Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14652

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
09/767116-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syriëganger

terroristisch misdrijf

terroristisch oogmerk

geschrift of afbeelding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/54
Onder redactie van Tina van der Linden-Smith, met medewerking van <br/>Kea de Raaij annotatie in UDH:IR/12206

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767116-14

Datum uitspraak: 1 december 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting].

1 Inleiding

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. In reactie op de gewelddadigheden van het regime begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een verschrikkelijke burgeroorlog.

Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd begin 2014 al geschat op meer dan 140.000. Ruim tweeëneenhalf miljoen Syriërs vluchtten naar het buitenland. Het aantal ontheemden in Syrië bedraagt ongeveer 6,5 miljoen.

Naar mate de burgeroorlog vorderde werd deze steeds meer “gejihadiseerd”. Jihadistische groepen mengde zich steeds meer en nadrukkelijker in de strijd. Hun doel was niet alleen - misschien niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië. Dat deze strijdgroepen zich daarbij op grote schaal schuldig maakten en maken aan grove mensenrechtenschendingen is een feit van algemene bekendheid. Alle in hun ogen ongelovigen (kuffar) zijn het slachtoffer van extreem geweld.

Aanvankelijk kwamen de jihadistische strijders nog bijna uitsluitend uit Syrië zelf. Al gauw werd het land echter ook een aantrekkelijke bestemming voor niet-Syrische jihadisten. De meesten van hen kwamen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, maar ook uit (West-) Europese landen trokken jihadisten naar Syrië om zich bij deze strijdgroepen aan te sluiten. Uit Nederland zijn inmiddels meer dan 160, meestal jeugdige personen, naar Syrië vertrokken om daar deel te nemen aan de jihad.

Tegen deze achtergrond is op 12 april 2013 onder leiding van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag een opsporingsonderzoek onder de naam Context gestart naar aanleiding van het vertrek naar Syrië van een groot aantal jongeren uit het werkgebied van de politie Eenheid Den Haag. In dit onderzoek is verdachte naar voren gekomen. Verdachte is een teruggekeerde Syriëganger. De kern van het verwijt tegen hem is dat hij zich in Nederland heeft voorbereid op deelname aan de jihad, zich in Syrië bij een jihadistische groepering heeft aangesloten en dat hij (met name na zijn terugkomst) gegevensbestanden die opruien tot terroristische misdrijven heeft verspreid.

Het onderzoek tegen verdachte vond plaats op 3, 4 en 17 november 2014. Verdachte was daarbij aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam. De officieren van justitie waren mr. N.H. Vogelenzang en mr. H.A.C. Banning. Ter terechtzitting is prof. dr. Edwin Bakker, hoogleraar (contra)terrorisme aan de Universiteit Leiden, als deskundige gehoord.

2 De beschuldigingen, de eis en het verweer

Wat verdachte verweten wordt is omschreven in de (gewijzigde) tenlastelegging, welke als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldigingen komen – kort gezegd – op het volgende neer:

Feit 1

Verdachte heeft in de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 in Nederland en in Syrië:

( i) samengespannen tot het plegen van moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk; en/of

(ii) het plegen van moord en/of doodslag, met een terroristisch oogmerk, voorbereid; en/of

(iii) zich gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, dan wel kennis en/of vaardigheden verworven tot het plegen van enkele terroristische misdrijven, waaronder moord en het teweeg brengen van ontploffingen.

De feitelijke handelingen welke in deze drie varianten aan verdachte worden verweten (in de tenlastelegging opgesomd onder de letters A tot en met H) zijn steeds dezelfde.

Indien de rechtbank ter zake geen van deze varianten tot een veroordeling komt, acht het Openbaar Ministerie verdachte schuldig (feit 1 subsidiair) aan het plegen van voorbereidingshandelingen tot moord en/of het teweegbrengen van een ontploffing (zonder terroristisch oogmerk).

Feit 2

Verdachte heeft in de periode van 1 maart 2013 tot en met 23 april 2014 in Nederland (en/of in België) geschriften en afbeeldingen die opruien tot een terroristisch misdrijf verspreid dan wel deze ter verspreiding in voorraad gehad.

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank:

( i) verdachte vrij zal spreken van de eerste variant van feit 1, primair (samenspanning);

(ii) wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de tweede en de derde ten laste gelegde variant van feit 1 primair heeft begaan; en

(iii) wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de hem onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.1

De officieren hebben gevorderd dat de rechtbank verdachte hiervoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaar (met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht).

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank desalniettemin komt tot het opleggen van een straf kan volgens hem volstaan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.2

3. Beschouwing omtrent het toepasselijk recht ten aanzien van (voorbereiding op) deelname aan de vijandelijkheden in Syrië

De rechtbank heeft voor de zitting aan de officieren van justitie en de raadsman laten weten dat zij ter zitting aandacht zou besteden aan de vraag of het geldende internationale humanitaire recht in de weg staat aan vervolging van verdachte ter zake enkele van de hem verweten strafbare feiten, dan wel een bewezenverklaring daarvan, omdat de Haagse rechtbank (in een andere samenstelling) op 21 oktober 2011 in enkele zaken verdachten heeft vrijgesproken van deelneming aan een criminele terroristische organisatie omdat – kort gezegd – de ten aanzien daarvan in de tenlastelegging omschreven feiten verband hielden met een niet-internationaal gewapend conflict, in casu het conflict tussen de strijdkrachten van Sri Lanka en de strijdkrachten van de Tamil Tijgers.3

De officieren van justitie hebben ter zitting gemotiveerd aangevoerd dat de Nederlandse strafwet onverkort van toepassing is in situaties waarin sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict en dat leden van gewapende groepen in zo’n conflict geen status hebben die hen vrijwaart van vervolging en berechting voor commune delicten waaronder terroristische misdrijven.

De raadsman heeft betoogd dat in Syrië sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict en dat daarom de bepalingen die terroristische misdrijven strafbaar stellen niet van toepassing zijn. Aan verdachte komt, indien bewezen zou kunnen worden verklaard dat hij aan deze gewapende strijd heeft deelgenomen, de bescherming toe van de Conventies van Geneve, hetgeen inhoudt dat hij alleen zou kunnen worden vervolgd ter zake van oorlogsmisdrijven. Ook heeft de raadsman betoogd dat aan verdachte geen concrete individueel aan hem toe te rekenen strafbare feiten zijn tenlastegelegd. Zijn conclusie is dat het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van feit 1. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict is een analyse van de feitelijke situatie vereist. Indien gewapend geweld tussen staten of langdurig gewapend geweld tussen een staat en (een) georganiseerde gewapende groep(en) dan wel tussen zulke groepen onderling een bepaalde mate van intensiteit bereikt, kunnen de vijandelijkheden worden gekwalificeerd als een internationaal respectievelijk niet-internationaal gewapend conflict.4 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit verscheidene rapporten van gezaghebbende NGO’s dat er gedurende de tenlastegelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië.5

De vier Geneefse verdragen van 12 augustus 19496 bevatten een gelijkluidend artikel 3 dat van toepassing is op niet-internationaal gewapende conflicten. Dit gemeenschappelijk artikel 3 bevat minimumgedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich bij een niet-internationaal gewapend conflict dienen te houden. Het Aanvullende Protocol II bij deze verdragen bevat bepalingen ter verbetering van de bescherming van burgers en anderen die niet (meer) deelnemen aan de gewapende strijd.7

Uit deze verdragen en vaste rechtspraak volgt dat leden van georganiseerde gewapende groepen - anders dan leden van regeringslegers - in een niet-internationaal gewapend conflict niet gerechtvaardigd zijn om geweld te gebruiken. Dit is ook de opinie van gezaghebbende schrijvers over dit onderwerp. Burgers die in een niet-internationaal gewapend conflict deelnemen aan de vijandelijkheden (al dan niet als lid van een georganiseerde gewapende groep) genieten geen status vergelijkbaar met het combattantenprivilege, ofwel zij hebben geen recht om met inachtneming van de geweldsregels zoals neergelegd in het internationaal humanitair recht geweld te gebruiken. Zij genieten dan ook geen immuniteit van strafvervolging voor hun deelname aan de vijandelijkheden en kunnen derhalve worden vervolgd en berecht.8

De rechtbank is voorts van oordeel dat het internationaal humanitair recht in een niet-internationaal gewapend conflict niet exclusief van toepassing is. Deze opvatting vindt steun in omvangrijke jurisprudentie en literatuur. De rechtbank verwijst in dit verband naar de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 16 oktober 20149 , waarin het Hof onder meer het volgende heeft overwogen:

56 Anders dan verzoekster betoogt, houdt de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van gewapend conflict en op de handelingen die in dat kader zijn verricht, niet de niet-toepasselijkheid van de regelgeving over het terrorisme op die feiten in. Dit geldt zowel voor de bepalingen van het Unierecht die in de onderhavige zaak zijn toegepast, met name gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001, als voor de bepalingen van internationaal recht die door verzoekster zijn ingeroepen.

57 Wat in de eerste plaats het Unierecht aangaat, moet inderdaad worden opgemerkt dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van het Unierecht inzake het terrorisme op eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit.

(…)

60 Wat in de tweede plaats de door verzoekster ingeroepen bepalingen van internationaal recht betreft, moet erop worden gewezen dat, naast het feit dat een gewapend conflict ontegensprekelijk kan leiden tot handelingen die naar hun aard terroristische handelingen zijn, dergelijke handelingen in het internationale humanitaire recht uitdrukkelijk als „terroristische handelingen” zijn aangemerkt, die met dat recht in strijd zijn.

(…)

67 Verzoekster betoogt dus ten onrechte dat de begrippen gewapend conflict en terrorisme in het internationale recht met elkaar onverenigbaar zijn.

68 Wat de eventuele omstandigheid betreft dat de terroristische daden afkomstig zijn van „vrijheidsstrijders” of vrijheidsbewegingen die zich in een gewapend conflict met een „onderdrukkende regering” bevinden, volgt eveneens uit de bovenstaande overwegingen dat deze irrelevant is. Een dergelijke uitzondering op het verbod van terroristische daden in situaties van gewapend conflict heeft geen enkele grondslag in het Unierecht en zelfs niet in het internationale recht. Daarin wordt geen enkel onderscheid naargelang de hoedanigheid van de pleger of de doelstellingen die hij nastreeft gemaakt bij hun veroordeling van terroristische daden.

Deze uitspraak ligt geheel in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 mei 200410, waarin de Hoge Raad onder meer overweegt

3.3.7. (…) Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld. (…)

3.3.8. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de strafbaarstelling van schendingen van het humanitaire oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 Wet internationale misdrijven, niet betekent dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn.

Gedurende gewapende conflicten zijn aldus verschillende rechtsregimes van toepassing, waaronder het Nederlandse strafrecht, inclusief de bepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven.

De conclusie moet derhalve zijn dat naar Nederlands recht deelname aan het gewapend conflict in Syrië (en Irak) strafbaar is. Dit geldt niet alleen voor personen die zich aansluiten bij jihadistische groeperingen.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat aan verdachte, anders dan de raadsman stelt, wel degelijk concrete individueel aan hem toe te rekenen strafbare feiten zijn ten laste gelegd. Er is dan ook geen enkel beletsel het Openbaar Ministerie ontvankelijk te achten in de vervolging van verdachte.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Vaststaande feiten11

Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Voorafgaand aan het vertrek naar Syrië

Op 10 juli 201312is verdachte in Antwerpen13 naar zijn opvatting volgens de islamitische wet getrouwd14 met [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), die hij rond maart 2013 via Instagram had leren kennen.15 Verdachte en [persoon 1] waren van plan om een week na hun “huwelijk” samen naar Syrië te vertrekken.16 Op 17 juli 2013 werden [persoon 1] en verdachte echter aangehouden op station Rotterdam Centraal. Omdat op dat moment op verdachte geen verdenking rustte, werd hij (anders dan [persoon 1]) direct weer in vrijheid gesteld. De bagage die [persoon 1] en verdachte bij zich hadden, werd wel in beslag genomen. In een van de sporttassen werd onder andere nieuwe outdoor kleding, waaronder bergschoenen en regenkleding, van verdachte aangetroffen. De kleding was bestemd voor een verblijf in Syrië. In de sporttas werd tevens een zwarte hoofdband aangetroffen met daarop een religieuze Arabische tekst (“Er is geen God enkel dan Allah en Mohammed is zijn profeet”).17

Ook werd in een van de sporttassen een Sony laptop van verdachte aangetroffen. Uit onderzoek naar de internetgeschiedenis is gebleken dat verdachte in de periode van 2 tot en met 5 juli 2013 websites heeft bezocht over (de aanschaf van) outdoorspullen, de Jihad, (de gewapende strijd in) Syrië, de Taliban en terrorisme.18 Op de laptop stonden audiobestanden van YouTube die in de periode maart 2013 tot en met juli 2013 op de computer zijn geplaatst. Dit betroffen liederen over de Jihadstrijd en over de martelaarsdood.19

Op de Sony laptop van verdachte werden tevens chatberichten tussen verdachte en een onbekend gebleven persoon aangetroffen. De berichten zijn van 28, 29 en 30 juni 2013. Hij schrijft hierin onder meer “mijn dood staat al vast”, “dus als ik sterf tijdens een jihad, dan is dat maar zo”, “ik heb meerdere malen istikhara gebeden om Allah’s advies om de keuze voor jihad, ik heb antwoord gekregen, ik weet genoeg en geen enkele iemand gaat het nu nog veranderen, Allahu Alam en heb advies van Allah gekregen voor mijn keuze”. Verdachte verwijst in dit chatbericht naar jihadistische terroristische organisaties, zoals Jabhat al-Nusra, the Islamic State of Iraq, en de aan Al Qaida gelieerde organisatie Ansur al-Sharia en zet zijn argumenten kracht bij met een verwijzing naar twee artikelen die zijn geplaatst op de website www.dewarereligie.nl, te weten: “Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht” en “Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht!”.20

Verdachte is eind juli 2013 vanaf Amsterdam via Düsseldorf en Istanbul naar Syrië gereisd.21 Voorafgaande aan zijn reis heeft verdachte zich laten informeren over het afreizen naar Syrië.22 Op een op 17 juli 2013 onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon werd een ontvangen sms van een Syrisch telefoonnummer aangetroffen. De gebruiker van het Syrische telefoonnummer noemde zich [naam]. De sms had de tekst: “Zorg er eerst voor dat jullie in Turkije raken. Ik kan je alvast vertellen dat je in Antakya moet geraken. Hoe en wat precies kan ik pas als je in Turkije bent zeggen”.23 Uit het Context-onderzoek is gebleken dat voornoemd telefoonnummer in gebruik is bij [persoon 2] (hierna: [persoon 2]), die zich onder meer [naam] noemt. [persoon 2] is rond 12 juli 2013 naar Syrië gereisd en getrouwd met een jihadstrijder. Zij bevindt zich in een gebied in Syrië dat onder controle is van ISIS en staat in direct contact met jihadstrijders en hun vrouwen. Op haar Facebook profiel betuigt zij haar steun aan de terreurgroep ISIS.24 [persoon 1] heeft zich – na haar in vrijheidstelling – in augustus 2013 bij verdachte in Syrië gevoegd.

Tijdens het verblijf in Syrië

Tijdens zijn verblijf in Syrië heeft verdachte op 12 augustus 2013 zijn profielfoto op zijn Facebookpagina25 ([naam]) gewijzigd. Verdachte staat hierop afgebeeld met zijn rug naar de camera met in zijn rechterhand een automatisch vuurwapen, namelijk een Kalasjnikov. Eén van de reacties op de foto is: “Mijn geliefde broeder in mijn hart, mijn werende kogel en Mujaahid fie sabieli Allaahi. Mijn strijdende vechten in de eerste rijen van Al-Ghyra Wa Al-Barakah. We doen met jullie Jihaad mee elke dag, ik pak hun goden de Sheyateen en jij pakt hun pionnen. Allaahu Akbar!”. Hierop reageerde verdachte met: Akhi Habibbb, we zijn beide strijders! Allahu Akbar!”.26

Op 5 oktober 2013 heeft verdachte met zijn Syrische telefoonnummer een sms gestuurd naar zijn moeder. Hierin stond: “sorry moeder ik werd onverwachts meegevraagd naar iqtiham daarom was 2 dagen weg, we hadde ons vannacht teruggetrokken om tactische rede ben nu thuis hamdoulah@”. Iqtiham betekent aanval of binnenvallen. De moeder van verdachte antwoordde: “Zoon, neem altijd aub afscheid van me als je de slagveld op gaat”.27

Uit nader onderzoek naar de Samsung laptop van verdachte, die bij de doorzoeking na zijn aanhouding op 23 april 2014 in beslag is genomen28, is gebleken dat deze in de periode dat verdachte in Syrië verbleef, namelijk op 12 en 13 januari 2014, verbinding heeft gemaakt met de WiFi netwerken “islamic-front” respectievelijk “islamic-front 2”.29 Islamic front is de Engelse vertaling van een Syrische strijdgroep genaamd: al-Jabhat al-Islamiyyah.30

Verdachte is in januari 2014 uit Syrië vertrokken en begin februari 2014 weer in Nederland aangekomen.31

Na terugkomst uit Syrië

Sinds 2 maart 2014 is verdachte actief met het Facebookaccount [naam].32 Op de profielgegevens van het Facebookaccount staat onder Life Events onder andere dat verdachte “Started Working at Fisabilallah (toevoeging rechtbank: het pad van Allah)” met daaronder “Military Service”.33 De coverfoto betreft een afbeelding van de vlag van het Islamitisch Kalifaat, met daaraan toegevoegd een witte cirkel en de bovenste helft van de vlag die Al Qaida gebruikt. De profielfoto betreft een plaatje van de vlag van het Islamitisch Kalifaat. Verdachte heeft op 16 maart 2014 zijn profielfoto en zijn coverfoto gewijzigd. Het betreffen afbeeldingen van de vlag van het Islamitisch Kalifaat met een zwaard eraan toegevoegd respectievelijk de vlag die Al Qaida gebruikt. Op 16 maart 2014 heeft verdachte zijn profielfoto opnieuw veranderd. Ditmaal in een plaatje van de vlag die Al Qaida gebruikt, met hieraan toegevoegd twee zwaarden. Op 31 maart 2014 werd de profielfoto nogmaals veranderd, dit keer in een plaatje van de vlag van het Islamitisch Kalifaat.34

Onderzoek naar de Iphone van verdachte, die bij zijn aanhouding op 23 april 2014 in beslag is genomen35, heeft uitgewezen dat hij op 13 april 2014 via WhatsApp een link van een YouTube filmpje heeft verstuurd naar tien WhatsApp contacten. Het filmpje toonde strijders te paard met zwaarden en speelde een islamitisch lied (nasheed) met Engelse ondertiteling. De tekst riep op deel te nemen aan de gewapende jihad.36 Verdachte heeft diezelfde dag aan zes andere WhatsApp contacten een YouTube filmpje verzonden. Het filmpje betrof een speech van een Sheikh in het Arabisch met Engelse ondertiteling en had betrekking op de fatwa (goedkeuring) van de Jihad in Syrië.37

Op 21 april 2014 stuurde verdachte via WhatsApp aan zes contacten een foto met de tekst: “Strijder voor in Syrië, Je moet het maar kunnen. Solliciteer direct op ikwilnaarSyrië.nl.”38 Op 22 april 2014 heeft verdachte via WhatsApp wederom een YouTube filmpje gestuurd aan zes contacten. In het filmpje werd een toespraak gegeven in het Arabisch. Het filmpje was Nederlands ondertiteld. De toespraak had betrekking op de individuele verplichting van iedere moslim zich aan te sluiten bij de gewapende Jihad.39 Die dag heeft verdachte tevens een document aan zeven WhatsApp contacten verzonden. Dit document betrof een interview met Al Zawahiri, de topman van Al Qaida, over de mujahideen en de gewapende Jihad in Shaam (Syrië).40

Op de Samsung laptop van verdachte werden meerdere documenten41, afbeeldingen42 en bestanden43 aangetroffen met daarop onder andere radicaal-islamitisch materiaal44, afbeeldingen van strijders met islamitische vlaggen, explosies en wapens45 en informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en het martelaarschap.46

Op de iPhone van verdachte stonden diverse foto’s van verdachte waar hij in één hand een vuurwapen (Kalasjnikov) – blijkens de eigen verklaring van verdachte niet telkens hetzelfde vuurwapen47 – vasthoudt en met de andere hand zijn wijsvinger in de lucht steekt.48 Op sommige van die foto’s is hij gekleed in camouflagekleding.49

4.2

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij naar Syrië wilde emigreren, omdat hij dacht dat hij daar kon wonen in een land met een streng islamitische cultuur – het meest zuivere land in die zin – en hij zijn geloof daar beter kon praktiseren. Hij is ook naar Syrië gereisd vanwege het onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde. Hij wilde de mensen daar helpen. Verdachte heeft verklaard dat hij in Syrië in de omgeving van Bab al Hawa verbleef en dat hij voor een hulpverleningsorganisatie heeft gewerkt. Hij heeft niet willen zeggen voor welke hulpverleningsorganisatie hij had gewerkt, omdat deze organisatie een slechte naam zou krijgen als bekend zou worden dat zij mensen aannemen die worden gezien als terrorist, als Jihadist.50

Verdachte heeft stellig ontkend dat hij naar het strijdgebied in Syrië is gegaan en dat hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat zich wel meerdere strijdgroepen bevonden in het gebied waar hij verbleef. Dit waren onder andere Jahbat al Nusra, het Vrije Syrische Leger, Islamitisch Front en ISIS. Er was niet één groep die daar de overhand had. Verdachte heeft verklaard dat hij is vertrokken op het moment dat tussen de groeperingen onderling een strijd uitbrak.51

Verdachte heeft verklaard dat hij een voorstander is van de invoering van de Sharia, de islamitische wetgeving, in Syrië.52 Hij heeft verklaard dat sjiieten en alawieten Shirk (toevoeging rechtbank: afgoderij) plegen. Dit betekent dat je andere wetten erkent dan die van God.53 Verdachte herkent zich in de leer van het salafisme.54 Verder heeft verdachte aangegeven dat Jihad het streven op het pad van Allah inhoudt en dat een Mujaheed – naast een strijder – ook een hulpverlener kan zijn als hij streeft op het pad van Allah.55

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij in de chatberichten met de onbekende persoon heeft gesproken over het sterven als martelaar.56 Verdachte heeft verklaard dat ook als hij als hulpverlener zou komen te overlijden, hij zou sterven als een martelaar.57 De politie heeft verdachte met betrekking tot dit chatgesprek voorgehouden dat het gaat over de plannen van verdachte om Mujaheed te worden, waarop verdachte zei: “Op dat moment vond ik het rechtvaardig en vond ik daar bewijzen voor”. Verder verklaarde verdachte: “Ik heb niet deelgenomen aan de gewapende strijd. Dat ik, voordat ik wegging anders sprak, dat is misschien zo, maar mijn daden zijn alleen hulpverlening.” en “Mijn punt in die discussie is dat de Jihad daar rechtvaardig is en dat er daarom daar Jihad is.”.58 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit chatgesprek gaat over de gewapende jihad welke hij gerechtvaardigd vond in de strijd tegen Assad en dat hij voor zijn vertrek naar Syrië heeft getwijfeld over deelname daaraan. Verdachte heeft verklaard dat hij het eens is met de oprichting van een Islamitische staat, maar dat hij het niet eens is met de manier waarop dit in Syrië gebeurt. De filmpjes die hij na terugkomst uit Syrië aan anderen stuurden, waren slechts meningen.59

Verdachte heeft verklaard dat er geen foto’s van de door hem geboden hulpverlening op Facebook staan, omdat hij vanwege zijn geloof niet met zijn liefdadigheidswerk mag pronken. De foto’s waarop hij met een Kalasjnikov stond, vond hij stoer.60 Verdachte heeft op meerdere momenten met een Kalasjnikov geschoten. Hij heeft verklaard dat dit voor de lol was en dat hij niet op mensen heeft geschoten.61 Verdachte heeft over de op 17 juli 2013 in zijn sporttas aangetroffen hoofdband verklaard dat zijn vrouw deze van een vriendin had gekregen. Hij verklaarde dat dit een stereotype Mujahedeen band is en dat strijders in Syrië die dragen.62 De vlaggen die hij op Facebook plaatste worden inderdaad door Al Qaida gebruikt, maar ook door anderen.63

Ten aanzien van de hierboven geciteerde sms-berichten op 5 oktober 2013 (over iqtiham en het slagveld) heeft verdachte bevestigd dat hij deze heeft gewisseld met zijn moeder. Op vragen van de rechtbank hierover heeft hij geantwoord dat hij liever niet wilde zeggen wat hiermee werd bedoeld.64

4.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 1

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de eerste ten laste gelegde variant (samenspanning).

Ten aanzien van de tweede en derde variant heeft het Openbaar Ministerie - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte de hem tenlastegelegde voorbereidingshandelingen heeft begaan en dat deze zagen op de gewelddadige jihad. Alleen al uit de sms-wisseling tussen verdachte en zijn moeder blijkt dat hij ook daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Het door verdachte aangedragen alternatieve scenario, te weten dat hij in Syrië slechts hulp zou hebben verleend, is niet aannemelijk geworden en dient dan ook te worden verworpen. Door het plegen van de genoemde voorbereidingshandelingen is komen vast te staan dat verdachte het oogmerk had om mensen te doden in de gewapende strijd. Ook is middels deze handelingen voldaan aan het ten laste gelegde in variant 3 (strafbaar gesteld in artikel 134a Sr).

Tevens kan bewezen worden dat verdachte heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk, zoals gedefinieerd in artikel 83a Sr. De structuren van de Syrische maatschappij zijn ontwricht door de gewapende strijd, de rebellen willen dwingen tot het aftreden van Assad en willen delen van Syrië veroveren, met voor de jihadisten als extra doel het creëren van een islamitische staat. Het doet er niet toe voor welke groepering verdachte heeft deelgenomen aan de strijd, omdat alle groeperingen die in de genoemde periode aan het strijden waren in Syrië, voldeden aan de definitie van het terroristisch oogmerk.

4.4

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte hulp heeft verleend in Syrië. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte daar zou hebben deelgenomen aan gevechten. Indien de rechtbank dit wel bewezen zou achten, staat daarmee nog niet vast dat, zo begrijpt de rechtbank de raadsman, verdachte heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk. Vechten tegen het terreurbewind van Assad is geen terrorisme. Ook heeft de raadsman erop gewezen dat in de laatste zin van de tweede variant verdachte niet wordt verweten dat hij heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk, maar dat de hem verweten voorbereiding en/of bevordering zou zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden.

4.5

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1

4.5.1

Samenspanning (variant 1)

Onder samenspanning wordt verstaan het maken van een afspraak tussen twee of meer personen om een misdrijf – in dit geval een terroristisch misdrijf – te plegen. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs daarvoor bevat. Verdachte wordt dan ook van deze variant vrijgesproken.

4.5.2

Voorbereiding (variant 2)

Verdachte heeft ontkend dat uit de in de tenlastelegging onder C weergegeven chatgesprekken zou blijken dat hij in Syrië wilde deelnemen aan de gewapende strijd en dat hij in Syrië heeft deelgenomen aan de gewapende strijd (onderdeel G van de tenlastelegging). De rechtbank zal hierna onderzoeken of het dossier bewijs hiervoor bevat. Ten aanzien van alle overige in de tenlastelegging opgesomde feitelijke handelingen geldt dat verdachte deze heeft bekend dan wel dat deze ook zonder nadere bespreking blijken uit de hierboven vastgestelde feiten.

Deelname aan de gewapende strijd?

De rechtbank stelt, gelet op hetgeen hierboven is weergegeven, vast dat verdachte websites heeft bezocht over (de aanschaf van) outdoorspullen, de jihad, terrorisme en aanverwante onderwerpen. Verdachte had veel digitaal materiaal voorhanden, waaruit blijkt dat hij het Jihadistisch gedachtegoed aanhangt en het martelaarschap verheerlijkt. Hoewel verdachte heeft verklaard dat de chatberichten van 28, 29 en 30 juni 2013 niet gingen over zijn wens deel te nemen aan de gewapende strijd en daarin te sterven als een martelaar, kan de rechtbank deze berichten niet anders duiden dan dat verdachte vanwege zijn geloofsovertuiging naar Syrië wilde gaan om daar deel te nemen aan de gewapende strijd. Hij beschouwde dit als zijn religieuze plicht. Verdachte heeft zich bovendien laten informeren over een reis naar Syrië door iemand die zich in het strijdgebied bevond en die openlijk ISIS steunt. Uit het betreffende sms-contact komt naar voren dat geheimzinnig wordt gedaan over de uiteindelijke plaats van bestemming.

Verdachte heeft zich vervolgens daadwerkelijk naar Syrië begeven. De rechtbank acht de lezing van verdachte dat hij daar slechts humanitaire hulp heeft verleend niet aannemelijk. Verdachte heeft niet willen verklaren bij welke hulpverleningsorganisatie hij zou hebben gewerkt en ter terechtzitting slechts een summiere verklaring afgelegd over de structuur van deze organisatie en zijn werkzaamheden. Verdachte heeft verklaard dat hij in Syrië in de omgeving van Bab al Hawa verbleef. Uit openbare bronnen is gebleken dat in de periode dat verdachte in Syrië was de omgeving van Bab al Hawa in handen was van opstandelingen en dat jihadstrijders van ISIS actief waren. Uit de nieuwsberichten uit die periode blijkt dat bomaanslagen en terreuracties in de regio werden gepleegd. Er zijn geen berichten aangetroffen waaruit valt af te leiden dat in de regio hulpverleningsinstanties actief waren.65 Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat zijn ervaring is dat hulpverlenende instanties helemaal niet zitten te wachten op willekeurige mensen die komen helpen. De organisaties willen liever donaties en goederen.66 Bovendien is er op de verschillende gegevensdragers van verdachte geen enkele aanwijzing gevonden die duidt op een bijdrage van verdachte aan de hulpverlening in Syrië. Verdachte heeft zich daarentegen wel enkele malen trots laten fotograferen met een Kalasjnikov in de ene hand en met één vinger van de andere hand in de lucht, hetgeen betekent dat er geen god dan Allah is. Het wil er bij de rechtbank niet in dat verdachte – zoals hij zegt – vanwege zijn geloofsovertuiging niet zou mogen pronken met liefdadigheidswerk dat hij deed, maar zich wel in strijd met de waarheid mocht voordoen als gewapende strijder op het pad van Allah. Verdachte heeft zich er ook na zijn terugkomst uit Syrië op laten voorstaan dat hij op dit pad “Military Service” had verricht.

Op basis van deze feiten en omstandigheden, alle in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte niet alleen het doel had om in Syrië deel te nemen aan de gewapende strijd, maar dit doel ook heeft verwezenlijkt. Voor zover hierover nog enige twijfel mocht bestaan, wordt deze geheel weggenomen - de verdachte heeft geen andere verklaring hiervoor willen geven - door de inhoud van de sms-berichten tussen verdachte en zijn moeder op 5 oktober 2013: verdachte meldt daarin klip en klaar dat hij heeft meegedaan aan een gewapende aanval en er is geen enkele reden om aan te nemen dat hij zijn moeder nodeloos ongerust heeft willen maken.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte in Syrië heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en dat hij zich in dat kader heeft aangesloten bij één van de in die regio actieve jihadistische gewapende strijdgroepen.

Oogmerk moord en/of doodslag?

De onder A. tot en met H. opgenomen handelingen leiden in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat verdachte het oogmerk had de ten laste gelegde delicten moord en/of doodslag voor te bereiden. Hoewel bijvoorbeeld de zoekslagen op internet (over de aanschaf van outdoorkleding) en het reizen naar Syrië op zichzelf geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van verdachte tezamen het oogmerk van verdachte op het voorbereiden van moord en/of doodslag worden afgeleid.

Terroristisch oogmerk?

De vraag die resteert, is of deze voorbereiding betrekking heeft op moord en/of doodslag, te begaan met een terroristisch oogmerk.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Vast staat dat verdachte in de ten laste gelegde periode voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op het plegen van de misdrijven moord en doodslag in het kader van de gewapende jihadistische strijd in Syrië.

In artikel 83a Sr wordt onder terroristisch oogmerk verstaan:

het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”

Deze omschrijving van het terroristisch oogmerk stemt nagenoeg overeen met die in het Kaderbesluit van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002 (PbEU L164), waaraan de wet terroristische misdrijven (Stb. 2044, 290) uitvoering heeft gegeven. In de tekst is steeds uitdrukkelijk sprake van een land en een overheid (of een internationale organisatie). Het artikel heeft dus een brede reikwijdte. Het gaat om misdrijven met een terroristisch oogmerk in welk land ook begaan. De rechtbank heeft in de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel slechts twee passages aangetroffen die betrekking hebben op terroristische misdrijven begaan tegen een regime dat een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid en/of zich schuldig maakt aan systematische en ernstige schending van fundamentele mensenrechtenschendingen. De leden van de CDA-fractie in de Eerste Kamer stelden de vraag of gewapende acties tegen een dergelijk bewind en de ondersteuning daarvan onder de werking vallen van de artikelen 83a juncto 83 Sr van het wetsvoorstel.67 De regering antwoordde hierop dat deze artikelen in dergelijke gevallen materieel van toepassing zijn.68 De conclusie moet dus zijn dat deze artikelen ook betrekking hebben op misdrijven met een terroristisch oogmerk begaan tegen een regime met een bedenkelijke reputatie of, zoals in het geval van het huidige Syrië, een ronduit abject regime. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de hierboven geciteerde rechtsoverweging 68 van het hof van Justitie van de Europese Unie.

Zoals in de inleiding kort is aangeduid, heeft het aanvankelijk vreedzame protest tegen het regime van Assad zich gaandeweg ontwikkelt tot een burgeroorlog waarin jihadistische strijdgroepen een steeds belangrijker aandeel kregen. De strijd van deze jihadisten was gericht op het omver werpen van het regime van Assad én op het vestigen van een in hun ogen zuiver islamitische samenleving. Dit eerste valt evident onder het tweede deel van het in artikel 83a Sr gedefinieerde oogmerk (het een overheid wederrechtelijk dwingen). Dat tweede valt zowel onder het tweede deel van het oogmerk als het derde. Het doel is immers de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en in de plaats daarvan een islamitische staat te vestigen. Het is algemeen bekend dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië om hun doel te bereiken dood en verderf zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Het geweld dat deze groepen gebruiken, heeft mede de uitdrukkelijke bedoeling grote delen van de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Voor verdachte, die een grote belangstelling had voor de ontwikkelingen in Syrië en op de hoogte was van de daar actieve jihadistische terroristische organisaties, moet dit alles volstrekt duidelijk zijn geweest voor hij naar Syrië reisde om zich bij een van deze organisaties aan te sluiten om zijn aandeel te leveren in de gewelddadige jihad.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereiding van het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk, in alle betekenissen die in artikel 83a Sr zijn omschreven.

4.5.3

Gelegenheid, middelen of inlichtingen dan wel vaardigheden en kennis tot het plegen van terroristische misdrijven (derde variant)

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte zich gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van moord of doodslag met een terroristisch oogmerk. Uit het dossier blijkt echter niet dat hij ook kennis en/of vaardigheden daartoe heeft verworven. Evenmin blijkt dat hij zich gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de andere (dan moord/doodslag) in de tenlastelegging genoemde terroristische misdrijven.

4.6

Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen uitingen heeft gedaan. Deze zijn opruiend, omdat a. daarin wordt opgeroepen tot deelname aan de terroristische strijd en b. deze het terroristische geweld verheerlijken en daarmee (indirect) oproepen tot zulk geweld en c. daarnaast oproepen tot het werven van personen en/of gelden voor die strijd. Naast de verspreiding van het gewelddadig jihadistisch gedachtegoed, heeft verdachte ook jihadistische liederen en afbeeldingen onder zich gehad ter verspreiding. De vrijheid van meningsuiting staat niet in de weg aan een bewezenverklaring.

4.7

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de feitelijkheden die in de tenlastelegging staan, voor zover deze al de mening van verdachte weergeven, geen opruiende teksten zijn en dat de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet zijn overschreden.

4.8

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2

4.8.1

Juridisch kader opruien en verspreiding ter opruiing

Strafbare opruiing is het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Opruiing is niet het dwingen van iemand tot een feit, maar veeleer het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om dat feit te bewerkstelligen. Zij is dus een zodanige voorstelling van de wenselijkheid of noodzakelijkheid als geschikt is om de overtuiging daarvan bij anderen op te wekken. Zij kan de vorm van een verzoek, een aansporing, aannemen, ook in een imperatieve vorm worden gegoten. Opruiing kan ook liggen in het uiting geven aan hoge morele waardering voor een handeling.69

De opruiing is reeds voltooid als de uitlating door de opruier is gedaan. Niet vereist is dat de opruiing enig resultaat heeft, bijvoorbeeld dat het publiek kennis heeft genomen van het opruiend geschrift. Of het feit waartoe wordt opgeruid volgt, doet er niet toe.70

Opruiing geschiedt in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.71

Of sprake is van opruiing hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen eerdere ervaringen en eerdere (gewelddadige) gebeurtenissen die grote maatschappelijke en politieke onrust hebben veroorzaakt.72

Voor het verspreiden van een geschrift of afbeelding ter opruiing geldt eveneens dat enig resultaat niet is vereist. De dader hoeft voorts niet te weten dat hetgeen waartoe wordt opgeruid, strafbaar is gesteld. Waar het om gaat is dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven.

4.8.2

Heeft verdachte opruiende geschriften, afbeeldingen of bestanden verspreid of ter verspreiding voorhanden gehad?

Onderdeel A

Verdachte heeft in een langdurig chatgesprek met een vriend uitgelegd waarom hij het als zijn religieuze verplichting zag in Syrië te gaan deelnemen aan de gewapende jihad. Om in deze discussie zijn standpunt kracht bij te zetten heeft hij zijn vriend twee links gestuurd naar de in de tenlastelegging genoemde artikelen. Deze artikelen hebben ontegenzeggelijk een opruiend karakter en verdachte wist dit. Aangezien het hier echter gaat om een link die naar één persoon wordt gestuurd, is niet voldaan aan het vereiste dat met deze verzending beoogd werd aan de inhoud daarvan ruchtbaarheid te geven. Dit kan niet als verspreiding in de zin van artikel 132 worden aangemerkt, in aanmerking nemend het belang dat deze strafbaarstelling beoogt te beschermen, de openbare orde. Daarom moet verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Onderdeel C

Evenals het Openbaar Ministerie stelt de rechtbank vast dat er geen enkel bewijs is dat verdachte de hier bedoelde liederen heeft verspreid. Vaststaat wel dat deze op zijn laptop stonden. Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, heeft de rechtbank in het dossier echter onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat verdachte deze liederen in voorraad had met als doel deze te verspreiden. Verdachte dient ten aanzien van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Onderdeel E(2)

Hier betreft het foto’s die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. Er is geen bewijs dat verdachte deze foto’s heeft verspreid. Uit het enkele feit dat verdachte andere opruiende YouTube films en documenten daadwerkelijk via WhatsApp heeft verspreid en opruiende afbeeldingen op Facebook heeft geplaatst, kan – anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd - niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte voornemens was dit ook te doen met deze foto’s. Verdachte moet dus ook hiervan worden vrijgesproken.

Onderdeel F

Dit betreft een poster of vlag die na de aanhouding van verdachte in diens woning is aangetroffen. Vanzelfsprekend is dit geen voorwerp dat verdachte heeft verspreid dan wel ter verspreiding voorhanden had. Ook hier volgt vrijspraak.

Onderdelen B, D en E(1)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte deze bestanden heeft verspreid. Dit is door de verdediging ook niet betwist. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat deze films, foto’s en het betreffende document ontegenzeggelijk een opruiend karakter hebben. De boodschap ervan behelst – in elk geval indirect – een duidelijke oproep tot het plegen van terroristische misdrijven (wederom het plegen van moord met een terroristisch oogmerk).

Voor wat betreft de onderdelen B en E(1) overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat deze bestanden afkomstig zijn uit openbare bron niet aan bewezenverklaring in de weg staat. Naar vaste jurisprudentie is ook (verdere) verspreiding van opruiende bestanden strafbaar.

Het door de verdediging gedane beroep op de vrijheid van meningsuiting, zoals onder meer gewaarborgd in artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, stuit af op artikel 1773 van dat verdrag: artikel 10 van het EVRM biedt geen schuilplaats aan hen die opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden.

5 De bewezenverklaring

De laatste zin in de tenlastelegging van feit 1 primair, tweede variant, is ongelukkig geformuleerd. Letterlijk genomen staat er dat de aan verdachte verweten voorbereiding (tot moord en/of doodslag) zou zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk. Bedoeld is echter, zoals de officieren van justitie ter terechtzitting hebben aangegeven, verdachte het verwijt te maken dat de moorden of doodslagen waarop zijn voorbereiding gericht was, indien deze daadwerkelijk zouden zijn begaan, zouden zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk.

De rechtbank heeft de tenlastelegging verbeterd gelezen, zoals blijkt uit de tekst van de bewezenverklaring (opgenomen in bijlage II).

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde derde variant van feit 1 primair is toegesneden op artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel luidt als volgt:

Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie”.

Deze strafbepaling vindt haar oorsprong in zowel een motie van de Tweede Kamer waarin de regering werd opgeroepen deelneming aan training voor terrorisme strafbaar te stellen als in het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 200574 (het verdrag van Warschau). Artikel 7 van dit verdrag verplicht tot het strafbaar stellen van “het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten”.

Omdat de op dat moment bestaande strafbaarstellingen mogelijk niet in alle gevallen toereikend zouden zijn om deelneming aan een terroristische training strafbaar te stellen,

heeft de wetgever, het zekere voor het onzekere nemend, in deze mogelijke lacune willen voorzien met het nieuwe artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht. In de toelichting bij het betreffende wetsvoorstel is meermalen benadrukt dat wetswijziging wenselijk was vanwege het gevaar dat uitgaat van deelneming aan terroristische trainingen. De wetgever heeft echter nagelaten met zoveel woorden in de tekst van dit artikel op te nemen dat (uitsluitend) deelneming aan dit soort trainingen strafbaar gesteld wordt. Met het betreffende wetsvoorstel werd eveneens het nieuwe artikel 83b Sr geïntroduceerd. Dit artikel luidt als volgt:

Onder misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf wordt verstaan elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 131, tweede lid, 132, derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 205, derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 225, derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 285, vierde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 311, eerste lid, onderdeel 6° (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 312, tweede lid, onderdeel 5° (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 317, derde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), jo. 312, tweede lid, onder 5° (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 318, tweede lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 322a (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), 326, tweede lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854), en 354a, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854).

De wetgever achtte ook deze bepaling noodzakelijk om uitvoering te geven aan het verdrag van Warschau, omdat het in artikel 1 van dat verdrag gehanteerde begrip terrorist offense een ruimere betekenis zou hebben dan het begrip terroristisch misdrijf in de zin van de artikelen 83 en 83a Sr en in artikel 7 van dat verdrag direct wordt gerefereerd aan dit begrip.

In de bewezenverklaring van deze variant (zie bijlage II) is geen enkel onderdeel te relateren aan het volgen of geven van een terroristische training. Ter beantwoording ligt dus de vraag voor of het bewezenverklaarde valt te kwalificeren als het misdrijf dat is strafbaar gesteld in artikel 134a Sr. Het Openbaar Ministerie heeft deze vraag (impliciet) – kennelijk op basis van louter de letter van de wet – bevestigend beantwoord. De verdediging heeft zich hierover niet uitgelaten.

De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van artikel 134a Sr vormt een sterke aanwijzing dat dit artikel niet het oog heeft op gedragingen die geen relatie hebben tot een terroristische training. In het intitulé en de considerans van het wetsvoorstel wordt de voorgestelde wijziging van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk en uitsluitend in verband gebracht met de wenselijkheid van “strafbaarstelling van het deelneming en meewerken aan training voor terrorisme”. Ook in de memorie van toelichting75 wordt op verscheidene plaatsen uitdrukkelijk en uitsluitend gesproken over strafbaarstelling van deelneming en meewerken aan training voor terrorisme. De strafbare training ziet zowel op de reeds eerder als zodanig aangemerkte terroristische misdrijven als op de misdrijven die vanaf dat moment in artikel 83b Sr werden aangemerkt als misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan 76.

Afgezien van dit wetshistorisch argument dwingt een wetssystematisch argument de hierboven opgeworpen vraag negatief te beantwoorden. Indien artikel 134a een strafbaarstelling zou bevatten welke geheel los staat van deelneming aan een terroristische training zou dit voor wat betreft het voorbereiden van het plegen van moord of doodslag met een terroristisch oogmerk neerkomen op een gedeeltelijke doublure van de reeds bestaande strafbaarstelling daarvoor op basis van de artikelen 288a en 289 in relatie tot artikel 96, lid 2 Sr. In beide strafbaarstellingen zou dan immers strafbaar gesteld zijn het zich verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een zodanige moord/doodslag, waarbij dit delict op grond van de artikelen 288a/289 juncto 96, lid 2 Sr met een maximale gevangenisstraf wordt bedreigd van tien jaar en op grond van artikel 134a Sr met een maximale gevangenisstraf van acht jaar. Het terzijde schuiven van de relatie met een terroristische training zou ook tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld bij het verspreiden van een bestand waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid met gebruikmaking van een computer een maximale gevangenisstraf kan worden opgelegd van vier jaar (artikel 132 lid 3 Sr), terwijl op grond van artikel 134a Sr juncto 83b Sr het kopen van een computer, ja zelfs het proberen dat te doen, teneinde daarmee een dergelijk bestand te verspreiden bestraft zou kunnen worden met een gevangenisstraf van maximaal acht jaar.

De conclusie moet derhalve zijn dat het in feit 1 primair onder variant 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als het misdrijf dat is strafbaar gesteld in artikel 134a Sr. Dit moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die ten aanzien van het overige de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is voor de bewezen verklaarde strafbare feiten strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht – mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of meer feiten komen – te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zoals in de inleiding van dit vonnis kort is beschreven, heeft het regime van president Assad op uiterst gewelddadige wijze geprobeerd vreedzame protesten de kop in te drukken. Verzet tegen dit dictatoriale regime ontmoette dan ook in Nederland in brede kring sympathie.

Dat geldt niet voor het deelnemen aan jihadistische terroristische strijdgroepen. Het doel wat hen voor ogen staat is naast het verjagen van het regime Assad ook het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden – christenen, joden, sjiieten, alawieten en ook niet fundamentalistische soennieten – op zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, marteling, verminking en verkrachting van krijgsgevangenen en burgers. Verdachte is afgereisd naar Syrië en heeft zich daar aangesloten bij een jihadistische terroristische strijdgroep. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Terrorisme wordt internationaal gezien als een van de ernstigste misdrijven.

De strafoplegging dient ertoe verdachte zich ervan bewust te maken dat zijn handelen strafbaar en strafwaardig is, zeker nu niet valt uit te sluiten dat hij opnieuw naar Syrië zal willen afreizen. Van de strafoplegging dient in deze zaak echter ook een niet mis te verstaan signaal van afschrikking uit te gaan aan anderen die voornemens zijn dit te doen.

Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank echter ook meewegen dat onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens of dreiging daarmee verdachte tijdens zijn deelname aan de gewapende strijd heeft gepleegd.

Verdachte heeft zich tevens zich schuldig gemaakt aan het verspreiden van opruiende afbeeldingen en bestanden. Aldus heeft verdachte getracht mensen aan te zetten tot het begaan van terroristische misdrijven. Verdachte is hierin het meest actief geweest na zijn terugkomst uit Syrië. Hij heeft daarmee geen afstand genomen van de gebeurtenissen die hij daar heeft meegemaakt, maar heeft zijn status als jihadstrijder zelfs gebruikt om anderen te motiveren zijn voorbeeld te volgen. De rechtbank rekent ook dit verdachte zeer aan.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat er veel vrees bestaat in de samenleving dat teruggekeerde Syriëgangers in Nederland terroristische aanslagen zullen plegen. Vanzelfsprekend kan die vrees geen rol spelen bij de aan verdachte op te leggen straf. Immers, hij dient te worden gestraft voor de strafbare feiten welke hij heeft begaan en niet voor wat hij mogelijk in de toekomst zou kunnen gaan doen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 april 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van misdrijven.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een rapport van de reclassering van 6 mei 2014 en twee aanvullingen daarop d.d. 17 juli 2014 en 15 oktober 2015. In deze rapporten doet de reclassering de aanbeveling verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder dat verdachte zou meewerken aan een deradicaliseringstraject. De rechtbank volgt dit advies niet. Zij onderschrijft in deze het standpunt van het Openbaar Ministerie om voorwaarden aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling te verbinden. Tijdens de detentie van verdachte kan immers een betere inschatting worden gemaakt ten aanzien van de mogelijk aan verdachte op te leggen voorwaarden in verband met zijn terugkeer in de maatschappij. Deze voorwaarden dienen gericht te zijn op zowel de verlaging van de recidivekans als op een zo goed mogelijke re-integratie van verdachte in de samenleving.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van drie jaar, zoals de officieren van justitie hebben gevorderd.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 83, 83a, 96 lid 2, 132 lid 3, 288a, 289, 289a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1, primair, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1, primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

met het oogmerk om moord en doodslag met een terroristisch oogmerk voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

verklaart dit bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart deels wettig en overtuigend bewezen dat hetgeen aan verdachte onder 1, primair, derde cumulatief/alternatief is

verklaart dit bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2, tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

een geschrift en afbeelding waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat daarin zodanige opruiing voorkomt, meermalen gepleegd;

verklaart dit bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart de verdachte strafbaar ter zake de bewezenverklaarde strafbare feiten;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mrs. J.A. van Steen en J.B. Wijnholt, rechters

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014.

Bijlage I

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 22 juli 2014 (pro forma) en van 29 september 2014 (pro forma) – ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België en/of te Syrië en/of te Irak,

heeft samengespannen tot het plegen van moord en/of doodslag (een misdrijf omschreven in artikel 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht), terwijl dit misdrijf zou zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met elkaar, althans alleen,

A. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over (de aanschaf van) outdoorspullen wordt gedeeld en/of

B. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de Jihad en/of (de gewapende strijd in) Syrië en/of de Taliban en/of terrorisme wordt gedeeld en/of

C. zich middels chatberichten geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar (het strijdgebied in) Syrië en/of om (vervolgens) deel te nemen aan de gewapende strijd en/of (vervolgens) (als martelaar) te sterven tijdens de Jihad en/of (daarbij) te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals: Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of naar een of meerdere artikel(en) die geplaatst is/zijn op de website www.dewarereligie.nl (waaronder: "Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en/of "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en/of

D. een of meerdere documenten en/of geschriften en/of afbeeldingen en/of bestanden en/of gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap (waaronder audiobestanden met liederen over de Jihadstrijd) en/of

E. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of

F. zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië en/of

G. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihad strijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat en/of

H. een of meer vuurwapens en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of gedragen;

Artikel 288a jo 289 jo 289a lid 1 jo 80

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België, en/of te Syrië en/of te Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om de/het te plegen misdrijf(ven) omschreven in artikel 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht (te weten moord en/of doodslag), te begaan met een terroristisch oogmerk voor te bereiden en/of te bevorderen

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en/of

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad en/of

- enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, heeft getracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen,

Immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

A. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over (de aanschaf van) outdoorspullen wordt gedeeld en/of

B. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de Jihad en/of (de gewapende strijd in) Syrië en/of de Taliban en/of terrorisme wordt gedeeld en/of

C. zich middels chatberichten geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar (het strijdgebied in) Syrië en/of om (vervolgens) deel te nemen aan de gewapende strijd en/of (vervolgens) (als martelaar) te sterven tijdens de Jihad en/of (daarbij) te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals: Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of naar een of meerdere artikel(en) die geplaatst is/zijn op de website www.dewarereligie.nl (waaronder: "Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en/of "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en/of

D. een of meerdere documenten en/of geschriften en/of afbeeldingen en/of bestanden en/of gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap (waaronder audiobestanden met liederen over de Jihadstrijd) en/of

E. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of

F. zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië en/of

G. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihad strijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat,

H. een of meer vuurwapens en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of gedragen;

in welke strijd moorden en/of doodslagen worden gepleegd;

terwijl die voorbereiding en/of bevordering tot moord en/of doodslag zou zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk;

Artikel 288a jo 289 jo 289a lid 2 jo 96 lid 2

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België, en/of te Syrië en/of te Irak, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen met een terroristisch oogmerk en/of de samenspanning tot opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen en/of

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of

- moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of de samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk en/of

- opruiïng tot (een) terroristisch misdrijf(ven) en/of het ter verspreiding voorhanden hebben en/of verspreiden van (een) ter opruiïng tot een terroristisch misdrijf(ven) geschrift(en) en/of afbeelding(en) dan wel deze geschriften en/of afbeeldingen ten gehore brengen

, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,

A. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over (de aanschaf van) outdoorspullen wordt gedeeld en/of

B. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de Jihad en/of (de gewapende strijd in) Syrië en/of de Taliban en/of terrorisme wordt gedeeld en/of

C. zich middels chatberichten geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar (het strijdgebied in) Syrië en/of om (vervolgens) deel te nemen aan de gewapende strijd en/of (vervolgens) (als martelaar) te sterven tijdens de Jihad en/of (daarbij) te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals: Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of naar een of meerdere artikel(en) die geplaatst is/zijn op de website www.dewarereligie.nl (waaronder: "Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en/of "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en/of

D. een of meerdere documenten en/of geschriften en/of afbeeldingen en/of bestanden en/of gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap (waaronder audiobestanden met liederen over de Jihadstrijd) en/of

E. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of

F. zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië en/of

G. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihad strijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat en/of

H. een of meer vuurwapens en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of gedragen;

Artikel 134a jo 83 jo 83b jo 131 lid 2 jo 132 lid 3 jo 140a jo 157 jo 176a jo 176b jo 288a jo 289 jo 289a

Subsidiair voorbereidingshandelingen tot moord / doodslag

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te Antwerpen, in elk geval in België, en/of te Syrië en/of te Irak, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk,

ter voorbereiding van de/het misdrijf/misdrijven

- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

- brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing (artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

in elk van een of meer misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen, te weten een of meer vuurwapens en/of camouflagekleding, althans legerkleding en/of outdoorspullen heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

46 jo 289 jo 157 Sr

Feit 2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 23 april 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België, meermalen,

een geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand waarin tot een terroristisch misdrijf dan wel enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen en/of om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen of aan te slaan, in voorraad heeft gehad,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand (telkens) zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft verdachte

A. zich middels chatberichten geuit over zijn wens zich te begeven naar (het strijdgebied in) Syrië en/of om (vervolgens) deel te nemen aan de gewapende strijd en/of (vervolgens) (als martelaar) te sterven tijdens de Jihad en/of (daarbij) te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of naar een of meerdere artikel(en) die geplaatst is/zijn op de website www.dewarereligie.nl (waaronder: "Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en/of "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en/of deze artikelen voorhanden gehad en/of

B. één of meer Jihadistische Youtube films en/of Jihadistische documentatie verspreid via Whatsapp en/of

C. één of meer liederen over de Jihadstrijd voorhanden gehad en/of

D. een afbeelding op social media, te weten (het openbare deel van) zijn persoonlijke Facepagina (op de website www.facebook.com) geplaatst, waarop hij verdachte, staat afgebeeld met een Kalashnikov in zijn handen en waarbij onder meer de tekst “wij zijn beide strijders” is vermeld

E. een of meer afbeeldingen op social media, te weten op (het openbare deel van) zijn persoonlijke Facebookpagina (op de website www.facebook.com), geplaatst van (een of meer) vlag(gen) van het Islamitisch Kalifaat en/of IS en/of Al Qaida, althans een of meer vlag(gen) die gelieerd kunnen worden aan de Jihadstrijd in Syrië, althans de Jihad, en/of (een) terroristische organisatie(s) (zoals Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat Al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of

E. één of meer afbeeldingen voorhanden gehad, waarop hij, verdachte, staat afgebeeld met een Kalashnikov in zijn handen en/of andere afbeeldingen die gelieerd kunnen worden aan de Jihadstrijd in Syrië, althans de Jihad, en/of (een) terroristische organisatie(s) (zoals Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat Al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie) en/of

F. een poster die met name door de terroristische organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties wordt gebruikt, voorhanden gehad;

Artikel 132 lid 3 Wetboek van Strafrecht

Bijlage II

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Feit 1:

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 in Nederland en/of in België en te Syrië,

met het oogmerk om de te plegen misdrijven omschreven in artikel 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht (te weten moord en/of doodslag), te begaan met een terroristisch oogmerk voor te bereiden

- gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich heeft verschaft en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

immers heeft verdachte

A. websites bezocht waarop informatie over (de aanschaf van) outdoorspullen wordt gedeeld en

B. websites bezocht waarop informatie over de Jihad en (de gewapende strijd in) Syrië en de Taliban en terrorisme wordt gedeeld en

C. zich middels chatberichten geuit over zijn wens zich te begeven naar het strijdgebied in Syrië en vervolgens deel te nemen aan de gewapende strijd en vervolgens als martelaar te sterven tijdens de Jihad en daarbij te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals: Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra, althans aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en naar artikelen die geplaatst zijn op de website www.dewarereligie.nl ("Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en

D. documenten en afbeeldingen en bestanden en gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en martelaarschap (waaronder audiobestanden met liederen over de Jihadstrijd) en

E. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en

F. zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië en

G. in Syrië deelgenomen aan de gewapende Jihad strijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door een terroristische organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat,

H. vuurwapens en camouflagekleding voorhanden gehad en gedragen;

in welke strijd moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk;

EN

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 in Nederland en/of in België en te Syrië opzettelijk

- zich gelegenheid en middelen en inlichtingen heeft verschaft

tot het plegen van een terroristisch misdrijf, te weten:

moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk,

immers heeft verdachte

A. websites bezocht waarop informatie over (de aanschaf van) outdoorspullen wordt gedeeld en

B. websites bezocht waarop informatie over de Jihad en (de gewapende strijd in) Syrië en de Taliban en terrorisme wordt gedeeld en

C. zich middels chatberichten geuit over zijn wens zich te begeven naar het strijdgebied in Syrië en vervolgens deel te nemen aan de gewapende strijd en vervolgens als martelaar te sterven tijdens de Jihad en daarbij te verwijzen naar terroristische organisaties (zoals: Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra, althans aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en naar artikelen die geplaatst zijn op de website www.dewarereligie.nl ("Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht") en

D. documenten en afbeeldingen en bestanden en gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en martelaarschap (waaronder audiobestanden met liederen over de Jihadstrijd) en

E. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en

F. zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië en

G. in Syrië deelgenomen aan de gewapende Jihad strijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door een terroristische organisatie die de gewelddadige Jihadstrijd voorstaat,

H. vuurwapens en camouflagekleding voorhanden gehad en gedragen;

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 23 april 2014 te Zoetermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen,

een geschrift of afbeelding of (audio)bestand waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid,

heeft verspreid,

terwijl hij wist dat in het geschrift en de afbeelding en het (audio)bestand telkens zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft verdachte

B. Jihadistische Youtube films en Jihadistische documentatie verspreid via Whatsapp en

D. een afbeelding op social media, te weten (het openbare deel van) zijn persoonlijke Facebookpagina (op de website www.facebook.com) geplaatst, waarop hij verdachte, staat afgebeeld met een Kalasjnikov in zijn handen en waarbij onder meer de tekst “wij zijn beide strijders” is vermeld en

E(1). afbeeldingen op social media, te weten op het openbare deel van zijn persoonlijke Facebookpagina (op de website www.facebook.com), geplaatst van vlaggen van het Islamitisch Kalifaat en vlaggen die gelieerd kunnen worden aan de Jihadstrijd in Syrië en aan terroristische organisaties (zoals Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Jabhat Al Nusra, althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde terroristische organisaties en/of aan een andere terroristische organisatie gelieerde organisatie).

1 Het schriftelijk requisitoir van de officieren van justitie, dat aan de voorzitter is overgelegd en aan het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 3, 4 en 17 november 2014 zal worden gehecht.

2 De pleitnotitie van de raadsman van verdachte, dat aan de voorzitter is overgelegd en aan het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 3, 4 en 17 november 2014 zal worden gehecht.

3 Rechtbank ’s-Gravenhage, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2066 en BT8829.

4 ICTY, Prosecutor v Tadić, Case No. IT‐94‐1‐T, Opinion and Judgement Trial Chamber (7 May 1997); ICTY, Prosecutor v Boskoski & Tarculovski, Case No. IT‐04‐82‐T, Judgement Trial Chamber (10 July 2008).

5 Human Rights Council, Report of the Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, U.N. Doc. A/HRC/21/50 (Aug. 16, 2012); ICRC, Syria: ICRC and Syrian Arab Red Crescent maintain aid effort amid increased fighting, 17 juli 2012.

6 Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde van 12 augustus 1949, Trb 1951,72; Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee van 12 augustus 1949, Trb. 1951, 73; Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949, Trb. 1951, 74; Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949, Trb. 1951, 75.

7 Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Geneve van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (APII), Trb. 1978, 42.

8 De verdragsstaten van de Geneefse Conventies waren niet bereid om burgers immuniteit van strafvervolging te geven voor deelname aan de vijandelijkheden; daarom mogen ingevolge het commune recht uitsluitend leden van regeringslegers geweld gebruiken, zie Geoffrey S. Corn et al., The Law of Armed Conflict: An Operational Approach (Aspen Publishers, 2012), p. 134 (“Historically, only the representatives of sovereign governments were privileged belligerents, as they were asked to represent their government and charged with the responsibility of using lawful force on behalf of their government and charged with the responsibility of using lawful force on behalf of their nation to subdue the enemy; unprivileged belligerents do not represent lawful (competent) state authority.”) en Nils Melzer, The Principle of Distinction Between Civilians and Combatants, in: Andrew Clapham and Paola Gaeta (eds.), The Oxford Handbook of International Law in Armed Conflict (Oxford University Press, 2014), p. 318 (“domestic legislation in most countries provides members of state armed forces with protection from prosecution for lawful acts of state (i.e. a status equivalent to combatant privilege)”).

9 Liberation Tigers of Tamil Eelam tegen de Raad van de Europese Unie, 16 oktober 2014, T‑208/11 en T‑508/11.

10 Hoge Raad, 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:AF6988.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van een uit verschillende onderdelen bestaand proces-verbaal met kenmerk 2013-94449 (onderzoek “Context”), van bureau regionale recherche Haaglanden: Zaaksdossier “Kandij”, te weten een overzichtsproces-verbaal (genummerd blz. 1 t/m 14), met bijlagen: Ambtshandelingen (AH) (genummerd blz. 1-350 en een vervolg daarop blz. 351-385), Documenten en Bescheiden (D) (genummerd blz. 1-130), Verhoren Getuigen (G) (genummerd blz. 1-101), Verdachte Verhoren (V) (genummerd blz. 1 t/m 102), rechtshulpverzoeken (RH) (genummerd blz. 1 t/m 5), Verdachtendossier (genummerd blz. 1 t/m 114) een Beslagdossier (genummerd blz. 1 t/m 79 en een vervolg daarop blz. 80-117), een Methodiekendossier (genummerd blz. 1 t/m 52); een geschrift, te weten het kennisdocument van de Dienst Landelijke Recherche: Van opstand naar jihad, (Jihadi-)Salafistische groepen en de opstand in Syrië, d.d. 1 augustus 2014, p. 1-139.

12 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

13 Verdachte woonde sinds eind 2012, begin 2013 in Antwerpen. Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 2.

14 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 12; een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 augustus 2013, AH, p. 61.

15 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 12.

16 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 13.

17 Een overzichtsproces-verbaal, d.d. 2 juli 2014, p. 2; een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 1; een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 augustus 2013, AH, p. 61; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 13 en 15.

18 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 1-3; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 26; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 11 en 12.

19 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 februari 2014, AH, p. 30-41; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 19-20; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 14.

20 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 14-16, met bijlage; een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 50-51, met bijlagen.

21 Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 16; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 2-4.

22 Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 15.

23 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2014, AH, p. 55.

24 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 mei 2014, AH, p. 271.

25 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 17. De Facebookpagina kon door een verbalisant vrij worden benaderd. Zie het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 47.

26 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 47; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 18; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 17.

27 Een geschrift, te weten een ambtsbericht van de AIVD, d.d. 1 juli 2014, D, p. 130; een overzichtsproces-verbaal, d.d. 2 juli 2014, p. 8; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

28 Beslagdossier: een verslag van binnentreden en een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 24 april 2014, met bijlage; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 6.

29 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 juni 2014, AH, p. 278, met bijlage.

30 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 juni 2014, AH, p. 278; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 juni 2014, V, p. 95.

31 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 2 en 5.

32 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 17. Het betreft een openbaar Facebookprofiel op www.facebook.com. Zie het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 mei 2014, AH, p. 233.

33 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 mei 2014, AH, p. 233-235, met bijlagen, in het bijzonder op p. 247.

34 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 mei 2014, AH, p. 233-235, met bijlagen, in het bijzonder op p. 237, 247, 249; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 4 en 7; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 17.

35 Verdachtendossier: een proces-verbaal van aanhouding, d.d. 23 april 2014, p. 2-3; een proces- verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2014, AH, p. 225.

36 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 april 2014, AH, p. 185 en 186.

37 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 april 2014, AH, p. 187.

38 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 april 2014, AH, p. 189.

39 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 april 2014, AH, p. 188.

40 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 april 2014, AH, p. 190.

41 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 mei 2014, AH, p. 134-135, met bijlagen.

42 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 mei 2014, AH, p. 118-130.

43 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 mei 2014, AH, p. 113-115, met bijlage.

44 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 mei 2014, AH, p. 115.

45 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 mei 2014, AH, p. 125.

46 Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 14.

47 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 23-24.

48 Dit betekent: er is geen God dan Allah. Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 18.

49 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 april 2014, AH, p. 71-72, met bijlagen; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 25.

50 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 2 en 7; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 juni 2014, V, p. 91; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 2, 13 en 15; de eigen verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2014.

51 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 2; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 juni 2014, V, p. 91; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 2, 13 en 15; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

52 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 10.

53 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 13.

54 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

55 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 14.

56 Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 13.

57 Een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 25 april 2014, onder punt 5.

58 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 21-22.

59 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

60 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 april 2014, V, p. 6; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

61 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 juni 2014, V, p. 92-93.

62 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 24 april 2014, V, p. 15.

63 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

64 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

65 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 28 april 2014, AH, p. 42-46.

66 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], d.d. 29 april 2014, G, p. 5.

67 EK 2003-2004, 28 463, B, blz. 9.

68 EK 2003-2004, 28 463, C, blz. 11.

69 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 bij artikel 131 Sr; A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2008, par. 4.2.2.3.2.

70 Zie noot 69; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237.

71Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2009, ECLI:NL:HR:2009BK4139; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237.

72 Rechtbank Amsterdam, 22 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA0795.

73 Artikel 17 EVRM: Verbod van misbruik van recht: Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.

74Trb. 2006, 34.

75 TK 31 386, nr. 3.

76TK 31 386, nr. 3, blz. 9, eerste alinea.