voorbereiding en open en reëel overleg in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) c.q. Pensioenkamer die immers over het ABP-pensioen gaat. Voorzover overleg overigens in de Pensioenkamer nog zou gaan plaatsvinden is op basis van de onderhandelaarsovereenkomst duidelijk dat de uitkomst van dit overleg vooraf vast staat en kan er daarom op voorhand geen sprake zijn van open en reëel overleg.”

2.9.

Bij brief van 25 augustus 2015 heeft ACOP FNV de Minister verzocht om op zeer korte termijn met haar in overleg te treden over de Loonruimte-overeenkomst. Dit verzoek onderbouwt zij onder meer als volgt:

Overleg en besluitvormingsproces

In de overeenkomst wordt gesteld dat de afspraken in de Pensioenkamer bekrachtigd zullen worden. De Pensioenkamer is door de ROP gemandateerd om pensioenaangelegenheden te behandelen en daarover besluiten te nemen. De ROP behoudt als mandaatgever een zelfstandige rol (…). ACOP/FNV is van mening (…) dat er sprake is van een pensioenoverstijgende aangelegenheid die in de ROP besproken dient te worden. De overeenkomst is immers bedoeld om “de impasse aan de onderhandelingstafel” te doorbreken. De pensioenafspraken hebben tot doel loonruimte te creëren en zijn daarmee een middel om te komen tot Cao’s.

Zoals u weet dient aan de overlegtafel binnen de overheidssectoren sprake te zijn van “open en reëel overleg”. Dit geldt voor het bovensectorale overleg in de ROP, maar ook voor decentraal overleg. De kenmerken van open en reëel overleg zijn (…) Ten eerste moet het overleg gericht zijn op overeenstemming, ten tweede dienen partijen rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en ten derde mag de uitkomst van het overleg niet van tevoren vast staan.

(…)

Op verzoek van de ACOP is op 19 augustus 2015 de ROP bij elkaar geweest voor overleg over de loonruimte-overeenkomst. Tijdens deze bijeenkomst hebben de VSO-leden en de drie andere centrales te kennen gegeven dat zij niet bereid zijn om over het akkoord in de ROP te overleggen. Zij stellen zich op het standpunt dat de overeenkomst in de Pensioenkamer afgehandeld kan worden. Bovendien is duidelijk geworden dat men niet bereid is opnieuw te onderhandelen over het akkoord. ACOP/FNV heeft geconstateerd dat er dus geen sprake is van open en reëel overleg, noch in de ROP, noch in de Pensioenkamer.

(…)

Het Kabinet staat op het punt een ingrijpende overeenkomst te sluiten en uit te voeren met drie centrales die een minderheid van de aangesloten overheidswerknemers vertegenwoordigen. (…) Er is (…) in de verste verte geen meerderheid voor dit akkoord en er is geen sprake van een zo groot mogelijk draagvlak voor dit ingrijpende voorstel. (…)

Ondanks de hiervoor geschetste problematiek constateert ACOP/FNV dat er haast gemaakt wordt met het uitvoeren van de overeenkomst (…)”

2.10.

Bij brief van 2 september 2015 heeft ACOP FNV ten opzichte van de partijen bij de Loonruimte-overeenkomst het standpunt ingenomen dat de Loonruimte-overeenkomst nietig is wegens het in strijd met een wettelijke regeling niet voeren van open en reëel overleg over de in de Loonruimte-overeenkomst geregelde onderwerpen. ACOP FNV betoogt in deze brief dat nu, gelet op de inhoud van de Loonruimte-overeenkomst, ook in de Pensioenkamer geen open en reëel overleg zal plaatsvinden, vaststaat dat ter zake de implementatie van de Loonruimte-overeenkomst evenmin rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen. ACOP/FNV heeft de partijen bij de Loonruimte-overeenkomst verzocht te erkennen (i) dat deze overeenkomst nietig is, (ii) dat alsnog open en reëel overleg in de ROP zal plaatsvinden over de in de Loonruimte-overeenkomst geregelde onderwerpen en (iii) dat de vergadering van de Pensioenkamer van 3 september 2015 geen doorgang zal vinden. Daarnaast verzoekt ACOP FNV de Minister de ROP-leden uit te nodigen voor een ROP-bijeenkomst in de week van 7 september 2015 ter gelegenheid waarvan het open en reëel overleg alsnog zal plaatsvinden.

2.11.

Bij brief van 2 september 2015 heeft de Minister aan de advocaten van ACOP FNV bericht dat hij geen gehoor zal geven aan de sommatie tot het beleggen van een ROP-overeenkomst. De Minister stelt daartoe onder meer het volgende:

“U meent dat de Regeling overleg ROP van toepassing is. De reikwijdte van deze regeling is bepaald in artikel 1 van de Regeling overleg ROP. De afspraken die zijn gemaakt in de overeenkomst zijn van een andere orde. De Regeling overleg ROP is daarop niet van toepassing.

Ik heb vanuit mijn sectoroverstijgende verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneel een overeenkomst gesloten met de overheids- en onderwijswerkgevers en drie centrales van het overheids- en onderwijspersoneel. De afspraken uit deze overeenkomst zijn onderwerp van overleg tussen sociale partners in de pensioenkamer en aan de sectortafels. Als ik tegemoet kom aan uw sommatie schend ik de (proces)afspraken die ik met deze partijen heb gemaakt. (…)”

2.12.

Bij e-mail van 3 september 2015 hebben de overige leden van de ROP aan de advocaten van ACOP FNV bericht dat zij geen gehoor zullen geven aan de sommatie van 2 september 2015. Daartoe stellen zij onder meer als volgt:

Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid

U stelt dat de loonruimte-overeenkomst zowel naar inhoud als strekking in strijd is met de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. De overeenkomst is naar uw mening in strijd met de goede zeden en de openbare orde en daarmee nietig op grond van artikel 3:40 BW.

Wij kunnen u niet volgen in uw redenering. De Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid ziet immers op het overleg van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de ROP-sectorwerkgevers overheid en onderwijs en de vakcentrales voor overheids- en onderwijspersoneel over regelingen . De loonruimte-overeenkomst is geen regeling als bedoeld in artikel 1 van de Regeling (…) Ook anderszins zien wij niets dat zich verzet tegen het sluiten van een overeenkomst zoals deze. Van nietigheid van deze overeenkomst is volgens ons dan ook geen sprake.

Voor de volledigheid voegen wij hier aan toe dat de uitwerking van de loonruimte-overeenkomst zijn beslag krijgt in de Pensioenkamer en in het overleg aan de sectortafels. De bepalingen over het bereiken van overeenstemming over arbeidsvoorwaarden van deze overleggen zijn hierbij van toepassing.

(…)

Voor zover u stelt dat er geen open en reëel overleg heeft plaatsgevonden over de in de loonruimte-overeenkomst geregelde onderwerpen, is dit tijdens de formele ROP-vergadering op 19 augustus jongstleden door de overheidswerkgevers en de drie centrales van overheidspersoneel tegengesproken. Tijdens de gesprekken over de loonruimte-overeenkomst is namelijk steeds uitgegaan van open en reëel overleg. De ACOP FNV is vanaf het begin af aan bij deze gesprekken intensief betrokken geweest. (…)”

2.13.

Op 3 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden van de Pensioenkamer, ter gelegenheid waarvan is besloten de in de Loonruimte-overeenkomst gemaakte pensioenafspraken in de ABP-pensioenovereenkomst te formaliseren.

3 Het geschil

3.1.

ACOP FNV vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    a) de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales te veroordelen om in de eerstvolgende vergadering van de Pensioenkamer het op 3 september 2015 genomen besluit tot bekrachtiging van de pensioenafspraken uit de Loonruimte-overeenkomst in te trekken;

  • -

    b) de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales te gebieden om (i) geen verdere uitvoering te geven aan het op 3 september 2015 door de Pensioenkamer genomen besluit tot bekrachtiging van de pensioenafspraken uit de Loonruimte-overeenkomst en (ii) alle eventuele uitvoeringshandelingen ter zake ongedaan te maken;

  • -

    c) te bepalen dat de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales ingeval van overtreding van voormelde veroordeling en/of voormeld gebod een dwangsom verbeuren;

  • -

    d) de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

ACOP FNV stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat vertegenwoordigers van de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eind mei 2015 een uitnodiging aan de overheidswerkgevers en vakcentrales hebben doen uitgaan om verkennende gesprekken te voeren over de mogelijkheden om de bestaande cao-conflicten binnen de verschillende overheidssectoren op te lossen. Volgens ACOP FNV, die deze uitnodiging heeft geaccepteerd, is overeengekomen dat deze verkenningen een vertrouwelijk karakter zouden hebben, reden waarom hiervan geen notulen zijn opgemaakt. ACOP FNV stelt te hebben benadrukt dat mogelijke op de verkenningen volgende onderhandelingen zouden dienen plaats te vinden in een formele ROP-setting. Volgens ACOP FNV zijn de verkenningen, nadat haar achterban te kennen had gegeven geen ruimte te zien om in onderhandeling te treden, op 8 juli 2015 rond 16:00 uur definitief door de vakcentrales afgebroken. ACOP FNV stelt dat zij nadat zij het kabinet op 9 juli 2015 rond 12:00 uur had geïnformeerd dat zij niet zou deelnemen aan onderhandelingen, is uitgenodigd om dit besluit die avond toe te lichten. Volgens ACOP FNV heeft het kabinet haar die avond te kennen gegeven dat de onderhandelingen zouden starten, reden waarom ACOP FNV dit overleg heeft verlaten. Enkele uren later is aldus zonder dat ACOP FNV aan de daadwerkelijke onderhandelingen heeft deelgenomen de Loonruimte-overeenkomst gesloten met daarin verstrekkende pensioenmaatregelen. Gelet op de snelheid waarop men tot overeenstemming is gekomen en de complexiteit van de geregelde materie, kan naar de mening van ACOP FNV van open en reëel overleg, zoals ter zake is voorgeschreven in artikel 1 van het ‘Besluit van 13 januari 1997, houdende regeling van het overleg met centrales van overheidspersoneel en sectorwerkgevers verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, alsmede wijziging van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement in verband met de formalisering van het Sectoroverleg rijkspersoneel’ (Staatsblad 1997, 31) (hierna: ‘ROP-regeling), geen sprake zijn geweest. Dit laatste klemt volgens ACOP FNV te meer nu zij aan een bedoeld overleg geen deel heeft genomen. Duidelijk is volgens ACOP FNV dat de pensioenafspraken het fundament vormen van de Loonruimte-overeenkomst. Op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de ‘Overeenkomst inzake de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid’ (hierna: ‘ROP-overeenkomst’) is het de taak van de ROP om te onderhandelen over het wijzigen of vervangen van de pensioenovereenkomst, zoals bedoeld in de Wet Privatisering ABP. De open en reële onderhandelingen als bedoeld in de ROP-regeling hebben niet plaatsgevonden als gevolg van de daartoe doelbewust in de Loonruimte-overeenkomst opgenomen en met de ROP-regeling strijdige bepaling dat de in die overeenkomst neergelegde maatregelen in de Pensioenkamer één op één worden bekrachtigd. Overleg waarbij op voorhand vaststaat dat partijen bepaalde vooraf gemaakte afspraken één op één zullen bekrachtigen, kan in de visie van ACOP FNV niet worden aangemerkt als open en reëel overleg. Voormelde bekrachtiging heeft vervolgens, ondanks herhaaldelijk verzoek ACOP FNV om in de Pensioenkamer over de desbetreffende maatregelen eerst open en reëel overleg te voeren, op 3 september 2015 ook daadwerkelijk plaatsgevonden.

3.2.1.

ACOP FNV is van mening dat de Minister, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales het wettelijk verankerde recht van ACOP FNV op collectieve onderhandelingen over de in de Loonruimte-overeenkomst geregelde onderwerpen, zoals onder meer verankerd in artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), hebben geschonden door hierover niet in het daarvoor wettelijk voorgeschreven gremium, te weten de ROP en meer in het bijzonder de Pensioenkamer, open en reëel overleg te voeren en in plaats daarvan overeen te komen dat zij de in de Loonruimte-overeenkomst neergelegde afspraken in de Pensioenkamer één op één zullen bekrachtigen. Deze laatste afspraak is volgens ACOP FNV in strijd met de openbare orde en goede zeden. Nu ACOP FNV als gevolg hiervan als vertegenwoordiger van een meerderheid van de georganiseerde ambtenaren in feite buiten spel is gezet, is een situatie ontstaan waarin de minderheid van de georganiseerde ambtenaren de anderen bindt. Deze situatie is strijdig met de ratio van de ROP-regeling, welke regeling nu juist beoogt te bewerkstelligen dat overeenstemming wordt bereikt met vertegenwoordigers van een meerderheid van de betrokken ambtenaren. ACOP FNV stelt zich op grond van het voorgaande primair op het standpunt dat de Loonruimte-overeenkomst door nietigheid wordt getroffen. Subsidiair is naar de mening van ACOP FNV sprake van partiële nietigheid, namelijk voor zover het de afspraak betreft de in de Loonruimte-overeenkomst neergelegde afspraken in de Pensioenkamer één op één te bekrachtigen. Ook als geoordeeld dat van (partiële) nietigheid geen sprake is, geldt volgens ACOP FNV dat de verplichting c.q. het recht tot het voeren van open en reëel overleg niet bij overeenkomst terzijde kan worden gesteld. Een en ander levert volgens ACOP FNV onrechtmatig handelen op jegens haar en haar leden en leidt ertoe dat de besluitvorming in de Pensioenkamer van 3 september 2015 en de op dit besluit gebaseerde uitvoeringshandelingen eveneens onrechtmatig zijn.

3.3.

De overheidswerkgevers en de overige vakcentrales voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of de Loonruimte-overeenkomst lijdt aan (partiële) nietigheid vanwege het feit dat hierin – kort gezegd – is opgenomen dat de vastgelegde afspraken, voor zover zij betrekking hebben op in de Pensioenkamer te beslechten materie, aldaar één op één zullen worden bekrachtigd, en in het verlengde daarvan of de besluitvorming die op 3 september 2015 in de Pensioenkamer op basis van de Loonruimte-overeenkomst heeft plaatsgevonden dientengevolge eveneens lijdt aan een gebrek, te weten dat niet is voldaan aan de verplichting tot het aldaar voeren van open en reëel overleg, en of dit gebrek met zich brengt dat aan deze besluitvorming geen uitvoering mag worden gegeven en het besluitvormingsproces ter zake opnieuw dient te worden doorlopen.

4.2.

De overheidswerkgevers en de overige vakcentrales hebben in de eerste plaats weersproken dat ACOP FNV een spoedeisend belang heeft bij het door haar gevorderde. Volgens de overheidswerkgevers ontbeert ACOP FNV een belang bij haar vordering nu de uitkomst van het door haar beoogde (hernieuwde) open en reëel overleg in de Pensioenkamer over de in de Loonruimte-overeenkomst geregelde pensioengerelateerde onderwerpen, gelet op het feit dat de overige vakcentrales te kennen hebben gegeven de Loonruimte-overeenkomst nog immer te onderschrijven, reeds op voorhand vaststaat. Van een spoedeisend belang is volgens de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales geen sprake nu ACOP FNV reeds geruime tijd bekend is met de Loonruimte-overeenkomst en zij pas recent tot juridische actie is overgegaan en – zoals de overheidswerkgevers ter zitting hebben betoogd – de door haar gestelde effecten van de pensioenaanspraken zich mogelijk pas in de verre toekomst zal laten voelen. De voorzieningenrechter volgt de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales ter zake in hun betoog niet. Nu de in de Pensioenkamer op 3 september 2015 tot stand gekomen afspraken – naar tussen partijen niet ter discussie staat – binnen afzienbare tijd nader zullen worden uitgewerkt en geïmplementeerd in de ABP-pensioenregeling en aan de diverse sectorale cao-tafels op basis van de Loonruimte-overeenkomst wordt onderhandeld over te sluiten cao’s, is voldoende aannemelijk dat binnen afzienbare tijd sprake zal zijn van onomkeerbare effecten op de lonen en pensioenen van overheidspersoneel. Daarmee is het spoedeisend belang van ACOP FNV in deze procedure voldoende gegeven. Dat ACOP FNV met deze procedure heeft gewacht totdat de besluitvorming in de Pensioenkamer had plaatsgevonden, kan haar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden tegengeworpen. Zoals van de zijde van ACOP FNV terecht is opgemerkt, betrof de Loonruimte-overeenkomst in feite een voorwaardelijk akkoord dat in de formele overlegstructuren, waaronder de Pensioenkamer voor wat betreft de pensioenafspraken, bekrachtiging behoefde en waarvan het aldus maar zeer de vraag is of daartegen als zodanig reeds in rechte had kunnen worden opgekomen.

4.3.

De voorzieningenrechter constateert met partijen dat de Loonruimte-overeenkomst uniek is, in die zin dat hierin gelijktijdig zowel loon- als pensioenafspraken zijn gemaakt. Dergelijke afspraken worden immers normaliter aan verschillende overlegtafels gemaakt, te weten pensioenafspraken bovensectoraal in de Pensioenkamer van de ROP en loonafspraken decentraal aan de sectorale cao-tafels. De Loonruimte-overeenkomst is aldus een resultante van overleg dat heeft plaatsgevonden buiten de formele overlegstructuren. Met de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales stelt de voorzieningenrechter vast dat geen rechtsregel, meer in het bijzonder niet – zoals ACOP FNV betoogt – de ROP-regeling en/of de daarop gebaseerde ROP-overeenkomst, zich tegen een dergelijk overleg in informele setting verzet. Evenmin verzet een rechtsregel zich tegen het in een dergelijke informele (vertrouwelijke) overlegsetting tussen overheidswerkgevers en overheidswerknemers bereiken van overeenstemming over pensioen- en loongerelateerde onderwerpen en het vastleggen van deze afspraken in een schriftelijke overeenkomst, zij het dat deze afspraken, alvorens deze daadwerkelijk kunnen doorwerken in het pensioen en het loon, eerst dienen te worden geformaliseerd in de daartoe ingerichte formele overlegstructuur. Voor wat betreft de in de Loonruimte-overeenkomst gemaakte pensioenafspraken is dat in de Pensioenkamer en voor wat betreft de loonafspraken zijn dat de sectorale cao-tafels. Zoals de overheidswerkgevers met juistheid hebben opgemerkt, geldt in zijn algemeenheid en dus ook voor voormeld overleg in informele setting, dat overleg tussen overheidswerkgevers en overheidswerknemers open en reëel dient te zijn. Niet juist is aldus de stelling van ACOP FNV dat slechts sprake kan zijn van open en reëel overleg wanneer overleg plaatsvindt in de daartoe ingerichte formele (ROP-)overlegstructuur.

4.4.

Beoordeeld dient aldus te worden of aan het sluiten van de Loonruimte-overeenkomst open en reëel overleg tussen de overheidswerkgevers en overheidswerknemers vooraf is gegaan. Die vraag dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend te worden beantwoord. In de eerste plaats kan – anders dan ACOP FNV betoogt – uit de Preambule van de Loonruimte-overeenkomst niet worden afgeleid dat de partijen bij deze overeenkomst hebben erkend dat open en reëel overleg niet heeft plaatsgevonden. Met de zinsnede dat open en reëel overleg voor de toekomst de beleidslijn zal zijn, wordt immers verwezen naar de eerder als ongelukkig bestempelde keuze van het kabinet om de contractlonen enige jaren nominaal te bevriezen en de dientengevolge gedurende die periode afwezige onderhandelingsvrijheid [lees: onderhandelingsruimte]. Daarnaast is van belang dat van de zijde van ACOP FNV niet is weersproken zij reeds eind mei 2015 door het kabinet is uitgenodigd om deel te nemen aan overleg over diens wens om te komen tot een koppeling tussen loon en pensioen. ACOP FNV heeft vervolgens tot en met 9 juli 2015 ook daadwerkelijk deelgenomen aan het overleg dat het kabinet ter zake met de overheidswerkgevers en centrales van overheidswerknemers heeft gevoerd. Niet in geschil is dat alle centrales van overheidswerkgevers en overheidswerknemers die verenigd zijn in de ROP bij het overleg aanwezig zijn geweest. Dat dit overleg niet open en reëel is geweest, is door ACOP FNV onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zo heeft ACOP FNV – in het licht van de door de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales ter zitting beschreven gang van zaken tijdens de overlegbijeenkomsten – onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij tijdens deze overlegperiode niet in de gelegenheid is geweest haar standpunt kenbaar te maken en ter zake de dialoog aan te gaan, terwijl zij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkomst van dit overleg reeds bij voorbaat vaststond en dat door de aanwezigen geen rekening is gehouden met elkaars gerechtvaardigde belangen (vgl. rechtbank Den Haag 16 mei 1980, NJ 1980, 533). Uit het feit dat op 8 juli 2015 tekstvoorstellen onder de gesprekspartners zijn rondgestuurd voor de (Preambule van de) Loonruimte-overeenkomst, leidt de voorzieningenrechter af dat het overleg op dat moment kennelijk in een dermate vergevorderd stadium verkeerde, dat het bereiken van overeenstemming destijds in de visie van alle deelnemende partijen tot de mogelijkheden behoorde. ACOP FNV heeft immers blijkens de door de overige vakcentrales in het geding gebrachte productie 3 bij monde van haar voorzitter op 8 juli 2015 schriftelijk concrete wijzigingsvoorstellen gedaan voor de tekst van de (preambule) van de Loonruimte-overeenkomst, welke voorstellen deels ook in de uiteindelijke tekst zijn overgenomen. De omstandigheid dat ACOP FNV op 9 juli 2015 heeft besloten het overleg te verlaten omdat – zoals zij stelt – op dat moment niet langer sprake was van verkenningen maar van onderhandelingen en zij voor het voeren van onderhandelingen niet over een mandaat van haar achterban beschikte, doet aan het open en reële karakter van het overleg zoals dat tot dat moment reeds had plaatsgevonden, niet af. Immers net als in de formele overlegstructuur staat het een vakcentrale in een informele setting als waarin over de Loonruimte-overeenkomst overleg werd gevoerd, immers vrij om haar goedkeuring aan een voorgenomen besluit te onthouden dan wel zich geheel van stemming te onthouden. Het verlaten door ACOP FNV laat echter, gelet op de in voormelde formele setting geldende regels inzake de totstandkoming van meerderheidsstandpunten, die op het overleg in informele setting van overeenkomstige toepassing moeten worden geacht, onverlet dat op 10 juli 2015 met de overheidswerkgevers en de wel aanwezige vakcentrales tot overeenstemming kon worden gekomen. Gelet op het feit dat over de in de Loonruimte-overeenkomst neergelegde pensioenafspraken reeds open en reëel overleg had plaatsgevonden en een vereiste meerderheid van de vakcentrales zich met de inhoud van deze overeenkomst heeft verenigd, waardoor aldus het grondrecht van ACOP FNV op collectief onderhandelen in voldoende mate is gewaarborgd, behoefde dienaangaande in de Pensioenkamer niet opnieuw inhoudelijk overleg te worden gevoerd alvorens aldaar tot besluitvorming kon worden gekomen. Anders dan ACOP FNV betoogt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de in de Loonruimte-overeenkomst opgenomen bepaling dat de pensioenmaatregelen in de Pensioenkamer één op één zullen worden bekrachtigd dan ook niet strijdig met de openbare orde en goede zeden en kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de Loonruimte-overeenkomst nietig is in de zin van artikel 3:40 BW. Het voorgaande brengt met zich dat de besluitvorming in de Pensioenkamer op 3 september 2015 en de (wellicht reeds) op die besluitvorming gebaseerde uitvoeringshandelingen evenmin onrechtmatig te achten zijn.

4.5.

Uit het voorgaande volgt reeds dat de vorderingen van ACOP FNV dienen te worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens over en weer nog hebben aangevoerd, behoeft bij die stand van zaken geen (verdere) bespreking.

4.6.

ACOP FNV zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt ACOP FNV in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van zowel de overheidswerkgevers als de overige vakcentrales begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling ten gunste van de overige vakcentrales uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

mw