Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5304

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
210712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is het bijhouden van een weblog door de vader over zijn minderjarige kind onrechtmatig jegens het kind. Botsende grondrechten?

Uitgangspunt hierbij is dat de vordering van eiseres in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen op de weblog van gedaagde een zodanige inbreuk maken op het recht op privacy van de minderjarige dat die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op privacy - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Ten slotte spelen nog een rol de vraag of de uitlatingen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die uitlatingen worden gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 210712 / KG ZA 11-20

Vonnis in kort geding van 31 januari 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende op een geheim adres in Nederland,

eiseres,

advocaat mr. A.M. Blom te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende op een onbekend adres in Nederland,

domicilie kiezend aan het kantoor van zijn advocaat te Barneveld,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.J. Botterblom te Barneveld,

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in 2003 is verbroken. Uit die relatie is op [geboortedatum] geboren het thans nog minderjarige kind [naam minderjarige]. [naam minderjarige] is nu 10 jaar.

2.2. [naam minderjarige] woont bij [eiseres]. [eiseres] is belast met het ouderlijk gezag over [naam minderjarige].

2.3. [gedaagde] heeft geen omgang met [naam minderjarige]. Bij beschikking van 9 november 2005 van de rechtbank te Amsterdam is [gedaagde] het recht op omgang met [naam minderjarige] ontzegd. Daarin is [eiseres] wel een informatieplicht opgelegd, inhoudende dat zij gehouden is [gedaagde] op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [naam minderjarige].

2.4. [gedaagde] houdt op internet een weblog bij over [naam minderjarige] (hierna: de weblog).

De domeinnaam van de weblog is [domeinnaam]. De weblog is vanaf de zomer van 2010 openbaar gemaakt.

2.5. De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde] via zijn voormalige advocaat verzocht om de weblog te verwijderen.

2.6. [gedaagde] heeft daar niet aan voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] per omgaande de weblog van internet verwijderd, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. [eiseres] vindt het niet in het belang van [naam minderjarige] dat de weblog is te vinden op internet en acht de weblog schadelijk voor [naam minderjarige]. Zij stelt dat de privacy van [naam minderjarige] wordt geschonden met de plaatsing van zijn gegevens op internet. De klasgenootjes van [naam minderjarige] zouden de weblog op internet kunnen vinden en zo zaken over [naam minderjarige] te weten komen die privé zijn. [eiseres] vreest dat [naam minderjarige] dan gepest zal worden. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben omdat de inbreuk op de privacy van [naam minderjarige] een voortdurend karakter heeft en [naam minderjarige] het vervelend vindt dat er zaken omtrent zijn persoon te vinden zij op internet.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter zitting is ter sprake gekomen in welke hoedanigheid [eiseres] - voor zichzelf of als wettelijk vertegenwoordiger van [naam minderjarige] - de onderhavige vordering heeft ingesteld. [eiseres] heeft desgevraagd bevestigd dat zij de vordering heeft ingesteld namens [naam minderjarige] in haar hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordiger. [gedaagde] heeft aangegeven dat hij de dagvaarding en de daarin omschreven vordering ook zo heeft begrepen. Derhalve zal er hierna van worden uitgegaan dat [eiseres] in dit kort geding in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam minderjarige] optreedt en in die hoedanigheid de onderhavige vordering heeft ingesteld. Dit betekent dat [eiseres] in de onderhavige vordering kan worden ontvangen.

4.2. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak en is ook niet door [gedaagde] weersproken.

4.3. Naar de voorzieningenrechter begrijpt legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [naam minderjarige] handelt doordat hij met de weblog, die geplaatst is zonder voorafgaande toestemming van [eiseres], inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam minderjarige]. Ingevolge artikel 8 lid 1 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven.

4.4. De vraag die in dit kort geding centraal staat is of [gedaagde] onrechtmatig handelt jegens [naam minderjarige] door het aanhouden van de weblog.

4.5. Uitgangspunt hierbij is dat de vordering van [eiseres] in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen op de weblog van [gedaagde] een zodanige inbreuk maken op het recht op privacy van [naam minderjarige] dat die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op privacy - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

Het belang van [gedaagde] is dat hij zich in het openbaar moet kunnen uitlaten over zijn gevoelens voor [naam minderjarige]. Het belang van [naam minderjarige] is erin gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste publiciteit omtrent zijn privégegevens en privésituatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Ten slotte spelen nog een rol de vraag of de uitlatingen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die uitlatingen worden gedaan.

4.6. [gedaagde] heeft als productie de inhoud van de volledige weblog overgelegd. Op de weblog staat één sterk verouderde foto van [naam minderjarige], waarvan onweersproken is gesteld dat de huidige [naam minderjarige] daarin niet kan worden herkend. De spaarzame andere foto’s op de weblog zijn van familieleden van [gedaagde]. De weblog is voornamelijk een korte opsomming van gebeurtenissen in het leven van [gedaagde] zelf, zoals het overlijden van zijn moeder en de geboorte van een neefje. Daarnaast vermeldt de weblog jaarlijks een felicitatie aan [naam minderjarige] op zijn verjaardag met de vermelding dat [naam minderjarige] nog altijd een rol speelt in het leven van [gedaagde]. [gedaagde] schrijft dus met name over zichzelf op de weblog en over zijn gevoelens voor [naam minderjarige]. Er staat feitelijk niets op de weblog over het leven van [naam minderjarige], behoudens dat hij een vader heeft die hem mist. De weblog wordt door [gedaagde] in feite gebruikt als een platform om zijn gevoelens jegens [naam minderjarige] te uiten. Dat de uitingen op de weblog niet in het belang van [naam minderjarige] zouden zijn en dat ze schadelijk voor [naam minderjarige] zouden zijn, dan wel dat de weblog de privacy van [naam minderjarige] zou schenden, is tegen deze achtergrond onvoldoende concreet onderbouwd. Nu overigens ook niet is gebleken dat er iets lasterlijks of onbetamelijks over [naam minderjarige] op de weblog staat, kan voorshands niet worden uitgegaan dat [naam minderjarige] in zijn privacy wordt geschaad door de weblog. In deze context is van belang dat [gedaagde] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat er voor hem gaan andere reële mogelijkheid dan de weblog bestond om iets van zichzelf te laten horen aan [naam minderjarige], omdat [eiseres] er alles aan doet om hem uit het leven van [naam minderjarige] te weren. Onbetwist is dat [gedaagde] vanaf 2003 geen enkel contact meer heeft met [naam minderjarige] en [eiseres] sindsdien ook geen enkele informatie over [naam minderjarige] aan [gedaagde] heeft gegeven, ondanks de aan [eiseres] opgelegde informatieplicht in de beschikking van 9 november 2005.

4.7. Op grond van het voorgaande en in het bijzonder gelet op de onschuldige inhoud van de weblog, moet worden geoordeeld dat [gedaagde] door het aanhouden van de weblog geen inbreuk maakt op de privacy van [naam minderjarige] en dus niet onrechtmatig jegens hem handelt. Dit houdt in dat het belang van [gedaagde] om zich in het openbaar door middel van de onderhavige weblog te kunnen uitlaten over zijn gevoelens voor [naam minderjarige] prevaleert boven het belang van [naam minderjarige] om daarvan verschoond te blijven. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden afgewezen.

4.8. Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 31 januari 2011.