Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13003

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
SGR 14/2170
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:48, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een journalist heeft gevraagd om openbaarmaking van het aantal taps van de AIVD per jaar, maar de minister van Binnenlandse Zaken heeft dit geweigerd met een beroep op de nationale veiligheid.

De journalist heeft aangevoerd dat uit de tapstatistieken niets afgeleid kan worden over de werkwijze van de AIVD. Hij beroept zich daarbij op een rapport van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Ook wijst hij op de buurlanden België en Duitsland, waar tapstatistieken wel openbaar worden gemaakt.

De Haagse rechtbank gaat daar niet in mee. De rechter oordeelt dat als het aantal taps per jaar door de AIVD over een langere periode wordt afgezet tegen de bekende dreigingen en technologische ontwikkelingen hierdoor wel inzicht kan worden verkregen in de werkwijze van de AIVD, zoals de capaciteit, de focus en de slagkracht van de AIVD, waarop personen en organisaties die in de aandacht van de AIVD staan, kunnen inspelen.

De rechtbank wijst er daarbij wel op dat in het licht van de controle en transparantie van de AIVD een ontwikkeling gaande is waarbij in de toekomst mogelijk anders met verzoeken om openbaarmaking wordt omgegaan, zoals de Commissie van Toezicht voorstaat en zoals in België en Duitsland nu al het geval is.

Wetsverwijzingen
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 51
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Computerrecht 2015/6 met annotatie van N. van der Laan , mr. B.W. Newitt
JBP 2014/110
JBP 2015/39 met annotatie van mr. J.P. Loof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/2170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr J.A.C. Verbeek).

Procesverloop

Op 20 januari 2014 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om verstrekking van tapstatistieken van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) over de jaren 2002-2008 en 2010-2012.

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat verstrekking de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Verweerder heeft ingestemd met het verzoek van verzoeker om rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te mogen stellen.

Verzoeker heeft een beroepschrift ingediend bij de rechtbank en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 16 april 2014 heeft de rechtbank in andere samenstelling bepaald dat de door verweerder verzochte beperking van kennisneming van stukken, als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid van de Awb, gerechtvaardigd is.

Eiser heeft toestemming gegeven aan de rechtbank om van de betreffende stukken kennis te nemen en mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van deze stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Eiser is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

2. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de AIVD zijn wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren. De AIVD moet zijn actuele kennisniveau, zijn bronnen en zijn werkwijze geheim kunnen houden. Het betreft hier kritische ondergrenzen. Worden deze overschreden dan gaat dit ten koste van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD in het leven is geroepen.

3. Verweerder heeft openbaarmaking van de meerjaarlijkse tapstatistieken geweigerd omdat daarmee inzicht zou kunnen worden verkregen in de werkwijze van de AIVD en daarmee de nationale veiligheid zou kunnen worden geschaad.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het enkele verzoek om de totale hoeveelheid taps per jaar geen inzicht geeft in de werkwijze van de AIVD.

5. Eiser beroept zich daarbij op het rapport (33) van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) inzake de rubricering van staatsgeheimen door de AIVD, gepubliceerd op 13 juni 2012, waaruit blijkt dat een meerjaarlijks overzicht van de tapstatistieken niet als staatsgeheime informatie kan worden aangemerkt. In een reactie hierop heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een brief aan de Tweede Kamer van 15 augustus 2012 in beginsel de conclusies en aanbevelingen van de CTIVD onderschreven.

Daarnaast heeft de Commissie Dessens bij rapport van 2 december 2013 de aanbeveling gedaan dat ministers zich bij beslissingen op inzageverzoeken mede laten leiden door de opinies die de CTIVD over eerdere beslissingen heeft gegeven en de uitleg die de CTIVD geeft aan de bepalingen van de Wiv 2002. Daarbij heeft de Commissie nogmaals gewezen op het oordeel van de CTIVD betreffende tapstatistieken. In de kabinetsreactie van 11 maart 2014 is vermeld dat de opinies van de CTIVD betreffende inzageverzoeken en de uitleg van de bepalingen van de Wiv 2002 door de CTIVD in een leidraad voor inzage zullen worden verwerkt. Verder heeft eiser een notitie van dr Cees Wiebes overgelegd, die van mening is dat openbaarmaking van tapstatistieken geen gevaar oplevert voor de nationale veiligheid en daarbij wijst op buurlanden België en Duitsland, die jaarlijks de tapstatistieken op internet publiceren.

Gelet hierop verzoekt eiser om openbaarmaking omdat hij als journalistiek verslaggever controle op de AIVD belangrijk vindt.

6.1.

De rechtbank overweegt dat over de bevoegdheden van de AIVD en de controle hierop een maatschappelijk en politiek debat gaande is. Het kabinet, zoals vermeld in de kabinetsreactie van 11 maart 2014, acht het vanuit het oogpunt van transparantie en voorzienbaarheid van groot belang dat de informatievoorziening aan de burger kan worden versterkt. In beginsel onderschrijft de minister in de brief van 15 augustus 2012 de conclusies van de CTIVD, maar op het onderdeel van de tapstatistieken stelt verweerder zich anders dan de CTIVD op het standpunt dat deze als staatgeheim moeten worden aangemerkt. Ook onlangs heeft de minister zich op dat standpunt gesteld door in het rapport (40) van de CTIVD, gepubliceerd op 7 oktober 2014, de tapstatistieken te verwijderen met een beroep op staatsgeheim. Dat de CTIVD deze gegevens niet als staatsgeheim aanmerkt en verder in België en Duitsland wel tot openbaarmaking wordt overgegaan kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat ook verweerder thans zonder meer gehouden is over te gaan tot openbaarmaking. Hieraan doet verder niet af dat naar aanleiding van een motie in de Tweede Kamer de hoeveelheid taps over 2009 eenmalig openbaar is gemaakt in 2010.

6.2.

Eiser kan worden toegegeven dat de enkele aantallen taps per jaar geen inzicht geven in de werkwijze van de AIVD zodanig dat die de nationale veiligheid zouden kunnen schaden. De rechtbank volgt echter verweerder dat deze aantallen in combinatie met andere informatie die nu al openbaar is of in de toekomst nog openbaar wordt gemaakt dat inzicht wel kunnen geven en dit schade kan opleveren aan het effectief functioneren van de AIVD. Verweerder heeft daarbij kunnen overwegen dat als het aantal taps per jaar door de AIVD over een langere periode wordt afgezet tegen de bekende dreigingen/ontwikkelingen en technologische ontwikkelingen door middel van deductie inzicht kan worden verkregen in de aard en omvang van de specifieke werkzaamheden van de AIVD. Het kan duidelijkheid verschaffen over de capaciteiten van de AIVD en waarop de focus van de AIVD ligt. Het kan verder inzicht geven in de slagkracht van de AIVD, waarop personen/organisaties die de aandacht van de AIVD hebben, kunnen inspelen. Dat het alleen taps betreft, waarmee de aard van de werkzaamheden al is gegeven, doet hieraan niet af. Evenmin doet hieraan af dat de totale hoeveelheid taps meerdere oorzaken kan hebben.

6.3.

De rechtbank overweegt verder dat in het licht van de controle en transparantie van de AIVD een ontwikkeling gaande is waarbij verweerder in de toekomst mogelijk anders met verzoeken om openbaarmaking zal omgegaan. Het kabinet schrijft in de kabinetsreactie van 11 maart 2014 dat het zich kan vinden in een leidraad voor inzageverzoeken waarbij de opinies van de CTIVD en de uitleg van de bepalingen van de Wiv 2002 door de CTIVD worden verwerkt. Deze ontwikkeling brengt evenwel niet mee dat verweerder in strijd met het recht handelt door de tapstatistieken thans niet openbaar te maken en als staatsgeheim te rubriceren. Daarbij is sprake van parlementaire controle, nu de tapstatistieken wel vertrouwelijk worden gedeeld met de Commissie voor de inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer.

6.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder de openbaarmaking van de meerjaarlijkse tapstatistieken terecht geweigerd, nu verweerder heeft kunnen oordelen dat daarmee de nationale veiligheid zou kunnen worden geschaad doordat met die tapstatistieken inzicht kan worden verkregen in de werkwijze van de AIVD.

Het beroep is ongegrond.

Geen aanleiding wordt gezien een van de partijen in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

V. Grampon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.