Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:6833

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
HA RK 232.2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Dexiazaak. Afwijzende beslissing op verzoek om pleidooi. De wrakingskamer acht de afwijzende beslissing op het verzoek om pleidooi en de motivering daarvan niet zo onbegrijpelijk, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Een partij heeft in beginsel recht op een pleidooi, maar de rechter kan daarvan afzien als sprake is van misbruik van de bevoegdheid om pleidooi te vragen. De wrakingskamer kan verzoekers evenmin volgen in hun standpunt dat de grond voor afwijzing van het verzoek op zichzelf al doet vrezen voor partijdigheid van de rechter. Voor zover in die grond al een ernstige beschuldiging aan het adres van verzoekers valt te lezen, past daarbij de relativering dat deze zwaar klinkende grond, gezien de stringente redactie van artikel 134 lid 1 Rv., nu eenmaal de enige door de Hoge Raad aanvaarde grond is om pleidooi te weigeren, terwijl de rechter een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om onnodige vertraging in grote aantallen zaken tegelijk te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK [woonplaats]

Wrakingskamer

Beslissing op het op 17 juli 2015 ingediende en onder rekestnummer

HA RK 232.2015 ingeschreven verzoek van:

1. [verzoeker sub 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker sub 2] , wonende te [woonplaats] ,

3. [verzoeker sub 3] , wonende te [woonplaats] ,

4. [verzoeker sub 4] , wonende te [woonplaats] ,

5. [verzoeker sub 5] , wonende te [woonplaats] ,

6. [verzoeker sub 6] , wonende te [woonplaats] ,

7. [verzoeker sub 7] , wonende te [woonplaats] , 8. [verzoeker sub 8] , wonende te [woonplaats] ,

9. [verzoeker sub 9] , wonende te [woonplaats] ,

10. [verzoeker sub 10] , wonende te [woonplaats] ,

11. [verzoeker sub 11] , wonende te [woonplaats] ,

12. [verzoeker sub 12] , wonende te [woonplaats] ,

13. [verzoeker sub 13] , wonende te [woonplaats] ,

14. [verzoeker sub 14] , wonende te [woonplaats] ,

15. [verzoeker sub 15] , wonende te [woonplaats] ,

16. [verzoeker sub 16] , wonende te [woonplaats] ,

17. [verzoeker sub 17] , wonende te [woonplaats] ,

18. [verzoeker sub 18] , wonende te [woonplaats] ,

19. [verzoeker sub 19] , wonende te [woonplaats] ,

20. [verzoeker sub 20] , wonende te [woonplaats] ,

21. [verzoeker sub 21] , wonende te [woonplaats] ,

22. [verzoeker sub 22] , wonende te [woonplaats] ,

23. [verzoeker sub 23] , wonende te [woonplaats] ,

24. [verzoeker sub 24] , wonende te [woonplaats] ,

25. [verzoeker sub 25] , wonende te [woonplaats] ,

26. [verzoeker sub 26] , wonende te [woonplaats] ,

27. [verzoeker sub 27] , wonende te [woonplaats] ,

28. [verzoeker sub 28] , wonende te [woonplaats] ,

29. [verzoeker sub 29] , wonende te [woonplaats] ,

30. [verzoeker sub 30] , wonende te [woonplaats] ,

31. [verzoeker sub 31] , wonende te [woonplaats] ,

32. [verzoeker sub 32] , wonende te [woonplaats] ,

33. [verzoeker sub 33] , wonende te [woonplaats] ,

34. [verzoeker sub 34] , wonende te [woonplaats] ,

35. [verzoeker sub 35] , wonende te [woonplaats] ,

36. [verzoeker sub 36] , wonende te Uithoorn,

37. [verzoeker sub 37] , wonende te [woonplaats] ,

38. [verzoeker sub 38] , wonende te [woonplaats] ,

39. [verzoeker sub 39] , wonende te [woonplaats] ,

40. [verzoeker sub 40] , wonende te [woonplaats] ,

41. [verzoeker sub 41] , wonende te [woonplaats] ,

42. [verzoeker sub 42] , wonende te [woonplaats] ,

43. [verzoeker sub 43] , wonende te [woonplaats] ,

44. [verzoeker sub 44] , wonende te [woonplaats] ,

45. [verzoeker sub 45] , wonende te [woonplaats] ,

zomede:

46. Leaseproces B.V., gevestigd te Amsterdam.

47. [verzoeker sub 47] , wonende te [woonplaats] , bestuurder van Leaseproces B.V.,

verzoekers,

gemachtigde: mr. J.A.M.P. Keijser, advocaat te Nijmegen,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- Het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van verzoekers d.d. 17 juli 2015.

- De schriftelijke reactie met bijlage van de rechter d.d. 13 augustus 2015.

- De brief met bijlagen van verzoekers d.d. 28 augustus 2015.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 2 september 2015. Verschenen zijn verzoekers sub 3, 4, 5, 8, 18, 22, 23, 32, 37, 38, 40 en 41. Namens verzoekster sub 46 zijn verschenen haar medewerkers [ ], mr. [ ] en [ ]. De rechtbank heeft namens verzoekers hun gemachtigde en de heer [ ] gehoord. Voorts is de rechter gehoord. De rechter was vergezeld van mr. L. Voetelink, teamvoorzitter. Verzoekers hebben een pleitnota met bijlage overgelegd. Tevens was namens de wederpartij van verzoekers, Dexia Nederland B.V., mr. M. Manders aanwezig als toehoorder. Tijdens de behandeling zijn twee korte schorsingen ingelast voor beraad in raadkamer en teneinde partijen de gelegenheid te geven tot overleg over een voorstel van de wrakingskamer. De uitspraak is bepaald op 16 september 2015.

2 De beoordeling

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Verzoekers 1 t/m 45 zijn allen gedaagden in procedures waarin Dexia Nederland B.V. een verklaring voor recht vordert dat zij jegens verzoekers als afnemers van effectenlease-overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan onder toepassing van de door de Hoge Raad en het gerechtshof Amsterdam (het ‘Hof-model’), in 2011 gesanctioneerd door de Hoge Raad, ontwikkelde maatstaven ten aanzien van schending van zorgplichten in effectenleasezaken, op welke basis sedertdien duizenden zaken op gestandaardiseerde wijze en zonder mondelinge behandeling zijn afgedaan en door Dexia vervolgens ook buitengerechtelijke regelingen zijn aangeboden . De zaken van verzoekers 1 t/m 45, en van vele andere afnemers, betreffen zogenaamde ‘waiver-zaken’ die door Dexia sedert medio 2014 aanhangig zijn gemaakt waarin Dexia vordert vast te stellen dat zij aan de betrokken afnemer niets meer verschuldigd is omdat zij met deze afnemers op genoemde basis heeft afgewikkeld, of daartoe bereid was en is.

  2. De rechter is door de rechtbank Amsterdam aangewezen om alle waiver-zaken te behandelen die bij deze rechtbank aanhangig worden gemaakt.

  3. De zaken van verzoekers 1 t/m 45 zijn bij de rechter in behandeling, waarbij zij worden bijgestaan door hun gemachtigde, verzoeker 46 (hierna: Leaseproces). Ook van nagenoeg alle overige (duizenden) afnemers van Dexia’s (en haar rechtsvoorgangers’) effectenleaseproducten worden de belangen (thans) door Leaseproces behartigd.

  4. Na het aanhangig maken van waiver-zaken is door Leaseproces bij herhaling aangedrongen op algehele opschorting van de behandeling daarvan. Hierin heeft de rechter niet bewilligd.

  5. Bij brief van 27 mei 2015 heeft Leaseproces in 59 waiver-zaken, waaronder die van verzoekers 1 t/m 45, de rechter verzocht in hun zaken, die op dat moment op de rol voor vonnis stonden of voor (laatste) conclusie of akte, toe te staan pleidooi te houden op de grond van artikel 134 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Als reden voor dit verzoek wordt vermeld dat een aantal geschilpunten partijen verdeeld houdt. Dat betreft volgens klagers onder meer de zgn. beleggingstechnische tekortkomingen en de rol van de tussenpersoon. Ten aanzien van deze punten wensten verzoekers de zaken nog nader toe te lichten, mede gezien de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie en van deskundigen afkomstige rapporten welke nog niet besproken waren. Volgens verzoekers volgt uit deze toelichting op hun verzoek dat de jurisprudentie in effectenleasezaken nog dermate in beweging is, dat het standpunt van Dexia niet kan worden gevolgd. Bovendien heeft in de zaken van verzoekers nog geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij brief van 3 juni 2015 is dit verzoek door de kantonrechter afgewezen. Daartoe is onder meer overwogen dat de procedures tegen Dexia zich kenmerken door het feit dat in alle zaken (vrijwel) uitsluitend wordt gedebateerd over dezelfde algemene onderwerpen. Voor zover een bepaald algemeen onderwerp aan de orde is, zijn de gedingstukken in de verschillende zaken gelijkluidend. Slechts in zeer geringe mate hebben de gedingstukken betrekking op individuele feiten en omstandigheden van de betreffende zaak. Eerder werd door Leaseproces in 27 soortgelijke zaken een pleidooiverzoek gedaan. Dat pleidooi is gehouden op 10 december 2014. Tijdens het pleidooi bleek dat, hoewel het betreffende pleidooi formeel steeds in een bepaalde zaak werd gehouden, de inhoud van het pleidooi steeds algemeen van aard was en dat de overgelegde producties geen betrekking hadden op de betreffende afnemer, maar op andere afnemers. Na twee en een halve pleitnota is het pleidooi door de rechter onderbroken en werd aan partijen voorgehouden dat het voorlezen van een uitgebreid algemeen schriftelijk verhaal beter kon worden vervangen door het overleggen van de betreffende pleitnota’s met producties. Partijen zijn met dat voorstel akkoord gegaan. Sinds Dexia in het najaar van 2014 is begonnen met het aanhangig maken van dergelijke procedures heeft Leaseproces herhaaldelijk verzocht om deze procedures aan te houden en daarin geen (eind)vonnis te wijzen. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens vonnissen gewezen waarin werd beslist dat onvoldoende grond aanwezig was om de procedures aan te houden, onder vermelding van de overwegingen daartoe. Gelet op de gang van zaken tijdens het eerdere pleidooi had mogen worden verwacht dat enige toelichting zou worden gegeven omtrent de beweegreden om in elk van deze zaken (alsnog) pleidooi te houden. De toelichting is echter uiterst summier, gaat niet in op de afzonderlijke zaken en vermeldt slechts algemene discussiepunten. Evenals het geval was bij het vorige pleidooiverzoek hebben partijen ook in de onderhavige zaken in de gedingstukken reeds uitvoerig betoogd over deze onderwerpen. Gelet op het voorgaande kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat het huidige verzoek er slechts toe strekt te bereiken dat vooralsnog geen (eind)vonnis in deze zaken wordt gewezen. Daarvoor is de wettelijke bevoegdheid om pleidooi te vragen niet bedoeld en daarmee wordt dan ook misbruik gemaakt van deze bevoegdheid. Het verzoek is daarom in strijd met de goede procesorde. Aldus is namens de rechter aangevoerd.

Bij brief van 2 juli 2015 hebben verzoekers gereageerd op de beslissing van de rechter. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het recht op een mondelinge behandeling een belangrijk uitgangspunt is in ons rechtssysteem. Volgens de artikelen 134 Rv., 6 EVRM en 5.2 van het Landelijk proces- reglement voor rolzaken kanton heeft iedere partij recht op pleidooi indien er nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Vanwege deze reden was het eerste verzoek verder niet gemotiveerd, omdat daarvoor geen aanleiding of verplichting bestond. Verzoekers hebben voorts laten weten dat zij het verwijt dat zij misbruik maken van hun bevoegdheid tot het vragen van pleidooi als een zware beschuldiging opvatten, welke zij niet terecht achten. Voor de pleidooien in de 27 zaken op 10 december 2014 was slechts 2 uur uitgetrokken. Dat was onvoldoende om in alle zaken het standpunt van de betreffende cliënt serieus naar voren te brengen. Vervolgens werden de pleidooien voortijdig door de rechter afgebroken. Omdat Dexia niet meer heeft gereageerd zijn de pleidooien feitelijk niet voortgezet. Mede gezien de ongunstige ervaring op 10 december 2014 is besloten om in de onderhavige zaken ook pleidooi te vragen. Dat is de beste manier om bepaalde onderdelen nader toe te lichten en vragen van de rechter te beantwoorden. In veel zaken gaat het ook om de specifieke omstandigheden van het geval. Iedere zaak wordt ook apart aangebracht bij de rechtbank. Verzoekers mogen ook daarom verwachten dat er voldoende gelegenheid wordt geboden om in voorkomende gevallen direct contact met de rechter wordt geboden om hun zaak nader toe te lichten. In pleidooi kon het belang van artikel 41 NR 1999 aan de orde komen. De kantonrechter is op dit punt uit de pleitnota’s van 10 december 2014 nog niet ingegaan. Een ander aspect is het rapport van beleggingsdeskundige [ ] die de conclusie van andere deskundigen bevestigt dat de beleggingsproducten van Dexia veel risicovoller zijn dan gewoon beleggen met geleend geld. Dit rapport is pas op 15 juni 2015 in zijn definitieve vorm ontvangen. Uit de conclusies die de deskundigen hebben getrokken volgt dat de redenering die de rechter tot nu toe in zijn vonnissen heeft gevolgd, niet klopt. Een ander onderwerp waarvoor in pleidooi aandacht kon worden gevraagd betreft de vraag of het boetebeding in strijd is met richtlijn 93/13 EEG. Hierover is recent nieuwe jurisprudentie verschenen, aldus verzoekers.

Bij brief van 7 juli 2015 is namens de rechter aan verzoekers meegedeeld dat de rechter geen aanleiding zag zijn standpunt te wijzigen.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Volgens verzoekers zijn er drie belangrijke ontwikkelingen in de rechtspraak die relevant zijn voor de beoordeling van de zaken van verzoekers. Ten aanzien daarvan zijn cassatiezaken aanhangig gemaakt. De kans bestaat dat de uitspraken van de Hoge Raad over de aan hem voorgelegde rechtsvragen tot gevolg zal hebben dat Dexia wel degelijk nog substantiële bedragen aan verzoekers verschuldigd zal zijn.

3.2

De eerste ontwikkeling betreft de zaak waarin thans cassatie is ingesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 10 juni 2014 ([ ]/Dexia) over de vraag of en zo ja hoe de rol van de tussenpersoon van invloed kan zijn op de wijze waarop de schade tussen partijen moet worden verdeeld. Deze zaak is bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer C14/4914 en staat op de rol van 30 oktober 2015 voor de conclusie van de AG. Dit geldt ook voor de zaak Dexia/[ ]. In die zaak is cassatie ingesteld tegen een tussenarrest van het gerechtshof Den Bosch van 17 juni 2014.

3.3

De tweede ontwikkeling betreft de zgn. beleggingstechnische gebreken van de beleggingsproducten van Dexia. Ook deze komen aan de orde in het cassatieberoep tegen het tussenarrest van het gerechtshof Den Bosch van 10 juni 2014. Door het gerechtshof Amsterdam zijn deze bezwaren op 1 april 2014 verworpen, evenals door het gerechtshof Den Bosch in zijn genoemde tussenarrest.

3.4

De derde ontwikkeling betreft de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2015 over het in rekening brengen door Dexia van boetes bij tussentijdse beëindiging. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de feitenrechter, zo nodig ambtshalve, dient te onderzoeken of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dit arrest ondersteunt het standpunt van verzoekers, zij het dat nog geen inhoudelijk oordeel is gegeven. Die zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Bosch.

3.5

Verzoekers zijn van mening dat de rechter hun bevoegdheden om hun standpunten en belangen op adequate wijze te bepleiten ten onrechte heeft beperkt en dat hij daarmee ten minste de schijn heeft gewekt, objectief en subjectief, partijdig te zijn ten aanzien van de belangen van Dexia.

3.6

Objectief is de schijn gewekt doordat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Dit beginsel dient streng te worden toegepast. Dat blijkt onder andere uit de aan de pleitnota gehechte wrakingsuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juni 2015 (ECLI:RBMNE:2015:4384).

3.7

Subjectief is de schijn gewekt doordat de rechter heeft blijkt gegeven van een persoonlijke vooringenomenheid, omdat de rechter verzoekers - ten onrechte - heeft verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan misbruik van recht. De rechter wekt de indruk dat hij kennelijk al weet wat in pleidooi als nader verweer zal worden aangevoerd. Het is ook niet juist om vanwege deze reden bijvoorbeeld een verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen. De rechter heeft het belang van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie voor de zaken van verzoekers gebagatelliseerd.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076, r.o. 3.4.2.) blijkt bijvoorbeeld dat de Hoge Raad van oordeel is dat de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter. Zelfs het ontbreken van nieuwe informatie mag volgens de Hoge Raad geen reden zijn een verzoek tot pleidooi af te wijzen.

3.8

De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie te kennen gegeven dat mogelijk nieuwe rechtspraak van de Hoge Raad slechts “fine-tuning” zou zijn. Dit is een ernstige onderschatting van het belang van nieuwe rechtspraak over bijvoorbeeld de rol van de ingeschakelde tussenpersonen en de beleggingstechnische gebreken van de door Dexia aangeboden producten. Het mag zo zijn dat de rechter geen aanhouding wil verlenen – en hierin zien verzoekers op zichzelf geen grond voor een wrakingsverzoek -, maar dan moet hij wel open staan voor hetgeen verzoekers aan hem willen toelichten. Verzoekers beschouwen de reactie van de rechter als een nadere onderbouwing van hun standpunt dat de rechter tenminste de schijn van subjectieve partijdigheid heeft gewekt.

3.9

De aard van de vorderingen in de waiver-zaken legt een extra verantwoordelijkheid op de rechter, omdat bij toewijzing daarvan Dexia wordt bevrijd van aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen jegens verzoekers, terwijl het niet valt uit te sluiten dat in de nabije toekomst door de Hoge Raad uitspraken worden gedaan die kunnen inhouden dat Dexia nog wel degelijk verplichtingen heeft.

3.10

Duidelijk is dat er thans rechtsonzekerheid heerst. Er zijn rechtbanken die daarom de vorderingen van Dexia in waiver-zaken afwijzen. Andere rechtbanken hebben de beslissingen aangehouden. Diverse gerechtshoven hebben alle zaken ook aangehouden. Verzoekers hebben aan de rechter verzocht om de zaken eveneens aan te houden. Dat verzoek is afgewezen. Verzoekers beschouwen dit als een bijkomende omstandigheid waardoor de schijn van vooringenomenheid ook is gewekt, ook omdat nog ongeveer 15.000 zaken mogelijk aan de rechter zullen worden voorgelegd. Het is volslagen onbegrijpelijk dat de rechter in bijna 60 zaken de vordering van Dexia zelfs heeft toegewezen. Verzoekers hebben het gevoel dat de rechter hun belangen veronachtzaamt en zij beschouwen de uitlating van de rechter in zijn afwijzing van het verzoek tot pleidooi als een uiting die tenminste de schijn van partijdigheid inhoudt. In alle zaken die Leaseproces heeft gevoerd is het verzoek tot het houden van pleidooi wel toegewezen. Voor de beslissing van de rechter is geen enkele aanleiding, omdat een pleidooi niet tot een onredelijke vertraging van de procedure zal leiden. Het is immers beter om een zaak aan te houden en te beslissen overeenkomstig te verwachten jurisprudentie van de Hoge Raad, dan uitspraken te doen waartegen hoger beroep moet worden ingesteld. Waarna de behandeling vervolgens door een gerechtshof moet worden aangehouden in afwachting van de uitspraken van de Hoge Raad. Het verwijt van de rechter is ook kennelijk ongegrond, omdat weliswaar het toestaan van pleidooi tot enkele maanden uitstel van de procedures zou leiden, maar daarmee nooit zoveel tijd zou worden gewonnen dat de te verwachten rechtspraak van de Hoge Raad beschikbaar zou zijn op het moment van de uitspraak.

3.11

Een andere bijkomende omstandigheid achten verzoekers dat de rechter op bepaalde punten anders pleegt te beslissen dan door een bepaald gerechtshof wordt gedaan en dat de rechter de vorderingen van Dexia bijna steeds heeft toegewezen. Deze bijkomende omstandigheden dragen bij aan de schijn van vooringenomenheid.

4. De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat een zaak als die van verzoekers behoort tot de financiële massaschadezaken, waarbij weliswaar de individuele omstandigheden van de afnemers verschillen, maar de aan de orde zijnde rechtsvragen steeds dezelfde zijn, althans dat een bepaalde rechtsvraag bij duizenden zaken aan de orde is. De aard van deze massaschadezaken brengt mee dat de behandeling daarvan min of meer volgens een vast stramien verloopt. Bij zaken als die van verzoekers wordt het Hof-model gevolgd voor de vaststelling van de aanspraken van de afnemer. Een mondelinge behandeling voor dit soort zaken heeft nauwelijks meerwaarde, omdat volgens dat model de relevante individuele feiten en omstandigheden door de afnemer met stukken diende te worden onderbouwd (indien deze een beroep deed op “onaanvaardbaar zware last”) en dat Dexia de met de overeenkomsten samenhangende financiële cijfers diende aan te leveren. Het bezwaar van verzoekers tegen zijn beslissing om de waiver-zaken niet aan te houden maar verder te behandelen en te beslissen, levert volgens de rechter geen grond tot wraking op.

4.2

Evenmin levert een grond voor wraking op het feit dat door de rechter op bepaalde punten anders pleegt te worden beslist dan door een bepaald hof wordt gedaan, omdat in beginsel voor de rechter steeds de jurisprudentie van het hof Amsterdam leidend is (tenzij de bijzondere omstandigheden in een bepaald geval aanleiding vormen om daarvan af te wijken). Ook bij andere rechtbanken wordt de behandeling van waiver-zaken voortgezet. Wel zijn er rechtbanken die de eindbeslissing in een bepaalde categorie zaken (kunnen) aanhouden, met name rechtbanken in een ressort waarvan het hof op een bepaalde rechtsvraag anders heeft beslist dan het hof Amsterdam.

4.3

Ook is onjuist de suggestie van verzoekers dat de rechter de vorderingen van Dexia steeds toewijst. Elke zaak wordt beoordeeld en beslist aan de hand van de maatstaven van en jurisprudentie van het hof Amsterdam. Achtergrond bij de behandeling van massaschadezaken vormt echter steeds de gedachte dat zaken als de onderhavige zoveel mogelijk uniform dienen te worden afgedaan en dat afwijking van de jurisprudentie de kans op (nodeloze) appellen slechts vergroot.

4.4

Dat toekomstige uitspraken van de Hoge Raad en de hoven tot gevolg kunnen hebben dat rechtsvragen in effectenleasezaken anders beantwoord gaan worden dan tot nu toe het geval is geweest, is de afgelopen circa 11 jaar steeds het geval geweest en dat zal in de toekomst niet anders zijn. Er bestaat geen reden te verwachten dat dit iets anders betreft dan “fine-tuning” van het hof-model. Er bestaat evenmin aanleiding om te verwachten dat na de beslissing van de Hoge Raad (en het arrest van het eventuele verwijzingshof ) in de huidige cassatiezaken geen rechtsvragen meer zouden opkomen die alsdan voor discussie zullen zorgen, zoals steeds het geval is geweest.

4.5

Dat verzoekers in de onderhavige zaken geen kans zouden hebben gehad om de inhoud van recente rechtsontwikkelingen naar voren te brengen is onjuist. Zij hebben dat juist uitvoerig gedaan in de processtukken en dit is onderwerp geweest van debat tussen partijen. Die gelegenheid bestaat bovendien alsnog in die zaken van de onderhavige 45 die nog niet in staat van wijzen verkeren en waarin nog gelegenheid bestaat tot conclusie- of aktenwisseling. De door Leaseproces opgevoerde “nieuwe” rechtsvragen zijn echter niet nieuw, in die zin dat het hof Amsterdam daarin ook recent nog een duidelijk standpunt heeft ingenomen. Dat er hoven zijn die op sommige punten anders beslissen doet daar niet aan af. In het geval er een arrest wordt gewezen dat een wijziging betekent in de jurisprudentie, maar waar partijen nog niet op hebben kunnen reageren, zullen zij de gelegenheid hebben dat alsnog te doen. Zij kunnen daar zelf ook om verzoeken.

4.6

Zowel het individuele belang van de afnemers, als een zo goed mogelijke afdoening van de onderhavige massaschadezaken, lijkt daarom gediend met een voortvarende aanpak.

4.7

Een eerder verzoek om pleidooi in 27 waiver-zaken, nadat enkele duizenden (zorgplicht)zaken zonder mondelinge behandeling waren afgedaan, werd gedaan in een periode waarin Leaseproces bij herhaling aandrong op algehele stopzetting van de behandeling van waiver-zaken. Tijdens de pleidooien op 10 december 2014 bleek dat deze voornamelijk betrekking hadden op algemene, in alle waiver-zaken van de zelfde categorie voorkomende rechtsvragen, waarover in de processtukken reeds uitvoerig debat was gevoerd. De daarbij overgelegde producties hadden geen betrekking op zaken waarin pleidooi werd gehouden, maar golden slechts als voorbeeld ter ondersteuning. Leaseproces legde de betreffende producties pas tijdens het pleidooi voor het eerst over. Dexia maakte tijdens het pleidooi bezwaar tegen overlegging van de producties. Aangezien Leaseproces deze producties van belang achtte en Dexia een redelijke termijn diende te hebben daarop te reageren, leidde dit tot een vertraging van de afdoening van die zaken.

4.8

Het is tegen deze achtergrond dat het verzoek om in (vrijwel) alle thans aanhangige waiver-zaken pleidooi te bepalen is beoordeeld. Enige toelichting waarop dat pleidooi specifiek betrekking zou hebben (recente jurisprudentie waarop nog niet was gereageerd, bijzonder individuele omstandigheden of andere specifieke omstandigheden) ontbrak. De toelichting die wel gegeven werd was in wezen niet anders dan de inhoud van de aanhoudingsverzoeken waarop reeds was beslist. Onder die omstandigheden en gelet op de voorgeschiedenis bestond voldoende aanleiding om te veronderstellen dat de pleidooiverzoeken geen andere doel hadden dan de verdere behandeling te vertragen. Daarom is het verzoek om pleidooi te bepalen door de rechter aangemerkt als misbruik van de bevoegdheid omdat te doen, strijdig met de goede procesorde.

4.9

De nadere toelichting in de brief van [verzoeker sub 47] van 2 juli 2015 betrof hoofdzakelijk een uiteenzetting over onderdelen van de vonnissen waarmee Leaseproces zich niet kan verenigen. Er was geen sprake van nieuwe informatie en er bestond derhalve geen aanleiding om tot herziening van de beslissing om het verzoek om pleidooi af te wijzen.

4.10

Ter zitting heeft de rechter hieraan toegevoegd dat verzoekers ook in de zaken die reeds voor vonnis staan, bij het verschijnen van nieuwe jurisprudentie die van belang is voor de beantwoording van de rechtsvraag, mogen verzoeken in de gelegenheid te worden gesteld nog nader te reageren. Verzoeken daartoe worden in behandeling genomen als daarvoor aanleiding is. De enige nieuwe jurisprudentie die nog van belang zou kunnen zijn betreft de eigen schuld.

4.11

De rechter is van mening dat er geen sprake is van enige aanwijzing voor (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid dan wel partijdigheid aan zijn zijde.

5 De gronden van de beslissing

5.1.Verzoekers 46 en 47 (Leaseproces en haar bestuurder) zijn geen partij in zaken die bij de rechter in behandeling zijn. Leaseproces treedt slechts op als gemachtigde van verzoekers 1 t/m 45. Daarom zijn zij niet-ontvankelijk in hun verzoek. Dat zij zich belemmerd voelen bij de uitoefening van hun taak om als gemachtigde de belangen van hun cliënten te behartigen, kan hieraan niet afdoen.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv. dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.3

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Niet voldoende is dus dat verzoekers zelf de vrees voor partijdigheid koesteren, de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.4

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid bij de rechter, omdat hij hun pleidooiverzoek heeft afgewezen. De wrakingskamer stelt voorop dat in een wrakingsprocedure niet kan worden opgekomen tegen een onwelgevallige (procedurele) beslissing van een rechter, zoals in dit geval de beslissing om geen pleidooi te gelasten. Het is de wrakingskamer immers niet toegestaan om te beoordelen of deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist zijn, zij dient alleen te onderzoeken of deze beslissing en de motivering daarvan feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat laatste kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de door de rechters genomen beslissing zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

5.5

De beslissing van 3 juni 2015, evenals brief van 7 juli 2015, waarin de afwijzing werd gehandhaafd, acht de wrakingskamer niet zodanig onbegrijpelijk. Daarbij heeft zij – evenals de rechter - tot uitgangspunt genomen dat een partij in beginsel recht heeft op een pleidooi, maar dat de rechter daarvan kan afzien als sprake is van misbruik van de bevoegdheid om pleidooi te vragen. De enkele weigering van het pleidooi is dus onvoldoende reden om te vrezen dat de rechter partijdig is.

Namens verzoekers is ter zitting van de wrakingskamer nog opgemerkt dat de grond voor afwijzing van het verzoek - misbruik van bevoegdheid- op zichzelf al doet vrezen voor partijdigheid van de rechter. De wrakingskamer volgt verzoekers daarin niet. Het oordeel van de rechter komt er op neer dat verzoekers het verzoek om pleidooi enkel hebben gedaan om tijd te winnen, hetgeen misbruik oplevert van de bevoegdheid van het recht om pleidooi te vragen en daarom in strijd is met een goede procesorde. Voor zover hierin al een ernstige beschuldiging aan het adres van verzoekers valt te lezen, past daarbij de relativering dat deze zwaar klinkende grond, gezien de stringente redactie van artikel 134 lid 1 Rv., nu eenmaal de enige door de Hoge Raad aanvaarde grond is om pleidooi te weigeren, terwijl de rechter een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om onnodige vertraging in grote aantallen zaken tegelijk te voorkomen; dat verzoekers zich de bijzondere aard in dit opzicht van deze zaken óók bewust zijn moge blijken uit de omstandigheid dat Leaseproces zich kennelijk genoopt zag het verzoek om pleidooi aanstonds al te motiveren. Voorts gaat het om een duidelijk afgebakende, eenmalige en louter procedurele beslissing die duidelijk los kan worden gezien van de inhoud van de zaken. Ook overigens is geen aanwijzing gevonden dat de rechter niet meer onbevangen staat tegenover de zaken van verzoekers.

5.6

Ook de motivering van de afwijzing van het pleidooiverzoek is niet zodanig onbegrijpelijk dat deze uitsluitend kan zijn ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekers. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat namens verzoekers eerder al een verzoek tot aanhouding is gedaan en door de rechter is afgewezen, dat Leaseproces voor alle gedaagden optreedt en dat bij het eerdere pleidooi in waiver-zaken Leaseproces ook als gemachtigde optrad, zij het voor andere afnemers. Voorts

wordt in het oordeel betrokken dat sprake is van massaschadezaken, waarbij het belang van een partij bij pleidooi moet worden afgewogen tegen het belang van een voortvarende afdoening. In dat kader kunnen partijen, ook nadat de zaak in staat van wijzen is, verzoeken om nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie onder de aandacht van de rechter te mogen brengen. Ook speelt mee dat in zaken als de onderhavige (langlopend en waarin één gemachtigde namens vele partijen veelal identieke verweren voert) bij de beoordeling van de (on)partijdigheid van de rechter acht behoort te worden geslagen op de gehele procedure. Onder die omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat de rechter het onderhavige nieuwe pleidooiverzoek van de zijde van Leaseproces alleen dan niet als strijdig met een goede procesorde wilde aanmerken, indien wezenlijke nieuwe punten te bespreken waren. In het verzoek tot pleidooi (evenals in het herhaald verzoek) is betoogd dat sprake was van nieuwe ontwikkelingen, maar de rechter heeft dat betoog niet gevolgd, hetgeen evenmin onbegrijpelijk is te achten. De beslissingen van gerechtshoven waarnaar verzoekers verwijzen dateren immers alle uit 2014 en zijn niet als nieuwe informatie aan te merken. Ook het rapport van de deskundige [ ] dat op 15 juni 2015 beschikbaar is gekomen is niet zo’n nieuwe ontwikkeling. Verzoekers hebben zelf immers gesteld dat er al twee rapporten waren van dezelfde strekking.

Ter zitting is nog wel een uitspraak van de Hoge Raad ter sprake gekomen van 15 mei 2015 over de wettelijke rente, maar naar die uitspraak wordt in het verzoek en in de nadere onderbouwing daarvan door verzoekers niet verwezen. Ook de uitspraak van de Hoge Raad over ambtshalve toetsing van onredelijk bezwarende bedingen is niet genoemd in de verzoeken tot pleidooi.

5.7

Gelet op deze omstandigheden getuigt de beslissing van de rechter niet van enige partijdigheid, objectief noch subjectief. Het verzoek zal worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

- verklaart verzoekers sub 46 en 47 niet-ontvankelijk in hun verzoek;

- wijst het verzoek tot wraking voor het overige af.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, O.J. van Leeuwen en K.A. Brunner, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.