Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BM8455

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
05/900927-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 20-jarige matroos der eerste klasse tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens een poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, meermalen gepleegd, mishandeling, meermalen gepleegd en het in bezit hebben, verspreiden en tentoonstellen van kinderpornografische afbeeldingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900927-09

Datum zitting : 7 juni 2010

Datum uitspraak : 21 juni 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : 15 juli 1989 te [geboorteplaats],

rang/rnr : Matroos der 1e klasse [nummer]

ingedeeld bij : Hr.Ms. Johan de Witt te Den Helder

thans gedetineerd in MPC Stroe, Wolweg 100 te Stroe.

raadsman : mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 september 2009 te Zaandam en/of elders in Nederland

en/of op/vanaf het Nederlandse marineschip de HR. MS. Johan de Witt en/of te

Lissabon (Portugal),

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander, althans alleen, (meermalen)

door een feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere

feitelijkheid, een persoon, te weten [slachtoffer], te dwingen tot het

plegen van ontuchtige handelingen,

die [slachtoffer] heeft verzocht om seksuele/ontuchtige handelingen te

verrichten bij en/of met [betrokkene] en/of bij zichzelf, welke handelingen voor

verdachte dan door gebruikmaking van een webcam zichtbaar moesten zijn en/of

middels een via internet aan verdachte op te sturen filmpje,

waarbij verdachte

- heeft gedreigd met het op internet zetten van een filmpje waarin

die [slachtoffer] masturbeert, in elk geval naakt te zien is, en/of

- heeft gedreigd haar en/of één of meerdere van familieleden neer te zullen

schieten althans geweld aan te zullen doen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

dat hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1

september 2008 tot en met 22 september 2009, te Zaandam, in ieder geval in

Nederland, (en/of aan boord van het Nederlandse marineschip de HR. MS. Johan

de Witt),

(een) gegevensdrager (te weten een Samsung laptop) bevattende (circa) 12,

althans een aantal afbeeldingen ((circa) 5 videobestanden en 7 foto's) van

(een) seksuele gedraging(en) waarbij (een) persoon is betrokken die de

leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

in bezit heeft gehad en/of die afbeeldingen heeft verspreid en/of heeft

vervaardigd en/of (aan collega's) heeft tentoongesteld,

welke afgebeelde seksuele gedragingen (onder meer) bestaan uit een (deels)

ontklede minderjarige, (te weten [slachtoffer], geboortedatum 29/9/1991)

- die op een dusdanige wijze poseert dat haar geslachtsdelen nadrukkelijk in

beeld worden gebracht, welke wijze van poseren kennelijk bedoeld is om

seksuele prikkeling op te wekken en/of

- die masturbeert;

3.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007

tot en met 1 juni 2009 te Zaanstad en/of elders in Nederland, [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling en/of met brandstichting, door opzettelijk dreigend

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bij/tegen het

hoofd van die [slachtoffer] te houden en daarbij aan te geven dat hij die

[slachtoffer] zou afmaken indien zij niet naar hem zou luisteren en/of

- (woordelijk) te dreigen met het in brand steken van de woning waarin die

[slachtoffer] verbleef en/of

- met een (zogenaamde) molotov-cocktail in zijn handen te verschijnen

bij de woning waarin die [slachtoffer] verbleef en haar daarbij (woordelijk)

te bedreigen met het aansteken en naar binnen gooien van deze molotov-

cocktail;

4.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 1 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in

Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld

of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van

die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in de anus van die [slachtoffer],

welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben

bestaan dat verdachte opzettelijk

- die [slachtoffer] (al dan niet bij wijze van straf) voor de keuze heeft

gesteld tussen het ondergaan van genoemde anale penetratie of het krijgen van

klappen en/of

- heeft gedreigd de zus van die [slachtoffer] (zijnde [zus slachtoffer]) en/of

de kinderen van die zus, geweld aan te doen;

5.

hij (op meerdere tijdstippen) in of of omstreeks de periode van 1 december

2007 tot en met 1 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval

in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], heeft geslagen en/of

geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

6.

hij op of omstreeks 22 september 2009, op/vanaf het Nederlandse marineschip de

HR. MS. Johan de Witt en/of in Nederland, (meermalen) opzettelijk een persoon

genaamd [slachtoffer], heeft beledigd, door een of meerdere foto's waarop die

[slachtoffer] (deels) naakt stond afgebeeld op een (openbaar toegankelijke)

internetsite (te weten Hyves) te plaatsen en/of (in het openbaar) te tonen aan

zijn collega's.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 7 juni 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen [slachtoffer].

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] tot een bedrag van € 2.500,- wegens immateriële schade wordt toegewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven harddisks en het imitatiewapen worden ontrokken aan het verkeer en dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De bevoegdheid van de militaire kamer

Ten aanzien van feit 4 overweegt de militaire kamer het navolgende.

De militaire kamer stelt vast dat verdachte sinds 26 februari 2007 militair is. Gedurende een deel van de tenlastegelegde periode – van 1 januari 2006 tot en met 25 februari 2007 – was verdachte nog geen militair en nog minderjarig. De militaire kamer is daarom niet bevoegd van de zaak kennis te nemen, voor zover het de periode tot en met 25 februari 2007 betreft. De militaire kamer is op basis van artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak wel bevoegd kennis tot kennisneming van deze zaak voor wat betreft het de periode van

26 februari 2007 tot en met 1 september 2009, zijnde het resterende deel van de ten laste gelegde periode, ook al was verdachte tot 15 juli 2007 minderjarig.

2b. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 6 overweegt de militaire kamer het navolgende.

De militaire kamer is ambtshalve van oordeel dat door de officier van justitie niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel is neergelegd dat iemand alleen kan worden vervolgd wegens belediging indien degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, een klacht heeft ingediend. Zo er al uit de aangifte van

24 september 2009 kan worden opgemaakt dat aangeefster daarin ook aangifte doet wegens belediging dan is uit die aangifte en ook anderszins uit het dossier of ter terechtzitting niet gebleken dat aangeefster ter zake van belediging ook daadwerkelijk vervolging wenste jegens verdachte en hiertoe een klacht heeft ingediend. De officier van justitie is daarom voor feit 6 niet-ontvankelijk.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 22 september 2009 te Zaandam en vanaf het Nederlandse marineschip Hr.Ms. Johan de Witt geprobeerd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen. Hij heeft [slachtoffer] dwingend verzocht om seksuele/ontuchtige handelingen te verrichten bij en/of met [betrokkene] . Deze handelingen moesten voor verdachte dan door gebruikmaking van een webcam en middels een via internet aan verdachte op te sturen filmpje zichtbaar zijn. Verdachte heeft daarbij gedreigd met het op internet zetten van een filmpje waarin [slachtoffer] masturbeert, in elk geval naakt te zien is . De beide dames hebben desondanks geweigerd op de eisen van verdachte in te gaan.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Dit is gebeurd in Zaandam en vanaf het marineschip Hr.Ms. Johan de Witt, overigens gelegen in Casablanca en niet in Lissabon (Portugal), zoals ten laste is gelegd. Verdachte heeft gedreigd met op het internet zetten van het meergenoemde filmpje én met het neerschieten of anderszins geweld aandoen van haar en één of meer familieleden.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat enkel de bedreiging met het plaatsen van het filmpje op het internet kan worden bewezen en dat vrijspraak dient te volgen voor de bedreiging van familieleden.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De militaire kamer heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden en acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte op 22 september 2009 heeft gedreigd [slachtoffer] en/of één of meerdere van haar familieleden neer te zullen schieten, althans geweld aan te zullen doen. De militaire kamer zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Evenmin acht de militaire kamer bewezen dat het misdrijf heeft plaatsgevonden in Lissabon. Voor het overige kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op tijdstippen omstreeks de periode 1 september 2008 tot en met 22 september 2009, te Zaandam, en aan boord van het Nederlandse marineschip Hr.Ms. Johan de Witt, een afbeelding (1 foto die op zijn Samsung laptop-computer stond) van een seksuele gedraging waarbij een persoon is betrokken die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in bezit gehad en verspreid . De afgebeelde seksuele gedraging bestaat (onder meer) uit een (deels) ontklede [slachtoffer] (geboortedatum 29/9/1991 ), die op een dusdanige wijze poseert dat haar geslachtsdelen nadrukkelijk in beeld worden gebracht, welke wijze van poseren kennelijk bedoeld is om seksuele prikkeling op te wekken .

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben, verspreiden, vervaardigen en tentoonstellen van kinderpornografische afbeeldingen. Volgens de officier van justitie is in ieder geval bewezen dat één van de foto’s die verdachte heeft gemaakt, in zijn bezit had en heeft verspreid en tentoongesteld, kinderpornografisch van aard was, te weten een foto waarop [slachtoffer] helemaal naakt in beeld is, terwijl ze op dat moment 17 jaar oud was. Ten aanzien van dezelfde foto waarop borsten en schaamstreek van [slachtoffer] zijn afgedekt met balkjes of balkjes, heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze niet kinderpornografisch zijn. Over het ‘verspreiden’ heeft de officier van justitie gesteld dat sprake is van verspreiden, ook als de Hyves-site, waarop de foto van [slachtoffer] – volledig naakt – te zien was, maar tweemaal zou zijn bezocht, voordat verdachte de foto verwijderde, zoals hij heeft verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij foto’s van [slachtoffer] aan anderen dan zijn voormalige hutgenoot [naam hutgenoot] heeft tentoongesteld. Door de raadsman is gesteld dat de foto’s met de balkjes en blokjes, zoals hierboven genoemd, niet te beschouwen als kinderpornografie, omdat op die foto’s geen naakt te zien is. Dezelfde foto zónder balkjes of blokjes is niet verspreid.

De raadsman heeft verder partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de filmpjes, nu niemand de filmpjes heeft gezien en de inhoud van de filmpjes niet uit het dossier blijkt. Overigens is de raadsman van mening dat geen sprake is van (kinder)pornografie omdat, kort gezegd, de afbeeldingen destijds binnen de beslotenheid van een relatie met instemming van beide partners zijn gemaakt en de consumptie daarvan bedoeld was om uitsluitend binnen de relatie plaats te vinden.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De militaire kamer gaat ervan uit dat de foto’s en films, die verdachte van zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] in bezit had en (deels) heeft vervaardigd in eerste instantie uitsluitend bedoeld waren voor consumptie binnen een gelijkwaardige relatie en daarom niet kunnen worden beschouwd als kinderpornografie. Dit wordt echter anders indien afbeeldingen op een andere wijze worden aangewend dan waarvoor deze aanvankelijk waren bedoeld.

Getuige [getuige6] heeft verklaard dat verdachte naaktfoto’s van zijn vriendin ([slachtoffer]) had, waarvan hij er één aan getuige had laten zien, waarop verdachtes vriendin naakt stond te poseren. Getuige [naam hutgenoot] heeft verklaard dat verdachte naaktfoto’s van zijn vriendin toonde waarop ze poseerde en haar hele lichaam zichtbaar was. Verdachte heeft verklaard dat [naam hutgenoot] wel een naaktfoto van [slachtoffer] op zijn (verdachtes) telefoon heeft gezien, maar dat hij (verdachte) verder aan niemand foto’s heeft laten zien. De militaire kamer acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een foto waarop zijn toenmalige minderjarige vriendin [slachtoffer] naakt was afgebeeld, aan collega’s heeft tentoongesteld.

De militaire kamer is van oordeel dat de foto van [slachtoffer] die verdachte op het internet heeft geplaatst als kinderpornografie kan worden beschouwd, nu [slachtoffer] op een zodanige wijze poseert, dat haar geslachtsdelen nadrukkelijk in beeld worden gebracht, en de wijze van poseren kennelijk bedoeld is om seksuele prikkeling op te wekken. De militaire kamer is voorts van oordeel dat door de plaatsing op internet sprake is van verspreiding door verdachte van kinderpornografie.

Op de laptop van verdachte zijn naast de foto waarop [slachtoffer] naakt poseert, nog andere foto’s van haar aangetroffen. De militaire kamer acht, in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie en van de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat op deze afbeeldingen seksuele gedragingen zijn afgebeeld en zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Op de laptop van verdachte zijn naast de foto’s tevens videobestanden aangetroffen. [slachtoffer] heeft verklaard dat ze in 2008 – toen ze 17 jaar oud was – een filmpje heeft gemaakt waarop ze helemaal naakt te zien is en waarop ze zichzelf aan het bevredigen is. Ze heeft verder verklaard dat ze dit filmpje naar verdachte heeft toegestuurd en dat ze denkt dat het nu op zijn laptop staat. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook kinderpornografische filmpjes van [slachtoffer] had die hij op zijn laptop bewaarde. Bij de Koninklijke Marechaussee heeft hij verklaard dat de filmpjes op de inbeslaggenomen laptop staan en dat op één van die filmpjes te zien is dat [slachtoffer] masturbeert .

Gelet op het bovenstaande acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een filmpje in zijn bezit had van seksuele gedragingen waarbij een persoon is betrokken die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. De afgebeelde seksuele gedragingen bestaan (onder meer) uit een (deels) ontklede minderjarige (te weten[slachtoffer], geboortedatum 29/9/1991 ), die masturbeert .

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte naast het filmpje waarop [slachtoffer] masturbeert nog meer filmpjes van seksuele gedragingen waarbij een minderjarige is betrokken in bezit heeft gehad, heeft verspreid, vervaardigd of tentoongesteld en zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 is tenlastege¬legd en zal verdachte daarvan vrijspreken. Verdachte ontkent dit feit en naar het oordeel van de militaire kamer is naast de aangifte geen ondersteunend bewijsmateriaal in het dossier aanwezig. De getuigenverklaringen over het ten laste gelegde, die de aangifte zouden moeten ondersteunen zijn uitsluitend ‘van horen zeggen’.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan anale verkrachting, meermalen gepleegd. Zij wijst daartoe op de verklaring van [slachtoffer], welke verklaring wordt ondersteund door verklaringen van haar moeder en zus. Ook getuige [naam hutgenoot] heeft verklaard dat verdachte wel eens tegen hem heeft gezegd dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] had gebracht, maar dat [slachtoffer] dat niet zo leuk vond.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet geloofwaardig is. Daartoe is, kort samengevat, gesteld dat ze tegenstrijdig heeft verklaard met betrekking tot de door verdachte toegepaste dwang en verder dat ze pas een maand na de eerste aangifte tegen verdachte aangifte heeft gedaan van de verkrachting. Daarbij komt dat getuige [naam oom verdachte], de oom van verdachte, zegt niets te hebben gemerkt.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Ook hier was dit het geval. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaringen van het (vermeende) slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is echter de enkele verklaring van één getuige (in casu het slachtoffer]slachtoffer]) in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer onder omstandigheden voldoende wettig bewijs kan opleveren.

De vraag die de militaire kamer dient te beantwoorden is of bewezen is dat verdachte bij [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen in haar anus en of hij daarbij zodanige dwang heeft uitgeoefend dat van verkrachting moet worden gesproken..

Vaststaat dat binnen de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] veel seksueel verkeer plaatsvond. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte in de periode van begin 2007 tot en met eind 2008 te Zaandam zeven à acht keer anale seks met haar heeft gehad . Met anale seks bedoelt ze seks tussen een man en een vrouw waarbij de man met zijn penis naar binnen gaat bij de anus van de vrouw. [slachtoffer] heeft verklaard dat juist die anale seks met verdachte altijd tegen haar wil was. De anale seks was om haar te straffen. Ze moest anale seks met verdachte hebben of ze moest haar spullen pakken en weggaan of verdachte bedreigde haar moeder of zus. Verdachte zei tegen haar dat hij haar achterna zou komen als ze zou gaan en dat hij haar op straat in elkaar zou slaan. [slachtoffer] heeft verdachte duidelijk gemaakt dat ze geen anale seks met hem wilde door hem dat uitdrukkelijk te vertellen.

[zus slachtoffer], de zuster van [slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] haar heeft verteld dat ze tegen haar wil anale seks had met verdachte en dat dit haar erg pijn deed. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] haar had verteld dat verdachte [slachtoffer] bij wijze van straf twee mogelijkheden bood: of hij sloeg haar in elkaar of ze hadden anale seks.Verder heeft zij verklaard dat [slachtoffer] haar heeft verteld dat ze absoluut geen anale seks wilde en het er niet mee eens was. (slachtoffer] heeft dit ook aan haar moeder verteld en haar moeder heeft verdachte daarop aangesproken.

De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte een keer anale seks heeft gehad met [slachtoffer], waardoor [slachtoffer] bijna niet kon lopen. Zij kon alleen maar liggen op de bank, maar niet zitten .[slachtoffer] had daarbij aangegeven dat zij hiertegen machteloos was. Zij, de moeder, heeft hier met verdachte over gesproken, waardoor en waarna verdachte heel boos is geworden op [slachtoffer]. Dit gesprek zou tijdens het eten aan tafel hebben plaatsgevonden en verdachte zou hebben gezegd dat [slachtoffer] moest worden gestraft als zij iets verkeerd deed. [slachtoffer] bevestigt bij de rechter-commissaris dat dit gesprek over anale seks aan tafel met haar moeder en verdachte heeft plaatsgevonden. Ook haar zus verklaart dat [slachtoffer] en haar moeder met verdachte aan tafel zaten toen haar moeder verdachte aansprak over de anale seks. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat dit gesprek tussen hem, [slachtoffer] en haar moeder heeft plaatsgevonden, waarbij de moeder hem heeft aangesproken op hun seksuele gedrag, maar verdachte heeft verklaard dat daarbij niet is gesproken over anale seks. De militaire kamer acht de verklaring van verdachte op dit punt echter ongeloofwaardig, nu zowel [slachtoffer] als haar moeder en zus verklaren dat dit gesprek (ook) over anale seks ging.

Getuige [naam hutgenoot] heeft verklaard dat verdachte wel eens zei dat hij anale seks had gehad met [slachtoffer] en dat ze dat niet zo leuk vond.

Verdachte heeft ontkend [slachtoffer] anaal te hebben gepenetreerd.

[slachtoffer] heeft zeer gedetailleerd beschreven hoe verdachte haar meerdere malen tegen haar wil in haar anus heeft gepenetreerd. Naar het oordeel van de militaire kamer zijn haar verklaringen coherent en consistent. Haar verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van haar zus, haar moeder en getuige (naam hutgenoot). De militaire kamer acht haar verklaring dan ook geloofwaardig. Op grond van voornoemde overwegingen komt de militaire kamer tot de slotsom dat de verdachte wel bij [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen in haar anus.

Verdachte heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] moeilijk liep doordat ze veel seks hadden, waardoor de vagina schraal zou kunnen zijn geworden. De militaire kamer acht deze verklaring echter niet aannemelijk nu geen enkele andere verklaring in het dossier op deze mogelijkheid wijst.

Ten aanzien van de met de handelingen gepaard gaande bedreigingen overweegt de militaire kamer voorts nog het volgende.

In het dossier zijn verklaringen die een beeld schetsen dat verdachte zeer dominant kon zijn, zijn toenmalige vriendin als zodanig gewoonlijk bejegende en met regelmaat bedreigingen uitte en zaken afdwong. Zo heeft getuige [getuige2] verklaard dat verdachte goed kan schelden en mensen onder druk kan zetten om ze iets te laten doen. Ook heeft hij verdachte over de telefoon onder meer horen zeggen: “ik zoek je op, ik pak je ouders (…) ik maak je kapot.”. Getuige [getuige2] heeft verder verklaard over een incident in Roemenië waarbij verdachte zijn collega’s en een prostituee heeft bedreigd. Ook getuige [getuige3] heeft verklaard dat verdachte zijn vriendin telefonisch bedreigde. Verder verklaarde getuige

[getuige4] dat verdachte dominant is in contact en hij zijn vriendin bedreigde . Ook heeft hij verklaard dat verdachte in Roemenië collega’s en een prostituee heeft bedreigd. Ook anderen zouden bang zijn voor verdachte. Getuige [getuige5] heeft verklaard dat verdachte een keer heel dreigend tegenover hem ging staan. Hij heeft tevens verteld dat hij de indruk had dat verdachte zijn vriendin bedreigde en intimideerde. Getuige [naam hutgenoot] heeft eveneens verklaard dat verdachte zijn vriendin telefonisch bedreigde, onder meer met: “als je wel gaat of als je het wel doet dan maak ik je af of schop ik je het huis uit”. Voorts heeft getuige [getuige] verklaard dat verdachte zijn vriendin vaak dingen verbood te doen en haar telefonisch bedreigde, ondermeer door te zeggen dat hij haar kapot ging schieten. Getuige(getuige6) (heeft ook verklaard dat hij het bedreigend zou hebben gevonden als hij de vriendin van verdachte was en dat hij zich ook kan inbeelden dat anderen zich door verdachte bedreigd hebben gevoeld .

De militaire kamer acht de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig. Haar verklaringen zijn gedetailleerd, coherent en consistent en worden ondersteund door de verklaringen van haar zus, haar moeder en getuige (naam hutgenoot). Het enkele gegeven dat [slachtoffer] deze aangifte een maand na de eerste aangifte tegen verdachte heeft gedaan, maakt haar verklaring niet ongeloofwaardig en ontneemt niet het strafwaardige karakter aan de betreffende gedraging. De verklaringen van collega’s van verdachte, zoals hierboven aangehaald, dragen bij aan de overtuiging dat verdachte dwang jegens [slachtoffer] heeft gebruikt, zodanig dat sprake is geweest van verkrachting. In het dossier is evenwel onvoldoende bewijs te vinden voor de stelling dat verdachte [slachtoffer] zou hebben gedreigd haar zuster en/of haar kinderen iets aan te doen wanneer zij niet aan haar wensen zou voldoen. Weliswaar zijn aanwijzingen in deze richting in de stukken te vinden, maar niet in directe relatie tot het moeten ondergaan door [slachtoffer] van anale seks.

Tegenover de verklaring van [slachtoffer] staat uitsluitend de ontkennende verklaring van de verdachte.

De militaire kamer acht op basis van de aangifte en ondersteunende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met het dwingende karakter van de handelingen in het onder 1 bewezenverklaarde feit, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, te weten het brengen van zijn penis in haar anus. De bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] (al dan niet bij wijze van straf) voor de keuze heeft gesteld tussen het ondergaan van genoemde anale penetratie of het krijgen van klappen.

Ten aanzien van feit 5

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk mishandele[slachtoffer]slachtoffer] geslagen en geschopt/getrapt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard hij [slachtoffer] een keer heeft geslagen met de vlakke hand en een keer ‘gecontroleerd hard’ heeft geschopt . Volgens verdachte had ze wel pijn, maar geen letsel. Hij gelooft niet dat hij zo hard heeft geschopt dat dit een blauwe plek heeft veroorzaakt.

Beoordeling van de standpunten en conclusie[slachtoffer]slachtoffer] heeft verklaard dat zij vanaf eind 2007 door verdachte 10 tot 12 keer is geslagen. Voorts is zij door hem getrapt op straat en heeft zij als gevolg van die schop/trap door verdachte een enorme blauwe plek op haar bovenbeen gekregen. Haar moeder en haar zus hebben die blauwe plek gezien. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [zus slachtoffer], de zus van [slachtoffer], inhoudende dat zij heeft gezien dat [slachtoffer] een grote blauwe plek had op de plaats waar verdachte haar had geraakt. Ook getuige [naam moeder slachtoffer], de moeder van [slachtoffer], heeft verklaard dat ze een blauwe plek heeft gezien en dat [slachtoffer] moeilijk liep. Voorts heeft de oom van verdachte, [naam oom slachtoffer], tegenover een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij wel eens had gezien dat verdachte [slachtoffer] sloeg.

Op grond van het voorgaande acht de militaire kamer bewezen d[slachtoffer]slachtoffer] door verdachte in de gegeven periode meerdere keren werd geslagen en geschopt/getrapt. Door een schop/trap van verdachte heeft zij een blauwe plek op haar bovenbeen gekregen. Zij heeft pijn ondervonden en ook letsel opgelopen. De militaire kamer acht daarmee mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 22 september 2009 te Zaandam n vanaf het Nederlandse marineschip Hr.Ms. Johan de Witt ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door bedreiging met een feitelijkheid, een persoon, te weten [slachtoffer], te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen, die [slachtoffer] heeft verzocht om seksuele/ontuchtige handelingen te verrichten bij en/of met [betrokkene] , welke handelingen voor verdachte dan door gebruikmaking van een webcam zichtbaar moesten zijn en middels een via internet aan verdachte op te sturen filmpje,waarbij verdachte- heeft gedreigd met het op internet zetten van een filmpje waarin die [slachtoffer] masturbeert, in elk geval naakt te zien is,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

dat hij (op tijdstippen) omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 22 september 2009, te Zaandam, en aan boord van het Nederlandse marineschip Hr.Ms. Johan de Witt,

(een) gegevensdrager (te weten een Samsung laptop) bevattende afbeeldingen 1 videobestand en 1 foto van seksuele gedraging(en) waarbij (een) persoon is betrokken die de

leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in bezit heeft gehad en die afbeeldingen heeft verspreid en (aan collega's) heeft tentoongesteld, welke afgebeelde seksuele gedragingen (onder meer) bestaan uit een (deels) ontklede minderjarige, (te weten [slachtoffer], geboortedatum 29/9/1991)

- die op een dusdanige wijze poseert dat haar geslachtsdelen nadrukkelijk in beeld worden gebracht, welke wijze van poseren kennelijk bedoeld is om seksuele prikkeling op te wekken en/of

- die masturbeert;

4.

hij (op tijdstippen) in de periode van 1 maart 2007

tot en met 1 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in de anus van die [slachtoffer],

welke bedreiging met geweld hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk

- die [slachtoffer] (al dan niet bij wijze van straf) voor de keuze heeft

gesteld tussen het ondergaan van genoemde anale penetratie of het krijgen van

klappen

5.

hij (op tijdstippen) in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk mishandelend [slachtoffer], heeft geslagen en geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe¬zen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten aanzien van feit 2:

Een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, verspreiden en openlijk tentoonstellen.

Ten aanzien van feit 4:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 1 oktober 20009;

- een rapport van kolonel-arts [naam], psychiater, gedateerd 6 januari 2010;

- een Pro Justitia rapportage van 28 mei 2010, opgesteld door [naam], psycholoog en [naam], psychiater, verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht).

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van het tenlastegelegde gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie benadrukt dat het gaat om zes ernstige strafbare feiten. Zij is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van die feiten en de enorme impact die alles op het slachtoffer en haar familie heeft gehad. Het heeft allemaal plaatsgehad binnen een relatie van enkele jaren, waarin het slachtoffer vele angsten heeft doorstaan. Verdachte is enerzijds heel denigrerend naar vrouwen en anderzijds heeft hij behoefte aan liefde. De officier van justitie acht, gelet op de problematische persoonlijkheid van verdachte, daarom – hoewel dit niet is geadviseerd – reclasseringscontact op zijn plaats.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is matiging van de straf bepleit, nu vrijspraak voor feit 4 is bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat het gelet op de omstandigheden een licht vergrijp is, het zit ‘onderin de schaal van ernst’.

Met betrekking tot feit 2 is door de verdediging aangevoerd dat er in grammaticale zin sprake kunnen zijn van kinderporno, maar dat dit zou het hoogstens zou kunnen leiden tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, omdat de wetgever situaties als de onderhavige niet voor ogen heeft gehad bij het opstellen van het onderhavige wetsartikel.

De verdediging acht een taakstraf, mede gezien de bepleite vrijspraak voor de feiten 3, 4 en 6, meer dan voldoende. Verdachte heeft aangegeven in te stemmen met een eventueel op te leggen reclasseringscontact.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte heeft een foto waarop zijn toenmalige vriendin naakt poseert en een filmpje waarop te zien is dat zij masturbeert, in bezit gehad. Verdachte heeft de foto bovendien op internet gezet en aan collega’s laten zien. Verder heeft hij zijn toenmalige vriendin gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen. Hij heeft daarbij gedreigd het filmpje op internet te zetten, als zij niet aan zijn opdracht zou voldoen. Tevens heeft hij haar gedurende de relatie meermalen mishandeld en meermalen anaal verkracht. Aldus heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke gedragingen leiden tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid in het dagelijks leven, zeker nu de feiten zijn begaan binnen een relatie. De militaire kamer acht dit soort feiten zeer laakbaar.

Bij de strafoplegging neemt de militaire kamer in aanmerking dat verdachte weliswaar kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad, heeft verspreid en heeft tentoongesteld, maar dat het in totaal een zeer gering aantal afbeeldingen betrof van verdachtes toenmalige vriendin en dat verdachte deze in eerste instantie voor zijn eigen gerief bestemd had. Hierbij was in beginsel geen sprake van seksueel misbruik van minderjarigen en van de exploitatie daarvan. Dit werd echter anders toen verdachte een van de naaktfoto’s op het internet plaatste, een naaktfoto aan mede-opvarenden liet zien en toen verdachte een in zijn bezit zijnd (kinderpornografisch) filmpje over zijn vriendin als drukmiddel ging gebruiken om haar tot ontuchtige handelingen te dwingen.

De militaire kamer heeft acht geslagen op een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroor¬deeld.

De militaire kamer houdt verder rekening met hetgeen door [naam], psycholoog en [naam], psychiater, in hun rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

“Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van misbruik van alcohol. Er zijn tevens aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling, in die zin dat betrokkene een onrijpe indruk maak en dat sprake is van afhankelijke en narcistische trekken in de persoonlijkheid, echter deze aanwijzingen zijn van een betrekkelijk geringe omvang. Meest op de voorgrond staat een kwetsbaar zelfbeeld, waarbij betrokkene moeite heeft tegenstrijdige gevoelens te integreren en geneigd is tot imponeren. In contact met anderen schiet betrokkenes vermogen zich af te stemmen soms tekort en in partnerrelaties reageert hij heftig bij (dreigende) verlating, wat kan leiden tot moeilijk te hanteren machteloze woede. Er kan niet gesproken worden van een persoonlijkheidsstoornis.

(…)

Het misbruik van alcohol lijkt geen rol van betekenis te spelen daar betrokkene de ten laste gelegde feiten niet onder invloed van alcohol gepleegd heeft. Ook wanneer er wel alcohol in het spel zou zijn geweest moet opgemerkt worden dat betrokkene ook in staat moet worden geacht van de consumptie van alcohol af te zien.

De persoonlijkheidstrekken, c.q. de gestoorde ontwikkeling, zijn niet van pathologische omvang. Het is daardoor niet mogelijk de gedragskeuzes hier direct aan toe te schrijven. Weliswaar zijn de door betrokkene bekende ten laste gelegde feiten ‘beter te begrijpen’ vanuit de kwetsbare trekken, maar betrokkene moet in staat geacht worden gedragsalternatieven te overwegen. Tevens moet in aanmerking worden genomen dat betrokkene gedeeltelijk ontkent, waardoor het niet mogelijk is zijn beweegredenen voor de door hem ontkende feiten te achterhalen. Gelet op het bovenstaande adviseren wij uw college betrokkene als toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen.

(…)

Gelet op bovenstaande conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid – met de afwezigheid van een verband – kan er vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak worden gedaan over de recidivekans. Betrokkene werd immers ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten niet belemmerd in zijn vermogen om keuzes en afwegingen te maken. Gelet op het voorgaande kan geen advies worden gegeven over een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader.”

De militaire kamer zal bovenstaande overwegingen bij de strafoplegging betrekken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur. De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd, dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De militaire kamer ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van

€ 2.500,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade, te weten schade aan de ruit van de woning van het slachtoffer en behandelingen door een psycholoog, af te wijzen, omdat de ruitschade niet door het tenlastegelegde is ontstaan en de kosten voor behandelingen door een psycholoog niet zijn gemaakt en ook niet voldoende zijn onderbouwd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat van de immateriële schade slechts

€ 500,- voor vergoeding in aanmerking komt.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De militaire kamer acht voldoende bewezen dat [slachtoffer] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De militaire kamer kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 1.500,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De militaire kamer zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering ter zake vergoeding van materiële schade dat bestaat uit een van de vergoeding van behandelingen door een psycholoog, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd en daarmee niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De militaire kamer zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van materiële schade, bestaande uit vergoeding van ruitschade, omdat dit deel van de vordering niet rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde strafbare feiten en daarmee niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Voor het toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de militaire kamer de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de militaire kamer toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

6b. Ten aanzien van het beslag

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven harddisks en het imitatiewapen worden ontrokken aan het verkeer en dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met uitzondering van de voorwerpen waarop de afbeeldingen zijn aangetroffen, terug te geven aan de rechthebbende.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het imitatiewapen dient eveneens te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De militaire kamer is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst, aan de rechthebbende zullen moeten worden teruggegeven

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 240b, 242, 246 en 300 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart zich onbevoegd om van feit 4, voor wat betreft de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 februari 2007, kennis te nemen.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 6.

Spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een andere vergelijkbare instelling voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen, te weten:

- harde schijf van computer (laptop), merk: Samsung, sin-nummer [nummer]l;

- harde schijf van computer (laptop), merk: HP, sin-nummer [nummer];

- imitatiewapen, sin-nummer (nummer).

Beveelt teruggave aan de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 1.500,- (zegge duizendvijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.500,-, subsidiair 25 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 1.500,- (zegge duizendvijfhonderd euro), bij gebreke van volledi¬e betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. A.G. Broek-de Stigter en kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juni 2010.