Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:27

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2016
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
C/13/585731/HA ZA 15-402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De krakers van het ADM-terrein in het Westelijk Havengebied hoeven niet te vertrekken.

De rechtbank weegt het belang van de bewoners en de gebruikers om op het terrein te blijven wonen en werken zwaarder dan het belang van de eigenaren op ongestoorde uitoefening van het eigendomsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/585731 / HA ZA 15-402

Vonnis van 6 januari 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIDDA VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMSTELIMMO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam,

tegen

1. ZIJ DIE VERBLIJVEN/WONEN OP OF IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, KADASTRAAL BEKEND GEMEENTE SLOTEN (N.H.) SECTIE K NUMMER 2981, GEMEENTE SLOTEN (N.H.) SECTIE K NUMMER 2982 EN GEMEENTE SLOTEN (N.H.) SECTIE K NUMMER 2983, ONTSTAAN UIT GEMEENTE SLOTEN (N.H.) SECTIE K NUMMER 2119, VOLGENS HET KADASTER BEKEND ALS WESTHAVEN EN HORNWEG 2 TE AMSTERDAM, VAN WIE DE NAMEN NIET BEKEND ZIJN,

niet verschenen,

[gedaagden 2 tot en met 14]

,

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

[gedaagde 15] ,

niet verschenen,

[gedaagden 16 tot en met 32]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

[gedaagde 33] ,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

34. de stichting

STICHTING LE SOUFFLEUR,

niet verschenen,

35. de stichting

STICHTING ROBODOCK,

advocaat mr. M.A.R. Schukink Kool te ‘s-Gravenhage,

[gedaagden 36 tot en met 37]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

38. de stichting

STICHTING FAIR FUN,

niet verschenen,

[gedaagden 39 tot en met 42]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

43. de stichting

STICHTING SCUMBEAST CREATIE EN DESIGN,

niet verschenen,

[gedaagden 44 tot en met 47]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

48. de stichting

STICHTING ADM LEEFT,

advocaat mr. M.A.R. Schukink Kool,

49. de vennootschap onder firma

[gedaagde 49] ,

niet verschenen,

[gedaagden 50 tot en met 51]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

52. de stichting

STICHTING ''DE OVERLEVERING'',

53. de stichting

STICHTING PAPILLON,

54. de stichting

STICHTING DUIZEND X DUIZEND,

55. de stichting

STICHTING ANTI-DELUSION MECHANISM,

[gedaagde 56] ,

niet verschenen,

[gedaagden 57 tot en met 59]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

60. de stichting

STICHTING ARNO FOREVER,

advocaat mr. M.A.R. Schukink Kool,

[gedaagde 61] ,

niet verschenen,

[gedaagden 62 tot en met 64]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

65. de vennootschap onder firma

[gedaagde 65] ,

advocaat mr. M.A.R. Schukink Kool,

[gedaagde 66] ,

niet verschenen,

[gedaagden 67 tot en met 76]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

[gedaagde 77]

niet verschenen,

[gedaagde 78] ,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer,

[gedaagden 79 tot en met 81]

,

niet verschenen,

[gedaagde 82] ,

advocaat mr. R.K. Uppal,

[gedaagden 83 tot en met 87]

,

niet verschenen,

[gedaagde 88] ,

advocaat mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

[gedaagde 89] ,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer,

[gedaagde 90] ,

niet verschenen,

[gedaagden 91 tot en met 92]

,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer,

[gedaagde 93] ,

advocaat mr. R.K. Uppal,

[gedaagden 94 tot en met 99]

,

[gedaagde 100] ,

niet verschenen,

[gedaagde 101] ,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer,

[gedaagde 102] ,

niet verschenen,

[gedaagde 103] ,

advocaat mr. I.C.A. Reinders Folmer,

[gedaagde 104] ,

niet verschenen,

[gedaagden 105 tot en met 124]

,

advocaat mr. R.K. Uppal,

wonende/gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

gedaagden onder 33, 78, 88, 89, 91, 92, 101 en 103 tevens eisers in reconventie.

Eisers in conventie zullen hierna Chidda, Amstelimmo en tezamen Chidda c.s. worden genoemd.

Gedaagden worden hierna afzonderlijk bij hun naam genoemd en tezamen gedaagden.

Verder wordt [gedaagde 88] (onder nummer 88) hierna aangeduid als [gedaagde 88] , worden de gedaagden die in deze procedure mr. Reinders Folmer als hun procesadvocaat hebben hierna tezamen aangeduid als [gedaagde 33] c.s., de gedaagden voor wie mr. Uppal zich als advocaat heeft gesteld tezamen als [gedaagde 2] c.s. en de gedaagden voor wie mr. Schukink Kool zich als advocaat heeft gesteld tezamen als Stichting Robodock c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 april 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie van [gedaagde 88] , met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] c.s., met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie van [gedaagde 33] c.s., met producties,

  • -

    de rolbeslissing van 22 juli 2015 waarbij akte niet-dienen is verleend aan Stichting Robodock c.s.,

  • -

    het tussenvonnis van 5 augustus 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2015 met de daarin genoemde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie van Chidda c.s. ten aanzien van de conclusie van eis in reconventie [gedaagde 88] en

  • -

    de faxbrief van 4 december 2015 van [gedaagde 2] c.s.

[gedaagde 88] noch zijn advocaat is ter comparitie verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Chidda c.s. is eigenaar van het ‘complex Westhaven’, het registergoed, plaatselijk bekend als Westhaven en Hornweg 2 te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2981, gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2982 en gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2983, ontstaan uit de gemeente Sloten (N.H.) sectie K nummer 2119, volgens het kadaster plaatselijk bekend als Westhaven en Hornweg 2 (hierna: het terrein).

2.2.

Het terrein is op 26 februari 1970 door de gemeente Amsterdam verkocht aan de besloten vennootschap Amsterdamsche Droogdok Maatschappij N.V. die de eigendom van het perceel vervolgens in december 1987 heeft ingebracht in Complex Westhaven BV (hierna: Complex Westhaven). Complex Westhaven heeft het terrein vervolgens bij akte van 2 mei 1997 geleverd aan Chidda c.s. In de akte van levering staat onder meer vermeld, kort weergegeven, dat het terrein is bestemd voor het daarop vestigen van een bedrijf dat ten doel heeft het herstellen en bouwen van schepen, machines en werktuigen, het exploiteren van droogdokken, scheepswerven en de daaraan inherente fabrieken en het verrichten van alle handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn.

2.3.

In oktober 1997 is het terrein (wederom) gekraakt door een verenigde groep krakers. De krakers hebben het terrein omgedoopt tot ‘Krakers Dorp ADM’, waarbij ADM staat voor ‘Amsterdamse Doe-het-zelf Maatschappij’. Thans wonen en werken er mensen op het terrein; in het handelsregister staan circa 40 stichtingen en bedrijven ingeschreven en jaarlijks worden er evenementen georganiseerd op het terrein. De gebruikers van het terrein (hierna: de bewoners) wonen onder meer in caravans, hutten en op vaartuigen (in het bij het terrein behorende water). Gedaagden in deze procedure zijn bewoners van het terrein en de rechtspersonen die daar zijn gevestigd. Het zogenoemde ‘terrein buiten de hekken’, deel uitmakende van het terrein, wordt eveneens bewoond.

2.4.

Het waterperceel bij het terrein is bij (tijdelijke) overeenkomst tot wederopzegging d.d. 26 april 2007 in gebruik gegeven aan de gemeente Amsterdam. Deze overeenkomst is door Chidda c.s. tegen 1 juli 2015 opgezegd.

2.5.

Op 3 juli 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan ‘Amerikahaven e.o.’ vastgesteld. Het terrein heeft daarbij de bestemming Bedrijf -1 gekregen en het waterperceel de bestemming Water 2. De op de plankaart voor Bedrijf- 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor ‘havengebonden bedrijven die vallen in categorie 1, 2, 3, 4 of 5 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Inrichting bestemmingsplan Amerikahaven’. In de Staat van Inrichtingen is onder meer opgenomen “Scheepsbouw, reparatiebedrijven en scheepssloperijen”.

2.6.

Sinds augustus 2014 heeft Chidda c.s. contact gezocht met de bewoners, omdat Chidda c.s. toegang wilde krijgen tot het terrein. Vervolgens heeft Chidda c.s. vier bewoners van het terrein in kort geding gedagvaard teneinde, kort weergegeven, toegang te verkrijgen tot het terrein. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 25 maart 2015 is de door Chidda c.s. gevraagde voorziening afgewezen.

2.7.

Vervolgens heeft Chidda c.s. diverse bewoners van het terrein en aldaar gevestigde rechtspersonen in kort geding gedagvaard teneinde, kort weergegeven, de ontruiming van het terrein te bewerkstelligen en toegang te verkrijgen tot het terrein. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 juli 2015 is de vordering tot ontruiming afgewezen en zijn gedaagden in die procedure ertoe veroordeeld Chidda c.s., op straffe van een dwangsom, toegang te verlenen tot het terrein.

2.8.

Op 22 mei 2015 heeft Chidda c.s. met betrekking tot een deel van het terrein (‘kavel 2’) een huurovereenkomst gesloten met Koole Maritiem B.V. (hierna: Koole). In de huurovereenkomst onder artikel 1.4 staat dat het gehuurde door of vanwege de huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt als werf voor het repareren, bouwen en demonteren van schepen, machines en werktuigen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn. Verder staat in de huurovereenkomst in artikel 3.1. dat deze is aangegaan voor de duur van 5 jaar, ingaande op 1 augustus 2015 en lopende tot en met 31 juli 2020, of zoveel eerder als verhuurder het gehuurde kan opleveren, doch niet later dan 1 oktober 2015.

2.9.

Eveneens op 22 mei 2015 heeft Chidda c.s. met betrekking tot het waterperceel behorende bij het terrein een huurovereenkomst gesloten met Koole. In artikel 1.4 van de huurovereenkomst staat dat het gehuurde door of vanwege huurder zal worden bestemd om te worden gebruikt voor het tijdelijk af- en aanmeren van zee- en binnenvaartschepen, duwbakken en coasters, laden- en lossen, en handelingen die daarmee in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn. Artikel 3.1 van de huurovereenkomst bepaalt dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar, ingaande op 1 augustus 2015 en lopende tot en met 31 juli 2020, of zoveel later al verhuurder het gehuurde aan huurder kan opleveren.

2.10.

De conceptversie van het informatiedocument ‘Oprichting van een servicewerf voor scheepsonderhoud, -reparatie en ontmanteling ten behoeve van: Koole Maritiem BV ADM terrein Amsterdam’ van 12 november 2015 (hierna: het informatiedocument) vermeldt, voor zover van belang:

“(…)

8.1.

Motivatie van de plannen

Koole Maritiem BV doorgaat een structurele autonome groei van haar dienstverlenende activiteiten op de nationale en internationale markt. (…) Door deze groei realiseerd Koole Maritiem ook een verbreding van het dienstenpakket naar ondermeer de sector van scheeps reparatie en onderhoud. (…)

Het voormalige ADM terrein in Amsterdam biedt hiervoor alle mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en voorzieningen, zowel voor wat betreft de locatie, ontsluiting, oppervlakte, bestemming, omgeving, gemeentelijk beleid en visie van de Amsterdamse haven. (…)

8.2.1.

Activiteiten

De activiteiten die op het terrein zullen plaats vinden zijn:

• huisvesten van de onderneming Koole Maritiem BV

• uitvoeren van onderhouds- en revisie werkzaamheden en het en ontmantelen van schepen en platforms

• Uitvoeren van saneringswerkzaamheden op schepen en platforms

• opslaan van scheepsonderdelen en vrijkomend materiaal

• op- en overslaan van ladingresten van werken

• stallen van eigen tijdelijk ongebruikt materiaal

• afmeren van eigen drijvend materiaal

• Het onderhoud van eigen materiaal

(…)

8.2.3

Terreininrichting en opstallen

Het terrein zal worden ingericht conform nader uit te werken inrichtingsplan. Een eerste aanzet is gegeven met het bij deze notitie gevoegde vlekkenplan. Na uitvoering van de noodzakelijke onderzoeken zal worden gestart met uitwerken van de pre-engineering, wat tevens de basis kan vormen voor de verschillende vergunningaanvragen.

Op het terrein zullen de volgende opstallen c.q. inrichtingen worden gerealiseerd met de volgende functies (…)

8.3.

Planning

8.3.1.

Op korte termijn uit te voeren acties

Noodzakelijke werkzaamheden en onderzoeken ten behoeve van het verder uitwerken van de plannen:

- Toegang tot alle ruimtes in het kantoorgebouw en de loods

- Bouwkundige inspectie

- Afronden asbestonderzoeken van bestaande opstallen

- Bodemkwaliteitsonderzoek van het gehele terrein

- Bomeninventarisatie

- Inspecteren van kadeconstructie

- Uitvoeren diepsonderingen en grond mechanisch onderzoek van de kades en grond

- Inmeten van het terrein

8.3.2.

Uitwerking van de plannen en voorbereidende werken

Na de uitvoering van bovengenoemde acties moet zo snel mogelijk gestart worden met:

- Ontwerp terreininrichting en opstallen

- Aanvragen van vergunningen Wabo en eventueel andere gerelateerde vergunningen

- Het kappen van bomen

- Bouwen van terreinafscheiding

- Uitvoering van asbestsanering in bestaande opstallen

- Sloop van bestaande opstallen

- Uitvoering van eventuele bodemsaneringen of beschermende voorzieningen

- Bouwrijp maken van het terrein

8.3.3.

Overall planning

Bijgevoegd is een eerste overall planning voor de realisatie van het project. Op basis van een aantal aannames kan geconcludeerd kan geconcludeerd worden dat vanaf het moment van vrijgave van het terrein, zonder vertraging in procedures, ca. 70 werkweken noodzakelijk zijn voor de realisatie. (…)”

3 Het geschil in conventie

3.1.

Chidda c.s. vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. gedaagden ieder voor zich te veroordelen om het terrein met daarbij behorend water en de daarop staande bedrijfsgebouwen en woningen, met alle zich daarin en daarop aanwezige personen en/of vanwege hen aanwezige goederen te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van Chidda c.s. te stellen, binnen drie weken na betekening van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom;

  2. voor het geval gedaagden hieraan niet vrijwillig en volledig voldoen, gedaagden te veroordelen in de kosten van de gerechtelijke ontruiming, daaronder begrepen de kosten van de deurwaarder en eventueel van de sterke arm;

  3. te bepalen dat de veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal worden gelegd jegens een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet en

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Chidda c.s. stelt, kort gezegd, dat gedaagden zonder recht of titel het terrein bewonen/gebruiken en dat Chidda c.s., als eigenaar, over het terrein wenst te beschikken.

3.3.

[gedaagde 88] , [gedaagde 2] c.s. en [gedaagde 33] c.s. voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie ( [gedaagde 88] -Chidda c.s.)

4.1.

[gedaagde 88] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te bepalen dat Chidda c.s. de aanwezigheid van [gedaagde 88] , althans het verblijfsrecht, althans het woonrecht van [gedaagde 88] (en zijn gezin) dient te gehengen en gedogen, op straffe van een boete, met veroordeling van Chidda c.s. in de proceskosten, althans te beslissen zoals de rechtbank passend oordeelt.

4.2.

Aan de vordering legt [gedaagde 88] ten grondslag dat zijn adres acht jaren geleden door de toenmalig burgemeester van Amsterdam is erkend als officieel woonadres. Zijn adres is een regulier GBA- en woonadres. [gedaagde 88] is door de voormalig eigenaar van Chidda c.s. aangesteld tot bewaker en bewaarder van de zaken van Chidda c.s. op het terrein.

4.3.

Chidda c.s. voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil in reconventie ( [gedaagde 33] c.s.-Chidda c.s.)

5.1.

[gedaagde 33] c.s. vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. te bepalen dat Chidda c.s. de aanwezigheid c.q. het huisrecht (en daarmee samenhangende privéleven) van [gedaagde 33] c.s. op haar terrein toe zal laten en zal gedogen, op straffe van een dwangsom,

  2. te bepalen dat Chidda c.s., bij toewijzing van haar vordering, aan [gedaagde 33] c.s. een bedrag van € 10.000,00 per maand is verschuldigd met ingang van de dag van de uitspraak voor de periode waarin het terrein niet voor exploitatiedoeleinden in gebruik is genomen conform de door Chidda c.s. gegeven bestemming,

  3. Chidda c.s. te veroordelen in de proceskosten, althans

  4. te beslissen zoals het de rechtbank in goede justitie voorkomt.

5.2.

Ter onderbouwing van de vordering verwijst [gedaagde 33] c.s. naar hetgeen zij aan het verweer in conventie ten grondslag heeft gelegd.

5.3.

Chidda c.s. voert verweer.

5.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling

6.1.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De conventionele vordering tot ontruiming heeft betrekking op ‘het registergoed, plaatselijk bekend als Westhaven en Hornweg 2, kadastraal bekend gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2981, gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2982 en gemeente Sloten (N.H.) Sectie K nummer 2983, ontstaan uit de gemeente Sloten (N.H.) sectie K nummer 2119, volgens het kadaster plaatselijk bekend als Westhaven en Hornweg 2’. De gedaagden in deze procedure hebben allen hun adres aan de Hornweg 6 dan wel de Hornweg 6A (in Amsterdam). Blijkbaar zijn partijen het erover eens dat de Hornweg 6 en Hornweg 6a, nu geen van partijen anders heeft betoogd, zijn gelegen op het in het petitum aangeduide terrein. Daarvan zal ook de rechtbank uitgaan.

in conventie

6.2.

Tegen de vordering in conventie is bij conclusie van antwoord verweer gevoerd door [gedaagde 88] , [gedaagde 33] c.s. en [gedaagde 2] c.s.

De Stichting Robodock c.s. heeft niet van antwoord gediend en op 22 juli 2015 is aan Stichting Robodock c.s. akte niet-dienen verleend. Zo Stichting Robodock c.s. ter comparitie alsnog verweren heeft aangevoerd, zal de rechtbank daaraan - ex artikel 128 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering -voorbijgaan.

Verjaring/rechtsverwerking/toestemming

[gedaagde 2] c.s. en [gedaagde 33] c.s.

6.3.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 2] c.s. is dat de vordering van Chidda c.s. jegens enkele specifieke personen, die meer dan 20 jaren onafgebroken zonder recht of titel op het terrein verblijven, is verjaard. Ook [gedaagde 33] c.s. doet een beroep op bevrijdende verjaring, en eveneens op verkrijgende verjaring en daarnaast op rechtsverwerking. Chidda c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6.4.

Ingevolge artikel 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:314 lid 2 is voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring een onafgebroken bezit voor een periode van 20 jaren vereist. Chidda c.s. weerspreekt dat het perceel door sommige bewoners minimaal 20 jaren onafgebroken is gebruikt.

Voor verkrijgende verjaring is een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaren vereist (artikel 3:99 lid 1 BW). De bezitter te kwader trouw verkrijgt het goed eerst nadat de termijn van verjaring voor de vordering strekkende tot beëindiging van het bezit is voltooid (artikel 3:105 lid 1 BW), dat wil zeggen dat die termijn gelijk is aan de termijn van de bevrijdende verjaring.

6.5.

Op [gedaagde 33] c.s. en op [gedaagde 2] c.s., die zich beroepen op de gevolgen van de stelling dat de vordering van Chidda c.s. is verjaard, rust de stelplicht en de bewijslast van die stelling. In het bijzonder dienen zij feiten en omstandigheden te stellen die onderbouwen welke bewoners onafgebroken op het perceel wonen en dat die bewoning in ieder geval ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding reeds 20 jaren voortduurde. Dat geldt zowel voor de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring, nu zij zich niet op het standpunt hebben gesteld dat er sprake was van bezit te goeder trouw. Zonder in de beoordeling te treden van de vraag of Chidda c.s. stuitingshandelingen heeft verricht vóórdat de dagvaarding werd uitgebracht, moet in ieder geval die dagvaarding worden aangemerkt als een daad van rechtsvervolging die de stuiting van de verjaring tot gevolg heeft (artikel 3:316 lid 1 BW).

[gedaagde 33] c.s. blijft steken in de blote stelling dat de vordering van Chidda c.s. is verjaard en miskent daarmee de op haar rustende stelplicht ten aanzien feiten en omstandigheden die, indien bewezen, de verjaring doen intreden.

[gedaagde 2] c.s. heeft concreet gesteld dat de bewoners [gedaagde 37] (hierna: [gedaagde 37] ) en [naam 1] ( [naam 1] ) sinds respectievelijk 1990 en 1995 op het perceel wonen. [naam 1] is echter in deze procedure niet in rechte betrokken en voorts, naar Chidda c.s. heeft gesteld en [gedaagde 2] c.s. niet heeft betwist, niet meer één van de bewoners van het perceel. Bij gebreke van enig rechtens relevant belang, zal de rechtbank niet in de beoordeling treden van de vraag of de vordering van Chidda c.s. jegens [naam 1] is verjaard.

Ten aanzien van [gedaagde 37] overweegt de rechtbank het volgende. De in het geding gebrachte stukken, brieven gericht aan [gedaagde 37] aan het adres ‘Gevleweg te Amsterdam’ dateren van juni en juli 1995. Voor zover deze brieven dienen ter onderbouwing van de stelling dat [gedaagde 37] toen de dagvaarding werd uitgebracht reeds minstens 20 jaren het onafgebroken bezit had van een deel van het terrein, kan aan die bieven geen betekenis worden gehecht nu de dagvaarding dateert van 20 april 2015 en die brieven niet zijn gedateerd in de periode van meer dan 20 jaren voordien. Concrete feiten die het onafgebroken bezit door [gedaagde 37] op enigerlei andere wijze onderbouwen, ontbreken. [gedaagde 2] c.s. heeft evenmin feitelijk toegelicht dat andere bewoners dan [gedaagde 37] en [naam 1] meer dan 20 jaren onafgebroken het bezit hebben gehad van een deel van het terrein. [gedaagde 2] c.s. blijft steken in de niet onderbouwde stelling dát er ook anderen reeds langer dan 20 jaren wonen op het terrein. Nu niet aan de stelplicht is voldaan door [gedaagde 2] c.s. en [gedaagde 33] c.s., slaagt het beroep op verjaring - ook het beroep van [gedaagde 33] c.s. op verkrijgende verjaring ex artikel 3:105 BW - niet en is voor nadere bewijslevering geen plaats.

6.6.

Ook het beroep van [gedaagde 33] c.s. op rechtsverwerking faalt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of louter stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet meer geldend zal maken dan wel de situatie waarin de wederpartij zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. [gedaagde 33] c.s. heeft geen omstandigheden gesteld ter onderbouwing van de stelling dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Chidda c.s. geen actie meer zou ondernemen in het kader van de ontruiming van het perceel, echter enkel de (blote) stelling ingenomen dat aan haar een beroep op rechtsverwerking toekomt. Daarmee heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan en bestaat er evenmin ruimte voor nadere bewijslevering.

[gedaagde 88]

6.7.

[gedaagde 88] beroept zich erop in het verleden van Chidda c.s., althans de voormalig eigenaar, toestemming te hebben gekregen om op het terrein te blijven wonen. Dit is echter gemotiveerd door Chidda c.s. weersproken en [gedaagde 88] heeft tegenover die betwisting geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die zijn stelling staven. De omstandigheid dat, zoals door [gedaagde 88] gesteld, zijn adres als officieel woonadres is erkend en als GBA-adres is geregistreerd, maakt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet dat [gedaagde 88] ongeacht de rechten die Chidda c.s. heeft met betrekking tot het perceel (waarover hieronder meer) is gerechtigd om het terrein hoe dan ook te blijven bewonen. Dit verweer tegen de vordering kan dan ook niet slagen.

Dit brengt tevens met zich dat de vordering in reconventie van [gedaagde 88] , waaraan [gedaagde 88] bovengenoemde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, voor afwijzing gereed ligt.

Belang

6.8.

Vaststaat dat gedaagden zonder recht of titel verblijven op het aan Chidda c.s. in eigendom toebehorende perceel. Daarmee is de onrechtmatigheid van deze handelwijze in beginsel gegeven. Dat betekent niet zonder meer dat de vordering strekkende tot de ontruiming van het terrein daarmee toewijsbaar is. Tegenover het belang van Chidda c.s. tot de ongestoorde uitoefening van haar eigendomsrecht staat het belang van gedaagden bij gebruik van het terrein en het tegengaan van langdurige tegenstand. Het eigendomsrecht van Chidda c.s. wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het huisrecht van gedaagden door artikel 8 van het EVRM. De (tegenstrijdige) belangen van partijen dienen tegen elkaar te worden afgewogen. Om die afweging te kunnen maken, moeten de belangen van partijen voldoende gespecificeerd naar voren zijn gebracht.

Ten aanzien van de door partijen aangevoerde belangen overweegt de rechtbank het volgende.

6.9.

Met Koole heeft Chidda c.s. twee huurovereenkomsten gesloten voor de verhuur van een deel van het terrein, daaronder begrepen een deel van het tot het terrein behorende water. Alhoewel Chidda c.s. belang heeft bij het kunnen nakomen van deze twee huurovereenkomsten, is daarmee nog niet gegeven dat de belangen van gedaagden moeten wijken voor de belangen van Chidda c.s. De enkele omstandigheid dat er huurovereenkomsten zijn gesloten, sluit immers niet uit dat de ontruiming alsnog tot ongerechtvaardigde leegstand leidt.

6.10.

Pas in een laat stadium van deze procedure is door Chidda c.s. een toelichting gegeven op de plannen van Koole met betrekking tot het terrein. Het meest recente document dat door Chidda c.s. op dat punt is overgelegd is het informatiedocument (r.o. 2.10). In het informatiedocument staat beschreven, en zo is ook namens Koole ter zitting toegelicht, dat het terrein door Koole in eerste instantie zal worden benut ten behoeve van de uitbreiding van de werkzaamheden van Koole na de overname van een derde markpartij en de uitbreiding van het dienstenpakket dat Koole biedt aan de maritieme sector, waaronder ook het onderhoud en de reparatie van schepen. [gedaagde 2] c.s. en [gedaagde 33] c.s. hebben uitgebreid en gemotiveerd betwist dat op dit moment de plannen van Koole concreet en uitvoerbaar zijn en daarmee dat Chidda c.s. thans een redelijk belang heeft bij de ontruiming van het terrein. Ter onderbouwing van het verweer hebben zij onder meer aangevoerd dat het informatiedocument een onvoldoende omschrijving van de plannen weergeeft, dat de voor de exploitatie van het terrein vereiste vergunningen ontbreken, dat bouwtekeningen nog niet zijn gemaakt en dat de plannen economisch onhaalbaar zijn.

6.11.

De bestemming die Koole aan het terrein wil geven dient in de eerste plaats voldoende concreet te zijn, in die zin dat specifiek dient te worden aangegeven welke doelen Koole voor ogen heeft met welke delen van het door haar te huren terrein. Dergelijke voldoende concrete plannen zijn echter niet naar voren gebracht, niet in het informatiedocument waarop Chidda c.s. zich beroept en evenmin ter comparitie. Het informatiedocument geeft slechts in algemene zin de voornemens van Koole weer. Daarnaast maakt het informatiedocument niet afdoende duidelijk op welke wijze het terrein zal worden ingezet voor deze plannen. Onder punt 8.2.3. van het document staat dat ‘het terrein zal worden ingericht conform nader uit te werken inrichtingsplan. Een eerste aanzet is gegeven met het bij deze notitie gevoegde vlekkenplan. Na uitvoering van de noodzakelijke onderzoeken zal worden gestart met uitwerking van de pre-engineering, wat tevens de basis kan vormen voor de verschillende vergunningaanvragen.” Blijkbaar dienen de plannen nog nader te worden uitgewerkt. Evenmin biedt het informatiedocument voldoende specifieke gegevens over de termijn waarbinnen Koole haar plannen wil verwezenlijken. Onder 8.2.3. van het informatiedocument staat weliswaar dat daartoe circa 70 werkweken noodzakelijk zullen zijn, maar welke werkzaamheden in die periode moeten worden verricht is niet duidelijk. Bovendien vermeldt het informatiedocument dat tot de berekening is gekomen ‘Op basis van een aantal aannames’. Welke aannames daarmee worden bedoeld, is niet nader toegelicht. Dat had wel op de weg van Chidda c.s. gelegen nu Chidda c.s. immers de stelling inneemt dat de plannen op dit moment voldoende concreet zijn en dat Koole spoedig met de uitwerking van die plannen wenst te starten. De rechtbank weegt hierbij mee dat het terrein, en dat is geen geschilpunt tussen partijen, in deplorabele toestand verkeert en dat daaraan aanzienlijke werkzaamheden dienen te worden verricht alvorens het terrein geschikt kan worden geacht voor ingebruikname. Dat impliceert dat er concrete werkzaamheden moeten worden verricht. In het informatiedocument staat onder 8.3.2. onder meer dat zo snel mogelijk moet worden gestart met ‘Uitvoering van asbestsanering in bestaande opstallen’ en ‘Bouwrijp maken van het terrein’. Daarmee is echter niet welomschreven uiteengezet op welke wijze de toestand van het terrein dusdanig kan worden verbeterd dat met de feitelijke werkzaamheden kan worden aangevangen. Ook te dien aanzien heeft Chidda c.s. niet gespecificeerd gesteld welke werkzaamheden nog moeten worden verricht en op welke termijn daarmee een aanvang kan worden genomen.

6.12.

Vast staat dat voor de ontplooiing van het perceel vergunningen zijn vereist, zoals een omgevingsvergunning en een kapvergunning, welke vergunningen, althans voor het deel ‘binnen de hekken’ niet zijn aangevraagd. [gedaagde 2] c.s. en [gedaagde 33] c.s. trekken in twijfel of de vergunningen zullen worden verleend. Zo is door [gedaagde 33] c.s. en door [gedaagde 2] c.s. verklaard dat uit een natuurtoets die in 2010 door de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam is opgesteld ten behoeve van het gehele bestemmingsplan ‘Amerikahaven’, waarbinnen het terrein is gelegen, diersoorten voorkomen die door de Flora- en faunawet worden beschermd en dat voor enkele soorten een zodanig zwaar beschermingsregime geldt dat het niet is toegestaan verstorende werkzaamheden uit te voeren zonder dat eerst is onderzocht of een ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet. Daartegenover heeft Chidda c.s. enkel gesteld dat er nog een vergunning voor ‘beschermde’ diersoorten dient te worden aangevraagd, echter gesteld noch gebleken is dat die aanvraag in voorbereiding is. In concreto staat vast welke diersoorten zich op het terrein bevinden en welke vergunning dan wel ontheffing dient te worden aangevraagd. Waarom daarmee thans nog niet is aangevangen, is niet nader toegelicht door Chidda c.s. Met betrekking tot de omgevingsvergunning heeft [gedaagde 2] c.s. erop gewezen dat activiteiten op het terrein van scheepsbouw tot zeer veel geluid kunnen leiden en dat de kans bestaat dat de vastgestelde geluidsruimte wordt overschreden bij uitvoering van de plannen van Koole. [gedaagde 2] c.s. heeft te dien aanzien verwezen naar het besluit van de provincie Noord-Holland: aanpassing geluidszone Westpoort. Chidda c.s. heeft niet concreet gesteld, hetgeen wel op haar weg ligt, dat de geluidsruimte geen belemmering vormt bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Voor zover Chidda c.s. zich erop beroept dat zij de nodige onderzoeken ter voorbereiding van de aanvragen van de vergunningen niet kan verrichten, omdat gedaagden geen toegang bieden tot het terrein, wordt dit verworpen. Van Chidda c.s. had kunnen worden verwacht dat zij ten minste zou laten zien welke onderzoeken zijn vereist voor het aanvragen van de diverse vergunningen en dat zij, gezien haar plannen met het terrein, voor zover mogelijk zou zijn aangevangen met de voorbereidingen voor het aanvragen van de benodigde vergunningen dan wel, concreet, zou hebben toegelicht op welke punten zij wegens het verblijf van gedaagden de aanvragen niet kan voorbereiden. Met de enkele stelling dat wordt verwacht dat het vergunningentraject eenvoudig is, kan in dit stadium van de procedure niet worden volstaan. De rechtbank acht het op dit moment onzeker of de benodigde vergunningen zullen worden verkregen en of Koole met haar werkzaamheden binnen afzienbare tijd haar plannen kan uitvoeren.

6.13.

Voorts is door [gedaagde 2] c.s. gemotiveerd betwist dat de plannen van Koole economisch haalbaar zijn, onder meer onder verwijzing naar de diepgang van de schepen waarmee Koole wil gaan varen en de daartoe - volgens [gedaagde 2] c.s. - niet geëigende diepte van het Noordzeekanaal ter hoogte van de Velsertunnel. Tevens is door [gedaagde 2] c.s. aangevoerd dat het voorgenomen gebruik strijdig is met het bestemmingsplan, dan wel dat niet bekend is óf de plannen passen binnen het bestemmingsplan en of de gemeente haar instemming zal gegeven aan die plannen. Op deze concrete en onderbouwde verweren is geen enkele toelichting van de zijde van Chidda c.s. gekomen, zodat thans evenmin kan worden bepaald of de plannen van Koole binnen afzienbare termijn daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.

6.14.

Bovendien, zo volgt uit de stellingen van Chidda c.s., wordt niet het gehele terrein verhuurd aan Koole. Dat betekent dat een deel van het terrein in handen van Chidda c.s. blijft. Chidda c.s. heeft in het geheel niet gedocumenteerd welke bestemming Chidda c.s. aan dit deel van het terrein wil geven en op welke termijn zij dit deel ten eigen nutte wil gaan inrichten.

De plannen van zowel Koole als Chidda c.s. zijn derhalve op dit moment onvoldoende concreet en reëel, en evenmin staat vast in hoeverre de plannen gelet op in het bijzonder het vergunningentraject dat nog moet worden gestart daadwerkelijk uitvoerbaar zullen zijn, met als daaraan verbonden risico dat de plannen mogelijkerwijs geen doorgang vinden dan wel in afwachting van de benodigde vergunningen/ontheffingen niet binnen afzienbare termijn kunnen worden verwezenlijkt, en er ongerechtvaardigde leegstand van het terrein zal zijn. Daartegenover staan de belangen van de bewoners en gebruikers om op het terrein te kunnen blijven wonen en werken. Een aantal bewoners woont reeds gedurende langere tijd op het terrein en sommige kinderen zijn aldaar geboren. Op het terrein is in de loop der jaren een gemeenschap ontstaan. De ontruiming zal voor de bewoners/gebruikers grote gevolgen hebben. Daarmee is het (zwaarwegende) belang van gedaagden gegeven.

6.15.

Onder deze omstandigheden brengt een afweging van de belangen van partijen met zich dat de belangen van Chidda c.s. dienen te wijken voor de belangen van gedaagden om op het perceel te kunnen blijven wonen.

6.16.

De vordering van Chidda c.s. zal daarom worden afgewezen, ook ten aanzien van de niet-verschenen gedaagden nu Chidda c.s. geen belang heeft bij toewijzing van haar vordering jegens de niet-verschenen gedaagden. Het terrein kan immers niet worden ontruimd ten aanzien van een deel van de bewoners/gebruikers.

6.17.

De overige stellingen en weren van partijen behoeven gezien het voorgaande geen bespreking.

6.18.

Chidda c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6.19.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 88] worden begroot op:

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat € 452,00 (1 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 530,00

6.20.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] c.s. worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.189,00

6.21.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 33] c.s. worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 982,00

6.22.

De kosten aan de zijde van de Stichting Robodock c.s. worden tot op heden begroot op € 613,00 aan griffierechten. De kosten advocaat worden begroot op nihil gezien hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 6.2.

in reconventie

De vordering van [gedaagde 88]

6.23.

Deze vordering zal worden afgewezen (zie r.o. 6.7) nu de daartoe aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

[gedaagde 88] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld. Gezien de nauwe verhevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie worden de kosten in reconventie aan de zijde van Chidda c.s. begroot op nihil.

De vordering van [gedaagde 33] c.s.

6.24.

Gezien hetgeen de rechtbank heeft overwogen in conventie, is het in reconventie onder 1 gevorderde toewijsbaar. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in de beslissing opgenomen.

6.25.

De vordering onder 2 wordt afgewezen, nu de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld, de afwijzing van de vordering in conventie, niet is ingetreden.

6.26.

Chidda c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 33] c.s. worden tot op heden begroot op € 452,00 aan salaris advocaat (2 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 88] , tot op heden begroot op € 530,00,

7.3.

veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] c.s., tot op heden begroot op € 1.189,00,

7.4.

veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 33] c.s., tot op heden begroot op € 982,00,

7.5.

veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten aan de zijde van Stichting Robodock c.s., tot op heden begroot op € 613,00,

7.6.

verklaart de veroordelingen onder 7.2 en 7.3 uitvoerbaar bij voorrraad,

in reconventie ( [gedaagde 88] -Chidda c.s.)

7.7.

wijst de vorderingen af,

7.8.

veroordeelt [gedaagde 88] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Chidda c.s. begroot op nihil,

in reconventie ( [gedaagde 33] c.s.-Chidda c.s.)

7.9.

veroordeelt Chidda c.s. om de aanwezigheid c.q. het huisrecht van [gedaagde 33] c.s. op het terrein toe te laten en te gedogen,

7.10.

veroordeelt Chidda c.s. om aan [gedaagde 33] c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere keer dat Chidda c.s. na de betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

7.11.

veroordeelt Chidda c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 33] c.s. tot op heden begroot op € 452,00,

7.12.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2016.1

1 :