Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8766

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
13/845003-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schuldig aan faillissementsfraude (feitelijk leiding geven). Straf: niet naar de gevangenis, veroordeelde heeft ernstige vorm kanker. Voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/807
INS-Updates.nl 2016-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845003-13

Datum uitspraak: 9 december 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 november 2015.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.

D. Kruimel, en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

[verdachte] als (middellijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1 B.V.] (verder te noemen [bedrijf 1 B.V.] ), welke rechtspersoon bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem d.d. 18 januari 2011 in staat van faillissement is verklaard,

op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 27 september 2009 tot en met 18 januari 2011 te [plaats] , gemeente [naam 1] en/of elders in Nederland,

(telkens) alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van genoemde rechtspersoon,

A.

lasten heeft/hebben verdicht of verdicht(en) en/of baten niet heeft/hebben verantwoord en/of niet verantwoordt/verantwoorden en/of enig(e) goed(eren) en/of geld(en) aan de boedel van genoemde rechtspersoon heeft/hebben onttrokken en/of onttrekt/onttrekken;

en/of

B.

enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft/hebben vervreemd;

en/of

C. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enig wijze heeft/hebben bevoordeeld en/of bevoordeelt/bevoordelen;

en/of

D.

niet heeft/hebben voldaan en/of niet voldoet/voldoen aan de op hem rustende verplichting van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van

de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(ten aanzien van A/B)

- de bedrijfsvoorraad en/of activa van [bedrijf 1 B.V.] verkocht/vervreemd/overgedragen aan (een) ander(en), te weten [bedrijf 2 B.V.] , voor een bedrag van 589.050,00 euro, althans voor enig geldbedrag, en dit niet aan (de boedel van) [bedrijf 1 B.V.] ten goede laten komen;

en/of

- (een) onverschuldigde betaling(en) gedaan en/of laten doen aan [bedrijf 3 B.V.] voor een bedrag van in totaal 87.406 euro (D-046A, D-077, D-078, D-079 en/of D-080), althans enig geldbedrag; en/of

(ten aanzien van A/C)

- de schuldeiser [bedrijf 4 B.V.] bevoordeeld door een schuld (ter waarde van 54.729,42 euro (D-087)) van de onderneming [bedrijf 1 B.V.] op [bedrijf 4 B.V.] te voldoen en/of laten voldoen door [bedrijf 5 B.V.] , een onderneming waar [bedrijf 1 B.V.] een vordering op had;

en/of

- de schuldeiser [bedrijf 6 B.V.] bevoordeeld door activa (ter waarde van 220.059,99 euro (D-050)) uit de onderneming [bedrijf 1 B.V.] (te weten een vordering van [bedrijf 1 B.V.] op [persoon 1] en/of een vordering van [bedrijf 1 B.V.] op [persoon 2] en/of een vordering op [bedrijf 3 B.V.] ) over te dragen naar, althans boekhoudkundig over te brengen naar, althans in de boekhouding op te nemen van, [bedrijf 6 B.V.] ;

en/of

(ten aanzien van D)

- de administratie, onder meer bestaande uit voorraadadministratie en/of onderhandenwerk/ projectenadministratie en/of gegevensdragers, waarover verdachte, en/of zijn mededader(s) beschik(t)(ken) niet bewaard en/of aan de curator ter beschikking gesteld en/of niet een zodanige (voorraad)administratie gevoerd, althans laten voeren, dat daaruit te allen

tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon konden worden gekend.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerekwireerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting een schriftelijke verklaring afgelegd waarin hij de gang van zaken zoals is beschreven in de tenlastelegging, heeft uitgelegd.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat voor verdachte al medio 2010 duidelijk was dat de onderneming waarvan hij de feitelijke bestuurder was, [bedrijf 1 B.V.] (hierna: [bedrijf 1 B.V.] ), zou failleren. In 2009 heeft [bedrijf 1 B.V.] een verlies van € 561.829,- geleden, verdachte heeft zich in augustus 2010 tot een advocaat gewend voor advies over de sanering van [bedrijf 1 B.V.] en op 9 augustus 2010 is een melding betalingsonmacht uitgegaan naar de Belastingdienst.

Na het faillissement op 18 januari 2011 is (een deel van) de administratie van [bedrijf 1 B.V.] overgedragen aan de curator. De curator heeft, na het bekijken daarvan, geconstateerd dat meerdere vóór het faillissement verrichte handelingen wijzen op een sterfhuisconstructie en heeft daarvan aangifte gedaan.

Uit het dossier volgen – kort gezegd – de volgende feiten:

- In de periode van 28 september 2009 tot 7 mei 2010 wordt in totaal € 495.000,- overgemaakt door [naam 2] Belastingadviseur B.V. en [naam 3] Beheer B.V. aan vennootschappen waarvan verdachte en of diens echtgenote bestuurder zijn, niet zijnde [bedrijf 1 B.V.] , met uitzondering van een bedrag van 50.000,- dat betaald wordt aan [bedrijf 1 B.V.] . De andere betalingen (in totaal 445.000,-) komen terecht bij verdachte zelf, bij [bedrijf 3 B.V.] (hierna: [bedrijf 3 B.V.] ) en bij [bedrijf 6 B.V.] (waarvan verdachte bestuurder is). In de jaarrekening 2009 is niets te vinden over deze overboekingen of de grondslag daarvan. De advocaat van [bedrijf 2 B.V.] legt nadien aan de curator een produktieovereenkomst over, gedateerd 27 september 2009, tussen [bedrijf 2 B.V.] (hierna: [bedrijf 2 B.V.] ) en [bedrijf 1 B.V.] waaruit blijkt dat [bedrijf 2 B.V.]

€ 495.000,- exclusief BTW (589.050,- inclusief BTW) zou betalen voor het produceren van steigers vooruitlopend op een in februari 2010 verwachte order van [verhuurbedrijf] . Uit de door verdachte overgelegde produktieovereenkomst blijkt dat de schuld van [bedrijf 1 B.V.] aan [bedrijf 2 B.V.] zou worden verrekend met een factuur van geleverd materiaal aan [bedrijf 1 B.V.] . Verder is er sprake van een aanvullende overeenkomst, een zogenaamde opdracht tot overboeking, waaruit blijkt dat verdachte kan aangeven aan wie en wanneer de verschuldigde bedragen moeten worden betaald. Volgens de curator is onder meer opvallend dat de in de factuur van [bedrijf 1 B.V.] aan [bedrijf 2 B.V.] van 15 september 2010 genoemde specificaties niet aanwezig zijn, dat de produktieovereenkomst en de opdracht tot overboeking alleen zijn ondertekend door verdachte, dat [bedrijf 2 B.V.] geen rentevergoeding zou ontvangen voor het uitlenen van het geldbedrag en dat de overeenkomst niet voorkomt in de administratie van [bedrijf 1 B.V.] . Er is bovendien geen voorraadadministratie zodat geen controle plaats kan vinden op de vraag of de steigers zijn geproduceerd dan wel uiteindelijk aan [bedrijf 2 B.V.] zijn geleverd, toen de order van [verhuurbedrijf] uitbleef.

- [bedrijf 1 B.V.] heeft in 2010 in totaal € 67.406,- overgemaakt aan [bedrijf 3 B.V.] van welke vennootschap verdachte bestuurder is. Ook is nog een betaling van € 20.000,- contant gedaan. Van deze betalingen zijn geen onderliggende facturen aangetroffen. Wel zijn de betalingen gedebiteerd in de rekening-courantverhouding van [bedrijf 1 B.V.] met [bedrijf 7] , terwijl [bedrijf 1 B.V.] de vordering niet op [bedrijf 7] maar op [bedrijf 3 B.V.] heeft.

- [bedrijf 5 B.V.] , op welke onderneming [bedrijf 1 B.V.] een vordering had, heeft op 21 oktober 2010 een betaling van € 54.729,42 gedaan aan [bedrijf 4 B.V.] , bij welke onderneming [bedrijf 1 B.V.] een schuld open had staan. In het grootboek is met betrekking tot de betaling opgenomen: ‘betaling [bedrijf 4 B.V.] voor [bedrijf 1 B.V.] betaald”.

- [bedrijf 6 B.V.] (hierna: [bedrijf 6 B.V.] ), de formele bestuurder van [bedrijf 1 B.V.] en tevens 100% aandeelhouder, is een financiële holding waarvan verdachte bestuurder is. 100% aandeelhouder van [bedrijf 6 B.V.] is de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 6 B.V.] waarvan [persoon 1] , echtgenote van verdachte, de certificaten bezit. [persoon 1] had een achtergestelde lening aan [bedrijf 1 B.V.] verstrekt van € 225.000,- die per 1 januari 2008 is afgewaardeerd naar nihil. Verdachte heeft alle vorderingen die [bedrijf 1 B.V.] in rekening-courant had, overgeheveld naar de rekening-courant verhouding tussen [bedrijf 6 B.V.] en [bedrijf 1 B.V.] waarmee een bedrag van € 220.060 is overgegaan van [bedrijf 1 B.V.] op [bedrijf 6 B.V.] . Ook een aantal schulden is overgegaan. De vorderingen die [bedrijf 1 B.V.] had op andere ondernemingen zijn zo verminderd op de schuld van [bedrijf 1 B.V.] aan [bedrijf 6 B.V.]

- Er is geen voorraadadministratie gevoerd. De administratie was deels nauwkeurig en deels niet; een onderhandenwerk/projectadministratie is niet ter beschikking gesteld. De administratie was niet volledig. Aan de hand van de administratie heeft de curator in ieder geval niet bovenvermelde betalingen op juiste wijze kunnen controleren. De curator heeft dan ook aangifte gedaan.

Ter terechtzitting heeft verdachte geen duidelijkheid gegeven over de grondslag van deze overboekingen en de overige door de curator gesignaleerde gebreken. Hij heeft verklaard dat hij alles in het belang van het bedrijf heeft gedaan en dat hij – hoewel hij zich realiseerde dat het niet goed was – fouten heeft gemaakt en daarin heeft gehandeld met het oog op ‘het goed achterlaten van zijn familie’ waarmee hij doelt op zijn werknemers.

De rechtbank komt op grond van de stukken tot de conclusie dat verdachte voorafgaand aan het faillissement vrijwel alle activa van [bedrijf 1 B.V.] elders heeft ondergebracht en de schulden in [bedrijf 1 B.V.] heeft gelaten dan wel ondergebracht. Door aldus te handelen heeft verdachte een aantal crediteuren van [bedrijf 1 B.V.] benadeeld, waaronder de ABN-AMRO-bank die aan [bedrijf 1 B.V.] een bedrijfskrediet van 1 miljoen euro had verstrekt. In de periode vooruitlopend op het faillissement door verdachte als bestuurder verrichte handelingen, ligt zijn opzet besloten, zodat de rechtbank het opzet van verdachte bewezen acht.

4.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 1 B.V.] (verder te noemen [bedrijf 1 B.V.] ), welke rechtspersoon bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem d.d. 18 januari 2011 in staat van faillissement is verklaard,

op tijdstippen in de periode van 27 september 2009 tot en met 18 januari 2011 te [plaats] ,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van genoemde rechtspersoon,

- Goederen en gelden aan de boedel van genoemde rechtspersoon heeft onttrokken;

- ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, schuldeisers heeft bevoordeeld;

- niet voldaan aan de op hem rustende verplichting van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

immers heeft/hebben verdachte

- de bedrijfsvoorraad en activa van [bedrijf 1 B.V.] verkocht aan [bedrijf 2 B.V.] , voor een bedrag van 589.050,00 euro en dit niet aan (de boedel van) [bedrijf 1 B.V.] ten goede laten komen;

- onverschuldigde betalingen gedaan en laten doen aan [bedrijf 3 B.V.] voor een bedrag van in totaal 87.406 euro;

- de schuldeiser [bedrijf 4 B.V.] bevoordeeld door een schuld (ter waarde van 54.729,42 euro) van de onderneming [bedrijf 1 B.V.] op [bedrijf 4 B.V.] te laten voldoen door [bedrijf 5 B.V.] , een onderneming waar [bedrijf 1 B.V.] een vordering op had;

- de schuldeiser [bedrijf 6 B.V.] bevoordeeld door activa (ter waarde van 220.059,99 euro) uit de onderneming [bedrijf 1 B.V.] , te weten een vordering van [bedrijf 1 B.V.] op [persoon 1] , een vordering van [bedrijf 1 B.V.] op [persoon 2] en een vordering op [bedrijf 3 B.V.] , over te dragen naar [bedrijf 6 B.V.] ;

- de administratie, onder meer bestaande uit voorraadadministratie, onderhandenwerk, projectenadministratie en gegevensdragers, waarover verdachte beschikte niet op een zodanige wijze heeft gevoerd of laten voeren dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon konden worden gekend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren).

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1 B.V.] schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Toen voor hem duidelijk was dat het faillissement van de onderneming onafwendbaar was, heeft hij handelingen verricht waarmee hij schuldeisers van zijn onderneming heeft benadeeld. Daarmee heeft hij de afwikkeling van het faillissement gefrustreerd. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in beginsel dan ook gerechtvaardigd.

Verdachte heeft blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2015 echter geen relevante delicten op zijn naam staan. Gelet op het feit dat verdachte lijdt aan een vorm van kanker waarvoor hij intensieve behandelingen moet ondergaan acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend.

De officier van justitie heeft in de formulering van haar eis reeds rekening gehouden met het voorgaande. De rechtbank acht deze eis dan ook passend en geboden en zal zich daarbij aansluiten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedrieglijke bankbreuk, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [persoon 2], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds, rechters,

in tegenwoordigheid van D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 december 2015.