Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE8740

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/37
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking drank- en horecavergunning wegens slecht levensgedrag van een leidinggevende, namelijk misbruik van alcohol. Het betoog van eiser dat hij op de bewuste avond slechts in privé in zijn café aanwezig was, slaagt niet. Dit betoog faalt reeds, omdat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1º, van de DHW in zijn hoedanigheid van exploitant van het horecabedrijf altijd leidinggevende is, dus ook indien hij zich niet als leidinggevende manifesteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/1890
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/37

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 juli 2008

inzake

[naam] h.o.d.n. [naam horecabedrijf], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr.drs. V.N. van Waterschoot,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 december 2007, verzonden op 6 december 2007.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 7 september 2005 aan eiser een vergunning verleend als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) voor het uitoefenen van een horecabedrijf aan het [adres]

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder de verleende vergunning ingetrokken.

Bij uitspraak van 27 juli 2007 (AWB 07/2836) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eiser om hangende het tegen het besluit van 10 juli 2007 gemaakte bezwaar een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser tegen het besluit van 10 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 mei 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.A.M. Gruitrooij, advocaat te Nijmegen en kantoorgenoot van mr. drs. Van Waterschoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.D.A. Bos, advocaat te Nijmegen en door J. Knuiman, werkzaam bij de gemeente Beuningen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de DHW wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet en voor zover hier van belang onder leidinggevende verstaan:

1º. de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend;

2º. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend;

3º. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf en inrichting.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de DHW moet voor het verkrijgen van een vergunning worden voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden bepaalde.

In het tweede lid, aanhef en onder b is bepaald dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

Ingevolge het derde lid worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.

Aan deze laatste bepaling is uitvoering gegeven in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit).

In artikel 1 van het Besluit is bepaald dat een leidinggevende voldoet aan de in dit besluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit is voor zover hier van belang de eis gesteld dat een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. In deze laatste bepaling wordt kort gezegd het rijden onder invloed verboden.

In artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW is voor zover hier van belang bepaald dat een vergunning wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8 geldende eisen.

Aan het bestreden besluit ligt, gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie, het standpunt van verweerder ten grondslag dat het gehouden was de verleende vergunning in te trekken omdat eiser slecht levensgedrag heeft getoond. Bij het oordeel dat eiser slecht levensgedrag heeft getoond, heeft verweerder in aanmerking genomen dat hij in het verleden meerdere keren strafrechtelijk is veroordeeld, waaronder voor rijden onder invloed. Verder heeft de politie blijkens rapportages van 3 juni 2006 en 11 februari 2007 eiser in kennelijk beschonken toestand aangetroffen. Daarnaast heeft de politie blijkens een proces-verbaal van 20 juni 2007 vastgesteld dat eiser op de avond van 16 juni 2007 wederom beschonken was en als leidinggevende in het café aanwezig was. Dit voorval heeft uiteindelijk geleid tot intrekking van de vergunning. Verweerder heeft verder overwogen dat op eiser als eigenaar en exploitant van het café een zwaardere verantwoordelijkheid rust om goed gedrag tentoon te spreiden. Niet valt in te zien dat deze verantwoordelijkheid buiten de openingstijden van het café ophoudt te bestaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser al eerder is aangesproken op zijn gedrag en verantwoordelijkheid en dat de burgemeester met eiser daarover afspraken heeft gemaakt.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten en betwist hoofdzakelijk het standpunt van verweerder dat hij slecht levensgedrag heeft getoond. Op deze stelling en de overige stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Eiser betoogt dat verweerder de twee strafrechtelijke veroordelingen voor rijden onder invloed niet mag betrekken in zijn oordeel dat eiser slecht levensgedrag heeft getoond, omdat niet in geschil is dat eiser wel voldoet aan de eisen in het Besluit en die eisen richtinggevend zijn bij de beoordeling of sprake is van slecht levensgedrag. Bovendien zijn de twee veroordelingen bijna vijf jaar oud en zijn deze gedaan ruim voordat eiser eigenaar van zijn café werd.

Dit betoog slaagt niet. In dit geding moet worden beoordeeld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser slecht levensgedrag heeft getoond. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn er geen beperkingen ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken, nu in het Besluit geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn, en ook gelet op het feit dat de tekst van artikel 8 (voorheen: artikel 5) van de DHW, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling tot een andere opvatting dwingt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2002, LJN: AE4615). Verweerder heeft derhalve in zijn oordeel dat eiser slecht levensgedrag heeft getoond, de twee veroordelingen mogen betrekken. De omstandigheid dat de veroordelingen blijkens de gedingstukken uit 2003 en 2004, en van vóór de vergunningverlening dateren, vormt gelet op het voorgaande daarvoor evenmin een beletsel.

Ten aanzien van de bevindingen in de rapportages van 3 juni 2006 en 11 februari 2007 en het proces-verbaal van 20 juni 2007 overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser voert aan dat uit de rapportages van 3 juni 2006 en 11 februari 2007 van de politie niet de conclusie kan worden getrokken dat hij in beschonken toestand was.

De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog waar hij stelt dat uit de rapportage van 11 februari 2007 niet blijkt dat hij in beschonken toestand is geweest. In de rapportage van 11 februari 2007 heeft de rapporteur immers slechts opgemerkt dat eiser enigszins onder invloed van alcohol was, zodat niet vast staat dat hij beschonken was. Op grond van de rapportage van 3 juni 2006 staat voor de rechtbank wel vast dat eiser beschonken was. De rapporteur heeft blijkens die rapportage immers geconstateerd dat eiser alcohol heeft genuttigd, dat hij dit duidelijk kon ruiken, aan zijn ogen kon zien en aan zijn tongval kon merken. Naar algemene bekendheid zijn dit kenmerken van dronkenschap.

Op grond van het proces-verbaal van 20 juni 2007 staat voor de rechtbank vast dat eiser ook in de avond van 16 juni 2007 beschonken was, nu daaruit blijkt dat eiser naar alcoholhoudende damp rook, bloeddoorlopen ogen had en met een dubbele tong sprak. Eiser heeft zijn stelling dat hij in december 2006 is getroffen door een hersenbloeding en daardoor met een dubbele tong sprak en bloeddoorlopen ogen had, niet aannemelijk gemaakt. Het ter zitting overgelegde medicijnenrecept is daartoe onvoldoende en bovendien laat eisers stelling de constatering van de rapporteur dat hij naar alcohol rook, onverlet.

Eiser betoogt verder dat hij in de avond van 16 juni 2007 slechts in privé en niet in de hoedanigheid van leidinggevende in het café aanwezig was, nu een andere leidinggevende, mevrouw [naam], die avond de leiding in het café had. Dit betoog faalt reeds, omdat eiser, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1º, van de DHW in zijn hoedanigheid van exploitant van het horecabedrijf altijd leidinggevende is, dus ook indien hij zich niet als leidinggevende manifesteert. Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiser zich die avond ook heeft gemanifesteerd als degene die onmiddellijke leiding aan de uitoefening van het horecabedrijf geeft, nu uit het proces-verbaal blijkt dat hij, nadat mevrouw [naam] wegens geluidsoverlast op last van de politie de toegangs- en tussendeur had gesloten, de toegangs- en tussendeur heeft geopend en de muziek weer harder heeft gezet. Nadat de daardoor ontstane geluidsoverlast de aandacht van de politie heeft getrokken, heeft eiser zich met voorbijgaan aan mevrouw [naam] opgesteld als aanspreekpunt voor de gang van zaken in het café.

Gelet op de hiervoor beschreven feiten, die alle zijn gerelateerd aan misbruik van alcohol, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser slecht levensgedrag heeft getoond en derhalve niet langer voldeed aan de ingevolge artikel 8 van de DHW geldende eisen. Verweerder heeft daarbij mogen laten meewegen dat op eiser als eigenaar en exploitant van het café een zwaardere verantwoordelijkheid rust om, waar het gaat om het gebruik van alcohol, goed gedrag tentoon te spreiden. Verder heeft verweerder daarbij mogen laten meewegen dat eiser blijkens de gedingstukken herhaaldelijk op zijn gedrag is aangesproken en dat de burgemeester met hem op 15 juni 2006 op straffe van sluiting van het café de duidelijke afspraak heeft gemaakt dat de aanwezige en verantwoordelijke leidinggevende gedurende de openingstijden niet in kennelijke staat van dronkenschap mocht zijn. De stelling van eiser dat verweerders standpunt dat eiser slecht gedrag heeft getoond niet afdoende is gemotiveerd en dat het bestreden besluit daarom is genomen in strijd met de wet, de eisen van motivering en zorgvuldige voorbereiding, treft gelet op het voorgaande geen doel.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder gehouden was om de vergunning op de voet van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW in te trekken. De stelling van eiser dat verweerder daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de voor hem nadelige gevolgen van dat besluit, te weten de geleden en te lijden bedrijfsschade, kan geen doel treffen. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, is er immers geen plaats voor de door eiser voorgestane belangenafweging. De stellingen van eiser dat verweerder ten onrechte direct tot intrekking van de vergunning over is gegaan, en eerst een voornemen tot intrekking kenbaar had moeten maken en eiser had moeten horen, treffen evenmin doel. Op grond van artikel 34, vierde lid, van de DHW is het eerst kenbaar maken van een voornemen tot intrekking van een vergunning alleen voorgeschreven indien de grond tot intrekking niet de persoon van de vergunninghouder betreft. In dit geval betreft de intrekkingsgrond juist wel de persoon van de vergunninghouder, namelijk het levensgedrag van eiser.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht voorts geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mrs. G.H.W. Bodt en J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 3 juli 2008