Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ3014

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
996005-10 + 626833-08 (vord.tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk onjuist doen van aangiften IB en OB. Artikel 69AWR. Verweer dat een ander de elektronische aangiften heeft ingediend wordt gemotiveerd verworpen. Straf: 4 maanden GS + tul 3 mnd GS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 996005-10 + 626833-08 (vord.tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Huisman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. opzettelijk aangiften inkomstenbelasting (hierna: IB) over de jaren 2006 en 2007 onjuist heeft gedaan;

2. opzettelijk een aantal aangiften omzetbelasting (hierna: OB) m.b.t. kwartalen in 2007 en 2008 opzettelijk onjuist heeft gedaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

Zij baseert zich daarbij voor wat betreft feit 1 op de ambtsedige verklaringen betreffende de uitreiking en terugontvangst van de aangiften IB over 2006 en over 2007 en op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] [getuige 2], [getuige 3] en verdachte zelf. De verklaring van verdachte dat [getuige 3] de aangiften ingediend moet hebben, acht zij ongeloofwaardig.

Feit 2 acht de officier van justitie bewezen op basis van het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [naam bedrijf verdachte], de informatie betreffende uitbetaalde bedragen, de ambtsedige verklaringen ter zake uitreiking en terugontvangst van de aangiften OB, de vergelijking tussen de administratie en de aangiften en de verklaringen van medeverdachte [mededader 1] en van verdachte zelf. De bedragen van de aangiften zijn volgens de officier van justitie gestort op rekeningen waartoe verdachte toegang had en waar hij ook gebruik van maakte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de tenlaste gelegde feiten kan komen

Ten aanzien van feit 1 wijst de raadsman erop dat verdachte heeft verklaard dat [getuige 3] de aangifte IB over 2006 en [getuige 3] of [getuige 2] de aangifte over 2007 heeft/hebben gedaan. [getuige 3] is, ondanks een verzoek daartoe van de kant van de verdediging, niet gehoord kunnen worden, terwijl de verdediging de betrouwbaarheid van deze [getuige 3] aanvecht. In het kader van de betrouwbaarheid van [getuige 3] heeft de raadsman verzocht om het dossier van de strafzaak waarin [getuige 3] verdachte is van verduistering en het dossier over de afpersing van [getuige 3] aan het dossier toe te voegen.

De verklaring van [getuige 3] is niet bruikbaar, volgens de raadsman. Nu niet vast staat dat verdachte de aangiften heeft ingediend, moet verdachte van feit 1 worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 2 stelt de raadsman voorop dat de bedragen aan voorbelasting over de eerste drie kwartalen van 2007 niet onredelijk voorkomen en dat niet is bewezen dat opzet heeft bestaan om deze aangiften onjuist te doen. Daarnaast acht de raadsman niet bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende de opdracht heeft gegeven tot het doen van deze aangiften, nu andere personen in aanmerking kunnen komen als degenen die de aangiften hebben gedaan. De bedragen aan voorbelasting zijn ook gestort op de rekeningen van anderen en er zijn onvoldoende aanwijzingen om verdachte aan deze rekeningen te koppelen. Nu niet onomstotelijk blijkt dat verdachte de aangiften OB heeft gedaan, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot feit 1

Op 26 november 2008 respectievelijk 18 december 2008 zijn bij de Belastingdienst in Apeldoorn aangiften IB over het jaar 2006 respectievelijk 2007 ten name van verdachte [verdachte] elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst-internetsite met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde persoonlijke wachtwoord.

De printuitdraai van de aangifte IB 2006 ten name van verdachte van 26 november 2008 vermeldt :

- een bedrag afkomstig van UWV aan loon van € 563.600,= en ingehouden loonheffing van € 385.100,=;

- een bedrag aan aftrekbare giften van € 400.000,=;

- een bedrag aan “saldo inkomsten/kosten uit eigen woning” van -/- € 10.990,=;

- een bedrag aan “belastbare winst uit onderneming” van -/- € 21.010,=.

De printuitdraai van de aangifte IB 2007 ten name van verdachte van 18 december 2008 vermeldt :

- een bedrag aan loon van € 683.500,= en aan loonheffing van € 485.200,=, afkomstig van Weerterhof holding bv;

- een bedrag aan “rente schulden/kosten geldlen. ew” van € 400.000,=;

- een bedrag aan “saldo inkomsten-kosten eigen woning” van € 398.845,=;

- een bedrag aan belastbare winst uit onderneming van -/- € 8939.

Getuige L. [getuige 1] ambtenaar van de Belastingdienst, heeft over voormelde aangiften verklaard dat hij de opgegeven bedragen aan loon en loonheffing, afkomstig van het UWV, op de aangifte IB over 2006 heeft vergeleken met de bij de Belastingdienst bekende gegevens en dat in het systeem deze uitkering niet bekend was.

De aanslagregelend ambtenaar van de Belastingdienst heeft de aangiftegegevens over 2006 en 2007 vergeleken met de gegevens zoals bekend bij de Belastingdienst. Hij heeft vastgesteld met betrekking tot de aangifte IB 2006 dat:

- verdachte geen “eigen huis” bezit;

- de looninkomsten van verdachte over het jaar 2006 € 7.379,= bedragen;

- de loonheffing op voornoemde looninkomsten is € 1.901,=.

Met betrekking tot de aangifte IB 2007 heeft hij vastgesteld dat:

- verdachte geen “eigen huis” bezit;

- werkgever Weerterhof Holding BV niet voor komt in de door de Belastingdienst te raadplegen systemen.

Verdachte heeft over de aangifte IB over 2006 en over 2007 verklaard dat de bedragen die er in staan niet kloppen. Dit geldt in elk geval voor de bedragen van het UWV en aan giften. Voor wat betreft de aftrekpost voor de eigen woning verklaarde verdachte dat het gaat om het huis aan de [adres], welk huis in eigendom is van zijn ex-vrouw samen met zijn broer. Bij Weerterhof holding heeft hij niet gewerkt. Het bedrag aan “Belastbare winst uit onderneming” in de aangifte IB over 2007 klopt volgens verdachte ook niet omdat de boekhouding over 2007 nog niet klaar was, zodat de winst nog niet bekend was.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat hij zelf de aangiften IB over 2006 en 2007 heeft gedaan en dat [getuige 3] degene moet zijn geweest die deze aangiften heeft gedaan zonder zijn medeweten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft verklaard dat Tonie [getuige 2] vanaf juli/augustus 2007 de administratie weer is gaan verzorgen voor zijn bedrijf, omdat [getuige 3] was verdwenen. Tonie [getuige 2] zou begonnen zijn met de administratie van 2006 en deze af hebben gemaakt.

Tonie [getuige 2] bevestigt dat hij in 2007 de administratie van het bedrijf van verdachte weer heeft opgepakt, onder andere over het jaar 2006. Hij had de administratie over het jaar 2007 nog niet verwerkt. [getuige 3] kent hij niet in verband met het bedrijf van verdachte. Over de aangifte IB over 2006 heeft [getuige 2] verklaard dat hij daar voor het eerst met verdachte over gesproken heeft op 24 november 2008 nadat hij de jaarrekening over 2006 had opgesteld. Dit laatste duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat [getuige 2] in elk geval op 24 november 2008 al enige tijd in het bezit was van de administratie van (het bedrijf van) verdachte. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van [getuige 2] te twijfelen, te meer nu verdachte heeft verklaard dat de verklaring van [getuige 2] volgens hem wel klopt. De rechtbank zet dan ook vraagtekens bij de verklaring van verdachte op zitting dat hij de boekhouding aan [getuige 3] had meegegeven om de aangifte IB te doen.

Opvallend in dit verband is voorts de verklaring van verdachte tegenover FIOD-ECD medewerkers dat hij – vermoedelijk op 14 januari 2009 – nadat hij door de Belastingdienst was gebeld dat zijn aangifte IB over 2006 niet zou kloppen, meteen is gaan bellen met [getuige 3]. Dit lijkt de rechtbank een onlogische reactie en komt de rechtbank ongeloofwaardig voor, nu Tonnie [getuige 2] volgens de eigen verklaring van verdachte (zie hiervoor) al eerder de administratie van verdachte had overgenomen en begonnen zou zijn met de administratie van 2006.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte niet in staat is gebleken, ook niet nadat hem daarnaar is gevraagd, stukken over te leggen waaruit zou kunnen blijken dat [getuige 3] enige betrokkenheid heeft gehad bij het doen van de aangiften IB 2006 en/of 2007. Anders dan uit de verklaring van verdachte, is niet gebleken van contacten tussen verdachte en [getuige 3] over deze aangiften.

Verder stelt de rechtbank vast dat [getuige 3] op 19 mei 2008 aangifte heeft gedaan van onder andere gijzeling en bedreiging en dat een verbalisant bij deze aangifte opmerkt dat [getuige 3] samen met zijn gezin zijn woning heeft verlaten en is ondergedoken op een onbekend adres. Tenslotte heeft [getuige 3] op 15 april 2010 tegenover de FIOD-ECD verklaard dat hij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij verdachte, ook niet zakelijk, en dat hij op het moment dat de aangiften IB over 2006 en 2007 zijn gedaan, te weten op 26 november 2088 respectievelijk 18 december 2008, al ondergedoken zat.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte over [getuige 3] een aantal inconsequenties heeft en niet gesteund wordt door verklaringen van anderen, hetgeen de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig maakt. Voorts heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3] in de onderhavige zaak. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat [getuige 3] de aangiften IB over 2006 en/of 2007 heeft gedaan. Derhalve is de noodzaak om het dossier van [getuige 3] op te vragen en aan het dossier toe te voegen, zoals door de raadsman is gevraagd, niet aanwezig. Dit verzoek wijst de rechtbank dan ook af.

In beginsel is de tenaamgestelde op de aangifte degene die de aangifte doet wanneer deze elektronisch met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde persoonlijke wachtwoord is ingediend. Dit wordt slechts anders wanneer aannemelijk wordt dat een ander zonder medeweten van de tenaamgestelde de aangifte indient. Nu niet aannemelijk is geworden dat een ander dan verdachte de bedoelde aangiften heeft gedaan, acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan. Het opzet daartoe blijkt uit de absurde bedragen die zijn aangegeven in de aangiften en de erkenning van verdachte dat deze bedragen absurd zijn. Daarnaast leidt de rechtbank uit de verklaring van [getuige 2] af dat de administratie over 2007 van het bedrijf van verdachte nog niet verwerkt was, zodat de winstcijfers van de onderneming over 2007 nog niet bekend konden zijn.

Met betrekking tot feit 2

Over de tijdvakken 3e kwartaal 2007 t/m 3e kwartaal 2008 zijn bij de Belastingdienst in Apeldoorn aangiften OB ten name van v.o.f. [naam bedrijf verdachte] elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst-internetsite met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde persoonlijke wachtwoord. Uit een overzicht van de Belastingdienst valt op te maken dat de volgende aangiften OB van v.o.f. [naam bedrijf verdachte] via internet zijn gedaan op de volgende data:

- 4e kwartaal 2007 op 25 december 2007

- 1e kwartaal 2008 op 7 april 2008

- 2e kwartaal 2008 op 1 juli 2008

- 3e kwartaal 2008 op 2 oktober 2008.

Op 3 juni 2009 is administratie van verdachte en van de v.o.f. [naam bedrijf verdachte] in beslag genomen. Aan de hand hiervan is een cijfermatige berekening gemaakt van de door de v.o.f. [naam bedrijf verdachte] af te dragen OB over het jaar 2007. Bij vergelijking van de af te dragen OB over 2007 volgens de administratie met de op aangiften aangegeven OB over 2007, is over het 4e kwartaal 2007 een verschil geconstateerd van € 23.743,=, dat teveel is teruggevraagd. De aangiften OB over de eerste drie kwartalen van 2008 betreffen ook grote verzoeken om teruggaven, te weten respectievelijk € 24.880,=, € 10.741,= en € 17.716,=.

Een uittreksel van de Kamer van Koophandel vermeldt dat de vennootschap onder firma (v.o.f.) [naam bedrijf verdachte] op 20 februari 2006 is opgericht en op 30 juni 2008 is opgeheven met verdachte als vennoot.

Verdachte heeft erkend dat hij in die periode vennoot was van v.o.f. [naam bedrijf verdachte]. Voorts heeft verdachte over de aangiften OB ten name van v.o.f. [naam bedrijf verdachte] verklaard dat hij die in 2007 en in 2008 samen met anderen heeft gedaan en dat de administratieve en fiscale werkzaamheden, waaronder het opmaken en indienen van kwartaalaangiften OB, tijdens periodes van zijn afwezigheid wegens ziekte of vakantie werden uitgevoerd door [getuige 2], Köksal [mededader 1] en [mededader 2] De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte in elk geval in de periodes dat hij wel aanwezig was op zijn bedrijf, de aangiften OB heeft opgemaakt.

Over de bedragen aan OB die teruggevraagd werden op de aangiften van het

4e kwartaal 2007 en de eerste drie kwartalen van 2008 heeft verdachte verklaard dat de bedragen die vermeld zijn absurd zijn en dat die aangiften niet kunnen kloppen.

Op voormelde aangiften OB werden de volgende bedragen overgemaakt :

4e kwartaal 2007 € 24.205,= op 22-01-2008 op rek.nr. 2266225

1e kwartaal 2008 € 24.880,= op 29-04-2008 op rek.nr. 1917123

2e kwartaal 2008 € 10.741,= op 08-07-2008 op rek.nr. 4279513

3e kwartaal 2008 € 17.716,= op 21-10-2008 op rek.nr. 4279513

Köksal [mededader 1], die medevennoot was van de v.o.f. [naam bedrijf verdachte], heeft verklaard dat verdachte en [getuige 2] samen de administratie deden vanaf 2007. [mededader 1] heeft de bankrekening met nummer 2266225 op zijn naam geopend, omdat verdachte geen bankrekening kon openen. Deze rekening is gebruikt voor het bedrijf v.o.f. [naam bedrijf verdachte], zo verklaart [mededader 1]. De bankpas en pincode heeft [mededader 1] gelijk bij de opening van de rekening in 2006 aan verdachte gegeven. [mededader 1] heeft deze rekening volgens eigen zeggen zelf nooit gebruikt.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij niet de aangiften OB heeft gedaan voor v.o.f. [naam bedrijf verdachte]. Over rekeningnummer 4279513, dat op naam staat van v.o.f. Akton Projectengineering, waarvan [getuige 2] een der vennoten is, heeft [getuige 2] verklaard dat verdacht hem ergens in 2008 had gevraagd deze rekening te mogen gebruiken omdat verdachte zelf geen rekening kon openen. [getuige 2] heeft deze rekening toen laten gebruiken ten behoeve van v.o.f. [naam bedrijf verdachte]. Verdachte kon volgens [getuige 2] via internet over deze rekening beschikken omdat hij de gebruikersnaam en wachtwoord voor het gebruik van deze rekening en de zogenaamde TAN-codes voor het uitvoeren van betalingsopdrachten via internet van [getuige 2] had gekregen, waardoor verdachte volgens [getuige 2] feitelijk met deze rekening kon doen wat hij wilde.

[mededader 2], die vanaf 1 november 2007 vennoot is geworden van v.o.f. [naam bedrijf verdachte], heeft verklaard dat verdachte de administratie regelde en dat hij niets met de administratie te maken had. [mededader 2] heeft ook nooit de aangiften OB gedaan. Hij heeft op verzoek van verdachte een girorekening geopend met nummer 1917123 om teruggaven van de omzetbelasting op te laten storten. Verdachte kon zelf geen rekening openen. [mededader 2] verklaart voorts dat hij aan verdachte de wachtwoorden heeft gegeven zodat hij met deze rekening kon internetbankieren. De benodigde codes werden naar het mobiele nummer van verdachte gestuurd, zodat verdachte de beschikking had over deze rekening. Volgens [mededader 2] is op die rekening één keer een teruggaaf OB gestort. Hij heeft toen op verzoek van verdachte een geldbedrag contant opgehaald en aan verdachte afgedragen.

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte zelf, [mededader 1], [mededader 2] en [getuige 2] maakt de rechtbank op dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het doen van de onjuiste aangiften. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [mededader 1], [mededader 2] en [getuige 2]. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij voormelde aangiften omzetbelasting heeft gedaan en heeft verwezen naar [mededader 1], [mededader 2] en [getuige 2] als mogelijke daders, terwijl hij tevens heeft verklaard dat hij geen beschikkingsmacht had over de bankrekeningen waarop de bedragen aan teruggaaf werden gestort, maar de rechtbank acht de verklaring van verdachte op deze punten ongeloof-waardig.

Verdachte heeft immers bij de FIOD-ECD verklaard dat de verklaring van [mededader 2] voor wat betreft het openen van de rekening met nummer 1917123 en het beschikken over die rekening zou kunnen kloppen. Ook heeft hij verklaard dat hij in verband met een BKR-notering zelf geen bankrekening kon openen. Voorts vindt de rechtbank steun voor haar oordeel dat verdachte zelf de aangiften heeft gedaan in de vaststelling dat de aangifte over het 3e kwartaal van 2008 elektronisch is ingediend door [verdachte] op 2 oktober 2008 vanaf een IP-adres dat hoort bij het verzendadres [adres] zijnde het voormalig woonadres van verdachte en het huidige woonadres van zijn ex-echtgenote. De verklaring van verdachte dat ook anderen op zijn computer de aangiften kunnen hebben verstuurd zonder zijn medeweten, acht de rechtbank onaannemelijk.

Daarnaast is een aanwijzing voor de betrokkenheid van verdachte bij het doen van de aangiften te vinden in een afschrift van girorekening met nummer 2266225 (D-034-42) waarop vermeld staat dat op 29 januari 2008 een bedrag aan teruggaaf OB 4e kwartaal 2007 voor [naam bedrijf verdachte] is gestort van € 24.205,= en op dezelfde dag een bedrag van

€ 23.250,= wordt overgemaakt op rekeningnummer 7797567 ten name van mevrouw [naam ex] zijnde de ex-vrouw van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij deze bankrekening ook gebruikte middels onder andere elektronische overboekingen, dat hij het beheer had over deze rekening en dat hij de ontvangsten en uitgaven regelde via deze rekening. Voor de overschrijving van laatstgenoemd bedrag heeft verdachte geen verklaring gegeven.

Dat verdachte als feitelijk leidinggevende van het doen van voormelde aangiften dit ook opzettelijk heeft gedaan, blijkt uit zijn hiervoor weergegeven verklaring dat de bedragen die genoemd zijn in de aangiften over het 4e kwartaal 2007 en de eerste drie kwartalen 2008 absurd zijn en niet kunnen kloppen.

In de tenlastelegging onder feit 2 staat ook nog als verwijt vermeld dat v.o.f. [naam bedrijf verdachte] de aangiften OB over het 1e, 2e en 3e kwartaal van het jaar 2007 opzettelijk onjuist zou hebben gedaan. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de bedragen die aan teruggaaf zijn opgegeven, te weten respectievelijk € 2.346,=, € 3.150,= en € 2.855,= niet apert onredelijk overkomen voor een startend bedrijf. Verdachte heeft ook dit ook als zodanig verklaard. Gelet hierop, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat v.o.f. [naam bedrijf verdachte] deze aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 26 november 2008 tot en met 18 december 2008 te Apeldoorn, telkens

opzettelijk, een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

inkomstenbelasting over het jaar 2006 en 2007, onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk, op dat bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, ingestuurde/ingediende aangifte

over het jaar 2006

- een te hoog bedrag aan loon en aan ingehouden loonheffing en aan

giften en

- een onjuist bedrag aan 'inkomsten/kosten uit eigen woning' en aan

'belastbare winst uit onderneming' opgegeven, en over het jaar 2007

- een te hoog bedrag aan loon en aan ingehouden loonheffing en aan rente

schulden/kosten geldlening en

- een onjuist bedrag aan 'inkomsten/kosten uit eigen woning' en aan

'belastbare winst uit onderneming' opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

V.O.F. [naam bedrijf verdachte], in de periode van 1 december 2007 tot en met 02 oktober 2008 te Apeldoorn, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over de perioden

- vierde kwartaal van het jaar 2007 en

- eerste en tweede en derde kwartaal van het jaar 2008, onjuist heeft gedaan, immers heeft die V.O.F. [naam bedrijf verdachte], telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn ingestuurde/ingediende

aangifte omzetbelasting over genoemde perioden een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden

gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft er, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of meer feiten zou komen, op gewezen dat de strafbare feiten gedateerd zijn en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts stelt hij vast dat verdachte na de onderhavige feiten 6 maanden gedetineerd heeft gezeten in verband met een veroordeling in een andere zaak, maar dat het sindsdien beter met hem gaat. Hij heeft daarbij verwezen naar de brief van klinisch psycholoog [naam deskundige] van 12 april 2011 over de behandeling die verdachte momenteel ondergaat. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou volgens de raadsman de behandeling van verdachte doorkruisen.

De eis van de officier van justitie geeft de mogelijkheid om verdachte in aanmerking te laten komen voor een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, aldus de raadsman.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van een viertal kwartaalaangiften omzetbelasting van zijn v.o.f. [naam bedrijf verdachte]. Voorts heeft hij zijn aangiften inkomstenbelasting (IB) over 2006 en 2007 opzettelijk onjuist gedaan.

Het uiteindelijke teveel uitgekeerde bedrag aan omzetbelasting met betrekking tot de tenlaste gelegde periodes bedraagt, uitgaande van de berekening van de FIOD/ECD, ongeveer € 68.000,=.

Voor wat betreft de inkomstenbelasting zou het nadeel, wanneer tot uitkering van de teruggevraagde bedragen zou zijn overgegaan, ongeveer € 670.000,= zijn geweest, maar door de absurde bedragen die in die aangiften IB zijn opgenomen, kwam de Belastingdienst er tijdig achter dat die aangiften niet klopten.

Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig zijn. Verdachte heeft deze gemeenschapsbelangen geschonden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij tijdens de tenlastegelegde periode bijna voortdurend in dronkenschap verkeerde en daardoor niet meer weet wat hij wel en niet gedaan heeft, niet erg geloofwaardig. Het moet ervoor worden gehouden dat hij zich ervan bewust was dat hij zich ten koste van de Staat der Nederlanden ongerechtvaardigd heeft verrijkt.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte op 1 juli 2009 een straf is opgelegd en nu schuldig wordt verklaard aan misdrijven vóór die strafoplegging gepleegd.

Daarnaast houdt de rechtbank ten gunste van verdachte rekening met de omstandigheid dat de feiten al 2 ½ jaar geleden gepleegd zijn.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte op 4 november 2008, dus vlak voor het plegen van onderhavige feiten, terzake van onder andere oplichting is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf. De proeftijd van die voorwaardelijke straf was op 19 november 2008 ingegaan.

Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor soortgelijke feiten zijn opgelegd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden noodzakelijk en geboden is en recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

De rechtbank acht, gelet op de ouderdom van de feiten, een voorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen plaats voor een werkstraf in plaats van een gevangenisstraf. Het feit dat verdachte in november 2008 is veroordeeld terzake van oplichting en dat verdachte vlak daarna weer is begonnen met delicten die hem onrechtvaardig zouden moeten verrijken, staat hieraan in de weg.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 4 november 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft, voor zover een bewezenverklaring van de tenlaste gelegde feiten zou volgen, verzocht de proeftijd te verlengen en subsidiair de vordering toe te wijzen, maar dan te vervangen door een werkstraf. Hij heeft daarbij verwezen naar de eerder genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 4 november 2008 is veroordeeld terzake van onder andere oplichting en dat verdachte zich voor het einde van de tot 18 november 2010 lopende proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank rekent verdachte daarbij zwaar aan dat hij kort nadat de proeftijd op 19 november 2008 is gaan lopen zich alweer schuldig heeft gemaakt aan feiten die evenals de eerdere feiten zelfverrijking tot doel hadden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De door de raadsman geschetste persoonlijke omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zwaarwegend genoeg om tegenwicht te bieden aan de overtreding van de algemene voorwaarden en de omstandigheden waaronder die overtreding is gepleegd. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Ook voor een vervanging van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf door een werkstraf ziet de rechtbank geen plaats.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 51, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 69, 72 en 96 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 4 november 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 626833-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Peeters, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 april 2011. Mrs. Peeters en Pick zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij, in of omstreeks de periode van 26 november 2008 tot en met 18 december

2008 te Apeldoorn en/of Tilburg en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk, (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomstenbelasting over de/het ja(a)r(en) 2006 en/of 2007, onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk, op

dat/die bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn, althans de

Belastingdienst, ingestuurde/ingediende aangifte(n)

over het jaar 2006

- een te hoog bedrag aan loon en/of aan ingehouden loonheffing en/of aan

giften en/of

- een onjuist bedrag aan 'inkomsten/kosten uit eigen woning' en/of aan

'belastbare winst uit onderneming' opgegeven,

althans een onjuist belastbaar bedrag opgegeven, en/of

over het jaar 2007

- een te hoog bedrag aan loon en/of aan ingehouden loonheffing en/of aan rente

schulden/kosten geldlening en/of

- een onjuist bedrag aan 'inkomsten/kosten uit eigen woning' en/of aan

'belastbare winst uit onderneming' opgegeven,

althans een onjuist belastbaar bedrag opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

V.O.F. [naam bedrijf verdachte], in elk geval een rechtspersoon, in of omstreeks de periode

van 31 maart 2007 tot en met 02 oktober 2008 te Apeldoorn en/of Tilburg en/of

elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de periode(n)

- eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2007 en/of

- eerste en/of tweede en/of derde kwartaal van het jaar 2008,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die V.O.F. [naam bedrijf verdachte]

en/of de rechtspersoon, (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der

belastingen te Apeldoorn, althans de Belastingdienst ingestuurde/ingediende

aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) periode(n)/jaar/jaren (telkens) een

te hoog bedrag aan voorbelasting, althans (telkens) een te laag bedrag aan

belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig

belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingenartikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht