Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9264

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10/4227
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Ingangsdatum huishoudelijke hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/4227

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 17 maart 2011.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [dochter eiseres],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 oktober 2010.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan eiseres vanaf verzenddatum beschikking gedurende een jaar voor 5 uur per week hulp in de huishouding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar, conform het ongedateerde advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften, gegrond verklaard, voor zover dit is gericht tegen het aantal toegekende uren wasverzorging, en voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, met inachtneming van het aanvullende advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 13 juli 2010, het aantal uren huishoudelijke hulp verhoogd tot 6 uur en 15 minuten per week.

2.3. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

2.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 februari 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar dochter, [dochter eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Slot, werkzaam bij de gemeente Beuningen.

3. Overwegingen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de ingangsdatum van de toegekende voorziening.

3.2. Eiseres stelt dat de voorziening vanaf datum aanvraag, 23 januari 2010, dient te worden toegekend, omdat vanaf deze datum de medische noodzaak evident is. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat de voorziening eerst per datum primaire besluit, 16 maart 2010, kan worden toegekend.

3.3. Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen (hierna: het Besluit) – dat onderdeel uitmaakt van hoofdstuk 4 “Eigen bijdrage en eigen aandeel” – is de ingangsdatum voor individuele voorzieningen de datum van het besluit. Het tweede lid bepaalt dat in uitzondering op het bepaalde in lid 1, de ingangsdatum voor hulp bij het huishouden in natura de datum van aanmelding bij de zorgleverancier is. (…). Het derde lid bepaalt dat, als de cliënt kan aantonen dat hij na een periode van 8 weken kosten heeft gemaakt, deze kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Uit de toelichting op artikel 4.4 van het Besluit blijkt dat de ingangsdatum van voorzieningen van belang is voor het berekenen van de eigen bijdrage of het eigen aandeel.

3.4. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat aansluiting kan worden gevonden bij de onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gevormde jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008 (LJN BH2424), waarbij, voor zover hier van belang, is overwogen dat uitgangspunt dient te zijn dat de indicatie wordt verleend met ingang van de datum van het indicatiebesluit. Daarbij is voorts overwogen dat niet is uitgesloten dat de bijzondere omstandigheden van het concrete geval aanleiding kunnen geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

3.5. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden voor die rechtvaardigen dat van het hiervoor genoemde uitgangspunt dient te worden afgeweken. Daartoe overweegt de rechtbank dat vanwege de aanwezigheid van mantelzorg niet is gebleken dat eiseres bij thuiskomst uit het ziekenhuis tot de toekenningsdatum feitelijk van huishoudelijke hulp is verstoken. Voorts betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat uit de aanvraag of anderszins niet blijkt dat eiseres om een spoedbehandeling daarvan heeft verzocht. Tot slot neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat verweerder binnen de daarvoor voorgeschreven termijn van 8 weken op de aanvraag heeft beslist en voorts dat de advisering van het CIZ “slechts” een advies betreft waarvan verweerder gemotiveerd mag afwijken, hetgeen inhoudt dat verweerder de gelegenheid dient te hebben om te beoordelen of het advies, na ontvangst daarvan, zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk juist is.

3.6. Voor zover eiseres betoogt dat artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit onverbindend is wegens strijd met artikel 4 van de Wmo en dat het daarom buiten toepassing dient te worden gelaten, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, dit betoog faalt. Eveneens faalt het betoog van eiseres dat zij aanspraak heeft op huishoudelijke hulp met terugwerkende kracht, omdat zij ook met terugwerkende kracht zorg (verpleging en verzorging) in het kader van de AWBZ toegekend heeft gekregen. Nog daargelaten dat eiseres dit betoog niet heeft onderbouwd, gaat het hier om twee verschillende vormen van zorg cq. hulp, waarvoor andere criteria gelden, en zijn de feitelijke omstandigheden van eiseres in dat kader niet gelijk, zodat eiseres aan het indicatiebesluit ingevolge de AWBZ geen rechten kan ontlenen met betrekking tot de door haar gewenste ingangsdatum van de toegekende huishoudelijke hulp ingevolge de Wmo.

3.7. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat de toekenning van de huishoudelijke hulp van 6 uur en 15 minuten per week aan eiseres met terugwerkende kracht vanaf 16 maart 2010, alsnog zo spoedig mogelijk wordt geëffectueerd.

3.8. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.9. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 maart 2011.