Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4353

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
DX EXPL 14-37
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, zogeheten “Waiver-zaak”.

Dexia vordert dat bij vonnis voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de tussen haar en de afnemers gesloten lease-overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan. De afnemers voeren aan dat de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomsten niet kunnen worden behandeld en beslist omdat er nog immer onduidelijkheden bestaan over de juridische toetsings- en beoordelingskaders. De kantonrechter heeft de zaak wel inhoudelijk behandeld. Ten aanzien van een van de afnemers wordt de vordering van Dexia afgewezen. Dit omdat deze bij het aangaan van de overeenkomsten minderjarig was, de overeenkomst (mede) voor zijn rekening en risico werd afgesloten en hij een beroep heeft gedaan op vernietiging ex art. 1:347 BW jo. art. 1:345 lid1 sub d BW. Ten aanzien van de andere afnemer worden de vorderingen van Dexia toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/378
JONDR 2015/972

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 2900249 DX EXPL 14-37

vonnis van: 30 april 2015

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.

t e g e n

1 [gedaagde sub 1]
en
2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] dan wel [gedaagden gezamenlijk],

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

De procedure

1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 maart 2014 van Dexia, met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden gezamenlijk], met producties.

  • -

    Bij tussenvonnis van 17 juli 2014 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de conclusie van repliek van Dexia, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagden gezamenlijk], met producties,

  • -

    de akte van Dexia, waarbij zij reageert op die laatste stukken.

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast.

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2

[gedaagde sub 2] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnummer]

18-10-2000

Profit Effect

120 mnd

ƒ 21.410,89

II.

[contractnummer]

09-12-1999

Profit Effect

120 mnd

ƒ 21.994,35

2.3.

Door de wettelijke vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] (meer specifiek [gedaagde sub 2]), is de lease-overeenkomst I ondertekend waarop de toen minderjarige [gedaagde sub 1] mede als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia. [gedaagde sub 2] (de ouder/wettelijke vertegenwoordiger) van [gedaagde sub 1] had voorafgaand aan de totstandkoming van de lease-overeenkomst I geen toestemming van de kantonrechter gevraagd en verkregen, als bedoeld in artikel 1:345 BW.

2.4.

Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I.

18-10-2010

- € 2.133,74

II.

08-12-2009

- € 1.887,86

2.5.

Volgens opgave van Dexia hebben [gedaagden gezamenlijk] op grond van de lease-overeenkomsten in totaal een bedrag van € 10.774,32 aan maandtermijnen en een bedrag van € 4.021,60 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens hebben [gedaagden gezamenlijk] een bedrag van € 2.189,98 aan dividenden ontvangen. Op 18 januari 2012 heeft Dexia nog een bedrag van € 2.826,93 aan [gedaagden gezamenlijk] uitgekeerd.

2.6.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia het volgende - voor zover van belang - aan [gedaagden gezamenlijk] meegedeeld:

‘(…)
Dexia Nederland B.V. (..) is voornemens haar financiële verplichtingen jegens u te voldoen. (…)
Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 2.826,93 aan u uit te betalen.

(…)’.

2.7.

Bij brief van 25 januari 2012 hebben [gedaagden gezamenlijk] aan Dexia meegedeeld hun

rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

2.8.

Bij brief van 13 januari 2014 heeft Dexia aan [gedaagden gezamenlijk] meegedeeld dat zij een einde wil maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagden gezamenlijk] Dexia heeft [gedaagden gezamenlijk] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagden gezamenlijk] heeft voldaan en – zo niet – mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn.

2.9.

[gedaagden gezamenlijk] hebben daarop niet gereageerd.

3 Vordering

3.1.

Dexia vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagden gezamenlijk] gesloten lease-overeenkomsten met nummers [contractnummer] en [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagden gezamenlijk] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [gedaagden gezamenlijk] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4 Standpunten Dexia

4.1

Dexia stelt dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat [gedaagden gezamenlijk] een vordering op haar pretenderen, dat [gedaagden gezamenlijk] de verjaring van die vordering hebben gestuit, maar dat [gedaagden gezamenlijk] niet inhoudelijk motiveren waarom zij menen een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagden gezamenlijk] geen vordering hebben in verband met de tussen hen gesloten overeenkomsten.

4.2.

[gedaagden gezamenlijk] hebben inhoudelijk verweer gevoerd.

5 Beoordeling

Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

5.1.

[gedaagden gezamenlijk] stellen voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

5.2

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – waaronder [gedaagden gezamenlijk] – aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling, inhoudende dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagden gezamenlijk] heeft voldaan, vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagden gezamenlijk] hebben dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

5.3

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagden gezamenlijk], moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagden gezamenlijk] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagden gezamenlijk] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagden gezamenlijk] voldoende de gelegenheid hebben gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor hun aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

5.4

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen vormt een onderdeel van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken is bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel, en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

5.5

Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam d.d. 25 januari 2005. [gedaagden gezamenlijk] hebben echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagden gezamenlijk] een hogere schadevergoeding wensten te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in hun geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring hebben [gedaagden gezamenlijk] thans meer dan zeven jaar geleden afgelegd.

5.6

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van hof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

5.7

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagden gezamenlijk] komen er op neer dat [gedaagden gezamenlijk] thans niet in een procedure behoren te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of [gedaagden gezamenlijk] nog aanspraken hebben jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagden gezamenlijk] de mogelijkheid behoren te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagden gezamenlijk] aanspraken op Dexia verliezen waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

5.8

Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraken van [gedaagden gezamenlijk] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de lease-overeenkomst(en)), dat méér dan dertien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer vijf jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagden gezamenlijk] vorderingen op Dexia hebben, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, hebben [gedaagden gezamenlijk] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagden gezamenlijk] ook vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van hun (eventuele) vorderingen op Dexia te onderzoeken.

5.9

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagden gezamenlijk] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van Hoge Raad en hof Amsterdam – dan wel in de daarna uitgesproken arresten – is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagden gezamenlijk] zijn in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagden gezamenlijk] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof Amsterdam, zonder dat de gemachtigde van [gedaagden gezamenlijk] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en) van hof Amsterdam. Dat [gedaagden gezamenlijk] zich niet kunnen vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

5.10

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagden gezamenlijk] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagden gezamenlijk] De door (de gemachtigde van) [gedaagden gezamenlijk] genoemde geschilpunten waarop nog een oordeel van de Hoge Raad wordt verwacht zijn, voor zover de Hoge Raad daarover niet reeds heeft beslist in bovengenoemde arresten, niet van dien aard dat er aanleiding bestaat om alle zaken waarin zij voorkomen aan te houden. Gelet op de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken immers vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade (waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is) bestaat uit zowel de betaalde termijnen als de restschuld, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat een oordeel van de Hoge Raad (voor zover niet reeds gegeven) over de gevolgen van het niet bezitten van een publiekrechtelijke vergunning door een tussenpersoon gevolgen zal hebben voor de mate van eigen schuld van de afnemer is niet onderbouwd. Dit ligt evenmin voor de hand, omdat dit geen wijziging brengt in hetgeen de afnemer had kunnen en behoren te weten en nimmer is gesteld dat de afnemer bepaald onderzoek heeft nagelaten omdat hij er van uit ging dat de tussenpersoon wel zou beschikken over de betreffende vergunning. Daarnaast wordt volgens (de gemachtigde van) [gedaagden gezamenlijk] eveneens een oordeel gevraagd over stellingen die er op neerkomen dat Dexia bepaalde verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. De omvang van de schade is echter gegeven, deze wordt niet beïnvloed door de vraag of die schade door onrechtmatig handelen of door een toerekenbare tekortkoming is veroorzaakt. Ook ten aanzien van dit punt valt niet in te zien waarom dit van invloed zou zijn op de mate van eigen schuld van de afnemer. De thans gestelde prejudiciële vragen betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente belemmeren niet een beslissing op dat punt in de onderhavige procedure, zoals in de afgelopen tien jaar in duizenden soortgelijke zaken ook is gebleken. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is vormt evenmin een belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.

5.11

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagden gezamenlijk] nog een vordering op Dexia hebben. Indien [gedaagden gezamenlijk] van mening waren dat zij nog een vorderingsrecht jegens Dexia hebben, hebben zij de mogelijkheid gehad tot het voeren van een daartoe strekkend verweer in conventie en/of het instellen van een daarop gerichte reconventionele vordering. [gedaagden gezamenlijk] worden door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in hun rechtspositie. Van schending van hun aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM – wat daar verder ook van zij – kan dan ook geen sprake zijn.

5.12

Er bestaat geen aanleiding voor een algemene aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomsten worden behandeld en beslist. Voor zover dit in een bepaalde zaak anders is in verband met bijzondere omstandigheden of bijzondere geschilpunten, zal in die zaak anders kunnen worden beslist.

5.13

Mede gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia in het onderhavige geval voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering, dat de belangen van [gedaagden gezamenlijk] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt en beslist en voorts dat dit evenmin in strijd is met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op die vordering zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Aankoop en behoud aandelen

5.14.

De stellingen van [gedaagden gezamenlijk] inhoudende dat Dexia niet op de in de lease-overeenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagden gezamenlijk] aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In de beschikking d.d. 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande lease-overeenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). Concrete feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn door [gedaagden gezamenlijk] niet gesteld, zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagden gezamenlijk] worden gepasseerd. De recente jurisprudentie waarop [gedaagden gezamenlijk] in dit verband hebben gewezen betrof een ander product en een andere aanbieder en heeft geen betrekking op Dexia of op de in geschil zijnde effectenlease-producten.

Beurskoersen

5.15.

[gedaagden gezamenlijk] stellen verder dat Dexia bij de aankoop van de aandelen waar de lease-overeenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd.

Met Dexia wordt overwogen dat de bij aankoop gehanteerde beurskoersen in de overeenkomsten zelf zijn opgenomen en voorts dat de exacte informatie over de beurskoersen op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk is. [gedaagden gezamenlijk] hebben in dit verband onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in zijn geval en met betrekking tot de in geding zijnde lease-overeenkomsten onjuist dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige lease-overeenkomsten.

Beleggingstechnische tekortkomingen

5.16.

[gedaagden gezamenlijk] stellen dat de door Dexia aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor de [gedaagden gezamenlijk] ofwel hebben gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagden gezamenlijk] menen dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven:

  1. de samenstelling van de portefeuille is onvoldoende gespreid; het zijn drie of vier fondsen, terwijl het tien tot twintig fondsen zouden moeten zijn;

  2. feitelijk is het onmogelijk de leaseovereenkomsten tussentijds te beëindigen of de aandelen om te wisselen;

  3. gezien de hoge rente op de lening bestaat een (zeer) geringe kleine mogelijkheid om rendement te maken;

  4. e leaseovereenkomsten bieden geen mogelijkheid om koersverliezen af te dekken;

  5. r dient niet belegd te worden met geleend geld.

5.17

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagden gezamenlijk], daaronder begrepen de verwijzing naar de conclusies van prof. dr. M. Damm in zijn rapport van 16 september 2013 waar ook in deze procedure naar wordt verwezen, zijn in het arrest van hof Amsterdam d.d. 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) uitgebreid besproken en verworpen (vgl. r.o. 3.18 van dat arrest). Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling in verband met een onjuiste voorstelling van zaken betreffende de beleggingstechnische risico’s. Naar die overwegingen wordt verwezen en deze maakt de kantonrechter tot de zijne. De stelling dat effectenleaseovereenkomsten zoals Dexia die aanbood veel meer risico in zich droegen dan het ‘gewoon’ beleggen in aandelen met geleend geld en dat bij de vaststelling van de mate van eigen schuld van de afnemers rekening zou moeten worden gehouden met een veel hoger risico bij effectenleaseproducten dan een normaal beleggersrisico, wordt verworpen.

De rol van de tussenpersoon

5.18.

[gedaagden gezamenlijk] stellen dat Dexia op grond van artikel 6:76 BW dan wel 6:171 BW en/of artikel 6:172 BW aansprakelijk is voor het handelen van de tussenpersoon De Breedijk & Biesenbeek B.V. (hierna: de tussenpersoon). [gedaagden gezamenlijk] doelen daarbij meer specifiek op de onjuiste advisering door deze tussenpersoon bij de totstandkoming van de onderhavige lease-overeenkomsten. Voorts heeft Dexia door gebruik te maken van de betreffende tussenpersoon in strijd gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling, waardoor Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. De betrokkenheid van deze tussenpersoon vermindert de mate van de eigen schuld. Daardoor bestaat aanspraak op een ruimere schadevergoeding dan op grond van de Hof-formule zou worden toegekend, aldus – steeds – [gedaagden gezamenlijk]

voeren aan dat de tussenpersoon een bepaalde rol heeft gespeeld voorafgaande aan en ten tijde van het sluiten van de bewuste lease-overeenkomst(en). De gestelde gedragingen van de tussenpersoon - advisering over het product – zijn echter niet verricht ter uitvoering van enige verplichting dan wel verbintenis uit een tussen [gedaagden gezamenlijk] en Dexia overeengekomen lease-overeenkomsten. Dat leidt tot de conclusie dat aansprakelijkheid van Dexia jegens [gedaagden gezamenlijk] niet kan worden gebaseerd op artikel 6:76 BW. Dit artikel ziet immers op de aansprakelijkheid van (in dit geval) Dexia voor gedragingen van een door haar ingeschakelde derde (tussenpersoon) bij de uitvoering van verbintenissen uit een tussen partijen gesloten overeenkomst. Verwezen wordt naar de arresten van Hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135, r.o. 3.14, 3.15) en van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081, r.o. 3.5), waarin de hier bedoelde aansprakelijkheid van Dexia voor het handelen van tussenpersonen op grond van artikel 6:76 BW reeds werd behandeld en verworpen.

Het door [gedaagden gezamenlijk] gedane beroep op artikel 6:172 BW faalt onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 3.15 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135), welke rechtsoverwegingen zijn herhaald in het arrest van het hof Amsterdam van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081), die de kantonrechter tot de zijne maakt en welke als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. [gedaagden gezamenlijk] hebben dienaangaande onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de tussenpersoon bij de totstandkoming van de onderhavige lease-overeenkomsten op grond van een volmacht dan wel op enig ander moment als vertegenwoordiger van Dexia is opgetreden.

[gedaagden gezamenlijk] stellen dat Dexia artikel 41 NR 1999 heeft geschonden en daarmee aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder verwijzing naar het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 r.o. 3.13) overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 41 NR 1999, aanhef en onder d bepaalt dat een effecteninstelling geen cliënten of cliëntenorders mag accepteren van een (rechts)persoon die niet is ingeschreven in het in artikel 21, eerste lid van de Wte 1995 bedoelde register. Gesteld noch gebleken is dat de tussenpersoon niet aan dat vereiste voldeed. Verder heeft Dexia met juistheid betoogd dat het geven van (specifiek) beleggingsadvies destijds onder de Wte niet een vergunningplichtige activiteit was. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081).

[gedaagden gezamenlijk] hebben verder een beroep op artikel 6:171 BW gedaan en gesteld dat Dexia op die grond aansprakelijk zou zijn voor de gedragingen van de tussenpersoon. Ook dit verweer faalt onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 3.14 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) , de rechtsoverwegingen 3.8 e.v. in het arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1136) en het herhalen van dit oordeel door het hof Amsterdam in haar arrest van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4081 r.o. 3.5). Naar die overwegingen wordt verwezen. De tussenpersoon is, zo stellen [gedaagden gezamenlijk] , opgetreden als financieel adviseur. Daarmee ligt de vraag voor of de door [gedaagden gezamenlijk] omschreven advieswerkzaamheden van de tussenpersoon tot de werkzaamheden ter uitvoering van het bedrijf van Dexia behoorden. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Uit hetgeen [gedaagden gezamenlijk] naar voren hebben gebracht volgt niet dat zij voldoende gronden had om er van uit te gaan dat tussen de tussenpersoon en Dexia een zekere eenheid van onderneming bestond. In het licht van het voorgaande hebben [gedaagden gezamenlijk] hun stelling dat de tussenpersoon namens Dexia is opgetreden als financieel adviseur onvoldoende onderbouwd.

[gedaagden gezamenlijk] hebben tot besluit gesteld dat dat zij in verband met het optreden van de tussenpersoon aanspraak kan maken op een ruimere schadevergoeding dan voortvloeit uit de Hof-formule, althans op een geringer mate van eigen-schuld. Daartoe heeft zij gewezen naar een arrest van 20 augustus 2013 van Hof Arnhem-Leeuwarden en naar een arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013. Laatstgenoemde arresten zijn in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat deze betrekking hadden op een procedure tussen een afnemer van een lease-overeenkomst en de bewuste tussenpersoon, bij wie de afnemer advies had ingewonnen. De in de standaard arresten gegeven maatstaven voor de verdeling van de schade, kort samengevat aangeduid als het Hof-model, zijn in beginsel niet van toepassing op de vaststelling en verdeling van schade als gevolg van onrechtmatig handelen dan wel tekortschieten van de tussenpersoon zelf. In de onderhavige procedure is de tussenpersoon echter geen partij en is uitsluitend in geschil de schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig handelen door Dexia.

Buitengerechtelijke kosten

5.19.

[gedaagden gezamenlijk] hebben aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. Geoordeeld wordt dat [gedaagden gezamenlijk] geen aanspraak hebben op een dergelijke vergoeding. Dit omdat niet is onderbouwd dat dergelijke kosten met betrekking tot de onderhavige zaak zijn gemaakt, en tevens omdat is komen vast te staan dat de aanspraak jegens Dexia niet groter is dan Dexia bereid was buiten rechte te vergoeden, van welk aanbod geen gebruik is gemaakt, waardoor eventuele buitengerechtelijke kosten ook niet in redelijkheid zijn gemaakt.

Minderjarige

5.20.

Uit de lease-overeenkomst I blijkt dat het gaat om een belegging door de minderjarige met een geleende som geld en dat hij aansprakelijk is voor betaling van de rente en de terugbetaling van de geleende hoofdsom. De lease-overeenkomst I is derhalve afgesloten (mede) voor rekening en risico van de (toen) minderjarige [gedaagde sub 1].

Artikel 1:345 lid 1 sub d BW is derhalve van toepassing zodat (namens) [gedaagde sub 1] een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:347 BW toekwam.

Vervolgens is aan de orde de vraag of het namens en door [gedaagde sub 1] gedane beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:347 BW reeds was verjaard op het moment van het doen van dit beroep bij conclusie van antwoord. Dexia stelt bij haar laatste akte dat het door [gedaagde sub 1] gedane beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:347 BW is verjaard.

Dexia heeft bij conclusie van repliek hiertegen geen inhoudelijk verweer gevoerd.
Het eerst bij akte uitlating gedane beroep van verjaring van Dexia is om die reden niet tijdig.

Om die reden wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde sub 1] de lease-overeenkomst I tijdig heeft vernietigd.

Dat leidt er toe dat thans niet kan worden geconcludeerd dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Dat betekent dat de vordering van Dexia jegens [gedaagde sub 1] niet toewijsbaar is, nu niet kan worden vastgesteld dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan.

Toepassing Hof-model en Hof-formule

5.21.

Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [gedaagde sub 2] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.

5.22.

In het onderhavige geval dient op de door [gedaagde sub 2] gestelde door haar geleden schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde sub 2] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dienen te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.

5.23.

Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [gedaagde sub 2] ingevolge de lease-overeenkomsten I en II hebben genoten, zoals aan haar betaalde of toekomende dividenden. [gedaagde sub 2] heeft in totaal ten aanzien van de in geding zijnde lease-overeenkomsten een bedrag van in totaal € 2.189,98 aan dividend van Dexia ontvangen.

5.24.

Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [gedaagde sub 2] schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door haar veroorzaakt voor rekening van [gedaagde sub 2] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

5.25.

In dit geval heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de
Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’ ter zake de lease-overeenkomst II.

[gedaagde sub 2] stelt met betrekking tot de lease-overeenkomst I dat er wel sprake is van een ‘onaanvaardbare financiële last’. [gedaagde sub 2] onderbouwt deze stelling slechts met de verwijzing naar de minderjarigheid van [gedaagde sub 1] en aldus de afwezigheid van enig vermogen. Met Dexia wordt overwogen dat [gedaagde sub 2] mede-contractant van de onderhavige lease-overeenkomst I was en aldus haar financiële gegevens van belang zijn om te oordelen of hier sprake was van een aanvaardbar dan wel onaanvaardbare financiële last. [gedaagde sub 2] heeft geen (financiële) gegevens in het geding gebracht.

Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde sub 2] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de beide lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde sub 2] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde sub 2] behoort te blijven.

5.26.

Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [gedaagde sub 2] over het geleende bedrag rente waren verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [gedaagde sub 2] behoort te blijven. Een en ander brengt mee dat [gedaagde sub 2] aanspraak had den op een schadevergoeding van € 2.681,20, conform de daarvan door Dexia overgelegde en in zoverre niet betwistte onderbouwing.

5.27.

[gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt dat Dexia in elk geval een bedrag
van € 6,01 te weinig aan wettelijke rente heeft betaald. Dit omdat Dexia het totaal door haar berekende bedrag (inclusief wettelijke rente) heeft betaald enige tijd nadat zij de betreffende (rente)berekening heeft gemaakt. Dexia heeft de verschuldigdheid niet dan wel onvoldoende betwist. Dexia stelt dat de (verminderde) vordering nog steeds toewijsbaar is, zijnde een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2] niets meer te vorderen heeft behoudens een bedrag van
€ 6,01.

Gelet op het hiervoor overwogene en de omstandigheid dat Dexia een bedrag aan schade van € 2.826,93 (inclusief een deel van de vervallen rente) heeft uitgekeerd, wordt geconcludeerd dat er - behoudens een bedrag van € 6,01 - geen verder bedrag aan schade door Dexia aan [gedaagde sub 2] behoeft te worden betaald.

5.28.

De kantonrechter is bij het voorgaande uitgegaan van de door Dexia bij inleidende dagvaarding overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde sub 2] zijn weersproken. Nu Dexia uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomsten, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben.

5.29.

Dat betekent dat de vordering van Dexia toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

5.30.

Gelet op de uitkomst van de procedure, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen van Dexia jegens [gedaagde sub 1] af;

II. verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde sub 2] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomsten met nummers [contractnummer] en [contractnummer] heeft voldaan, behoudens een bedrag van € 6,01 dat Dexia nog wegens wettelijke rente aan [gedaagde sub 2] verschuldigd is;

II. compenseert de proceskosten, in dier voege dat partijen de eigen kosten dragen;

III. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter