Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:3097

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-03-2014
Datum publicatie
13-03-2014
Zaaknummer
09/925519-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Den Haag heeft vandaag de barman veroordeeld die op 2 juni 2012 in danscafé Havana aan het Buitenhof in Den Haag brand heeft veroorzaakt. De man is veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan zijn voorarrest van 12 dagen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

De barman voerde sinds enkele maanden regelmatig een vuur-act uit waarbij hij aanstekervloeistof op een metalen dienblad goot en dat tijdens een housenummer in brand stak. Als de vlammen begonnen te doven spoot hij er wat vloeistof bij waardoor het vuur dan weer oplaaide.

Op de bewuste avond gebruikte de barman echter een andere vloeistof, namelijk bio-ethanol, uit een plastic spuitfles. Tijdens het bijschenken ontstond een enorme steekvlam die brand veroorzaakte. Hierbij liepen drie bezoekers die aan de bar stonden zware brandwonden op. Verschillende andere bezoekers raakten licht gewond.

De rechtbank acht het voorzienbaar dat door de gedragingen van de barman een grote steekvlam kon ontstaan en dat daarbij bezoekers in zijn directe nabijheid ernstig gewond konden raken. De rechtbank rekent het de barman zwaar aan dat hij letterlijk met vuur heeft gespeeld in een drukbezochte uitgaansgelegenheid. De rechtbank heeft echter ook rekening gehouden met het blanco strafblad van de man, het feit dat hij direct hulp heeft verleend aan de slachtoffers en de pogingen die hij heeft gedaan om zijn excuses aan de slachtoffers aan te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/925519-12

Datum uitspraak: 13 maart 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [datum] 1984 te [plaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 februari 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De slachtoffers/benadeelde partijen, de heer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], hebben ter terechtzitting gebruik gemaakt van hun spreekrecht en hun ingediende vorderingen tot schadevergoeding toegelicht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij

op of omstreeks 02 juni 2012 te 's-Gravenhage grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig:

- ( in danscafé Havana) bio-ethanol, althans een (licht) ontvlambare/ brandbare

en/of vluchtige vloeistof, in een dienblad heeft gedaan en/of

- ( vervolgens) die vloeistof met een aansteker, athans met open vuur, heeft

aangestoken en/of

- ( vervolgens) de fles in de directe nabijheid van het (open) vuur gehouden

en/of

- ( vervolgens) (meer) vloeistof (uit die fles) op het open vuur geschonken/

gegooid/gesprenkeld

waardoor

de fles is ontploft en/of waardoor het vuur in de fles is (terug) geslagen

en/of waardoor brandend gas en/of brandende vloeistof uit de flesopening is

uitgestoten en/of waardoor een grote en/of heftige steekvlam is onstaan,

terwijl (veel) cafébezoekers zich in de directe nabijheid van het brandend

dienblad bevonden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat

[slachtoffer 3] en/of[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of[slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 8]

en/of [slachtoffer 9]

zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden en/of (blijvende en/of

pijnlijke) littekens (van brandwonden), heeft/hebben bekomen, althans zodanig

lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de

uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1


Op zaterdag 2 juni 2012 omstreeks 02:45 uur komt bij de politie Haaglanden een melding binnen dat brand is ontstaan in danscafé Havana, gevestigd Buitenhof 19 te Den Haag.2 Ter plaatste blijkt dat de ontstane brand inmiddels is gedoofd en dat de brand meerdere slachtoffers, met diverse brandwonden, tot gevolg heeft gehad.3

Bij onderzoek door verbalisanten blijkt dat het danscafé voorzien is van diverse camera’s die het ontstaan van de brand hebben vastgelegd. Op de camerabeelden is te zien dat er door een persoon bij de bar iets wordt aangestoken. Deze persoon draait zich vervolgens om met zijn rug naar de vlam. Hij draait zich daarna weer terug naar de vlam waarna nagenoeg direct een grote steekvlam ontstaat met het gevolg dat diverse mensen in brand komen te staan.4 In een afvalbak in het danscafé wordt een witte plastic fles aangetroffen, met de tekst “Bio-Ethanol”.5

Na onderzoek blijkt dat in totaal 8 mensen met brandwonden naar verschillende ziekenhuizen moeten worden gebracht.6 Aangeefster [slachtoffer 9] verklaart dat zij heeft gezien dat een dienblad op de bar in brand staat en dat een barman iets op het dienblad giet waarna er een flinke steekvlam ontstaat. Zij raakt zwaar gewond (derdegraads verwondingen) aan gezicht, borst en arm.7 Aangever [slachtoffer 3] verklaart dat hij ziet dat in het dienblad een laagje vloeistof ligt en dat de barman een ‘vlammetje’ bij de vloeistof houdt. Opeens ziet hij een grote flits. Hij raakt zwaar gewond aan zijn hoofd, nek, linkerarm en beide handen.8 [slachtoffer 8] verklaart in het kader van zijn aangifte dat hij bij de bar staat en dat hij ziet de barman een vloeistof vanuit een plastic fles in het vuur spuit waarna een grote steekvlam ontstaat die hem vol in het gezicht raakt. Hij loopt tweede- en derdegraads brandwonden op over 6% van zijn lichaamsoppervlakte.9

Getuige [getuige 1], collega van verdachte, verklaart dat de vuuract een vaste show is van verdachte om gasten te entertainen. De betreffende avond ziet hij dat verdachte wat vloeistof op een metalen dienblad gooit en die vervolgens aansteekt. Er ontstaat een vlam van 30 centimeter hoog. Hij verklaart dat hij ziet dat verdachte de witte fles met vloeistof weer pakt als het vuur wat dimt. Verdachte gooit nog wat vloeistof op het dienblad, waarna een grote vuurzee richting het publiek ontstaat.10 Uit verklaringen van andere getuigen, te weten [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], volgt dat zij weten dat hun collega, verdachte, vaker vuur maakt door een brandbare vloeistof op een dienblad in brand te steken. Verdachte is volgens hen de enige die dat in Havana doet. Ook verklaren zij dat het bijschenken van vloeistof, zodra de vlammen kleiner worden, een vast onderdeel van de act is.11

Verdachte verklaart bij de politie, alsook ter terechtzitting, dat hij inderdaad brandbare vloeistof in het dienblad giet en vervolgens die vloeistof aan steekt. Daarna draait hij zich kort om zodat hij met zijn rug naar de vlam toe komt te staan. Als hij zich weer richting het vuur omdraait ontstaat opeens een enorme steekvlam. Hij verklaart dat hij weet dat er een steekvlam kan ontstaan als hij extra vloeistof zou gieten op een open vlam. Verdachte verklaart ook dat hij normaal Zippo-vloeistof gebruikt, maar dat hij de bewuste avond een andere vloeistof gebruikt, namelijk bio-ethanol.12

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Naar de mening van de officier van justitie kan het tenlastegelegde feit wettig en overtuigd worden bewezen. Het is aan verdachtes schuld te wijten geweest dat de steekvlam is ontstaan en dat anderen hierdoor zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Hij wist dat hij letterlijk met vuur speelde en dat ook nog in een druk danscafé. Daarbij heeft zij zich voor wat betreft de gradatie van de aan verdachte te verwijten schuld op het standpunt gesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Volgens de verdediging is het bijgieten van de vloeistof niet te bewijzen en heeft het enkele aansteken van de vloeistof op het dienblad de steekvlam niet veroorzaakt. Reeds daarom zou een vrijspraak moeten volgen. Doch zelfs als de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte wél bio-ethanol heeft bijgeschonken, kan volgens de verdediging geen sprake zijn van schuld in de zin van art. 308 Sr omdat grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid ontbreekt. Voor verdachte was immers niet te voorzien dat het gebruik van bio-ethanol een dergelijke heftige reactie mee kon brengen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Partiele vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan ten aanzien van [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Voor wat betreft [slachtoffer 1] geldt dat deze in het geheel geen letsel heeft opgelopen. Wat betreft de overige hiervoor genoemde personen staat weliswaar vast dat zij lichamelijke verwondingen hebben opgelopen, maar kan op grond van wat zich te dien aanzien in het dossier bevindt onvoldoende worden vastgesteld dat sprake is van letsel dat kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel of van letsel dat tijdelijke ziekte of beperking in de beroepsuitoefening met zich mee heeft gebracht. Dit betekent dat verdachte reeds daarom in zoverre zal worden vrijgesproken.

Algemeen

De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van art. 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Onder schuld wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 308 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval alsook welke handelingen van een betrokken persoon in een concrete situatie gevergd kunnen worden (HR 29 juni 2010, LJN: BL5630).

De gedragingen

Voordat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van art. 308 Sr, stelt zij allereerst vast dat op grond van die hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de gedragingen opgenomen onder gedachtestreepje 1 tot en met 4 heeft verricht.

De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zelf aangegeven dat hij de fles bio-ethanol in zijn handen had toen hij zich weer naar de vlam omdraaide.13

Uit de verklaringen van [slachtoffer 9], [slachtoffer 8] en [getuige 1] volgt dat verdachte wel degelijk bio-ethanol heeft bijgeschonken op het dienblad, terwijl daarop reeds een brandend laagje vloeistof lag. Dat verdachte dit heeft gedaan, vindt ook steun in de verklaringen van diverse collega’s van verdachte. Deze hebben immers verklaard dat het een vast onderdeel van de act van verdachte was om vloeistof erbij te gieten zodra de vlam enigszins gedimd was. Het bijgieten van de vloeistof was volgens hen juist het hoogtepunt van de act. Bovendien heeft de rechtbank kennisgenomen van de camerabeelden en heeft waargenomen dat verdachte bij het zich terugdraaien naar de vlam, een voorwerp in de richting van de vlam bracht enkele ogenblikken voordat de steekvlam ontstond. De rechtbank grondt haar overtuiging dat het voorwerp in de handen van verdachte de witte fles met brandstof is, en niet de dop zoals door de verdediging ter terechtzitting is gesteld, op de hiervoor opgenomen aangiften en getuigenverklaringen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het bijschenken van de bio-ethanol kan worden bewezen ondanks dat verdachte dit pertinent ontkent.

Oorzaak letsel bij slachtoffers

Buiten twijfel staat vast dat verdachte, in het kader van het uitvoeren van een entertainment act, in de nacht van vrijdag op zaterdag 2 juni 2012 in danscafé Havana, gevestigd aan de Buitenhof 19 te Den Haag, een brandbare vloeistof, namelijk bio-ethanol, op een dienblad heeft gegoten en deze vloeistof vervolgens met een aansteker heeft aangestoken. Een vast onderdeel van de act was dat extra brandbaar vloeistof werd toegevoegd zodra de vlam kleiner werd. Normaliter gebruikte verdachte Zippo-vloeistof, hetgeen tot dan toe kennelijk altijd goed is gegaan. Deze bewuste avond heeft verdachte echter bio-ethanol gebruikt. Doordat er bio-ethanol in de vlam is terechtgekomen, ontstond een grote steekvlam. Drie personen, te weten [slachtoffer 9], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] stonden op korte afstand van de steekvlam aan de bar en hebben zware brandwonden opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de door de slachtoffers opgelopen brandwonden direct zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte.

Schuld en voorzienbaarheid

Ten aanzien van de vraag of verdachte grovelijk nalatig of aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van de verklaringen van verdachte, die van de getuigen en de beschikbare camerabeelden heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in een dienblad op de bar een laagje bio-ethanol heeft geschonken, dit vervolgens heeft aangestoken en uiteindelijk – nadat de vlam iets was gedimd – op het brandende laagje nog een extra scheut bio-ethanol heeft gegoten. Verdachte wist ten tijde van zijn handelen dat hij met een licht ontvlambare vloeistof te maken had en dat er op de fles waarschuwingen stonden als “niet bij vuur houden” en “niet inspuiten in open vuur”.14

[slachtoffer 9] stond op het moment van de act aan de bar, op nog geen meter van het brandende dienblad.15 Haar collega [slachtoffer 8], die naast haar stond, schat de afstand tussen hem en het brandende dienblad op een meter. Ook Mbanda bevond zich in de directe nabijheid van verdachte toen deze de vuur-act uitvoerde. Uit zijn aangifte volgt dat hij aan de bar zijn bestelling wilde doorgeven, toen hij zag dat verdachte op één tot anderhalve meter afstand van hem de bio-ethanol aanstak.16 Geen van de getuigen heeft gehoord dat verdachte heeft gewaarschuwd dat hij een vuur-act ging doen en dat het beter zou zijn om een stapje terug te doen.

Nog daargelaten dat verdachte sowieso een risico heeft genomen door aan de bar, op een laat tijdstip in een danscafé vol met mensen op zoek naar vertier, op een dienblad een laagje licht ontvlambare vloeistof in brand te steken, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank nog veel sterker voor het bijschenken van die brandbare vloeistof op open vuur. Immers, op grond van algemene ervaringsregels is voorzienbaar dat het bijgieten van een licht ontvlambare vloeistof - zeker als dit gebeurd uit een plastic fles met normale schenkdop - op open vuur een oncontroleerbare en onverwachte steekvlam van enige omvang tot gevolg kan hebben. De verdachte heeft tegenover de politie ook zelf verklaard dat hij weet dat hierdoor een steekvlam kan ontstaan.17

In het verlengde daarvan is het naar het oordeel van de rechtbank ook voorzienbaar dat een dergelijke steekvlam directe omstanders, zoals de drie hiervoor genoemde aangevers die zich allen op ten hoogste anderhalve meter van het brandende dienblad bevonden, kan raken. De rechtbank komt gelet op het voorgaande dan ook tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

Verdachte was overigens reeds een gewaarschuwd mens. Hij had namelijk op een eerder moment - zij het met gebruikmaking van een andere vloeistof - ervaren dat vuur in zijn algemeenheid onvoorspelbaar is. Ten aanzien van de vuur-act uitgevoerd met Zippo-vloeistof heeft hij immers verklaard dat het wel een keer gebeurd is dat het vlammetje naar de fles sloeg en dat hij toen dacht: “Oh, even uitkijken.”18 Die ervaring heeft hem er kennelijk echter niet toe gebracht om zijn vuur-act te staken of aan te passen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

verdachte op 2 juni 2012 te 's-Gravenhage aanmerkelijk

onvoorzichtig:

- in danscafé Havana bio-ethanol in een dienblad heeft gedaan en

- vervolgens die vloeistof met een aansteker heeft aangestoken en

- vervolgens de fles in de directe nabijheid van het open vuur gehouden en

- vervolgens (meer) vloeistof uit die fles op het open vuur geschonken

waardoor een grote en heftige steekvlam is ontstaan,

terwijl veel cafébezoekers zich in de directe nabijheid van het brandend

dienblad bevonden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3], [slachtoffer 8] en of [slachtoffer 9] zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden en blijvende littekens hebben bekomen.

4 De strafbaarheid van het feit


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een werkstraf zal worden opgelegd van 150 uur, waarvan 75 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft bij haar eis onder andere rekening gehouden met het feit dat ze ervan uitgaat dat verdachte deze gevolgen niet heeft gewild, dat hij nog nooit in aanraking is gekomen met justitie en dat hij alles binnen zijn mogelijkheden heeft gedaan om de slachtoffers al dan niet financieel tegemoet te komen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – in verband met het pleidooi strekkende tot algehele vrijspraak – niet uitgelaten over de strafmaat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat drie personen zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen, in de vorm van onder andere derdegraads brandwonden.

Het aansteken of ontstaan van vuur in een uitgaansgelegenheid heeft eerder tot vreselijke gebeurtenissen geleid, waardoor grote maatschappelijke onrust is ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat open vuur, in een ruimte met veel mensen, gevaarlijk is. Bovendien kan open vuur in combinatie met brandbare vloeistof tot een steekvlam leiden. Dat is door verdachte ook niet betwist. Niet alleen de materiële schade kan enorm hoog oplopen, maar ook de lichamelijke en emotionele schade bij de slachtoffers kunnen onherstelbaar leed veroorzaken. Verdachte heeft blijkens zijn handelen onvoldoende acht geslagen op de mogelijke gevolgen van zijn vuur-act. Niet alleen door een open vlam te maken in een omgeving met veel mensen, sfeer en drank, maar ook door het op een essentieel punt veranderen van de act, namelijk het vervangen van de Zippo-vloeistof door bio-ethanol. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij letterlijk met vuur heeft gespeeld in een drukbezochte uitgaansgelegenheid. Dit brandongeluk heeft ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers. Voor alle betrokken partijen zullen de gevolgen van dit betreurenswaardige ongeval nog lange tijd voortduren.

Duidelijk is echter dat ook verdachte het ongeval en de daaruit voortvloeiende gevolgen op geen enkele wijze heeft gewild. Zo heeft hij direct na het ontstaan van de steekvlam al het mogelijke gedaan om de slachtoffers te hulp te schieten. Kort daarna is hij in ontredderde toestand door de politie voor de Havana aangetroffen en als verdachte aangehouden. Hij heeft vervolgens 12 dagen in voorlopige hechtenis gezeten, waarvan 4 in beperkingen. Met name deze 4 dagen moeten voor verdachte geestelijk zeer belastend zijn geweest. De gevolgen van de steekvlam, de zwaar gewonde slachtoffers en de materiele schade die in een mum van tijd het gevolg zijn geweest van de door hem uit de hand gelopen vuur-act, hebben diepe indruk op hem gemaakt. Deze angst- en schuldgevoelens heeft hij in de dagen van beperkingen met niemand kunnen delen. Verdachte heeft bovendien sinds 2 juni 2012, na daartoe een poging te hebben gedaan, niet meer in de horeca kunnen werken. In deze branche werd hij in zijn hoofd steeds geconfronteerd met de beelden van het brandongeluk.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op een reclasseringsrapport, d.d. 11 september 2012, betreffende de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte na het brandongeluk kampte met psychische problemen en dat hij zich onder behandeling heeft gesteld van een psycholoog. De reclassering schat het recidiverisico laag in en vindt een behandeling, gelet op zijn sociale netwerk, zijn toekomstperspectief en zijn blanco documentatie, niet geïndiceerd. De rechtbank neemt dit advies over en maakt het tot het hare.

In het voordeel van verdachte spreekt verder dat hij serieuze pogingen heeft ondernomen om contact te maken met de slachtoffers. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geruime tijd heeft moeten wachten op de behandeling van zijn zaak.

Voor een uitzonderlijk feit als dit zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar die de rechtbank kan betrekken bij het bepalen van de strafmaat. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat een voor alle betrokkenen ingrijpende gebeurtenis als deze zich niet leent voor een standaardbenadering, noch voor een werkstraf, zoals de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank acht de navolgende straf passend en geboden.

De rechtbank zal gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. Een deel van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van 1 jaar, die ertoe strekt te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

Algemeen

[slachtoffer 10] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot (materiële) schadevergoeding, groot € 120.

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.444, waarvan een bedrag van € 2.000 aan smartengeld. Boven dit bedrag heeft de heer [slachtoffer 1] ter terechtzitting een bedrag van € 1.000 gevorderd wegens psychisch geleden schade.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot (materiële) schadevergoeding, groot € 1.900. Ter terechtzitting heeft zij daarboven een bedrag van € 1.500 aan immateriële schade gevorderd.

7.2

Standpunt van de officier

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de drie benadeelde partijen allen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Deze vorderingen zijn reeds civielrechtelijk geschikt.

7.3

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, evenals de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de drie benadeelde partijen allen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard vanwege de bepleite algehele vrijspraak.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Drie aangevers hebben zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding. Verdachte is ten aanzien van deze drie aangevers echter vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Dit betekent dat vorderingen van de benadeelde partijen niet voor beoordeling in dit strafgeding in aanmerking kunnen komen. De benadeelde partijen zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 57, 308 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 102 DAGEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 90 DAGEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op één jaar (1 JAAR) vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mrs. M.M. Meessen en K. Bozia, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Woertman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1512 2012116140, van de regiopolitie Haaglanden/District Den Haag/Centrum, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 250).

2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juni 2012, pag. 60-61.

3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juni 2012, pag. 62-63.

4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juni 2012, pag. 69-79 en camerabeelden opgeslagen op DVD behorende bij dit dossier.

5 Proces-verbaal van bevinding, pag. 230-233 en pag. 91 en 92.

6 [slachtoffer 9], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 2], [slachtoffer 8]

7 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 9], d.d. 2 juni 2012, pag. 28 t/m 31. Geneeskundige verklaring [slachtoffer 9], pag. 213.

8 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 3], d.d. 2 juni 2012, pag. 33 t/m 39. Geneeskundige verklaring, [slachtoffer 3] pag. 185.

9 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 8], d.d. 6 juni 2012, p. 171-181.Geneeskundige verklaring [slachtoffer 8], pag. 182.

10 Proces-verbaal verhoor getuige, 2 juni 2012, pag. 101 t/m 104.

11 Proces-verbaal verhoor getuige, 4 juni 2012, pag. 114 t/m 125.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, 2 juni 2012, pag. 130 t/m 139. Verklaring ter terechtzitting, d.d. 27 februari 2014.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, 3 juni 2012, pag. 137

14 Proces-verbaal verhoor aangever, 2 juni 2012, pag. 133.

15 Proces-verbaal aangeefster, 2 juni 2012, pag. 28.

16 Proces-verbaal verhoor aangever, 2 juni 2012, pag. 33.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte, 3 juni 2012, p. 137

18 Proces-verbaal verhoor verdachte, 2 juni 2012, pag. 132