Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8035

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_9817
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Weigering WW wegens verwijtbare werkloosheid. Objectiviteit van de dringende reden is door het Uwv niet toereikend onderbouwd. Niet voldaan aan onderzoeksplicht van artikel 3:2 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2013-06-05
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2013-06-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/9817

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.H.J. Krouwel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M.L. Turnhout).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiser per 13 juni 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 21 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2013. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser is op 13 april 2011 in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker bij [A BV] te [plaats B] (hierna: werkgever). De arbeids-overeenkomst is op 13 oktober 2011 verlengd voor de duur van een jaar en uitgebreid naar 40 uur. Op 12 juni 2012 heeft zich een handgemeen voorgedaan tussen eiser enerzijds en de directeur van de werkgever, [C], en de leidinggevende van eiser, [D], anderzijds. De directeur van de werkgever heeft eiser die dag op staande voet ontslagen. Bij brief van 13 juni 2012 heeft de werkgever het gegeven mondeling ontslag schriftelijk bevestigd. De directeur van de werkgever heeft op 12 juni 2012 en eiser heeft op 18 juni 2012 aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling bij de politie, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2. Eiser heeft in een kort geding procedure bij de kantonrechter schadevergoeding van werkgever gevorderd, op grond van ontslag, terwijl daarvoor de dringende reden ontbrak. De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 oktober 2012 in r.o. 5.6. overwogen dat, zonder nader onderzoek, waarvoor de procedure zich niet leent, niet met een voldoende mate van aannemelijkheid vast te stellen is wie er op welk punt het gelijk aan zijn zijde heeft.

2.

Op 25 juni 2012 heeft eiser zich tot het Uwv gewend met een aanvraag voor een WW-uitkering per 13 juni 2012. Bij het primaire besluit heeft verweerder die aanvraag afgewezen op de grond dat eiser wegens een dringende reden is ontslagen zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.

3.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het aannemelijk is dat eiser laakbare handelingen heeft gepleegd dan wel woorden heeft uitgesproken die niet te tolereren zijn voor een werkgever en die een dringende reden voor ontslag opleveren. In zijn verweerschrift heeft verweerder daaraan het navolgende toegevoegd:

“Ondergetekende is van oordeel dat aan de verklaring van de werkgever meer geloofwaardigheidsgehalte toegedicht kan worden dan aan de verklaring van [eiser]. Hiertoe overweegt ondergetekende het volgende. Naast de argumenten die al in de beslissing op bezwaar genoemd zijn wordt het volgende overwogen ten eerste doet [C] op dezelfde datum aangifte als dat het incident plaatsvond. Hieruit kan afgeleid worden dat het de werkgever zeer hoog zat. [eiser] doet eerst op 18 juni 2012 aangifte. Ten tweede wordt de toedracht van het incident volgens [C] ingeleid door een verschil van mening over een financiële kwestie. [eiser] rept hier niet over in zijn aangifte. Ondergetekende wijst echter op gedingstuk 8 waarmee [eiser] bij de aanvraag om een werkloosheidsuitkering ook zijn ongenoegen ten opzichte van de werkgever hierover uit. Het is dan ook aannemelijk dat [C] naar waarheid verklaard dat hij met [eiser] dit financiële punt wilde bespreken waarna het vervolg van de gebeurtenissen gegaan is zoals hij heeft verklaard.”

4.

In beroep voert eiser aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen nu verweerder zich niet voldoende heeft ingespannen om de relevante feiten en omstandigheden te verzamelen. Eiser is in dat verband van mening dat verweerder te gemakkelijk is afgegaan op de verklaring van de werkgever.

5.

De rechtbank stelt voorop dat sedert 1 oktober 2006 ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het BW (hierna: dringende reden) ten grondslag ligt en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

5.1

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 18 februari 2009, LJN: BH2388 overwogen dat, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling dient plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf, welk artikel, zoals eveneens uit die wetsgeschiedenis blijkt, niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW.

Met het oog op de rechtszekerheid ligt het in de rede om aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hiermee is de uitkomst van de hantering van die maatstaf echter nog niet gegeven. Artikel 7:678 van het BW geeft immers geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt, terwijl daarnaast, mede gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW, ook indien zich een omstandigheid voordoet die als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, nog niet vaststaat dat deze voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld.


5.2 Tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op het vorenstaande, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrek-king, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

5.3

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het Uwv bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 is met betrekking tot deze onderzoeksplicht onder meer opgenomen dat het Uwv bij elk einde van een dienstbetrekking zal vaststellen of het initiatief tot die beëindiging van de werkgever of van de werknemer is gekomen en dat, als dat initiatief bij de werkgever ligt, alleen wordt onderzocht of er een arbeidsrechtelijke dringende reden voor de werkgever aanwezig was om de werknemer te ontslaan. De CRvB heeft in zijn onder 5.1 vermelde uitspraak aangegeven deze invulling van de onderzoeksplicht van het Uwv niet strijdig met artikel 3:2 van de Awb en voorts in overeenstemming te achten met de doelstelling van de onderhavige wetswijziging om de ontslagpraktijk te versoepelen en de pro forma procedures terug te dringen.

6.1

Ter beantwoording van de vraag of verweerder in de onderhavige zaak voldoende onderzoek heeft gedaan ter vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden wordt overwogen als volgt. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van eiser en zijn werkgever, zoals die ten overstaan van de politie zijn afgelegd, lijnrecht tegenover elkaar staan. Daarbij is niet duidelijk wat de aanleiding was tot de woordenwisseling in de werk-ruimte en wat daar, maar ook daarna in het trappenhuis en buiten in het fietsenhok en/of de parkeerplaats is gezegd dan wel geroepen en of bedreigingen richting de werkgever zijn geuit. Uit het dossier meent de rechtbank af te kunnen leiden dat eiser bij de woorden-wisseling in de werkruimte reeds op staande voet is ontslagen, maar onduidelijk is gebleven tot welk gedrag van eiser dit heeft geleid.

Ook is onduidelijk gebleven hoe het handgemeen, dat zich buiten voltrok en waarbij eiser, zo blijkt uit een door hem in beroep overgelegde medische verklaring gekneusde ribben/rug en een blauwe plek op de bovenarm heeft opgelopen, is ontstaan en welke betekenis de rol van eiser bij dit handgemeen kan hebben voor zijn ontslag als wordt aangenomen dat eiser reeds in de werkruimte zijn ontslag is aangezegd. De rechtbank verwijst voorts naar de bevindingen van de kantonrechter in kort geding.

6.2

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden boven tafel heeft gekregen om een objectieve dringende reden voor de werkgever om eiser te ontslaan, aanwezig te achten. De in het bestreden besluit door verweerder gebezigde motivering dat aannemelijk is dat eiser berustte in het ontslag omdat hij inzag dat er daadwerkelijk laakbare handelingen zijn verricht c.q. woorden zijn gezegd die niet te tolereren zijn voor een werkgever, wordt niet door de feiten gestaafd. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom verweerder aan de verklaring van de werkgever doorslaggevende betekenis heeft toegekend. Ook hetgeen verweerder in zijn verweerschrift ter aanvulling van de motivering in het bestreden besluit heeft gesteld, mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke onderbouwing. In dat verband wijst de rechtbank erop dat eiser ter zitting onweersproken heeft gesteld dat hij eerder aangifte heeft willen doen bij het bureau van politie te [plaats E], maar dat hij aldaar is verwezen naar het politiebureau te [plaats F], waar hij pas op maandag 18 juni 2012 terecht kon.

Verweerder heeft weliswaar in de bezwaarfase de verklaring van de werkgever ter verificatie aan eiser voorgehouden, maar dat heeft niet geleid tot meer inzicht in het verloop van het incident op 12 juni 2012.

6.3

Verweerder zal daarom een nader onderzoek naar de toedracht van het ontslag dienen in te stellen, waarbij een getuigenverhoor zal moeten plaatsvinden. Daarbij zal verweerder tevens dienen te bezien welke betekenis toekomt aan het gegeven dat zich eerder wrijvingen tussen eiser en de werkgever hebben voorgedaan en het escaleren daarvan op 12 juni 2012. Voorts zal verweerder daarbij dienen te betrekken de persoonlijke omstandigheden van eiser en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

7.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor een finale beslechting van dit geschil acht de rechtbank geen termen aanwezig nu een feitelijke grondslag daarvoor ontbreekt.

8.

Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten vast op € 944,= (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,= aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,= te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam als voorzitter, mr. I.A.M. Kroft en mr. G.F. van der Linden-Burgers als leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.