Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY4929

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-11-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
229415
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:10274, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duur-/raamovereenkomst.

Vraag of tegenover eiseres in conventie geldt dat de verplichtingen uit de eenmanszaak uit deze overeenkomst zijn overgegaan op gedaagde in conventie. Bewijsopdracht aan gedaagde in conventie dat hij tijdig vóór 18 mei 2011 eiseres in conventie op de hoogte had gesteld van zijn voornemen om zijn eenmanszaak voort te zetten in de vorm van een B.V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229415 / HA ZA 12-315

Vonnis van 7 november 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon, openbaar lichaam op basis van

gemeenschappelijke regeling,

WNO BEDRIJVEN,

handelend onder de naam Breed,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagde]

handelend onder de naam [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A. van Oosten te Elst.

Partijen zullen hierna Breed en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juli 2012

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 17 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Breed en [gedaagde in conventie] doen vanaf 2007 zaken met elkaar. Zij hebben in september 2009 hun afspraken gestructureerd in de vorm van een duur-/ raamovereenkomst. De overeenkomsten zijn steeds mondeling tot stand gekomen. Op grond van deze overeenkomsten kweekt en pot Breed onder meer planten en bomen op, waarna zij deze aan [gedaagde in conventie] levert. Deze levert aan Breed de uitgangsmaterialen en betaalt voor de door Breed verrichte tuinderswerkzaamheden en verbruikte materialen. Een deel van de op te kweken planten staat in kassen van [gedaagde in conventie], de overige zaken worden op het terrein van Breed opgekweekt.

2.2. De omvang van de werkzaamheden door Breed is steeds jaarlijks bepaald op grond van haar verstrekte opdrachten en materialen. Hierin zit een halfjaarlijkse regelmaat van het kweken en oppotten aan de zijde van Breed en het aanleveren en afroepen van de andere zijde.

2.3. Voor levering in het voor- en najaar van 2010 is in het najaar van 2009, respectievelijk het voorjaar van 2010 opdracht gegeven. Partijen hebben op 26 oktober 2010 nadere afspraken gemaakt over leveringen in het voorjaar van 2011. Deze overeenkomst hield onder meer in dat Breed 10.000 bomen zou ontmantelen en 54.000 bomen en 25.000 klein/groot fruit zou leveren.

2.4. De in de periode van 17 maart 2011 tot en met 23 juni 2011 door Breed gestuurde facturen zijn door [gedaagde in conventie] niet betaald.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Breed vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van een bedrag, in hoofdsom, van € 203.836,80, primair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en subsidiair met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen tot aan de datum van algehele voldoening. Breed vordert tevens [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op basis van Rapport VoorWerk II ad € 4.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. Eveneens vordert Breed [gedaagde in conventie] te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder begrepen de nakosten en eventuele verdere executie- en beslagkosten, onder de bepaling dat, indien het bedrag van deze proceskostenveroordeling niet binnen veertien dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen aan Breed is voldaan, daarover vanaf de veertiende dag wettelijke rente is verschuldigd.

3.2. Breed legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen vanaf 2007 een overeenkomst bestaat, dat zij ter uitvoering van die overeenkomst werkzaamheden heeft verricht en dat zij terzake de periode van 17 maart 2011 tot 23 juni 2011 facturen heeft gestuurd aan [gedaagde in conventie]. Op die voet is [gedaagde in conventie] gehouden de openstaande facturen te voldoen.

3.3. [gedaagde in conventie] voert verweer. Hij voert aan, kort weergegeven en voor zover hier van belang, dat Breed in haar vordering niet-ontvankelijk is. Niet [gedaagde in conventie] is wederpartij van Breed, maar de op 30 maart 2011 opgerichte [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf]). Hij stelt dat partijen er steeds van uit zijn gegaan dat Breed zaken deed met [naam bedrijf].

3.4. [gedaagde in conventie] stelt subsidiair dat hij niet gehouden is te betalen omdat er door Breed onvoldoende kwaliteit is geleverd, althans het geleverde niet voldeed aan wat [gedaagde in conventie] op grond van de overeenkomst van Breed mocht verwachten.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.6. [gedaagde in conventie] vordert – samengevat – onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel is dat hij Breeds wederpartij is, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Breed te veroordelen tot betaling van € 106.903,00, binnen drie dagen na betekening van het vonnis, met veroordeling van Breed in de kosten van het geding in reconventie.

3.7. [gedaagde in conventie] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij door wanprestatie van Breed schade heeft geleden. Breed is tekortgeschoten in de nakoming nu de afgeleverde zaken niet voldoen aan wat [gedaagde in conventie] hier op grond van de overeenkomst van mocht verwachten. Breed is daarmee van rechtswege in verzuim. Een ingebrekestelling is niet noodzakelijk nu herstel zinledig is en het vervangen van de zaken tijdstechnisch gezien onrealistisch.

3.8. Breed voert verweer. Volgens haar is er geen sprake van een tekortkoming en zijn eventuele tekortkomingen in het verleden altijd tussen partijen opgelost. Zij meent voorts dat [gedaagde in conventie] te laat is met klagen. Zeker gezien de vergankelijkheid van zaken is door [gedaagde in conventie] niet binnen bekwame tijd geklaagd en Breed stelt dat [gedaagde in conventie] dit ook niet eerder mondeling heeft gedaan. Breed ziet niet in waarom een ingebrekestelling niet nodig zou zijn geweest, nu nakoming door Breed nog mogelijk was.

3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De vraag die allereerst beantwoord moet worden, is of [gedaagde in conventie] de wederpartij is van Breed of, zoals [gedaagde in conventie] stelt, [naam bedrijf].

4.2. Dat de eenmanszaak van [gedaagde in conventie] is ingebracht in [naam bedrijf] wordt door Breed betwist bij gebrek aan wetenschap. Hieraan gaat de rechtbank voorbij nu uit de akte van oprichting van [naam bedrijf] blijkt dat zij de eenmanszaak voortzet en dat daartoe activa van de eenmanszaak in [naam bedrijf] zijn ingebracht, terwijl zij zich verplicht heeft passiva over te nemen; de akte verwijst terzake naar een bijlage. Gelet op het hierna volgende behoeft dit geen nader onderzoek.

4.3. De vraag is vervolgens of de volgens Breed al bestaande schuld van [gedaagde in conventie] en de overeenkomst(en) tussen Breed en [gedaagde in conventie] ook op [naam bedrijf] zijn overgegaan.

4.4. Partijen hebben al lange tijd en op constante basis met elkaar zaken gedaan, op basis van een raamovereenkomst die het karakter heeft van een duurovereenkomst.

4.5. Voor de beantwoording van de vraag of tegenover Breed geldt dat de rechten en verplichtingen van de eenmanszaak uit deze overeenkomst over zijn gegaan op [naam bedrijf] is het van belang of Breed van deze oprichting, en daarmee overgang, op de hoogte was. [gedaagde in conventie] stelt dat Breed op de hoogte was van zijn voornemen een B.V. op te richten en daarin de eenmanszaak voort te zetten. Verder stelt hij dat Breed met het functioneren van [naam bedrijf] als haar wederpartij heeft ingestemd en dat daarmee de rechten en verplichtingen van de eenmanszaak van [gedaagde in conventie] zijn overgegaan op [naam bedrijf].

4.6. [gedaagde in conventie] wijst daarbij op een aantal onweersproken feiten en omstandigheden die zijn stelling onderbouwen. Allereerst is een factuur van 18 mei 2011 die door [naam bedrijf] aan Breed is verzonden, door Breed zonder protest aanvaard. Verder heeft Breed ter incasso van haar gepretendeerde vordering zich via haar deurwaarder op 1 augustus 2011 tot [naam bedrijf] gewend. De deurwaarder heeft uit de gegevens in het klantdossier van Breed, waarin ‘[naam bedrijf]en Kwekerij’ als klant stond vermeld, afgeleid dat hier sprake was van [naam bedrijf]. Breeds opmerking ter comparitie dat zij geen idee heeft hoe de deurwaarder tot deze conclusie heeft kunnen komen, is niet relevant omdat uit de acceptatie van de hierboven genoemde factuur van 18 mei 2011 ook Breeds eigen aanvaarding van [naam bedrijf] als haar wederpartij is af te leiden, waardoor de conclusie van de deurwaarder niet onbegrijpelijk is. Ten slotte is op de sommatie van de deurwaarder gereageerd door [naam bedrijf], die zich als de aangesproken wederpartij opstelde en vervolgens ook zo behandeld is door Breed. Dit blijkt uit overgelegde correspondentie uit de periode van na 1 augustus 2011.

4.7. Dit alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat Breed in de maanden volgend op 18 mei 2011 bij [gedaagde in conventie] de indruk heeft gewekt dat zij de contractsoverneming door [naam bedrijf] had geaccepteerd.

4.8. Dit laat onverlet dat er bij Breed van een voor [gedaagde in conventie]/[naam bedrijf] kenbare vergissing sprake geweest kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat daarmee geen rekening behoeft te worden gehouden als Breed wist of behoorde te weten dat [gedaagde in conventie] zijn eenmanszaak in een B.V. ging omzetten. In dat geval is bij [gedaagde in conventie] en [naam bedrijf] in de maanden volgend op 18 mei 2011 het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat Breed [naam bedrijf] als wederpartij accepteerde.

4.9. De rechtbank zal thans [gedaagde in conventie] overeenkomstig zijn aanbod toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij tijdig vóór 18 mei 2011 Breed op de hoogte had gesteld van zijn voornemen het bedrijf van zijn eenmanszaak voort te zetten in de vorm van een B.V.

4.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in voorwaardelijke reconventie

4.11. Nu nog niet vastgesteld kan worden of de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld, is vervuld, is beoordeling van deze vordering niet aan de orde.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. laat [gedaagde in conventie] toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij tijdig vóór 18 mei 2011 Breed op de hoogte had gesteld van zijn voornemen het bedrijf van zijn eenmanszaak voort te zetten in de vorm van een B.V.,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 november 2012 voor uitlating door [gedaagde in conventie] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [gedaagde in conventie], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [gedaagde in conventie], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden december 2012 tot en met februari 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2012.