Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_11540
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:2326, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting-afdrachtvermindering onderwijs

X begeleidt in het kader van een re-integratietraject (langdurig) werklozen met een uitkering tot de arbeidsmarkt. X nam hen in dienst en begeleidde hen teneinde hen (uiteindelijk) te scholen tot startkwalificatieniveau. Na de opleiding bij eiseres gingen zij werken bij een organisatie [G] die onder andere thuiszorg, logeerhuizen en zorghotels exploiteert.

X heeft op haar loonaangiften over de onderhavige jaren afdrachtvermindering onderwijs toegepast voor haar werknemers. Omdat dat de opleiding van X geen (onderdeel van een) erkende opleiding was, heeft X volgens rechtbank Den Haag geen recht op toepassing van de door haar geclaimde afdrachtvermindering onderwijs.

De vergrijpboete is terecht opgelegd. X was op de hoogte was van de (formele) eisen voor toepassing van de afdrachtvermindering, wist dat zij niet aan de (formele) vereisten voldeed maar heeft de vermindering toch toegepast. Er is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 14
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 15
Wet algemene bepalingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1682
V-N 2013/43.2.2
FutD 2013-1973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/11540 en SGR 12/11542

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2013 in de zaken tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, [te P], verweerder.

Procesverloop

2009

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag ([aanslagnummer 1]) loonbelasting ad. € 91.002 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 8.825 opgelegd. Tevens is

€ 4.749 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2010

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag ([aanslagnummer 2]) loonbelasting ad. € 122.762 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 12.276 opgelegd. Tevens is

€ 3.338 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Beide jaren

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 november 2012 de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 17 december 2012, ontvangen bij de rechtbank op

19 december 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres zijn verschenen [B],[C], [D] en [A]. Namens verweerder zijn verschenen [E] en

[F].

Eiseres en verweerder hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1.

De gemeente Rotterdam plaatste in de onderhavige jaren in het kader van een

re-integratietraject (langdurig) werklozen met een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand bij eiseres. Eiseres nam hen in dienst en begeleidde hen teneinde hen (uiteindelijk) te scholen tot startkwalificatieniveau. De bewuste personen volgden na hun indiensttreding bij eiseres een opleiding (en kregen daar onder andere een niveautest). Omdat zij niet geschikt waren om rechtstreeks bij zorginstellingen te worden geplaatst, kregen zij bij eiseres een vooropleiding om het vereiste instroomniveau te bereiken voor onder andere de opleiding tot Zorghulp bij [G], een organisatie die onder andere thuiszorg, logeerhuizen en zorghotels exploiteert. Zij volgden daarna een vervolgopleiding bij [G] of een andere zorginstelling. [G] verzorgt tevens de opleidingen tot Verzorgende, Helpende en Zorghulp. De opleiding die door eiseres wordt verzorgd maakt deel uit van een project om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een gerede kans te laten maken op een baan in de zorg. Na 2010 is het traject bij eiseres geïntegreerd in de opleiding tot Zorghulp van [G].

2.

Eiseres heeft op haar loonaangiften over de onderhavige jaren afdrachtvermindering onderwijs toegepast voor haar werknemers. Voor het jaar 2009 bedraagt de door haar toegepaste afdrachtvermindering € 88.259. Voor het jaar 2010 bedraagt deze € 122.762.

3.

Verweerder heeft bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres geen recht had op toepassing van afdrachtvermindering onderwijs. Verweerder heeft vervolgens de onderhavige naheffingsaanslagen en boetes aan eiseres opgelegd.

Geschil

4. In geschil is of eiseres in de onderhavige jaren recht had op de door haar toegepaste afdrachtvermindering onderwijs. Voorts zijn de vergrijpboetes in geschil.

5.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) vermelde afdrachtvermindering onderwijs mocht toepassen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij zodanig in de geest van de wet heeft gehandeld, dat zij aanspraak kon maken op de vermindering. Dat zij ten tijde van het controlebezoek van verweerder niet over een verklaring van ‘de onderwijsinstelling’ beschikte doet daar niet aan af. Dit mede gezien het grote succes van het project, de doelgroep van het project en de afstand die de deelnemers aan het project hadden tot de arbeidsmarkt, en de partijen die bij het opstarten en uitvoeren van het project betrokken waren. Voorts sloot de door eiseres geboden opleiding volgens haar zo nauw aan bij de bedoeling van de wetgever met de afdrachtvermindering onderwijs dat eiseres daar materieel aanspraak op kon maken. De door eiseres verzorgde opleiding moet worden bezien als een geïntegreerd onderdeel van het totale door [G] aangeboden opleidingspakket. Ten slotte stelt eiseres dat de brieven van [G] van

9 februari en 11 oktober 2012 verklaringen als bedoeld in artikel 12aa, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (URAV) betreffen.

6.

Eiseres concludeert met betrekking tot het jaar 2009 tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van € 88.259, evenredige vermindering van de beschikking heffingsrente en vernietiging van de vergrijpboete.

7.

Eiseres concludeert met betrekking tot het jaar 2010 tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de vergrijpboete.

8.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht had op toepassing van afdrachtvermindering onderwijs, omdat zij niet aan alle formele vereisten daarvoor voldeed.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

De relevante wetgeving

10.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de WVA is de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing met betrekking tot de werknemer die een bij ministeriële regeling vast te stellen vorm van scholing volgt die gericht is op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen.

In de parlementaire geschiedenis is onder meer het volgende opgemerkt:

2.4.2 Verruiming afdrachtvermindering onderwijs t.b.v. mensen zonder

startkwalificatie

Het kabinet heeft in het plan van aanpak arbeidsmarktbeleid etnische

minderheden 2000–2003 (kamerstukken II 1999/2000, 27 223, nr. 1) aangegeven

dat personen met een lager opleidingsniveau dan startkwalificatieniveau

bijzondere aandacht verdienen om hun achterstand op de arbeidsmarkt

te bestrijden. Daarom is in het Belastingplan 2001 (kamerstukken II

2000/2001, 27 431, nr. 1) de scholingsaftrek en de afdrachtvermindering

scholing voor deze groep verhoogd. Binnen deze doelgroep hebben voormalige

werklozen van 23 jaar en ouder die deel gaan nemen aan reguliere

arbeid (voormalige doelgroep sluitende aanpak), extra aandacht nodig.

Voorgesteld wordt werkgevers voor deze werknemers een extra tegemoetkoming

te bieden in de afdrachtvermindering onderwijs naast de met

ingang van 2001 ingevoerde verhoogde scholingsaftrek en afdrachtvermindering

scholing. Zowel werkgevers uit de profitsector als werkgevers

uit de non-profitsector kunnen de afdrachtvermindering onderwijs

toepassen. Deze faciliteit biedt een tegemoetkoming in de kosten die de

werkgever maakt naast de scholingskosten om deze werknemers op te

leiden tot startkwalificatieniveau. (…)

Artikel III, onderdeel E (artikel 14 van de WVA)

(…)

Gebleken is dat de werkgever naast de scholingskosten ook nog additionele kosten maakt omdat deze specifieke groep werknemers geen deel heeft genomen aan het arbeidsproces en gedeeltelijk afwezig is wegens het volgen van scholing. Daardoor heeft deze groep extra begeleiding nodig en zal de arbeidsproductiviteit tijdelijk niet optimaal zijn. Tot op heden bestaat voor deze extra kosten voor onder meer additionele begeleiding en aangepaste productie- en personeelsplanning niet uit hoofde van andere (fiscale) regelingen een tegemoetkoming voor de werkgever. De uitbreiding van de afdrachtvermindering onderwijs komt aan deze mogelijke financiële belemmering tegemoet onder de voorwaarde dat de werknemer een in het nog aan te passen artikel 12b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering bedoelde en op grond van het– door het ministerie van OCW ingestelde – zogenoemde Crebo-register erkende opleiding volgt.

TK vergaderjaar 2001-2002, MvT, nr. 28.013, nr. 3, blz. 35 en 36

2.4.2 Verruiming afdrachtvermindering onderwijs t.b.v. mensen zonder

Startkwalificatie

(…)

De leden van de fractie van D66 vragen in welke mate er samenloop

mogelijk is tussen de diverse regelingen voor afdrachtvermindering.

Op deze vraag kan worden geantwoord dat de afdrachtvermindering

onderwijs t.b.v. mensen zonder startkwalificatie tegelijk met alle andere

afdrachtverminderingen kan worden toegepast, mits aan de voorwaarden

van iedere afdrachtvermindering wordt voldaan.

(…)

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen met betrekking tot de

afdrachtvermindering onderwijs ten behoeve van mensen zonder startkwalificatie,

hoe zekerheid kan worden verkregen dat de werkgever ook

daadwerkelijk inspanningen levert om de startkwalificatie van betrokkene

te verbeteren. (…)

De onderwijsinstelling die de opleiding verzorgt geeft aan de werkgever

een verklaring af waaruit blijkt dat de in de onderneming werkzame

persoon de opleiding volgt of heeft gevolgd. Het afschrift van die verklaring

bewaart de werkgever in zijn loonadministratie. Deze verplichting

geldt reeds voor de afdrachtvermindering scholing. In de Uitvoeringsregeling

afdrachtvermindering zal worden opgenomen dat deze verplichting

ook geldt voor de afdrachtvermindering onderwijs. De Belastingdienst

controleert of de werkgever de afdrachtvermindering juist heeft

toegepast. De afdrachtvermindering onderwijs kan worden toegepast zolang aan de

voorwaarden van de afdrachtvermindering onderwijs wordt voldaan.

TK vergaderjaar 2001-2002, Nota naar aanleiding van het verslag, nr. 28.013, nr. 6, blz. 55 en 56

11.

Artikel 15 van de WVA luidde voor de onderhavige jaren:

“Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk, alsmede met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen aan door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de werking van dit hoofdstuk aan te wijzen instanties.”

12.

Artikel 12aa van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (URAV) luidde voor de onderhavige jaren:

“1. Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de wet worden als vormen van scholing die zijn gericht op het op startkwalificatieniveau brengen, aangewezen opleidingen die zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling vaststelling eindtermen beroepsonderwijs en vaststelling overzicht bekostigde beroepsopleidingen die van kracht is op het tijdstip waarop de bij de inhoudingsplichtige werkzame persoon de opleiding begint te volgen.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing indien door de onderwijsinstelling die de opleiding verzorgt binnen een maand na het einde van de opleiding aan de inhoudingsplichtige een schriftelijke verklaring is afgegeven die de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie bewaart. De verklaring bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de opleiding, de codekwalificatie en het niveau ervan zoals vermeld in de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de desbetreffende onderwijsinstelling verstrekte licentie;
b. het nummer van de in onderdeel a bedoelde licentie;
c. de periode waarin de in de onderneming werkzame persoon de opleiding heeft gevolgd.”

De afdrachtvermindering onderwijs van toepassing?

13.

De tekst van artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de WVA laat geen andere lezing toe dan dat de vrijstelling enkel kan worden toegepast bij een werknemer die een opleiding als bedoeld in artikel 12aa, eerste lid, van de URAV volgt (hierna: erkende opleiding). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voorts uit de parlementaire geschiedenis dat, hoewel de bedoeling van de onderhavige afdrachtvermindering is personen met een lager opleidingsniveau dan startkwalificatieniveau bijzondere aandacht te (kunnen) geven om hun achterstand op de arbeidsmarkt te bestrijden, de vermindering slechts kan worden toegepast indien de desbetreffende werknemer een op grond van het– door het ministerie van OCW ingestelde – zogenoemde Crebo-register erkende opleiding volgt. Nu vaststaat dat de opleiding die eiseres in de onderhavige jaren verzorgde geen (onderdeel van een) erkende opleiding was, heeft eiseres geen recht op toepassing van de door haar geclaimde afdrachtvermindering onderwijs. Dat [G] in haar brief van 9 februari 2012 heeft verklaard dat de opleiding van eiseres een onmisbaar onderdeel uitmaakt van haar erkende opleidingen en een geïntegreerd deel uitmaakt van haar totale opleidingspakket doet daar niet aan af. Dat er inmiddels wel sprake zou zijn van een door eiseres verzorgde erkende opleiding doet daar evenmin aan af.

14.

Het is de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de (eisen in) de wet te beoordelen. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen treft geen doel omdat toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën en daarop voor de rechter niet met vrucht een beroep kan worden gedaan.

De vergrijpboetes

15.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vergrijpboetes terecht aan eiseres opgelegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres in haar conclusie van repliek heeft verklaard dat zij op de hoogte was van de (formele) eisen voor toepassing van de afdrachtvermindering en een afweging heeft gemaakt alvorens de afdrachtvermindering toe te passen. De rechtbank acht dit aannemelijk, mede gelet op hetgeen daarover is vermeld in de conclusie van repliek. Dit betekent dat eiseres wist dat zij niet aan de (formele) vereisten voldeed, maar toch de afdrachtvermindering heeft toegepast. Gelet hierop heeft eiseres dermate lichtvaardig gehandeld dat het ten minste aan de grove schuld van eiseres is te wijten dat belasting welke op aangifte moest worden afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres aangedragen argumenten, dat zij met de gemeente Rotterdam en de zorginstelling tot de conclusie zou zijn gekomen dat het traject voldeed aan de voorschriften, dat zij materieel aan de voorwaarden zou voldoen en dat zij in de geest der wet heeft gehandeld onvoldoende om tot een andersluidende conclusie over de verwijtbaarheid van eiseres te komen. Dit maakt haar standpunt evenmin pleitbaar. Dat verweerder eiseres tijdens de bezwaarfase heeft gewezen op de mogelijkheid om in beroep te gaan en heeft gezegd dat een rechter het standpunt van eiseres, dat de vermindering van toepassing is, omdat eiseres in de geest der wet zou hebben gehandeld zou kunnen volgen, maakt het standpunt van eiseres evenmin pleitbaar. De rechtbank acht de opgelegde boetes van 10% van de nageheven belasting passend en geboden.

16.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Zonneveld, voorzitter, mr. E. Kouwenhoven en

mr. J.A. Booij leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. . de naam en het adres van de indiener;

  2. . een dagtekening;

  3. . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. . de gronden van het hoger beroep.