Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4423

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
211549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot overlegging van bescheiden ex artikel 843a Rv. vordering afgewezen omdat niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211549 / HA ZA 11-186

Vonnis in incident van 13 juli 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

behandelend advocaat mr. J. Meuleman te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WARSTEINER BENELUX B.V.,

gevestigd te Tiel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. L.R.G.M. Spronken te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna ABN AMRO en Warsteiner genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie inhoudende een vordering tot het overleggen van bescheiden ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.)

- de incidentele conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Het incident is vooralsnog te plaatsen in het volgende feitelijk kader.

2.2. Warsteiner stelt dat de heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]) enig bestuurder was van Bir Bey B.V., Zor Bey B.V. en Gentleman Holding B.V., alle gevestigd te Amsterdam. Volgens een overgelegd uittreksel uit het handelsregister was de heer [betrokkene1] enig bestuurder van Nygma B.V., gevestigd te Amsterdam, met als handelsnamen Nijgma B.V. en Bir Bey.

2.3. De heer [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2]), dan wel een van zijn vennootschappen, bezit de (economische) eigendom van het pand aan de [adres] (hierna: het pand te Zandvoort).

2.4. In verband met het opstarten van een grand café in het pand te Zandvoort, had [betrokkene1] behoefte had aan een financiering.

2.5. Als financiering heeft ABN AMRO bij kredietovereenkomst van 14 februari 2007 (hierna: de kredietovereenkomst) een krediet in rekening-courant van € 75.000,00 en een

5-jarige geldlening van € 420.000,00 verstrekt aan de besloten vennootschappen Bir Bey B.V., Zor Bey B.V. en Gentleman Holding B.V. (hierna: de kredietnemers).

2.6. In de kredietovereenkomst staat, voor zover in deze procedure relevant, het navolgende vermeld:

“(…)

Zekerheden en verklaringen

- Borgstelling ad EUR 300.000,= , te vermeerderen met rente en kosten, van de heer [betrokkene2], wonende te Zandvoort, zeker te stellen door:

- Krediethypotheek ad EUR 300.000,= in hoofdsom, te vermeerderen met 40% voor rente en kosten, op de onroerende zaak te Zandvoort, aan de [adres], één en ander nader te omschrijven in de hypotheekakte.

- (…)

- Borgstelling ad EUR 80.000,= te vermeerderen met rente en kosten, van Warsteiner Benelux B.V., gevestigd te Tiel.

De Borgstelling zal verlaagd worden met EUR 4.000,= per kwartaal, voor het eerst op 01.10.2007.

- Hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van de heer [betrokkene1].

(…)”

2.7. Bij akte van 27 februari 2007 heeft Warsteiner zich, kort gezegd, tot een bedrag van maximaal € 80.000,00, vermeerderd met rente en kosten, borg gesteld voor de verplichtingen van de kredietnemers jegens ABN AMRO.

2.8. ABN AMRO heeft bij brief van 12 november 2009 het aan de kredietnemers verstrekte krediet opgezegd en hen gesommeerd het door hen verschuldigde uiterlijk 23 november 2009 aan ABN AMRO te voldoen. ABN AMRO heeft per dezelfde datum een kopie van deze brief aan Warsteiner gezonden.

2.9. ABN AMRO heeft op 3 december 2009 Warsteiner aangesproken onder de door haar afgegeven borgstelling en verzocht uiterlijk 16 december 2009 een bedrag van

€ 44.000,00 aan ABN AMRO te voldoen. ABN AMRO heeft Warsteiner bij brief van 22 december 2009 nogmaals aangesproken op haar borgstellingsverplichtingen. Warsteiner heeft niet aan de sommaties voldaan.

2.10. Bij brief van 3 augustus 2010 heeft mr. H. Janssen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, aan ABN AMRO onder meer het navolgende bericht:

“(…) Cliënte, Warsteiner Benelux B.V., is bereid om tot betaling over te gaan, echter nadrukkelijk slechts onder protest en feitelijk slechts teneinde verdere rente- en incassokosten te voorkomen.

Reden voor deze betaling onder protest is dat door uw medewerker, de heer [betrokken4e], tijdens het gesprek dat plaatsvond rond juli 2009, aan zowel de heer [betrokkene3], werkzaam bij cliënte, als aan de heer [betrokkene5] van De Kweker te Amsterdam werd medegedeeld dat ‘naast de borgstelling door Warsteiner Benelux inmiddels voldoende zekerheden waren verstrekt door de nieuwe pandeigenaar en dat Warsteiner Benelux zich over haar borgstelling geen zorgen behoefde te maken. (…)”

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1. ABN AMRO vordert in de hoofdzaak, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Warsteiner te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van betaling aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 44.000,--, te vermeerderen met de contractuele rente van 6% per jaar over dit bedrag vanaf 17 december 2009, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Warsteiner in de proceskosten.

3.2. ABN AMRO legt aan haar vordering in de hoofdzaak, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. Per 24 december 2010 beliep de vordering van ABN AMRO op de kredietnemers € 440.376,29. In de akte van borgstelling is bepaald dat het bedrag van de borgstelling van Warsteiner met ingang van 1 oktober 2007 met € 4.000,-- per kwartaal wordt verlaagd. Vanaf 1 oktober 2007 tot 3 december 2009 zijn negen kwartalen verstreken. Hierdoor is het maximum bedrag van de borgstelling verlaagd met € 36.000,--

(9 x € 4.000,--). Het maximumbedrag van de borgstelling beliep derhalve op 3 december 2009 een bedrag van € 44.000,-- (€ 80.000,-- minus € 36.000,--). Aangezien de vordering van ABN AMRO op de kredietnemers meer beloopt dan € 44.000,--, is Warsteiner een bedrag van € 44.000,-- aan ABN AMRO verschuldigd, te vermeerderen met de rente.

4. De vordering (en het verweer) in het incident

4.1. Warsteiner vordert op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv., ABN AMRO te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis inzage in en afschrift van te verstrekken van:

• bescheiden ten aanzien van het uitwinnen van de borgstelling van [betrokkene2];

• bescheiden waaruit het verloop van de kredietfaciliteiten als bedoeld in de kredietbrief blijkt;

• bescheiden waaruit blijkt dat de kredietfaciliteiten zoals genoemd in de kredietbrief tussentijds niet overschreden zijn;

• bescheiden waaruit het verloop van de uitwinning van het pandrecht op de inventarissen in Amsterdam en Zandvoort blijkt;

• bescheiden waaruit het gehele verloop van de kredietfaciliteiten zoals bedoeld in de kredietbrief blijkt;

• bescheiden waaruit het financiële verloop van de uitwinning van alle in de kredietbrief genoemde zekerheden blijkt van het begin tot het einde;

• bescheiden waaruit blijkt hoe [betrokkene2] dan wel diens vennootschappen in het bezit zijn gekomen van beide horecazaken in Amsterdam en Zandvoort;

alsmede ABN AMRO te veroordelen in de kosten van dit incident.

4.2. Warsteiner stelt, kort samengevat, dat zij belang heeft bij de gevorderde inzage in en afschrift van stukken, omdat zij aan de hand van die stukken de stellingen die zij in de hoofdzaak inneemt nader kan onderbouwen. Warsteiner vermoedt dat ABN AMRO bij de uitwinning van de overige zekerheden, zoals die jegens [betrokkene2], de belangen van Warsteiner uit het oog heeft verloren en veronachtzaamd. Warsteiner heeft ABN AMRO verzocht inzage te geven op welke wijze de incassering van het afgegeven krediet op [betrokkene1] en diens vennootschappen heeft plaatsgevonden. Door het niet inwilligen van het verzoek, handelt ABN AMRO in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.3. ABN AMRO voert gemotiveerd verweer en voert daartoe onder meer – samengevat en voor zover van belang – aan dat niet aan de daartoe in art. 843a Rv gestelde vereisten voor toewijzing is voldaan, omdat de vordering onvoldoende bepaald is en Warsteiner geen partij is bij de rechtsbetrekking waar de verzochte bescheiden uit voortvloeien. Op grond van het vorenstaande dient de vordering reeds te worden afgewezen, en voorts omdat, zover ABN AMRO antwoord kan geven op de vragen van Warsteiner, ABN AMRO bij conclusie van antwoord in het incident die antwoorden heeft gegeven.

4.4. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader op de stellingen van partijen ingaan.

5. De beoordeling in het incident

5.1. De rechtbank overweegt dat artikel 843a Rv. vier cumulatieve voorwaarden stelt voor toewijzing van een vordering tot inzage in en/of afgifte van afschriften of uittreksels van bescheiden:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft is ingevolge het bepaalde in artikel 843a lid 4 Rv. echter niet gehouden aan een vordering op grond van dit artikel te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

5.2. De rechtbank overweegt allereerst het volgende met betrekking tot het verweer van ABN AMRO dat geen sprake is van een rechtsbetrekking waarbij Warsteiner partij is, aangezien de door Warsteiner opgevraagde bescheiden de overeenkomst tussen ABN AMRO en [betrokkene1] betreffen en Warsteiner geen partij is bij deze rechtsbetrekking. De rechtbank verwerpt dit verweer van ABN AMRO. Dit verweer stoelt op een restrictieve uitleg van het bepaalde in artikel 843a Rv., in die zin dat het slechts zou kunnen gaan om bescheiden waarbij de eiser en de houder van de bescheiden zelf beiden rechtstreeks als partij betrokken zijn. Die uitleg volgt de rechtbank niet. Het dient te gaan om bescheiden die relevant kunnen zijn voor het voorliggende geschil. Gezien hetgeen Warsteiner in dit verband heeft aangevoerd is de mogelijke relevantie van bedoelde bescheiden voor de beoordeling van de door ABN AMRO in de hoofdzaak ingestelde vordering voldoende komen vast te staan.

5.3. De rechtbank zal vervolgens hierna van elk van de stukken of documenten waarin of waarvan Warsteiner inzage en afschrift vordert, afzonderlijk nagaan of aan de overige van de hiervoor onder 5.1. genoemde voorwaarden is voldaan en of de vordering toewijsbaar is.

Inzage in en afschrift van bescheiden ten aanzien van het uitwinnen van de borgstelling van de heer [betrokkene2].

5.4. Warsteiner stelt niet en zeker niet onderbouwd dat bedoelde uitwinning heeft plaatsgevonden. In dat licht concludeert de rechtbank op grond van het als productie 2 overgelegde vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam en de stelling van ABN AMRO dat de veiling is opgeschort, dat uitwinning van de borgstelling van [betrokkene2] (nog) niet heeft plaatsgevonden. Reeds op grond daarvan dient de vordering ten aanzien van deze bescheiden worden afgewezen.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit het verloop van de kredietfaciliteiten als bedoeld in de kredietbrief blijkt.

5.5. Ter onderbouwing van dit onderdeel van de vordering voert Warsteiner aan dat zij vermoedt dat ABN AMRO bij de uitwinning van de overige zekerheden, zoals die jegens [betrokkene2], de belangen van Warsteiner uit het oog heeft verloren en deze ernstig heeft veronachtzaamd.

5.6. Daargelaten dat, zoals hiervoor is overwogen, uitwinning van de borgstelling van [betrokkene2] (nog) niet heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank het verweer van ABN AMRO dat Warsteiner niet aangeeft welke bescheiden zij wil ontvangen gegrond. Van Warsteiner had immers verwacht mogen worden dat zij die bescheiden zodanig concreet zou omschrijven dat ABN AMRO duidelijk zou zijn waarop zij doelde. Dat laatste is thans, in het licht van de formulering van de vordering door Warsteiner, niet het geval. Aan de voorwaarde van “bepaalde bescheiden” als bedoeld in artikel 843a Rv. is dan ook niet voldaan, zodat de vordering ten aanzien van deze bescheiden zal worden afgewezen.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit blijkt dat de kredietfaciliteiten zoals genoemd in de kredietbrief tussentijds niet overschreden zijn.

5.7. ABN AMRO voert het verweer dat uit de door Warsteiner als productie 2 overgelegde brief van 11 mei 2009 blijkt dat ABN AMRO op dat moment een overstand administreerde van € 55.000,-- op de rekening-courant van Bir Bey B.V. Van een overschrijding van de kredietfaciliteiten is dus sprake geweest en de rechtbank volgt ABN AMRO dan ook in haar verweer dat zij geen bescheiden kan verstrekken waaruit blijkt dat de kredietfaciliteiten zoals genoemd in de kredietbrief niet tussentijds zijn overschreden. Het gevorderde ten aanzien van deze bescheiden zal dan ook worden afgewezen.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit het verloop van de uitwinning van het pandrecht op de inventarissen in Amsterdam en Zandvoort blijkt.

5.8. Op dezelfde gronden als vermeld onder 5.5 en 5.6 zal ook de vordering ten aanzien van deze bescheiden worden afgewezen.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit het gehele verloop van de kredietfaciliteiten zoals bedoeld in de kredietbrief blijkt.

5.9. De rechtbank vermag niet in te zien wat het verschil is tussen dit onderdeel van de vordering en het onderdeel dat onder 5.5. en 5.6 is beoordeeld. Hoe Warsteiner dat ook moge zien, ten aanzien van dit onderdeel van de vordering oordeelt de rechtbank, onder verwijzing naar de onder 5.5 en 5.6 opgenomen motivering, in gelijke zin. De vordering zal ten aanzien van deze bescheiden dus eveneens worden afgewezen.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit het financiële verloop van de uitwinning van alle in de kredietbrief genoemde zekerheden blijkt van het begin tot het einde.

5.10. De rechtbank overweegt dat uit de kredietovereenkomst blijkt welke zekerheden ABN AMRO heeft verkregen, namelijk:

a) borgstelling van € 300.000,-- van [betrokkene2];

b) recht van hypotheek op het registergoed van [betrokkene2] aan de [adres]-19 te Scheveningen;

c) borgstelling van € 80.000,-- van Warsteiner;

d) hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene1];

e) pandrecht inventaris;

f) pandrecht vorderingen.

5.11. Onder 5.5 heeft de rechtbank reeds overwogen en beslist dat de gevorderde inzage in en afschrift van bescheiden ten aanzien van het uitwinnen van de borgstelling van [betrokkene2] zal worden afgewezen, nu uitwinning (nog) niet heeft plaatsgevonden. In verband daarmee zal de vordering worden afgewezen in zoverre deze betrekking heeft op bescheiden van de onder a) en b) bedoelde zekerheden.

5.12. Ten aanzien van de onder c) bedoelde zekerheden is de rechtbank, met ABN AMRO, van oordeel dat het Warsteiner ontbreekt aan een rechtmatig belang, nu dit een zekerheid betreft die zij zelf aan ABN AMRO heeft verstrekt. Zij is dus volledig op de hoogte althans zou dat moeten en kunnen zijn. Dit gedeelte van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

5.13. Ten aanzien van de onder d) bedoelde zekerheden is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving van de gewenste bescheiden op zichzelf voldoende concreet is om ABN AMRO in staat te stellen om vast te stellen om welke bescheiden het gaat. Nu echter Warsteiner niet stelt – zelfs niet veronderstellender- of vragenderwijze – dat ABN AMRO [betrokkene1] met succes tot betaling heeft aangesproken en ABN AMRO ten verwere aanvoert dat [betrokkene1] geen verhaal biedt, zullen er ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene1] geen bescheiden zijn waaruit het financiële verloop van de uitwinning van alle in de kredietbrief genoemde zekerheden blijkt. Dat “financiële verloop” impliceert immers mutaties en deze zullen er bij gebreke van verhaalsmogelijkheden niet zijn geweest. De vordering zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op bescheiden betreffende de onder d) bedoelde zekerheden.

5.14. Onder verwijzing naar de beslissing en motivering onder 5.6 en 5.7 zal de vordering worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op bescheiden betreffende de onder e) en f) bedoelde zekerheden.

Inzage in en afschrift van bescheiden waaruit blijkt hoe [betrokkene2] dan wel diens vennootschappen in het bezit zijn gekomen van beide horecazaken in Amsterdam en Zandvoort.

5.15. ABN AMRO voert het verweer dat Warsteiner niet aangeeft welke bescheiden zij wil ontvangen en voorts dat het waarschijnlijk gaat om bescheiden waarbij ABN AMRO geen partij is. Het ligt, aldus ABN AMRO, op de weg van Warsteiner om deze bescheiden bij [betrokkene1] of [betrokkene2] op te vragen.

5.16. Gezien het verweer van ABN AMRO wordt geoordeeld dat Warsteiner niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bescheiden, waaruit blijkt hoe [betrokkene2] dan wel diens vennootschappen in het bezit zijn gekomen van de horecazaken in Amsterdam en Zandvoort van belang kunnen zijn voor de beoordeling van dit geschil, alsmede dat ABN AMRO deze documenten te harer beschikking of onder haar berusting heeft. In zoverre zal deze vordering dan ook worden afgewezen.

kosten

5.17. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Warsteinder worden veroordeeld in de kosten van het incident, gevallen aan de zijde van ABN AMRO en tot aan dit vonnis begroot op € 894,00 (tarief IV) wegens salaris advocaat.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst de vordering af,

6.2. veroordeelt Warsteiner in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van ABN AMRO en tot aan dit vonnis begroot op € 894,00,

in de hoofdzaak

6.3. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 24 augustus 2011 voor conclusie van antwoord aan de zijde van ABN AMRO,

6.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

Coll. IV