Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1783

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
184170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BL 7186.

Na bewijslevering concludeert de rechtbank dat de Internetvakbond is tekortgeschoten in de nakoming van haar overeenkomst met de VIA ter zake van de ledenraadpleging en onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen op oneigenlijke gronden af te breken.

Dit betekent dat ook de vordering tegen de bestuurder van de Internetvakbond zal worden toegewezen. Zaak naar de rol voor nadere onderbouwing van de schade door de VIA.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/112
JAR 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 184170 / HA ZA 09-755

Vonnis van 12 januari 2011

in de zaak van

de vereniging

VERENIGING VAN INTERNATIONALE ARBEIDSBEMIDDELAARS,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. D.A.M. Lagarrigue te Eindhoven,

tegen

1. de vereniging

DE INTERNETVAKBOND,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

2. de vereniging

DE UNIE, VAKBOND VOOR INDUSTRIE EN DIENSTVERLENING,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna de VIA en de Internetvakbond genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010

- de akte met producties van de VIA van 18 juni 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 juli 2010

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2.2. Aan de VIA is opgedragen te bewijzen:

(i) dat de ledenraadpleging niet heeft plaatsgevonden onder alle 7.832 leden,

(ii) dat de Internetvakbond op de ledenraadpleging een positieve reactie heeft ontvangen van meer dan drie leden en

(iii) dat geen CAO tot stand is gekomen als gevolg van het feit dat de ledenraadpleging niet in meer talen dan het Nederlands was opgesteld en dat daaraan geen positief advies was verbonden.

2.3. De VIA heeft stukken overgelegd en getuigen doen horen om deze punten te bewijzen. De rechtbank zal hierna per bewijsopdracht beoordelen of de VIA is geslaagd in haar bewijs.

(i) Ledenraadpleging niet onder alle 7.832 leden

2.4. Uit de door de VIA overgelegde stukken blijkt dat ongeveer 200 van de 7.832 leden hun e-mailadres hebben opgegeven aan de Internetvakbond. Vast staat dat de ledenraadpleging alleen via e-mail heeft plaatsgevonden. De Internetvakbond heeft aan maximaal ca. 200 leden een e-mail kunnen sturen. Daarmee staat vast dat de ledenraadpleging niet onder alle 7.832 leden heeft plaatsgevonden.

2.5. De Internetvakbond voert aan dat dat voor rekening van de VIA moet komen, nu de bij de VIA aangesloten werkgevers die e-mailadressen niet hebben doorgegeven aan de Internetvakbond. De vraag rijst of dat zo is.

2.6. Nu het uitvoeren van de ledenraadpleging de verantwoordelijkheid was van de Internetvakbond had het op haar weg gelegen haar leden te vragen om opgave van een e-mailadres, zodat zij deze leden via de e-mail kon bereiken. Zij had in elk geval kunnen constateren dat haar e-mailbericht van 11 februari 2009 het overgrote deel van de bij haar aangemelde leden niet zou kunnen bereiken, omdat zij eenvoudigweg niet beschikte over een e-mailadres van dat overgrote deel van de leden. Het had op haar weg gelegen om de VIA daarop te attenderen en de VIA te verzoeken om de e-mailadressen van de via de VIA aangemelde leden, dan wel de leden zelf daarover aan te schrijven. Dat de VIA het ontbreken van e-mailadressen zelf ook had kunnen constateren doet daaraan niet af, nu zij niet de verplichting had de leden van de Internetvakbond te raadplegen. Gesteld noch gebleken is immers dat een aanmelding van een nieuw lid slechts geldig kon zijn indien dat nieuwe lid zijn of haar e-mailadres opgaf of dat tussen partijen was afgesproken dat de VIA ook alle e-mailadressen van nieuwe leden zou verstrekken. Op de VIA rustte dan ook niet de verplichting de e-mailadressen aan de Internetvakbond op te geven. Dat de naam van de Internetvakbond al zou impliceren dat alleen via e-mail gecommuniceerd zal worden, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Dan nog is het de Internetvakbond die de plicht heeft ervoor te zorgen dat zij kan communiceren met haar leden, al dan niet via de (leden van de) VIA.

2.7. De Internetvakbond voert verder nog aan dat niet vast staat dat de getuigen die in deze procedure zijn gehoord, ook daadwerkelijk als lid van de Internetvakbond zijn geregistreerd. De rechtbank heeft in het tussenvonnis al overwogen dat alleen de ledenadministratie, zoals die door de Internetvakbond is bijgehouden of had moeten worden bijgehouden, daarover uitsluitsel kan geven. Dat deze niet voorhanden is, komt voor haar rekening. Dat de getuigen zich wel als lid hebben aangemeld via hun werkgever blijkt voldoende uit de door de VIA overgelegde stukken.

2.8. Het voorgaand leidt ertoe dat de VIA is geslaagd in het haar opgedragen bewijs onder (i).

(ii) Positieve reactie van meer dan 3 leden

2.9. Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen van de getuigen kan niet worden afgeleid dat meer dan drie leden van de Internetvakbond positief hebben gereageerd op de ledenraadpleging. Hoeveel leden van de Internetvakbond de e-mail met de CAO hebben ontvangen kan niet worden vastgesteld. Zoals hiervoor al is overwogen waren dat er in elk geval niet meer dan ca. 200. Uit de door de VIA overgelegde productie 33 blij[A]e e-mailadressen van de getuigen [A, B, C, D] doorgegeven zijn aan de Internetvakbond. Dat is door de Internetvakbond ook niet bestreden. De getuigen hebben over de ontvangst van een e-mail met een concept-CAO als volgt verklaard:

[A]:

Ik heb geen e-mail gevonden met een concept-CAO daarbij. Ik weet dat niet 100% zeker.

[B]:

Ik kan mij niet herinneren of ik in februari 2009 een e-mail heb gekregen van de internetvakbond met daarbij een concept-CAO.

[C]:

Ik kan mij niet herinneren dat ik een e-mail heb gekregen van de Internetvakbond in februari 2009 met daarbij een concept-CAO. Ik denk niet dat ik die e-mail heb gekregen.

[D]:

Ik heb geen e-mail gekregen in februari 2009 van de internetvakbond met daarbij een concept-CAO.

[E]:

Ik heb geen e-mail gekregen van de internetvakbond omdat ik geen eigen e-mailadres heb. Ik heb de lijst alleen maar getekend en ook geen verdere gegevens, zoals een e-mailadres, doorgegeven.

[F]

Ik heb geen e-mailadres en dat had ik toen ook niet. Ik heb dus geen e-mail gekregen van de internetvakbond.

[G]:

Ik heb in februari 2009 geen e-mail gekregen van de internetvakbond. Dat weet ik zo zeker omdat ik mijn e-mail controleer. Ik heb het vier dagen geleden nog gecontroleerd. Ik heb teruggekeken tot februari 2009 en heb geen e-mail gezien van de internetvakbond.

Uit het voorgaande volgt dat de getuigen van wie het e-mailadres bij de Internetvakbond bekend was, verklaren dat zij geen, dan wel zich niet kunnen herinneren een dergelijke e-mail te hebben ontvangen. Daarmee is niet vast komen te staan dat de getuigen een e-mail hebben gehad en derhalve evenmin dat zij een positieve respons hebben gegeven daarop. De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat meer dan drie leden positief hebben gereageerd op de ledenraadpleging. De VIA is dan ook niet geslaagd in haar bewijs dat van meer dan drie leden een positieve reactie is ontvangen door de Internetvakbond.

(iii) Geen CAO omdat de e-mail niet in het Pools was en geen positief advies bevatte

2.10. Op dit punt hebben de getuigen het volgende verklaard.

[A]:

Als ik een e-mail had gekregen in het Pools had dat voor mij wel verschil gemaakt. Als de e-mail in het Nederlands was geweest, dan had ik een collega gevraagd mij te helpen met het vertalen. (…) Als in de e-mail een positief advies over de concept-CAO had gestaan, dan had ik nog steeds de CAO zelf beoordeeld en mij laten adviseren.

[B]:

Het zou voor mij niet uitmaken of een e-mail in het Nederlands of in het Pools zou zijn. (…) Als in de e-mail een positief advies zou zijn gegeven over de CAO zou dat voor mij verschil uitmaken. (…)

[C]:

Of ik een e-mail in het Pools of het Nederlands krijg maakt voor mij geen verschil. Als in de e-mail een positief advies zou zijn gegeven over de CAO zou dat voor mij verschil maken.

[D]:

Ik zou verwachten dat een e-mail met een concept-CAO in het Pools en in het Nederlands zou worden gestuurd, omdat zo een belangrijk document in twee talen verstuurd zou moeten worden. Dan is het ook begrijpelijk. Ik spreek geen Nederlands. Het zou voor mij verschil maken of een positief advies werd gegeven in de e-mail. (…) Als ik de e-mail in het Nederlands zou hebben gekregen had ik hulp gevraagd om de e-mail te vertalen.

[E]:

Het zou voor mij verschil maken of ik een e-mail in het Pools of in het Nederlands zou krijgen. Ik spreek geen Nederlands. Ik zou hulp vragen bij het vertalen van een e-mail in het Nederlands. Een positief advies over de CAO zou voor mij verschil maken, omdat ik als lid van de internetvakbond zou verwachten dar daarover extra informatie wordt gegeven.

[F]:

Voor mij had het verschil gemaakt of een e-mail in het Nederlands of in het Pools was geweest. Ik spreek geen Nederlands en zou dat liever in het Pools ontvangen. Voor mij had het verschil gemaakt of een positief advies zou zijn gegeven over de CAO in de e-mail.

[G]:

Het zou voor mij verschil maken of de e-mail in het Pools of het Nederlands zou zijn geweest. (…) Het zou voor mij verschil uitmaken of een positief advies over de CAO in de e-mail zou zijn gegeven.

2.11. Uit het voorgaande volgt dat de meeste getuigen de e-mail met de concept-CAO in het Pools hadden willen ontvangen en dat dat voor hen verschil had gemaakt. Verder volgt hieruit dat het voor de meeste getuigen verschil had gemaakt of daar een positief advies in zou zijn opgenomen. Slechts de getuigen [C] en [B] hadden de e-mail ook wel in het Nederlands willen krijgen. Alleen voor de getuige [A] had een positief advies geen verschil gemaakt. In hoeverre de taalstelling en de advisering in de e-mail geleid hebben tot het niet ontstaan van de CAO valt op basis van hetgeen is verklaard echter niet vast te stellen. De VIA is dan ook niet geslaagd in haar bewijs van het feit dat deze ‘gebreken’ in de e-mail ertoe hebben geleid dat de CAO niet tot stand is gekomen.

2.12. Het bewijs van dit punt was echter slechts uit proceseconomische overwegingen opgedragen, namelijk voor het geval niet vast zou komen te staan dat de ledenraadpleging niet onder alle leden had plaatsgevonden of meer dan drie positieve reacties had opgeleverd. Nu vast is komen te staan dat de ledenraadpleging niet onder alle leden heeft plaatsgevonden, is het niet slagen van het bewijs op dit punt niet relevant voor de hierna te trekken conclusies.

Conclusie

2.13. De conclusie, die uit het voorgaande kan worden getrokken, is dat de Internetvakbond slechts een fractie van de leden een e-mail heeft gezonden met de concept-CAO, als de e-mail die leden al heeft bereikt. Daarmee is de Internetvakbond tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting jegens de VIA zorg te dragen voor een deugdelijke ledenraadpleging onder alle leden. De Internetvakbond heeft de verdere stappen om te komen tot een CAO afgebroken omdat zij een ‘teleurstellend aantal reacties’ had ontvangen. Dat standpunt van de Internetvakbond vindt onvoldoende steun in de feiten zoals die thans zijn vastgesteld. Immers, zij heeft daarmee de indruk gewekt dat zij aan alle leden een e-mail had gestuurd en daarop een extreem lage respons had gekregen. Dat was echter niet het geval. Door op die grond de verdere onderhandelingen af te breken heeft de Internetvakbond gehandeld in strijd met hetgeen haar betaamde en derhalve onrechtmatig gehandeld. De VIA heeft de Internetvakbond in gebreke gesteld, zoals voldoende volgt uit het kortgedingvonnis van 16 maart 2009. De Internetvakbond verkeerde derhalve in verzuim.

2.14. De Internetvakbond is dus tekort geschoten in de nakoming van haar overeenkomst met de VIA ter zake van de ledenraadpleging en heeft onrechtmatig gehandeld door de onderhandelingen op oneigenlijke gronden af te breken. De door de VIA op dit punt gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

[gedaagde sub 4]

2.15. Ten aanzien van [gedaagde sub 4] is in het tussenvonnis in r.ov. 4.18 overwogen dat, indien vast komt te staan dat de Internetvakbond is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA en daaruit zou volgen dat [gedaagde sub 4] als bestuurder van de Internetvakbond onrechtmatig heeft gehandeld jegens de VIA, de vordering jegens [gedaagde sub 4] zal worden toegewezen. Hiervoor is reeds overwogen dat de Internetvakbond is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst met de VIA. Nu [gedaagde sub 4] wist of behoorde te weten dat hij de ledenraadpleging onder slechts een fractie van het aantal leden had uitgevoerd, kan [gedaagde sub 4] een persoonlijk verwijt worden gemaakt van de tekortkoming. Hij heeft de VIA bewust op het verkeerde been gezet door te berichten dat de raadpleging een ‘teleurstellend aantal’ reacties heeft opgeleverd, omdat dat impliceerde dat de raadpleging onder een veel groter aantal leden – zo niet alle – had plaatsgevonden. Onbetwist is immers dat [gedaagde sub 4] de e-mail van de ledenraadpleging zelf heeft opgesteld en verzonden aan de leden. De vordering jegens [gedaagde sub 4] zal worden toegewezen.

Schade

2.16. Onrechtmatig handelen en het tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst leiden tot de verplichting tot het vergoeden van de door de wederpartij dientengevolge geleden schade. Het plaatsen van een mededeling in een dagblad kan, op grond van art. 6:103 BW, een vorm van schadevergoeding zijn. De hoofdregel is echter, zo volgt uit art. 6:103 BW, dat schadevergoeding wordt voldaan in geld. In dit geval is het vergoeden van de schade in de vorm van het plaatsen van een mededeling in een dagblad geen passende vorm van schadevergoeding, nu de onrechtmatige daad en de wanprestatie van de Internetvakbond niet bestond uit het verspreiden van onjuiste informatie in de media en gesteld noch gebleken is dat zij de publiciteit heeft gezocht na het afbreken van de onderhandelingen over de CAO. De VIA stelt slechts dat andere vakbonden zich in de media negatief hebben uitgelaten. De daardoor ontstane schade is niet veroorzaakt door de Internetvakbond. Zoals in het tussenvonnis al is overwogen kunnen de gedragingen van De Unie niet worden vereenzelvigd met die van de Internetvakbond. De vordering tot het plaatsen van een mededeling in een dagblad zal dan ook worden afgewezen.

2.17. De rechtbank is van oordeel dat de schadevergoeding in geld dient te worden voldaan. De schade dient nader te worden onderbouwd door de VIA, zoals in het tussenvonnis van 3 maart 2010 in r.ov. 4.13. al is overwogen. De zaak zal op de rol worden geplaatst voor het nemen van een akte door de VIA, waarin zij haar schade nader kan onderbouwen. De Internetvakbond kan daarna een antwoordakte nemen.

2.18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. plaatst de zaak op de rol van 9 februari 2011 voor het nemen van een akte door de VIA, als bedoeld in r.ov. 2.17.,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2011.