Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
1211258 / 12-27234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De civiele rechter van de Haagse rechtbank geeft het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) gelijk in de rechtszaak die het COA had aangespannen tegen zijn voormalig algemeen directeur Albayrak. Op 1 april 2012 werd Albayrak op non-actief gesteld door het COA. Het oordeel van de rechtbank is dat het COA dit mocht doen. Zie ECLI:NL:RBDHA:2014:12254.

Tegelijkertijd heeft de Haagse kantonrechter in een tweede door Albayrak tegen het COA aangespannen procedure geoordeeld dat het aan Albayrak gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is. Verder is er geen aanleiding voor toewijzing van een contractuele beëindigingsvergoeding en immateriële schade.

Zowel de civiele rechter als de kantonrechter oordelen dat het COA voldoende bewijs heeft geleverd dat Albayrak op drie punten in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit die mogen worden gesteld aan een algemeen directeur in publieke dienst. Deze punten zijn: het doen van onware mededelingen aan (medewerkers van) de minister, het privégebruik van de dienstauto en het laten verhullen van dit privégebruik van de dienstauto door ondergeschikten.

Op basis van getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris en de kantonrechter acht de rechtbank in beide zaken bewezen dat Albayrak tegenover (medewerkers van) de minister en leden van de raad van toezicht – in strijd met de waarheid – meermalen heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte. Dit was indertijd relevant omdat Albayrak als algemeen directeur en voorzitter van het bestuur van het COA bovenop haar salaris een compensatie ontving voor de fiscale bijtelling wegens privégebruik van de dienstauto. Om de hoogte van haar salaris – inclusief bijtelling – binnen de Balkenendenorm te houden, was dat privégebruik onderwerp van gesprek.

Verhullen van privéritten en het daarbij betrekken van ondergeschikten

Uit de verklaringen leidt de rechtbank in beide zaken af dat Albayrak in de periode rond 18 september 2011 met enkele personeelsleden van het COA heeft besproken dat haar agenda moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat Albayrak instructies gaf om dat via aanpassingen in haar agenda te verhullen. Daarmee heeft het COA bewezen dat Albayrak heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0849
AR 2014/757

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

Rolnr.: 1211258 / 12-27234

8 oktober 2014

Vonnis in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek,

tegen



de publiekrechtelijke rechtspersoon, het zelfstandig bestuursorgaan Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. H. Uhlenbroek.

Partijen zullen worden aangeduid als “[eiseres]” en “het COA”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 5 juni 2013;

  2. de brief van 2 juli 2013 van het COA, met producties

  3. de akte na tussenvonnis van [eiseres] van 3 juli 2013, met producties;

  4. het proces-verbaal van de enquête van [eiseres] en het COA, gehouden op 2, 4, 5 en 6 september 2013 waarbij de navolgende getuigen zijn gehoord:

1 [C.],

2 [F.],

3 [O.],

4[D.],

5 [A.],

6 [B.],

7 [G.],

8 [H.],

9 [P.],

10 [Q.],

11 [X.],

12 [R.-S.],

13 [S.] en

14 [T.];

5. het vonnis in incident van 4 oktober 2013, waarin is beslist dat aan getuige [X.] een functioneel verschoningsrecht toekomt;

6. het proces-verbaal van de enquête van [eiseres] en het COA, gehouden op 7 oktober 2013 waarbij de volgende getuigen zijn gehoord:

15 [I.],

16 [E.],

17 [X.],

18 [U.] en

19 [N.] (hierna: [N.]);

7. de beschikking van 16 oktober 2013 waarin de kantonrechter heeft bepaald dat van het vonnis in incident van 4 oktober 2013 (tussentijds) hoger beroep kan worden ingesteld;

8. het proces-verbaal van de enquête van [eiseres] en het COA, gehouden op 1 november 2013 waarbij als getuige is gehoord:

20[M.];

9. het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 december 2013 waarin het hof het vonnis in incident van 4 oktober 2013 heeft vernietigd en opnieuw rechtdoende het beroep van [X.] op zijn verschoningsrecht ongegrond heeft verklaard;

10. het proces-verbaal van de contra-enquête van [eiseres], gehouden op 31 maart 2014 waarbij zijn gehoord:

21 [U.],

22 [N.], en

23 [X.];

11. de conclusie na enquête van [eiseres] van 21 mei 2014, met producties;

11. de conclusie na enquête van het COA van 21 mei 2014, met producties;

11. de conclusie van antwoord na enquête van [eiseres] van 16 juli 2014, met producties;

11. de antwoordconclusie na enquête van het COA van 16 juli 2014.

1.2.

De producties bij conclusie van antwoord na enquête van [eiseres] van 16 juli 2014 zullen bij de verdere beoordeling buiten beschouwing worden gelaten. Het COA heeft daarop immers niet meer kunnen reageren, terwijl [eiseres] al eerder in deze procedure ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om haar stellingen in te nemen en desgewenst aan de hand van producties te onderbouwen, ook ten aanzien van die kwesties waarvan in deze procedure bewijs is toegelaten.

2 De verdere beoordeling

Inleiding

2.1.

In deze zaak heeft de kantonrechter op 5 juni 2013 tussenvonnis gewezen. De kantonrechter blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist.

2.2

De vraag die in de onderhavige procedure centraal staat is of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Het COA heeft aan het gegeven ontslag per 23 april 2012 een twaalftal redenen ten grondslag gelegd waarvan het stelt dat deze ieder op zichzelf en tezamen met één of meer andere redenen het gegeven ontslag rechtvaardigen.

2.3.

De kantonrechter heeft - kort samengevat - geoordeeld dat de twaalfde ontslaggrond (de weigering van de Minister om [eiseres] te benoemen) op zichzelf gezien objectief een ontslag rechtvaardigt, maar dat in het onderhavige geval ook moet worden gekeken naar de andere ontslaggronden waarop het ontslag berust, en wel ter beoordeling van de vraag of deze zijn te scharen onder valse redenen in de zin van artikel 7:681 BW. Voorts heeft de kantonrechter geconcludeerd dat indien en voor zover vervolgens komt vast te staan dat de verwijten aan het adres van [eiseres] aangaande de dienstauto terecht zijn, dit zonder meer een ontslag rechtvaardigt. De aard van de functie die [eiseres] bij het COA bekleedde, te weten die van bestuurder van een publiek orgaan, brengt met zich dat aan degene die deze (voorbeeld)functie vervult - hier [eiseres] - zeer strenge eisen ten aanzien van onder meer integriteit (mogen) worden gesteld. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat indien komt vast te staan dat [eiseres] in haar handelen op dit punt is tekortgeschoten, dit van zwaarwegende betekenis zal zijn ten aanzien van de beoordeling of in deze sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en of er grond bestaat voor toekenning van een contractuele beëindigingsvergoeding.

2.4.

De kantonrechter heeft vervolgens het COA toegelaten het bewijs te leveren ten aanzien van de door hem aangevoerde ontslagredenen:

- dat [eiseres] onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de Minister, de Raad van Toezicht en de pers heeft verstrekt omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden;

- dat [eiseres] heeft verhuld dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte;

- dat [eiseres] bij dat verhullen ondergeschikten heeft betrokken;

- dat [eiseres] onjuiste informatie aan de pers heeft verstrekt over het gebruik van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden.

Voorts is [eiseres] toegelaten het bewijs te leveren van haar stelling dat zij gerechtigd was gebruik te maken van de chauffeursdiensten voor privédoeleinden.

2.5.

Na het tussenvonnis hebben partijen bewijs geleverd in de vorm van schriftelijk bewijs en getuigenbewijs. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden ten overstaan van de kantonrechter en de rechter-commissaris namens de meervoudige kamer van het team handel, die in de parallelle zaak over het al dan niet verbeuren van dwangsommen door het COA, vonnis zal wijzen.

2.6.

Voorafgaand aan de beoordeling van het door partijen geleverde bewijs, hecht de kantonrechter eraan op te merken dat de bewijsmiddelen omtrent het gebruik van de dienstauto moeten worden bezien in het licht van de discussie die tussen partijen gaande was omtrent de bezoldiging van [eiseres] indien zij zou worden aangesteld in de functie van voorzitter van de (nieuwe) Raad van Bestuur van het COA. Kort samengevat was de situatie aldus:

- [eiseres] ontving in haar functie van Algemeen Directeur c.q. Voorzitter van het Bestuur van het COA een compensatie voor de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto welke zij vanaf januari 2004 ter beschikking had gekregen.

- Op 1 januari 2011 is de nieuwe Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers in werking getreden. In deze nieuwe Wet COA is voorzien in een wijziging van het bestuursmodel van het COA, onder meer inhoudend de instelling van een Raad van Toezicht en een Raad van Bestuur.

- De Minister stelt, krachtens artikel 14 van de Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen, de bezoldiging van de bestuurders van het COA vast. Het is beleid van het kabinet om geen benoemingen te doen die gepaard gaan met een bezoldiging die de zogeheten ‘Balkenende-norm’ te boven gaan. (De Balkenende-norm is per 1 januari 2013 geformaliseerd in de Wet normering topinkomens met daaraan gekoppeld de WNT-norm).

- Teneinde [eiseres] tot voorzitter van de (nieuwe) Raad van Bestuur van het COA te kunnen benoemen, diende het salaris van [eiseres] in overeenstemming met de Balkenende-norm te worden gebracht. Een vraag die daarbij een rol speelde was of de compensatie die [eiseres] ontving voor de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de dienstauto van € 1.982,51 (bruto) per maand, in stand zou (kunnen) blijven.

- [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de compensatie voor de fiscale bijtelling kon vervallen omdat zij de dienstauto toch niet voor privédoeleinden gebruikte.

2.7.

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat nu de diverse ontslaggronden in meer of mindere mate zijn gebaseerd op het rapport van de Onderzoekscommissie COA, dient te worden bezien of zulks juist is. Met andere woorden: in het kader van de beoordeling van de ontslaggronden dienen de conclusies van de Onderzoekscommissie COA te worden getoetst. De wijze van totstandkoming van het rapport Hoffmann en van de Onderzoekscommissie COA als zodanig maakt geen deel uit van het te leveren bewijs. In het kader van de bewijslevering hebben beide partijen getuigen doen horen. Van deze verhoren zal de kantonrechter hierna - voorzover relevant - een zakelijke weergave geven.

Het verstrekken van onjuiste informatie aan de Raad van Toezicht

2.8.

Het COA heeft ter staving van zijn stelling dat [eiseres] onjuiste informatie aan de

Raad van Toezicht heeft verstrekt omtrent het privégebruik van de dienstauto, de

getuigen [C.], [D.], [E.] en [F.] doen horen.

2.9.

[C.], die van 2006 tot november 2011 voorzitter was van de Raad van Toezicht van het COA, heeft op 2 september 2013, voor zover van belang, het navolgende verklaard:

“(…) Ik herinner mij overigens dat [eiseres] en ik in 2010 ook hebben gesproken over het salaris. Dit was in een gesprek met minister Hirsch Ballin en de toenmalig directeur generaal [G.] (…). In dit gesprek heeft [eiseres] gezegd dat zij de dienstauto niet privé gebruikte.

In mijn stukken heb ik een brief gevonden van [eiseres] aan mij gedateerd naar ik geloof 14 april 2011. Het betrof de discussie rond de WNT. (…) Daarin staat dat met betrekking tot de dienstauto dat [eiseres] daarvan geen gebruik maakte. Deze brief was bedoeld om de discussie met het departement te beslechten met betrekking tot het salaris. In die brief staat dat de auto niet privé wordt gebruikt en als ik me niet vergis dat derhalve de fiscale compensatie kan komen te vervallen. Ik toon u de brief (…). Het betreft een e-mailbericht van [eiseres] aan mij gedateerd 20 april 2011 met als bijlage een brief aan de heer Leers van mij d.d. 10 maart 2011 (…). Ik vergiste mij net dus in de datum.

(…) Voor de zomer van 2011 hadden [eiseres] en ik gesproken over de fiscale

bijtelling. Naar aanleiding van de vragen van de NOS heb ik haar opnieuw

aangeraden om te gaan praten met de fiscus met betrekking tot de fiscale bijtelling.

Die moest ervan af. Of de compensatie nu wel of niet meetelt voor de WNT, het geeft

een verkeerd beeld als de auto toch niet privé wordt gebruikt. (…)

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

U vraagt mij of ik ten tijde van de brief van 10 maart 2011 uitging van een situatie waarbij [eiseres] de dienstauto uitsluitend zakelijk gebruikte. Ik bevestig u dat dit het geval was uitgaande van haar eigen mededelingen dat zij de auto niet privé gebruikte.(…)

Voor de zomer heeft [eiseres] mij zelf kenbaar gemaakt dat zij de auto niet privé gebruikte.

Op vragen van mr. Verbeek

U vraagt mij of ik de brief ken van 9 december 2010. Als mijn naam eronder staat, betekent het dat ik deze ook ken. Ik geef u aan dat het een voorstel omtrent de bezoldiging van [eiseres] betrof. (…) Aan de orde is geweest het zakelijk gebruik van de dienstauto en de afschaffing van de fiscale bijtelling. Dit was reeds in 2010 met Hirsch Ballin besproken met betrekking tot de discussie rond het passen van het salaris binnen de normering van de WNT. (…) Zij heeft mij zelf aangegeven geen privé gebruik te maken van de dienstauto. Wanneer en waar dat precies is geweest, dat weet ik niet meer. Het is in ieder geval aan de orde geweest in het gesprek in 2010 en in juni/juli 2011.”

2.10.

[eiseres] stelt dat de getuigenverklaring van [C.] leugenachtig is, nu [C.] bij zijn aantreden wist dat [eiseres] privé gebruik mocht maken van de dienstauto en dat hij, zo blijkt uit een gespreksverslag van de Onderzoekscommissie COA, geïnformeerd was over het privégebruik van de dienstauto door [eiseres]. Uit dit gespreksverslag blijkt dat [C.] in september 2011 met [eiseres] heeft gesproken over de afschaffing van de bijtelling, omdat [eiseres] de dienstauto niet meer privé zou gebruiken. De kantonrechter volgt [eiseres] daarin niet. In het gespreksverslag van de Onderzoekscommissie COA met [C.] is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Toen mevrouw [eiseres] de heer [C.] (eind september, toevoeging [C.]) 2011 zei dat ze de auto niet privé reed stelde hij dat ze dan ook geen bijtelling hoefde te betalen en daarmee ook geen compensatie hoefde te ontvangen.

(…) In september 2011 bood mevrouw [eiseres] aan de auto niet (meer) privé te willen gebruiken. Als ze dat tot dat moment wel gedaan zou hebben zou dat volgens haar contract ook moeten kunnen, stelt hij (bedoeld wordt [C.], opm. kantonrechter).”

2.11

[C.] wist inderdaad dat [eiseres] de dienstauto privé mocht gebruiken (dat

staat tussen partijen ook niet ter discussie), maar uit deze passages volgt naar het

oordeel van de kantonrechter niet dat [C.] wist dat zij de dienstauto ook

daadwerkelijk voor privédoeleinden gebruikte. [C.] heeft - zo leest de

kantonrechter de tweede passage - alleen willen zeggen dat, indien en voor zover

[eiseres] de dienstauto wel privé gebruikte, dit volgens haar contract ook zou

mogen.

2.12.

[D.], destijds lid van de Raad van Toezicht bij het COA, heeft op 2 september

2013 - voor zover hier relevant - als volgt verklaard:

“(…) In september 2010 heeft de minister duidelijk gemaakt dat aanpassing van

het salaris nodig was in verband met de herbenoeming van [eiseres] per 1

november 2011. In maart 2011 is er een gesprek geweest van de Raad van Toezicht

met [eiseres] voorafgaand aan de bijeenkomst van de minister. (…) Tijdens dit

gesprek, als ik mij goed herinner, heeft [eiseres] verklaard dat zij de dienstauto

niet privé gebruikte. De voorzitter van de Raad van Toezicht zei toen: “Dan moet

die bijtelling eraf.” Uit de opmerkingen van de voorzitter, [C.], maakte ik toen

op dat hij het er al eerder met [eiseres] over had gehad en dat zijn advies om met

de fiscus te gaan praten een herhaling was van een eerder advies. [eiseres] heeft

toen ook gezegd, maar het kan zijn dat ik mij vergis en dat het in het gesprek van

juni 2011 was (…), dat zij de auto één keer voor privé doeleinden had gebruikt in

het verleden, namelijk omdat zij op weg naar het vliegveld nog langs het ministerie

moest. Zij stond toen op punt van vertrek voor vakantie met haar gezin.

Bij mijn beste weten heeft [eiseres] haar mededeling over het niet privé gebruiken

van de dienstauto in maart 2011 gedaan, maar als dat niet zo is, dan moet dat in

juni 2011 zijn geweest dat we heel specifiek over deze dingen gesproken hebben.

(…).

Op vragen van mr. Verbeek (…)

Ik herhaal dat hetzij in maart 2011 hetzij in juni 2011 [eiseres] op een

rechtstreekse vraag van de voorzitter heeft geantwoord dat zij geen privé gebruik

maakte van de dienstauto.(…)”

2.13.

[E.], destijds eveneens lid van de Raad van Toezicht van het COA, heeft op 7

oktober 2013 over het privégebruik van de dienstauto door [eiseres] voor zover

van belang, het volgende verklaard:

“(…) Ik denk dat het in een één-op-één gesprek is geweest dat ik haar heb

gevraagd: hoe zit het met het privégebruik van de dienstauto? (…) [eiseres]

antwoordde: ik gebruik hem niet privé. (…) Dit gesprek moet begin 2011 zijn

geweest. (…)

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

Er is alleen gesproken over het privégebruik van de dienstauto in het kader van de

salarisherziening. Dat gebruik was zodanig beperkt of niet dat dat element uit het

salaris gehaald kon worden, zei [eiseres] tegen mij.

Op vragen van mr. Verbeek (…)

Ik heb in het kader van het verhoor bij de onderzoekscommissie met woorden van

gelijke strekking als ik vandaag gebruik over de dienstauto gesproken. Ik heb daar

ook gezegd dat ik van [eiseres] heb begrepen dat zij de auto niet privé gebruikte.

(…)”

2.14.

Uit deze drie verklaringen blijkt dat [eiseres] aan deze drie leden van

de Raad van Toezicht heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet voor

privédoeleinden gebruikte. De verklaringen van de voorzitter en de twee andere

leden van de Raad van Toezicht worden bevestigd door de verklaring van Van

Duffelen, strategisch adviseur van het COA, die op 2 september 2013 als volgt

heeft verklaard:

“(…) Het klopt dat ik diverse stukken heb opgesteld ten behoeve van [eiseres]

en/of de Raad van Toezicht. U noemt de notitie bezoldiging bestuursvoorzitter van

mei 2011, de brief van 14 september 2011 van de Raad van Toezicht aan de

minister met de voordracht van [eiseres] en de brief van 26 september 2011 van de

Raad van Toezicht aan de minister naar aanleiding van Kamervragen over de NOS

uitzending. Al deze stukken heb ik geconcipieerd. Inderdaad staat hierin dat de

dienstauto slechts zakelijk werd gebruikt door [eiseres]. Die informatie had ik

ontleend aan rechtstreekse mededelingen van [eiseres] aan mij. Zij heeft mij bij de

voorbereiding van de desbetreffende stukken steeds mondeling medegedeeld dat zij

de auto niet privé gebruikte. Dat was ook op rechtstreekse vragen van mij. U houdt

mij een brief voor van mijn hand van 19 april 2013 met als bijlage de antwoorden

bij de vragen van het UWV in het bezwaar van [eiseres] tegen de weigering van

een WW-uitkering. Wat er in deze bijlage staat is juist; daar blijf ik bij. Ik heb

hierop niets aan te vullen.(…)”

In de door [F.] aangehaalde bijlage, die aan het proces-verbaal van zijn

verhoor is gehecht, staat onder b, punten 6 en 7, het navolgende vermeld:

“6. De rvt heeft uitsluitend aan het departement (in de voordrachtbrieven) en aan

de media gecommuniceerd dat de dienstauto niet privé werd gebruikt, omdat de

beoogde voorzitter van het bestuur (bedoeld wordt [eiseres], opm. kantonrechter)

zelf telkenmale heeft verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken.

7. Daarvoor was geen aanleiding, omdat de beoogde voorzitter van het bestuur

steeds zelf heeft verklaard geen privé-gebruik te maken van de dienstauto.”

2.15.

[eiseres] stelt voorts dat zij “conform de mededelingen aan de Raad van Toezicht

van het COA” geen gebruik meer heeft gemaakt van de dienstauto sinds 3 juli

2011, de datum dat [eiseres] de laatste verkeersovertreding in privétijd heeft

begaan. Deze stelling strookt niet met de bewijsmiddelen, nu uit de verklaringen

van de leden van de Raad van Toezicht van het COA blijkt dat het privégebruik

van de dienstauto ook vóór juli 2011 aan de orde is geweest. Zo refereert [C.]

aan een gesprek in 2010, een e-mail van [eiseres] van 14 april 2011 en een

mededeling van [eiseres] in juni/juli 2011. [D.] verwijst naar een gesprek met

[eiseres] in maart dan wel juni 2011 waarin [eiseres] desgevraagd heeft gezegd

dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Tot slot verklaart ook [E.] aan een

gesprek met [eiseres] daterend vóór 3 juli 2011, te weten “begin 2011”. Bovendien

heeft [B.] in zijn verklaring ten overstaan van Hoffmann gesteld - hetgeen door

[eiseres] niet of onvoldoende is ontkracht - dat hij aan de hand van de

kilometerteller wist dat zij in de weekenden gemiddeld 200 kilometer met de

dienstauto reed en dat [eiseres] de dienstauto ook na 3 juli 2011 nog privé heeft

gebruikt: hij heeft [eiseres] en haar man op 15 juli 2011 naar het vliegveld in

Brussel gebracht en hij heeft [eiseres], haar man en haar kinderen op 17 augustus

2011 opgehaald van het vliegveld in Brussel en hen naar huis gebracht. [eiseres]

heeft de verklaring van [B.] op dit onderdeel niet ontkracht, zodat de

kantonrechter uitgaat van de juistheid van deze verklaring. Tevens is gesteld noch

gebleken dat deze ritten gekoppeld waren aan zakelijke activiteiten.

2.16.

Dat de gesprekken met de Raad van Toezicht zijn gehouden in het kader van de

salarisaanpassing en een informeel karakter hadden, zoals [eiseres] heeft

benadrukt, doet niet af aan het feit dat [eiseres] de Raad van Toezicht tijdens die

gesprekken heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Dat leden

van de Raad van Toezicht haar niet verder zouden hebben doorgevraagd over het

gebruik van de dienstauto doet evenmin terzake. Daar was immers geen aanleiding

toe omdat [eiseres], zo blijkt uit de getuigenverklaringen, zo stellig en eensluidend

in haar antwoorden was.

Het verstrekken van onjuiste informatie aan leden van de Onderzoekscommissie COA

2.17.

Ten aanzien van zijn stellingen met betrekking tot de onjuiste

informatieverstrekking aan de Onderzoekscommissie COA heeft het COA de

Commissieleden [X.], [N.] en [U.] als getuigen doen horen.

Deze getuigen verklaren ieder afzonderlijk dat [eiseres] tegenover hen heeft

verklaard dat zij de auto niet dan wel nooit privé gebruikte. Zo heeft [X.] op

4 september 2013 – voor zover relevant – het navolgende verklaard:

“(…) Ik herinner me uit de gesprekken dat [eiseres] aangaf de auto niet privé te

gebruiken. Er heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden en daarna hebben er

drie interviews plaatsgevonden. De interviews hebben plaatsgevonden in februari,

maart 2012. Dat zij dit tweemaal in een interview heeft verklaard heb ik gelezen in

mijn verslagen. (…)

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

U houdt mij voor dat [eiseres] heeft verklaard dat mijn commissie in het rapport

haar woorden heeft verdraaid. Zij zegt dat haar verklaring zag op privégebruik

van de dienstauto na september 2011. [eiseres] heeft in haar verklaring tegenover

de commissie geen onderscheid gemaakt in periode. (…)

Blijkens de verslagen is de dienstauto tijdens zowel het eerste als het tweede

interview met [eiseres] ter sprake gekomen.

Op vragen van mr. Verbeek (…)

U vraagt mij wat ik [eiseres] over het privégebruik heb verklaard. Ik vroeg haar:

‘Gebruikt u de dienstauto privé?’ Zij heeft die vraag met nee beantwoord. Ik meen

mij te herinneren dat ik deze vraag op een ander moment herhaald heb, omdat ik

het interessant vond dat zij zei dat ze de dienstauto wel privé mocht gebruiken,

maar dat niet deed. Ik wilde zeker weten dat ik haar antwoord goed begrepen had,

want het valt op als je wel een recht hebt maar dat niet gebruikt.”

En op 7 oktober 2013 heeft hij daaraan toegevoegd (voor zover van belang):

“(…) Tijdens het eerste en het tweede interview met [eiseres] heeft zij aangegeven de auto niet privé te gebruiken.(…)

Van twee gesprekken met [eiseres] is een verslag gemaakt dat zij heeft ingezien en

uitgebreid van commentaar heeft voorzien. Met betrekking tot de passages uit het

verslag die zien op het gebruik van de dienstauto heeft zij geen aanmerkingen

gemaakt. (…).”

Op 31 maart 2014 heeft [X.] voorts nog verklaard:

“Op vragen van mr. Verbeek (…)

U vraagt of ik het privégebruik nog bij andere mensen dan [C.] en [B.] heb geverifieerd. Ja, leden van de Raad van Toezicht hebben verklaard dat zij meenden dat er geen sprake was van privégebruik. Dat hadden zij, zo vertelden zij ons rechtstreeks van [eiseres] gehoord. Wij hoorden dit ook van de kant van het departement en ik weet dit niet zeker, minister Leers. (…)”

2.18.

[N.] heeft op 7 oktober 2013 – voor zover relevant – de navolgende verklaring

afgelegd:

“(…) Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

De Onderzoekscommissie maakte bandopnamen van de gehouden interviews. Dit

gold niet voor het oriënterende gesprek. De bandopnamen zijn na het opstellen van

de gespreksverslagen vernietigd. [eiseres] heeft gevraagd of zij zelf ook

bandopnamen van de gesprekken mocht maken. Hierin heeft de Onderzoekscommissie bewilligd. Zij heeft zelf bandopnamen gemaakt met haar

mobiele telefoon.(…)

Het gebruik van de dienstauto is tijdens de gesprekken met [eiseres], zeker bij de

eerste twee aan de orde gekomen. Ik heb de gespreksverslagen welke van

commentaar door [eiseres] zijn voorzien, bekeken. Zij had geen aanmerkingen ten

aanzien van de passages uit de verslagen die zagen op het gebruik van de

dienstauto.

U houdt mij p. 127 van het Onderzoeksrapport voor waarin staat dat [eiseres] de

dienstauto nooit privé gebruikte. Ik bevestig dat [eiseres] dit heeft gezegd. Ik weet dat heel zeker, omdat ik degene was die de vraag heeft gesteld. Ik heb gevraagd of

zij de dienstauto gebruikte in de periode dat zij algemeen directeur was bij het

COA. Ik heb geen onderscheid gemaakt in de periode voor en na september 2011. U

stelt dat [eiseres] heeft aangegeven dat [eiseres] heeft aangegeven dat de

Onderzoekscommissie haar woorden heeft verdraaid. Dat is absoluut niet

waar.”

[N.] heeft in de contra-enquête op 31 maart 2014 voorts nog verklaard:

“Op vragen van mr. Verbeek (…)

[B.] had verklaard in zijn interview dat hij elke donderdagavond de auto bij [eiseres] achterliet met een volle tank en dat hij op maandag steeds merkte dat er in het weekend met de auto was gereden. Dat vond ik opvallend, omdat [eiseres] zelf had verklaard tegenover de Commissie dat zij de auto niet privé gebruikte.(…)”

2.19.

[U.], projectleider bij Bureau Berenschot, dat de Onderzoekscommissie COA ondersteunde bij haar werkzaamheden en als zodanig ook betrokken was bij de interviews, heeft op 7 oktober 2013 - voor zover relevant - het navolgende verklaard:

“(…) U houdt mij een passage uit het Onderzoeksrapport voor op pagina 127 ten aanzien van het gebruik van de dienstauto. Ik bevestig dat [eiseres] heeft verklaard dat zij de dienstauto nooit gebruikte. [opmerking kantonrechter: tijdens het getuigenverhoor heeft getuige [U.] verklaard dat [eiseres] de auto nooit privé gebruikte. Abusievelijk is het woord ‘privé’ in het proces-verbaal weggevallen].

U vraagt mij wat de vraagstelling was met betrekking tot het gebruik van de dienstauto. Wat de vraagstelling precies is geweest kan ik mij niet herinneren. Ik verwijs u naar de bandopnamen die [eiseres] zelf heeft gemaakt van de drie interviews die met haar en de Onderzoekscommissie zijn gehouden.(…).

Wij hebben de gespreksverslagen en het rapport naar eer en geweten opgesteld. Wij hebben niets verdraaid.”

2.20.

Uit deze verklaringen blijkt dat [eiseres] tegenover de Onderzoekscommissie

COA heeft verklaard dat zij de auto niet privé gebruikte. [eiseres] erkent bij

conclusie na enquête ook dat zij tegenover de Onderzoekscommissie COA heeft

verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte maar stelt dat haar antwoord

betrekking had op het moment waarop het interview werd afgenomen en niet op de

periode daarvoor.

2.21.

Uit de verklaringen van [N.] en [U.] blijkt evenwel dat [eiseres]

heeft verklaard dat zij de dienstauto nooit privé heeft gebruikt. [N.] heeft ook

verklaard dat zij [eiseres] heeft gevraagd naar het privégebruik van de dienstauto

“in de periode dat zij algemeen directeur was bij het COA”. [eiseres] heeft niet

weersproken dat [N.] de vraag naar het privégebruik op deze manier aan

haar heeft voorgelegd, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Bovendien

lag het, gegeven de context van het gesprek, op de weg van [eiseres], als algemeen

directeur van het COA, om een volledig beeld te geven van haar privégebruik van

de dienstauto.

2.22.

Voor zover [eiseres] beoogd heeft haar stelling te handhaven dat de

Onderzoekscommissie COA haar woorden in de verslaglegging van de gesprekken

met de Onderzoekscommissie COA heeft verdraaid, wordt aan deze stelling,

voorbij gegaan. Indien de Onderzoekscommissie COA de woorden van [eiseres]

verdraaid zou hebben, had het immers op de weg van [eiseres] gelegen om bij de

betreffende passages in de vastlegging van de gesprekken opmerkingen te plaatsen

teneinde een juiste weergave van haar verklaring te bewerkstelligen. Dit heeft

[eiseres] niet gedaan, zodat de Onderzoekscommissie COA uit mocht gaan van de

juistheid van de verklaringen van [eiseres] zoals opgenomen in de

gespreksverslagen.

2.23.

Het had op de weg van [eiseres] gelegen om, indien zij dit standpunt wenste te

handhaven, bewijs te leveren dat zij bovenvermelde uitlatingen niet tegenover de

Onderzoekscommissie COA heeft gedaan. Daartoe was zij aangenomen dat dit

inderdaad niet het geval was, ook in staat, nu de getuigen [N.] en [U.]

op 7 oktober 2013 beiden hebben verklaard dat [eiseres], met toestemming van de

Onderzoekscommissie COA, geluidsopnamen heeft gemaakt van de met haar

gevoerde gesprekken. [eiseres] heeft deze geluidsopnamen evenwel niet

overgelegd.

Het verstrekken van onjuiste informatie aan de Minister

2.24.

Het COA heeft in dit kader de getuigen [G.], [I.] en [H.] doen horen. Zij waren respectievelijk waarnemend directeur-generaal vreemdelingenzaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, en directeur personeel, regie, ICT en organisatie van laatstgenoemd ministerie.

2.25.

[G.] heeft op 4 september 2011 - voor zover relevant - verklaard:

“(…) Ik bevestig ook vandaag dat [eiseres] op 10 mei 2011 aan mij heeft meegedeeld dat zij de dienstauto in het geheel niet privé gebruikte. (…)

Ook vandaag bevestig ik dat [eiseres] op 26 september 2011 tegen mij heeft gezegd dat zij de auto nimmer privé gebruikte en dit ook nooit het geval is geweest. (…)

Ja, wat mij heeft verbaasd is dat [eiseres] in het gesprek van mei 2011 onbevangen heeft gemeld dat zij geen privégebruik maakte van de auto. Ze zei toen: “Ik weet ook niet waarom het zo geregeld is, want ik gebruik de auto niet.” Zij zei dit zo vanzelfsprekend dat het mij heeft verbaasd dat ze daar later op terug is gekomen. Met later bedoel ik na 26 september 2011. (…)”

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

U vraagt mij of ik de inhoud van het gesprek met [eiseres] op 10 mei 2011 heb teruggekoppeld aan anderen binnen het departement. Ja, ik heb dit teruggekoppeld aan mw. secretaris-generaal [I.] en minister Leers. Ik heb hen mondeling gezegd dat het geen probleem was om het salaris van [eiseres] onder de Balkenende norm te brengen, (…) nu er geen privégebruik van de auto was.(…) Ik heb deze mondelinge terugkoppeling enkele dagen na het gesprek van mei 2011 aan de minister en de SG gedaan.(…)

Ik had geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de op 10 mei 2011 aan mij door [eiseres] gegeven informatie onjuist was, noch op dat moment, noch daarna. (…)”

2.26.

[I.] heeft 5 september 2013 - voor zover relevant - verklaard:

“(…) Op 26 september 2011 heb ik vervolgens met [G.] en [eiseres] gesproken. Er waren verder geen andere mensen bij. Ik heb de salarisstrook van [eiseres] gezien. Daarop stonden de bijtelling en de compensatie voor het privégebruik van de dienstauto. Ik heb [eiseres] gevraagd of ze de auto privé gebruikte. Zij zei dat dat niet zo was. Mijn conclusie was: dan zijn de bijtelling en de compensatie niet nodig.(…) Later in het gesprek kwam het gebruik van de auto nog een keer naar voren. Toen heeft [eiseres] nogmaals gezegd dat ze de auto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had.(…)

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

Ik heb dezelfde dag een terugkoppeling aan de Minister gegeven, een half uur of een uur na afronding van het gesprek met [eiseres] en [G.].”

Op vragen van mr. Verbeek (…)

Ik herhaal, ik heb [eiseres] gevraagd of zij de auto privé gebruikte, en zij antwoordde: ik gebruik de auto niet privé en ik heb hem nooit privé gebruikt. Ik weet het heel precies. Het was heel belangrijke informatie voor de bijtelling en het informeren daarover van de Kamer.(…)”

2.27.

[H.] heeft - voor zover relevant - verklaard:

“(…) U (mr. Bockwinkel) vraagt mij naar het verslag van 10 mei 2011. Dat heb ik samen met [G.] opgesteld. (…) Ik bevestig vandaag dat het verslag juist is en dus ook dat [eiseres] mij en [G.] op die dag heeft medegedeeld dat zij de dienstauto in het geheel niet voor privédoeleinden gebruikte. (…)

[eiseres] zei dat ze de auto alleen zakelijk gebruikte en we kwamen tot de conclusie dat de bijtelling kon vervallen en de compensatie dus ook. (…) In het document dat ik na 10 mei 2011 kreeg toegestuurd, stond vermeld dat de auto door [eiseres] werd ingezet slechts voor zakelijk gebruik. Dit was voor mij een bevestiging van de informatie die ik van [eiseres] zelf had gekregen.

Op vragen van mr. Mauser (…)

Ik heb op 10 mei 2011 ’s avonds per email een terugkoppeling van het gesprek eerder die dag met [eiseres] gegeven aan S-G [I.], daarin heb ik concreet vermeld dat [eiseres] tegen ons had gezegd dat ze geen privégebruik maakte van de dienstauto. (…) Ik had in de periode mei 2011 en de uitzending van de NOS geen enkele aanwijzing dat de informatie van [eiseres] over het privégebruik van de auto niet juist was. (…)”

2.28.

Ook hier geldt dat het gegeven dat de gesprekken met medewerkers van het

departement van de Minister zijn gehouden in het kader van de salarisaanpassing

en volgens [eiseres] een informeel karakter hadden, niet afdoet aan het feit dat

[eiseres] hun tijdens die gesprekken heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet

privé gebruikte. Dat deze medewerkers haar niet verder zouden hebben

doorgevraagd over het gebruik van de dienstauto doet evenmin terzake. Daar was

immers geen aanleiding toe omdat [eiseres] zo stellig en eensluidend in haar

antwoorden was. De verklaring van getuige [T.], HRM

adviseur, op 6 september 2013 dat zij ten behoeve van de “voordrachtbrieven”

waarbij zij betrokken is geweest, heeft doorgegeven dat [eiseres] de auto privé

gebruikte maar dat in de toekomst niet meer zou doen, staat op zichzelf en vindt

geen steun in de andere verklaringen zodat hieraan bij de bewijswaardering geen

doorslaggevende betekenis wordt toegekend.

2.29.

Op basis van de processen-verbaal van de getuigen - in onderling verband

bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde

documenten - acht de kantonrechter bewezen dat [eiseres] in de periode van mei

tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van de Raad van

Toezicht aan de Minister tot benoeming van [eiseres] tot voorzitter van de Raad

van Bestuur van het COA, aan [G.], [I.] en [H.] heeft

meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt

had en dat deze informatie aan de Minister is doorgeleid.

Verhullen privégebruik dienstauto en het daarbij betrekken van ondergeschikten

2.30.

Het COA heeft zijn stelling dat [eiseres] heeft verhuld dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij bij dat verhullen ondergeschikten heeft betrokken, hoofdzakelijk gebaseerd op het rapport Hoffmann. In de samenvatting van dit rapport staat, onder meer:

“(…)

2.1

Achteraf wijzigen agenda

Vastgesteld is dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van mevrouw

[eiseres] zijn ingevoerd die betrekking hadden op voorliggende datums.

Het betroffen bezoeken in de weekeinden aan diverse ‘clusters’ en/of AZC’s. Uit de

gesprekken is gebleken dat deze werkbezoeken, op verzoek van mevrouw [eiseres], in de agenda zijn gezet. Uit het onderzoek is bekend geworden dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hierboven vermelde, achteraf in de digitale agenda van mevrouw [eiseres] zijn ingevoerd.

2.2

Privégebruik dienstauto

Bekend werd dat de dienstauto meestal op donderdagavond nabij de woning van mevrouw [eiseres] geparkeerd werd en dat deze op maandagochtend weer opgehaald werd. In onze analyse gaan we er dan ook van uit dat de dienstauto vanaf donderdagavond tot en met zondag in het bezit was van mevrouw [eiseres]. Wij kunnen echter niet met zekerheid vaststellen of zij dan ook altijd de bestuurder van de dienstauto was.

Vastgesteld is dat er met de dienstauto is gereden op dagen dat mevrouw [eiseres] vrij was. Dit blijkt uit bekeuringen/verkeersovertredingen. De betreffende boetes zijn aan het CJIB betaald vanaf de bankrekening waarop het CAO het salaris van mevrouw [eiseres] overmaakt. Opgemerkt wordt dat verkeersboetes van overtredingen gemaakt tijdens diensttijd altijd zijn betaald door het COA.

De dienstauto is voorzien van een systeem VIP-meldingen dat automatisch meldingen genereert. Aan de hand van die meldingen kan de locatie worden vastgesteld waar de dienstauto zich bevond op het moment van de melding. Vastgesteld is dat er in de weekeinden, op dagen dat mevrouw [eiseres] niet werkzaam was, een aantal VIP-meldingen (alarmeringen) vanuit de dienstauto van mevrouw [eiseres] werden ontvangen.(…)

2.3

Privégebruik dienstauto en chauffeursdiensten

Vastgesteld is dat mevrouw [eiseres] in 2010 en 2011 privé gebruik heeft gemaakt

van de chauffeursdienst(en) van het COA. Dit had hoofdzakelijk betrekking op het brengen naar en ophalen van vliegvelden van mevrouw [eiseres] en/of haar gezinsleden voor privéreizen.(…)”

2.31.

Onderdeel van het rapport Hoffmann zijn de verklaringen van de secretaresse van [eiseres], [A.], en haar chauffeur, [B.]. Kort gezegd hebben [A.] en [B.] tegenover medewerkers van Hoffmann verklaard dat [A.], met hulp van [B.], in opdracht van [eiseres] in de periode rond de uitzending van het NOS-journaal van 18 september 2011, fictieve afspraken in de digitale agenda van [eiseres] heeft ingepland teneinde privégebruik door [eiseres] van de dienstauto te maskeren. Uit onderzoek is gebleken dat er in de agenda van [eiseres] op de in het rapport Hoffmann vermelde data afspraken stonden die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden.

2.32.

[A.] heeft op 2 september 2013 verklaard:

“(…) Ik blijf bij mijn verklaring die ik ten overstaan van Hoffmann heb afgegeven. Ik heb daar één wijziging/toevoeging op: de heer [B.], de chauffeur van [eiseres], was op mijn kamer toen [eiseres] mij vroeg om afspraken in haar agenda te plaatsen. (…)

Ik voerde algemene secretariële werkzaamheden voor [eiseres] uit, waaronder agendabeheer. (…) Ik legde de afspraken voor [eiseres] in haar digitale agenda vast. Als het om externe afspraken ging had ik voorafgaand overleg met [eiseres]. Voor mij was het normaal dat [eiseres] de dienstauto ook voor privé gebruikte. Van [B.] wist ik dat zij ook gebruik maakte van de chauffeursdiensten in privé. Het betrof het brengen naar het vliegveld tijdens vakantie. Dit betrof meerdere keren. Standaard zette ik de afspraken in de agenda van [eiseres] zodra deze werd gemaakt. Als er onverwachts een afspraak had plaatsgevonden dan deed ik dat weleens achteraf. (…) Rondom de uitzending van de NOS, de precieze datum weet ik niet meer, vroeg [B.] aan mij of ik wat afspraken in de agenda wilde zetten. Dat had [eiseres] met [B.] in de auto kort gesloten, zo vertelde [B.] mij. [eiseres] verscheen op dat moment in de deuropening met hetzelfde verzoek. Er had een aantal verkeersovertredingen plaatsgevonden in het weekend. [eiseres] had deze begaan. Ik kreeg van de financiële administratie bericht indien er een verkeersboete was opgelegd. Aan de hand van de agenda keek ik dan vervolgens wanneer de overtreding was begaan. Dat gaf ik dan vervolgens door aan de directeur strategie en bestuur, via het systeem my corsa. Als de overtreding in het weekend was begaan dan kreeg [eiseres] de factuur, die gaf ik aan haar. Zij moest deze dan betalen, omdat de overtreding dan een privé aangelegenheid betrof. Ik dacht dat ik al een aantal facturen van verkeersovertredingen in het weekend had, toen [B.] mij verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Ik was verbaasd dat er afspraken in het weekend in de agenda gezet moesten worden in verband met verkeersboetes. Dat had ik niet eerder meegemaakt. Ik moest clusterbezoeken in de agenda zetten, zo gaf [eiseres] aan. Zij heeft mij niet gezegd hoe ik dat moest doen. Het is ook niet zo dat ik de vrije hand had, die heb ik zelf genomen. Dat waren fictieve bezoeken. Ik heb ze rond de data en locaties van de verkeersboetes gepland. [B.] heeft mij daarbij geholpen. Ik ben topografisch slecht. [B.] heeft mij met de locaties geholpen. Om het niet te laten opvallen heb ik deze over een paar maanden ingepland. Ik meen dat het om zes of zeven clusterbezoeken ging. Naderhand heeft [eiseres] mij gevraagd of ik de fictieve afspraken in de agenda had gezet. Hetgeen ik heb bevestigd. (…)

Op vragen van mr. Uhlenbroek (…)

U vraagt mij of het klopt dat ik ook fictieve werkbezoeken in de agenda heb gezet, die niet corresponderen met een boete. Dat klopt. Dit was om het zo onopvallend mogelijk te maken. Het klopt voorts dat ik op 13 september 2011 fictieve werkbezoeken in de agenda heb gezet. U toont mij een “Bijlage Digitaal” welke als bijlage 8 bij productie 61 bij de kennelijk onredelijk ontslag dagvaarding is gevoegd. Het is juist dat de afspraken 2 t/m 7 fictief zijn en dat ik deze op 20 september 2011 heb ingevoerd. U vraagt mij waarom ik een week na 13 september 2011 deze afspraken in de agenda heb gezet. Dat is om het zo onopvallend mogelijk te maken; op die manier leek het alsof er eenmaal in de maand een werkbezoek plaatsvond in het weekend. U vraagt mij naar een tweetal afspraken in de agenda, te weten een lunch op 9 mei 2010 met [J.] (afspraak nummer 13) en een diner met [K.] op 23 september 2010 (afspraak nummer 19). Dat betreft afspraken die ik rond een verkeersovertreding heb gepland. Rondom de afspraken plande ik ook reistijd, dit heb ik ook gedaan met betrekking tot de fictieve afspraken. [eiseres] had mij opdracht gegeven fictieve werkbezoeken in te plannen. Het idee om een fictieve lunch- en dinerafspraak in te plannen deed ik op eigen initiatief. Dit vanwege het feit dat een werkbezoek in de avond eigenlijk nooit voorkomt. (…)

Ik ben niet onder druk gezet, er is mij ook niets in het vooruitzicht gesteld met betrekking tot het afleggen van een verklaring ten overstaan van Hoffmann en/of de rechtbank. Ik had een hele goede verhouding met [eiseres]. (…)

U, mr. Bockwinkel hebt mij net gevraagd of iemand mij heeft gewezen op het verschil in de verklaring tussen mij en [B.] en of ik om die reden aan het begin van dit verhoor mijn aanvulling heb gedaan. Toen antwoordde ik dat dat niet zo was. U stelt mij deze vraag nog een keer. [B.] en ik hebben het verhoor voorbereid voor mijn vakantie. Dit was samen met mr. Uhlenbroek. We hebben doorgenomen welke vragen mogelijk zouden worden gesteld. Toen is ook dit specifieke verschil aan de orde gekomen. U vraagt mij waarom ik zojuist anders verklaarde op dezelfde vraag. Ik weet het niet. Ik ben heel erg zenuwachtig en daarom heb ik misschien net een fout antwoord gegeven. Het is dus zo dat ik tot deze aanvulling/wijziging van mijn verklaring ben gekomen nadat we vlak voor mijn vakantie overleg hebben gehad.

U houdt mij voor mijn verklaring ten overstaan van Hoffmann (pagina 3, 3e alinea van onderen). Ik geef u aan dat mijn verklaring dat ik alleen was toen [eiseres] mij vroeg afspraken in te plannen niet juist is. De verklaring die ik zojuist heb afgelegd, dat [B.] hierbij was, is de juiste. En waarom ik destijds ten overstaan van Hoffmann op dit punt onjuist heb verklaard, weet ik niet meer. (…)”

Op 5 september 2013 (voortzetting verhoor) heeft [A.] vervolgens verklaard:

“(…)

Op vragen van mr Van Strien (…)

U vraagt mij met betrekking tot het inplannen van de fictieve werkafspraken of het juist is dat dit voor de uitzending van 18 september 2011 is geweest of in de periode daarna, in de periode van 18 tot en met 27 september 2011. Ik geef u aan dat ik dit niet meer weet. Het was rondom de datum van de NOS-uitzending. U vraagt mij wat de exacte bewoordingen van [eiseres] waren toen zij mij de opdracht gaf. Het is alweer een tijdje geleden en dat kan ik u niet precies zeggen. Het was iets in de strekking van: “Of ik een paar werkbezoeken wilde inplannen”. Ik weet niet meer hoe ik wist om welke dagen het ging dat ik deze werkafspraken moest inplannen. Ik weet ook niet meer hoe ik te werk ben gegaan. (…)

Ik weet niet meer op welke dag of dagen (data) ik de agenda heb aangepast. Nadat [eiseres] mij had verzocht de agenda aan te passen heb ik dat diezelfde dag gedaan. Ik weet niet meer precies hoeveel tijd daartussen zat. De tweede maal dat ik de fictieve afspraken heb ingevoerd was zonder dat [B.] daarbij was. Met betrekking tot de fictieve werkafspraken die ik in de agenda heb gezet merk ik op dat ik niet weet waarom ik daar niet de naam van de betreffende clustermanager bij heb gezet. Bij een echte afspraak was dit wel gebruikelijk. (…)

U vraagt mij of ik verschrikt was toen [eiseres] mij de vraag stelde om een paar werkbezoeken in te plannen. Ik weet dat niet meer. Ik vond het wel raar om achteraf werkbezoeken in te plannen. Het was op dat moment erg rommelig vanwege de NOS-uitzending. Ik weet niet of de NOS-uitzending daadwerkelijk al had plaatsgevonden. Het was een chaos, er liepen veel mensen in en uit de kamer. [B.] stond bij mij op de kamer toen [eiseres] mij de vraag stelde.”

2.33.

[B.] heeft op 2 september 2013 verklaard:

“Vanochtend ging om half twee de telefoon. Ik nam slaperig op. Ik hoorde dat iemand tegen mij zei: “Vuile vieze kankerklootzak, als je een belastende verklaring aflegt vanochtend bij de rechtbank inzake de zaak [eiseres] dan ben je echt dood, zekers te weten, en je vrouw en je dochtertje ook. Zekers te weten dan ben je echt dood”. Ik was helemaal verbouwereerd. Ik hoorde rechtbank en [eiseres], en één en één is twee. Ik denk dat het de echtgenoot van [eiseres] was die tegen me sprak. Ik meende de stem van hem te herkennen. Ik ben er vrijwel heilig van overtuigd. Ik heb tegen de politie gezegd dat ik voor 90% zeker ben dat hij het was. Dit gezien de articulatie, en de manier waarop hij sprak. Ik heb acht jaar voor haar gereden en dus ook heel geregeld met hem gesproken. Tien minuten tot een kwartier later heb ik de politie gebeld. Ik werd doorverbonden met de dienstdoende officier. Hij nam mijn verhaal heel serieus en zegde mij toe dat om het half uur een politieauto door de straat zou rijden. Zij namen ons huis op in de route. Ja, ik heb overwogen om vandaag niet naar de rechtbank te komen. Ik ben hier nu puur vanwege mijn rechtsgevoel (…). Ik wil mij echt niet laten intimideren. Het is mijn eigen keus om hier te zijn, ik ben door niemand over gehaald. Ik vind het wel heel moeilijk om hier te zijn.

U vraagt mij of er iets is dat ik mij vóórdat het incident van vannacht plaatsvond, al had voorgenomen om in ieder geval aan de rechtbank te zeggen vandaag. Wat ik kwijt wil: alles wat ik wilde zeggen staat in de verklaring van Hoffmann. Ik ben tweemaal door Hoffmann gehoord. Ik sta 100% achter wat ik toen heb verklaard. De twee verslagen van (alleen) mijn gesprekken met Hoffmann heb ik vannacht doorgelezen. Ik heb geen andere verklaringen uit het rapport Hoffmann doorgelezen. Ik kon toch niet meer slapen. Ik wil niets aan deze verklaringen toevoegen of erbij opmerken. Ik wil [eiseres] niet zwart maken, maar ik heb naar waarheid verklaard. Ik ben net terug van drie weken vakantie, die begon op 5 augustus 2013. Vóór mijn vakantie heb ik ter voorbereiding van dit verhoor een gesprek gehad met mr. Uhlenbroek, de heer [L.] en de secretaresse [A.]. Volgens mij, maar ik weet het niet zeker, zat Ron [F.] daar ook bij. (…)

Het klopt dat [eiseres] privé gebruik maakte van de dienstauto. Bij mijn aantreden had ze dat ook meteen gezegd. U vraagt mij naar de omvang van het privé gebruik. Deze was niet extreem. Dit weet ik omdat ik de auto steeds op donderdagavond afgetankt bij haar achterliet en ik dan de kilometerteller op nul zette. In 2005 t/m 2006 heb ik de kilometers bijgehouden, daarna niet meer. Over de gehele periode dat zij bestuursvoorzitter was en ik voor haar reed, zal het gaan om gemiddeld 200 kilometer per weekend. Dit baseer ik op de kilometerteller die ik iedere donderdagavond op nul zette.

De agenda werd aangepast op initiatief van [eiseres]. Dit was rond de NOS uitzending, ik weet niet meer precies wanneer. Op een gegeven moment zei [eiseres] tegen mij: “[B.], weet jij of de bekeuringen die ik privé heb gekregen tijdens het weekend geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “ik weet het niet, jij betaalt ze toch zelf?” Toen heeft de secretaresse navraag gedaan, omdat zij de enige is die dat kan doen. U vraagt of ik een rol had bij het aanpassen van de agenda. Ja, [eiseres] vroeg aan de secretaresse ([eiseres] stond toen in de deuropening), om van de privé bekeuringen zakelijke ritten te maken. Zij vroeg dat in mijn aanwezigheid. [A.] keek toen heel verschrikt op en vroeg hoe ze dat moest doen, waarop ik heb gezegd: “[A.], ik help je wel, want ik ben topografisch beter dan jij.” Ik weet niet of [eiseres] ook aan anderen soortgelijke opdrachten heeft gegeven. Dat weet ik niet, in ieder geval niet aan mij.

De haal/brengactiviteiten voor [eiseres] vonden niet altijd in aansluiting op de werkactiviteiten van [eiseres] plaats, in ieder geval niet als ik haar bracht of haalde op vrijdag of in het weekend. (…)

Op vragen van mr. Willemsen antwoord ik dat ik absoluut nooit onder druk ben gezet om een bepaalde verklaring af te leggen. Het is wel zo dat ik er niet blij mee was en dat ik moe(s(t)) verklaren. [M.] zei: “Vertel altijd de waarheid en niets anders dan de waarheid. Dan kan je ook nooit in een valkuil vallen.” Later zei [L.] dat ook.

[M.] heeft mij gevraagd om gehoord te worden door Hoffmann. De aanleiding was de ontkenning van het privé gebruik van de auto door [eiseres] tegenover de Onderzoekscommissie COA. In de auto praat je geregeld met elkaar. [M.] vroeg mij toen naar het privé gebruik van de auto. Ik wist toen niet dat het niet mocht.

Op vragen van mr. Uhlenbroek: (…)

Ik kan niet verklaren waarom ik in mijn verklaring bij Hoffmann de datum van 13 september 2011 heb genoemd als de datum waarop de agenda is aangepast. Het enige dat ik kan bedenken is dat er sprake van was dat de uitzending eerder uitgezonden zou worden. De NOS zou eerst een week daarvoor uitzenden. Met spoed zijn [eiseres] en ik toen teruggekomen uit Drachten, omdat er ’s avonds een uitzending zou zijn. Ik denk dat hierin de verklaring gezocht kan worden dat ik heb verklaard dat de werkbezoeken op 13 september 2011 ingepland zijn. Het zou goed mogelijk zijn dat ik me een week heb vergist.

Op het vliegveld, als ik [eiseres] had weggebracht, heb ik zelden of nooit stukken aan haar overhandigd. Dat kon ook niet, we zaten met vijf personen in de auto met bagage. Er kon geen envelop meer bij. [eiseres] werkte tijdens die ritten ook niet. Ik haalde de dienstauto leeg op het moment dat ik hen wegbracht naar Schiphol of weer ophaalde. Ik kreeg geregeld weekendpost mee van de secretaresse, die tas liet ik in mijn eigen auto liggen tot het moment dat ik de familie [eiseres] thuis had afgezet na de vakantie en alle bagage uit de dienstauto had uitgeladen. Soms gaf ik haar een los envelopje namens de secretaresse die ze onderweg van of naar het vliegveld al wel openmaakte en soms niet. Ik heb ook weleens meegemaakt dat [eiseres] alleen met haar echtgenoot in de auto zat op weg naar het vliegveld, zonder kinderen. Het is een keer voorgekomen, ik meen dat het in 2010 was, dat de broer van [eiseres] ook op het vliegveld stond met een grote auto om de familie [eiseres] op te halen, terwijl ik er ook stond. Ik bleek toch niet voor niets gekomen, want de broer nam de kinderen en de bagage mee in zijn auto, en [eiseres] ging met haar man met mij mee. (…)

Er is mij niet enig voordeel in het vooruitzicht gesteld als ik een verklaring bij Hoffmann en/of de rechtbank zou afleggen.

Het was voor mij niet altijd duidelijk of een rit privé of zakelijk was. Dat was mij wel duidelijk toen [eiseres] op een donderdagavond belde dat zij de volgende avond naar een modeshow van ene [eiseres] moest. Hier ging het duidelijk om een privérit, maar bij het vervoer van en naar het vliegveld was ik hier niet zeker van. Het COA heeft mij nooit duidelijk gemaakt wat privé en zakelijk was, voor mij waren alle ritten met [eiseres] zakelijke ritten en zo registreerde ik ze ook. (…)

Op vragen van mr. Verbeek (…)

Zoals gezegd heeft [eiseres] mij bij haar aantreden verteld dat zij de auto privé gebruikte. Daarbij spraken we af dat ik doordeweeks de dienstauto mocht gebruiken, omdat dit voor mij gemakkelijk was. Mijn vrouw had namelijk onze eigen auto nodig voor haar werk. Op donderdagavond liet ik dan, volgens onze afspraak, de auto bij haar achter. Ik heb nooit met [eiseres] overlegd hoe ik de ritten zou registreren: zakelijk of niet.

[M.] heeft aan mij verteld dat het onderzoek van Hoffmann betrekking had op het privé gebruik van de dienstauto door [eiseres]. [M.] kwam na het gesprek met de Onderzoekscommissie COA briesend naar buiten en zei: “Ze zegt nog steeds dat ze nog nooit privé gebruik heeft gemaakt van de auto en zij beschuldigt jou en de vorige financieel directeur dat de nieuwe Audi A8 was aangeschaft.” Ik werd verschrikkelijk boos en heb toen uit boosheid tegen [M.] gezegd: “Ze kan me nog meer vertellen, maar zij heeft de agenda zitten manipuleren.” [M.] en ik zijn toen linea recta naar de onderzoekscommissie teruggegaan en daar heb ik alles verteld.

Op vragen van mr. Van Strien (…)

Ik weet niet waarom ik niet bij Hoffmann heb verklaard dat er sprake was van verschillende data waarop de uitzending van de NOS over het COA zou plaatsvinden. Ik zag hiertoe ook geen aanleiding. Ik heb de uitzending gezien. Drie minuten later hing ik met [eiseres] aan de telefoon. De wijzigingen in de agenda zijn volgens mij een dag daarna ingevoerd. Die dag was er de gebruikelijke bestuursvergadering.

Het was mij totaal niet bekend waar de uitzending van de NOS over zou gaan. Er werd gezegd dat de uitzending over het COA in het algemeen zou gaan en ik wist niet dat het specifiek over [eiseres] zou gaan.

[M.] heeft mij gevraagd om mee te werken aan het onderzoek van Hoffmann. Ik weet niet meer wanneer dit was. Dit was een week of vier voor het onderzoek, denk ik. Ik heb geen overleg met anderen (waaronder [A.]) hierover gehad. U vraagt mij of [A.] en ik hebben afgesproken wat we zouden verklaren of niet. Iets is gegaan zoals het gegaan is, daar valt niets over af te spreken. In het algemeen vind ik het logisch dat ik overleg voer met de directiesecretaresse. We zijn een twee-eenheid gelet op onze functies. Daarbij hebben we allebei een vertrouwenspositie. Het zat en zit [A.] hoog dat zij voor altijd is gebrandmerkt als de secretaresse van [eiseres] en mij dat ik de klokkenluider van het COA word genoemd binnen de directiechauffeurs. Voorlopig hoef ik niet ergens anders aan te kloppen als ik een baan zoek. [A.] en ik hebben goed contact met elkaar, ook nu nog. We praten veel over wat deze kwestie met ons doet. Ik herhaal: wat ik heb verklaard bij Hoffmann is mijn waarheid en daar blijf ik achter staan. Dat hoef ik met niemand kort te sluiten. Ik herhaal: ik weet niet beter dan dat de agenda is aangepast de dag na de uitzending van de NOS. (…)”

[B.] heeft op 5 september 2014 (voortzetting van het verhoor) verklaard:

Ik heb naar aanleiding van het verhoor van afgelopen maandag geen opmerkingen. Ik blijf bij de verklaring. Het gaat redelijk met me, al heeft wat er zondagnacht is gebeurd een grote impact op mij.

Op vragen van mr. Van Strien: (…)

U citeert uit het Hoffmann rapport, het verslag van het eerste interview: “Bij de onderzoekscommissie is niet gesproken over werkbezoeken in het weekend, ik heb dat later met [M.] besproken”. Ik refereer hier aan mijn eigen interview met onder meer mevrouw [N.] van de commissie [X.]. In dat interview is mij niet gevraagd naar werkbezoeken, dus daar heb ik ook niet over gesproken. Het gesprek met [M.] was pas enige tijd later (waarover zo meer).

Afgelopen maandag heb ik inderdaad verklaard dat [M.] op enig moment briesend uit zijn gesprek met de onderzoekscommissie kwam lopen en mij vertelde waarvan [eiseres] mij beschuldigde. Hierop heb ik maandag verklaard dat ik “alles” heb verteld. Met dat “alles” bedoel ik alleen het manipuleren van de agenda. Ik heb [M.] verteld: “Als zij dat mij in de schoenen schuift, heb ik ook nog wat. Zij heeft bekeuringen die zij privé heeft gekregen proberen weg te boeken door er zakelijke ritten van te maken”. [M.] zei toen, we stonden al op het punt van weg gaan: “Wil je dit bij de onderzoekscommissie verklaren?”. Ik zei ja en [M.] zei: “Dan gaan we terug”. Dit was de eerste keer dat ik de heer [X.] zelf heb ontmoet, want bij het gesprek dat ik met de Commissie had was niet hij maar mevrouw [N.] aanwezig. [M.] en ik hebben toen nog ongeveer tien minuten met de aanwezige mensen van de Commissie gesproken. Ik was met [M.] mee als chauffeur. Ik weet niet of hij op die dag een interview had met de Commissie. Ik weet niet hoelang we ter plaatse zijn geweest. Ik heb hem volgens mij halverwege de middag afgezet, ik ben daar gebleven, dus heel lang kan het niet geweest zijn. Ja, ik heb inderdaad aan de commissie verteld dat ik had gehoord dat [eiseres] mij had beschuldigd van de aanschaf van de auto. Ik heb gezegd dat dat de aanleiding was om over de agenda te vertellen. De commissie reageerde niet op dit verhaal over de Audi. Er is in dat gesprek niet over de werkbezoeken gesproken, het ging sec over bekeuringen en dat [eiseres] aan [A.] en mij had gevraagd om die weg te schrijven. Ik heb verteld dat [A.] in opdracht van [eiseres] de agenda heeft veranderd. Ik wist op dat moment niet anders dan dat [A.] de agenda had aangepast op de data waarop er privé bekeuringen waren. Pas veel later heb ik begrepen dat er ook agenda aanpassingen op andere data zijn geweest, dit om het allemaal niet te veel te laten opvallen, maar dat wist ik toen niet. (…)

Het gesprekje heeft misschien tien minuten geduurd. Zoals gezegd stonden de mensen al op het punt van vertrek. Er was ook niet veel te vertellen. Het enige dat ik heb gemeld dat er manipulatie van de agenda was geweest in verband met de bekeuringen. De Commissie heeft mij niet gezegd dat ze mij hierover nog een keer wilde spreken. Naar aanleiding van deze mededeling aan de Commissie is bureau Hoffmann ingeschakeld. Dat weet ik, omdat [M.] tegen mij heeft gezegd dat hij het ging uitzoeken. Het duurde ongeveer drie tot vier weken tot ik door Hoffmann werd gehoord. (…)

U geeft aan dat ik in mijn verhoor van afgelopen maandag heb verklaard dat het enige dat ik kan bedenken dat ik de datum van 13 september bij Hoffmann heb genoemd als datum van het aanpassen van de agenda, is dat er sprake van was dat de NOS-uitzending een week eerder zou zijn. Vervolgens zou ik maandag hebben verklaard. Met spoed zijn [eiseres] en ik toen teruggekomen uit Drachten, omdat er ’s avonds een uitzending zou zijn. U houdt mij voor dat uit de agenda die bij het Hoffmann rapport is gevoegd blijkt dat het bezoek aan Drachten plaatsvond 14 september 2011 en u vraagt mij om een reactie daarop. Ja, dat weet ik eigenlijk niet, het scheelt eigenlijk maar een dag. Wat maakt een dag uit? Het kan ook een dag later zijn geweest. Er was al veel vaker sprake van dat de uitzending zou plaatsvinden. Er sudderde al iets vanaf april/mei. Ik heb geen verband willen leggen tussen Drachten en het aanpassen van de agenda.

[eiseres] vroeg [A.], de dag na de uitzending van de NOS, vanuit de deuropening van de kamer van [A.], om haar agenda aan te passen. Albayraks letterlijke woorden waren: “[A.], wil jij van de bekeuringen zakelijke ritten maken?”. U vraagt mij of dit op dezelfde dag was als waarop [eiseres] mij vroeg of ik wist of haar privé bekeuringen bij het COA stonden geregistreerd. Ik meen van wel, maar 100% zeker weet ik het niet. Het was ’s ochtends vroeg toen ik [eiseres] ophaalde toen ze mij dat vroeg over de registratie. Het gesprek in de auto ging min of meer als volgt. [eiseres]: “[B.], weet jij of mijn bekeuringen geregistreerd staan bij het COA”. Ik: “Dat weet ik niet, ik vermoed van niet want je hebt ze privé betaald”. [eiseres]: “Ik zal wel even laten nagaan of het zo is”. Ik: “Waarom zou je dat doen, want je hebt ze toch betaald?”. Ik herinner mij dat ik [eiseres] heb gevraagd waarom zij de agenda zou aanpassen, omdat ze de bekeuringen toch zelf betaald, maar ik weet niet meer wanneer ik dat heb gezegd. Of dat in de auto al ter sprake is geweest of pas later op de kamer met [A.]. [eiseres] heeft wel gezegd dat ze deze aanpassing van de agenda wilde “voor de beeldvorming”. (…)

Ik heb [A.] geholpen bij het achteraf inplannen van de werkbezoeken, omdat zij zo verschrikt keek bij de opdracht van [eiseres] en ik beter topografisch onderlegd ben. Ik herinner mij dat we een rit op de A4 vanuit Rotterdam naar Alkmaar geconstrueerd hebben, omdat dat paste bij een boete op de A4. [A.] had een A4’tje voor zich toen wij de agenda gingen aanpassen waarop de bekeuringen stonden. Ik weet niet of het een A4-tje was, het was een lijstje, ik weet niet of het meer A4’tjes waren en wat er op stond. Meer details van wat er op dit A4’tje stond heb ik niet. Op dat moment was [eiseres] er niet bij. Er zaten allemaal mensen in haar kamer. Zij ging snel weer naar binnen. Ik was niet bekend met de specifieke bekeuringen, ik wist alleen dat er een paar waren. Ik weet niet of er ook bekeuringen waren waarvoor er geen werkbezoeken zijn ingepland.

Ik weet niet meer precies hoelang na het verzoek van [eiseres] wij de agenda zijn gaan aanpassen. Het kan een halfuurtje, maar ook een uurtje zijn geweest.

U houdt mij voor de verklaring van [A.] van afgelopen maandag waarin zij heeft gezegd dat [eiseres] met mij zou hebben kortgesloten dat [A.] wat afspraken in de agenda zou zetten. Hiervan is mij niets bekend. Kennelijk heeft [A.] verklaard dat ik haar heb verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Dat is niet juist, [eiseres] heeft die opdracht gegeven. (…)

U, mr. Willemsen, vraagt mij of het kan zijn dat ik al met [A.] had besproken wat ik in de auto van [eiseres] had gehoord voordat het gesprek bij haar op de kamer met [eiseres] in de deuropening plaatsvond. Ja, dat kan zo zijn. Dat ging over de registratie van haar privé bekeuringen.”

2.34.

Uit de verklaringen van [A.] en [B.] leidt de kantonrechter af dat [eiseres] in de periode rond het NOS-journaal van 18 september 2011 met [B.] heeft besproken dat de agenda van [eiseres] moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat [A.] van [eiseres] de instructie heeft gekregen om dat privégebruik via aanpassingen in de agenda te verhullen.

2.35.

[eiseres] heeft zich bij conclusie(s) na enquête op het standpunt gesteld met de verklaringen van [B.] en [A.] het aan het COA opgedragen bewijs niet is geleverd. De kantonrechter overweegt in dit verband als volgt. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die mogelijk in negatieve zin van invloed zijn geweest op de geloofwaardigheid van deze getuigen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat [A.] en [B.] persoonlijk, financieel danwel anderszins een belang of motief hebben of hadden om in strijd met de waarheid een voor [eiseres] belastende verklaring af te leggen. Integendeel, de getuigen hebben verklaard - hetgeen ook niet door [eiseres] is ontkracht - dat zij een goede relatie met [eiseres] hadden, zodat niet valt in te zien waarom zij zouden verzinnen dat [eiseres] aan hen een dergelijke opdracht zou geven, terwijl zij wisten dat, indien dit bekend zou worden, dit vergaande gevolgen zou kunnen hebben voor [eiseres] én voor henzelf.

2.36.

Wel is gebleken dat [A.] en [B.] voorafgaand aan de getuigenverhoren in deze procedure een gezamenlijk overleg hebben gehad op het kantoor van de advocaat van het COA en dat naar aanleiding van die voorbereiding [A.] haar eerder tegenover Hoffmann afgelegde verklaring op één punt heeft aangepast: bij Hoffmann verklaarde zij dat zij alleen op de kamer was toen [eiseres] haar vroeg om de agenda aan te passen, en ten overstaan van de rechtbank heeft zij verklaard dat [B.] daarbij was. Het feit dat [A.] tegenover Hoffmann niet heeft verklaard dat [B.] op haar kamer aanwezig was toen [eiseres] haar de opdracht gaf, en zij onder ede haar verklaring in de onderhavige procedure op dit punt heeft gewijzigd, maakt de verklaring van [A.] op zichzelf niet onbetrouwbaar.

De strekking van de verklaring van [A.], namelijk dat [eiseres] haar opdracht heeft gegeven aanpassingen in de agenda te doen, is er immers niet door gewijzigd. De kantonrechter houdt het ervoor dat [A.] zich op dit punt bij Hoffmann heeft vergist. Hierbij verdient opmerking dat voor het antwoord op de vraag of het door het COA verlangde bewijs is geleverd, niet essentieel is dat komt vast te staan dat [B.] bij de door [eiseres] aan [A.] gegeven instructie aanwezig is geweest. [A.] en [B.] hebben immers beiden verklaard rechtstreeks van [eiseres] te hebben gehoord dat zij de agenda wenste te wijzigen om privé door haar opgelopen bekeuringen te verhullen.

2.37.

[eiseres] heeft verder erop gewezen dat [A.] en [B.] hebben verklaard dat zij niet weten welke opdracht zij precies van haar hebben gekregen met betrekking tot het aanpassen van de agenda en of zij al dan niet de beschikking hadden over de relevante gegevens. Dat [A.] en [B.] zich dat niet kunnen herinneren is niet verbazingwekkend - en maakt hun verklaringen niet minder betrouwbaar - nu de opdracht tot het aanpassen van de agenda is gegeven in een hectische periode en er ten tijde van de getuigenverhoren reeds twee jaren waren verstreken. Feit blijft dat beiden hebben bevestigd wat zij ook tegenover Hoffmann hebben verklaard, te weten dat [eiseres] opdracht heeft gegeven om de agenda aan te passen teneinde verkeersboetes die in privétijd zijn opgelopen te verhullen. Dat de getuigenverklaringen op enkele - ondergeschikte - onderdelen inconsistent en niet gelijk zijn, doet aan het voorgaande niet af. De verklaringen van [A.] en [B.] vinden immers evenzeer steun in de resultaten van het digitale onderzoek dat Hoffmann heeft uitgevoerd, alsook in de data en tijdstippen van bekeuringen die zijn uitgeschreven op het kenteken van de dienstauto. Daar komt bij dat de verklaringen van [A.] en [B.] in de kern – daar waar het de manipulaties van de agenda betreft – consistent en eensluidend zijn. Het vorenstaande maakt dat de overige stellingen van [eiseres] dienaangaande naar het oordeel van de kantonrechter geen verdere bespreking behoeven.

Conclusies

2.38.

Op basis van de hiervoor aangehaalde processen-verbaal, in onderling

verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde

gestelde documenten, acht de kantonrechter bewezen dat [eiseres] - in strijd met

de waarheid - diverse malen ten overstaan van leden van de Raad van Toezicht,

(medewerkers van het departement van) de Minister en leden van de

Onderzoekscommissie COA heeft verklaard dat zij de dienstauto niet privé

gebruikte. Voorts acht de kantonrechter ook bewezen dat [eiseres] heeft verhuld

dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij

ondergeschikten (haar chauffeur en haar secretaresse) heeft betrokken.

2.39.

De kantonrechter acht dit - in aanmerking nemend de aard van de

functie die [eiseres] bij het COA bekleedde - dermate verwijtbaar, dat deze

omstandigheden zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien, het door

het COA aan [eiseres] gegeven ontslag rechtvaardigen. Aan [eiseres]

als bestuurder van een publiek orgaan mogen immers, zoals reeds in het

tussenvonnis van 5 juni 2013 is overwogen, zeer strenge eisen worden gesteld ten

aanzien van (onder meer) integriteit. Voornoemde handelwijze past een integer

handelend bestuurder niet. Naar het oordeel van de kantonrechter behoeven de

overige ontslaggronden alsook de daarmee verband houdende overige

bewijsopdrachten van het COA en [eiseres] aldus geen nadere bespreking meer.

Ook als zou komen vast te staan dat een van deze overige redenen vals zou zijn dan

wel op zich zelf of in onderling verband met andere omstandigheden het ontslag

niet zouden kunnen dragen, dan doet dat immers geen afbreuk aan het oordeel dat

het COA gegronde redenen had zoals hiervoor vermeld om de

arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen.

Kennelijk onredelijk ontslag

2.40.

Nu het ontslag niet kennelijk onredelijk is op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a BW, kan op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever voorts onder andere kennelijk onredelijk worden geacht, op basis van het zogeheten gevolgencriterium. Dit houdt in, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

2.41.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen. De gegrondheid van de aangevoerde ontslagreden moet worden beoordeeld naar de stand van zaken op het moment van de opzegging. Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht (Hoge Raad 8 april 2011, LJN BP4804). De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag. Voor toekenning van een vergoeding moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging zo ernstig zijn dat het in strijd is met het goed werkgeverschap om daar geen passende compensatie voor te geven. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Van dit laatste is niet gebleken, integendeel. Het ontslag is op volstrekt toereikende gronden verleend nu [eiseres] ernstig nalatig heeft gehandeld. Zij heeft het vertrouwen dat het COA in haar had gesteld onherstelbaar beschaamd. Het COA is een publiekrechtelijke organisatie waarvoor de Minister zich tegenover het parlement dient te verantwoorden. Die verantwoordingsplicht strekt zich ook uit ten aanzien van de handelwijze van de algemeen directeur. De onmiskenbaar nadelige gevolgen van het ontslag dienen in dit geval dan ook voor rekening van [eiseres] te blijven nu de belangen van het COA bij de opzegging zwaarder wegen. Zowel de primaire vordering tot herstel van de dienstbetrekking en het treffen van een voorziening met betrekking tot de rechtsgevolgen van de onderbreking bestaande uit de inkomensschade vanaf 1 augustus 2012 als de subsidiaire vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ter hoogte van een bedrag van € 4.731.539 bruto, zullen worden afgewezen.

Contractuele vergoeding

2.42.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [eiseres] aanspraak maakt op de in artikel 12 van haar arbeidsovereenkomst opgenomen ontslagvergoeding:

“Artikel 12:

Indien de arbeidsovereenkomst eindigt, terwijl dit niet haar uitsluitende of voornaamste reden vindt in ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer, heeft de werknemer jegens het COA recht op een gefixeerde vergoeding (schadeloosstelling). De gefixeerde vergoeding is een bedrag gelijk aan 1,5 maal het jaarinkomen (18 maanden bruto maandsalaris) van de werknemer.(…)”

2.43.

De kantonrechter is van oordeel dat op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, [eiseres] in haar handelen dusdanig ernstig is tekortgeschoten dat sprake is van “ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer”. Er bestaat derhalve geen grond voor toekenning van een contractuele beëindigingvergoeding van € 352.253,41. De reden voor het ontslag ligt volledig in de risicosfeer van [eiseres].

Immateriële schade

2.44.

[eiseres] stelt in haar eer of goede naam te zijn geschaad en stelt het COA hiervoor aansprakelijk. Zij vordert een immateriële schadevergoeding van € 50.000,--. De kantonrechter overweegt met betrekking tot deze vordering als volgt. Het COA heeft in september 2011 in nauw overleg met [eiseres] vragen van de NOS beantwoord aangaande onder andere het salaris van [eiseres] en haar gebruik van de dienstauto. Het COA heeft vervolgens naar aanleiding van de negatieve berichten over het COA en over [eiseres] als bestuursvoorzitter van het COA in de nieuwsuitzending van de NOS van 18 september 2011, uitvoerig onderzoek laten instellen. [eiseres] is “hangende het onderzoek naar salarisbetalingen en vergoedingen binnen het COA” op non-actief gesteld. Het feit dat aan deze non-actiefstelling uitgebreid aandacht is besteed in de media is inherent aan de positie die [eiseres] bij het COA vervulde. Niet valt in te zien op welke wijze het COA de wijze van (negatieve) berichtgeving in de media gezien de handelwijze van [eiseres] in haar functie van topfunctionaris bij een publiekrechtelijk orgaan, valt aan te rekenen. Ook anderszins is de kantonrechter van oordeel dat voor zover de eer en goede naam van [eiseres] zouden zijn aangetast, [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat zulks aan het COA kan worden toegerekend.

De kantonrechter zal de gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

Proceskosten

2.45.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij op na te noemen wijze worden veroordeeld in de proceskosten inclusief de taxen voor de getuigen en het aan de gemachtigde van het COA toekomende salaris.

3 Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van [eiseres] af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van het COA vastgesteld op € 11.129,17 waarvan € 7.500,-- als het aan de gemachtigde van het COA toekomende salaris en € 3.100,-- aan taxen;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2014.