Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:4352

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
DX EXPL 14-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, zogeheten “Waiver-zaak”.

Dexia vordert dat bij vonnis voor recht wordt verklaard dat zij ten aanzien van de tussen haar en de afnemer gesloten lease-overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan. De afnemer voert aan dat de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomsten niet kunnen worden behandeld en beslist omdat er nog immer onduidelijkheden bestaan over de juridische toetsings- en beoordelingskaders. De kantonrechter heeft de zaak wel inhoudelijk behandeld. Ten aanzien van een van de overeenkomsten wordt de vordering van Dexia afgewezen. Dit omdat wordt geoordeeld dat de afnemer in dit geval aanspraak kan maken op een hogere schadevergoeding dan volgt uit de Hof-formule omdat in dit geval een medewerker van Dexia (LegioLease) zelf adviseur is geweest voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst. Ten aanzien van de andere overeenkomst wordt de vordering van Dexia toegewezen. Meer specifiek komen nog aan de orde de aankoop en behoud van aandelen door Dexia, de beurskoersen waartegen wordt afgerekend, beleggingstechnische tekortkomingen van de leaseproducten, de toepassing van het Hof-model en de aanspraak op buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/403
JONDR 2015/1178

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 2900334DX EXPL 14-148

vonnis van: 23 april 2015

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

De procedure

1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 maart 2014 van Dexia, met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties.

  • -

    Bij tussenvonnis van 17 juli 2014 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de conclusie van repliek van Dexia, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde], met producties,

  • -

    bij rolmededeling van 13 november 2014 is het verzoek van [gedaagde] tot aanhouding van deze procedure afgewezen. Vervolgens is ingediend:

  • -

    de akte van Dexia, waarbij zij reageert op die laatste stukken.

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast.

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2

[gedaagde] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnummer]

13-11-1997

Beleggen met Korting

36 mnd

ƒ 15.991,17

II.

[contractnummer]

28-11-2000

Beleggen met Bonus

36 mnd

ƒ 16.385,49

2.3.

Dexia heeft met betrekking tot de lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

I.

13-11-2000

- € 1.919,78

II.

27-11-2006

- € 1.899,89

2.3.

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de lease-overeenkomsten in totaal een bedrag van € 4.892,10 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.899,89 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.111,13 aan dividenden en een bedrag van € 1.919,78 aan ander voordeel ontvangen. Op 18 januari 2012 heeft Dexia nog een bedrag van € 1.599,16 aan [gedaagde] uitgekeerd.

2.4.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia het volgende - voor zover van belang - aan [gedaagde] meegedeeld:

‘(…)
Dexia Nederland B.V. (..) is voornemens haar financiële verplichtingen jegens u te voldoen. (…)
Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 1.599,16 aan u uit te betalen.

(…)’.

2.5.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft [gedaagde] aan Dexia meegedeeld zijn

rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

2.6.

Bij brief van 13 januari 2014 heeft Dexia aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een einde wil maken aan de onzekere situatie tussen haar en [gedaagde]. Dexia heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en – zo niet – mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn.

2.7.

Bij brief van 24 februari 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] recht heeft op volledige schadevergoeding.

3 Vordering

3.1.

Dexia vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomsten met nummers [contractnummer] en [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4 Standpunten Dexia

4.1

Dexia stelt dat zij zich ziet geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom zij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering heeft in verband met de tussen hen gesloten overeenkomsten.

4.2.

[gedaagde] heeft inhoudelijk verweer gevoerd.

5 Beoordeling van de vorderingen
Belang bij de vordering en misbruik van procesbevoegdheid?

5.1.

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

5.2.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – waaronder [gedaagde] – aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling, inhoudende dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan, vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen. [gedaagde] heeft dan immers de mogelijkheid om in conventie en/of in reconventie het tegendeel te onderbouwen.

5.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde], moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde], kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging. Daarbij is van belang of [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en of inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven.

5.4.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De rechtsverhouding tussen partijen vormt een onderdeel van een groot aantal financiële massaschadezaken. Elke afzonderlijke procedure in een dergelijke zaak dient te worden behandeld en beslist op grond van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de beoordelingsmaatstaven zoals die zijn en worden ontwikkeld bij de afdoening van soortgelijke zaken. Omdat de behandeling van deze zaken in en buiten rechte zich concentreert bij een klein aantal partijen en organisaties, bestaat de mogelijkheid van enige coördinatie bij de afdoening van deze zaken. Deze omstandigheden brengen mee dat bij de beoordeling of enige partij recht en belang heeft bij het instellen van een procedure in een individuele zaak, tevens van belang is wat de stand van zaken is bij de ontwikkeling van beoordelingsmaatstaven voor de betreffende massaschadezaken als geheel, en voorts wat de betrokken partijen (met name Dexia) en gemachtigden (met name Leaseproces) in dat verband hebben gedaan en nagelaten.

5.5.

Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van hof Amsterdam d.d. 25 januari 2005. [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in zijn geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen. Die verklaring heeft [gedaagde] thans meer dan zeven jaar geleden afgelegd.

5.6.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van hof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hof-formule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof Amsterdam daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

5.7.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde] komen er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of [gedaagde] nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan wordt aangevoerd dat [gedaagde] de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van hoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken.

5.8.

Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt. Het gaat om de beoordeling van de aanspraken van [gedaagde] op Dexia ten gevolge van onrechtmatig handelen van Dexia (het onvoldoende zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van de lease-overeenkomst), dat méér dan dertien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook de afhandeling van de overeenkomst(en) heeft al vele jaren geleden plaats gevonden. De bij de beoordeling toe te passen criteria staan (in hoofdlijnen) al ongeveer vijf jaar vast. Dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in de naaste toekomst zal blijken dat [gedaagde] vorderingen op Dexia heeft, die niet in de onderhavige procedure zouden kunnen worden beoordeeld, heeft [gedaagde] in het geheel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Reeds op grond van het tijdsverloop moet [gedaagde] ook vóór aanvang van de onderhavige procedure ruim voldoende de gelegenheid hebben gehad om de feitelijke en juridische grondslagen van zijn (eventuele) vorderingen op Dexia te onderzoeken.

5.9.

Voorts is niet gebleken dat er door [gedaagde] beslispunten zijn opgeworpen waarover niet reeds in de hiervoor genoemde jurisprudentie van Hoge Raad en hof Amsterdam – dan wel in de daarna uitgesproken arresten – is beslist, of waarover in de onderhavige procedure niet zou kunnen worden beslist. In elke stand van de jurisprudentie geldt dat van de daarin ontwikkelde maatstaven kan worden afgeweken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. [gedaagde] is in staat geweest dergelijke omstandigheden in de onderhavige procedure naar voren te brengen, indien in zijn geval daartoe aanleiding bestaat. Voorts is niet zonder betekenis dat een aantal door [gedaagde] in de onderhavige procedure opgeworpen stellingen recent zijn verworpen door het hof Amsterdam, zonder dat de gemachtigde van [gedaagde] tegen de betreffende arresten cassatie heeft doen instellen. Nu die gemachtigde naar eigen zeggen optreedt voor vele duizenden afnemers, en het stellingen betreft die velen van hen (zo niet allen) zullen aangaan, overtuigt het argument betreffende de kosten van cassatie niet. Deze zullen per afnemer relatief gering zijn. Zouden de beoordelingsmaatstaven onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, dan zou het in de rede hebben gelegen dat in het belang van de afnemers wel cassatie zou zijn ingesteld tegen het (de) betreffende arrest(en) van hof Amsterdam. Dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de thans in de jurisprudentie ontwikkelde beoordelingsmaatstaven maakt niet dat deze niet zouden kunnen worden toegepast.

5.10.

Het enkele feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent niet dat thans niet zou kunnen of mogen worden beslist over de aanspraken van [gedaagde]. De door (de gemachtigde van) [gedaagde] genoemde geschilpunten waarop nog een oordeel van de Hoge Raad wordt verwacht zijn, voor zover de Hoge Raad daarover niet reeds heeft beslist in bovengenoemde arresten, niet van dien aard dat er aanleiding bestaat om alle zaken waarin zij voorkomen aan te houden. Gelet op de door de Hoge Raad eerder gegeven maatstaven staat in de onderhavige zaken immers vast dat Dexia een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat de daardoor veroorzaakte schade (waarvoor Dexia in beginsel aansprakelijk is) bestaat uit zowel de betaalde termijnen als de restschuld, en dat de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW de verdeelsleutel geeft om die schade over partijen te verdelen. Dat een oordeel van de Hoge Raad (voor zover niet reeds gegeven) over de gevolgen van het niet bezitten van een publiekrechtelijke vergunning door een tussenpersoon gevolgen zal hebben voor de mate van eigen schuld van de afnemer is niet onderbouwd. Dit ligt evenmin voor de hand, omdat dit geen wijziging brengt in hetgeen de afnemer had kunnen en behoren te weten en nimmer is gesteld dat de afnemer bepaald onderzoek heeft nagelaten omdat hij er van uit ging dat de tussenpersoon wel zou beschikken over de betreffende vergunning. Daarnaast wordt volgens (de gemachtigde van) [gedaagde] eveneens een oordeel gevraagd over stellingen die er op neerkomen dat Dexia bepaalde verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. De omvang van de schade is echter gegeven, deze wordt niet beïnvloed door de vraag of die schade door onrechtmatig handelen of door een toerekenbare tekortkoming is veroorzaakt. Ook ten aanzien van dit punt valt niet in te zien waarom dit van invloed zou zijn op de mate van eigen schuld van de afnemer. De thans gestelde prejudiciële vragen betreffende de ingangsdatum van de wettelijke rente belemmeren niet een beslissing op dat punt in de onderhavige procedure, zoals in de afgelopen tien jaar in duizenden soortgelijke zaken ook is gebleken. Dat de mogelijkheid van nieuwe ontwikkelingen in de jurisprudentie aanwezig is vormt evenmin een belemmering om op de voorgelegde geschilpunten te beslissen, nu die mogelijkheid ook op andere rechtsterreinen en in andere soorten zaken steeds aanwezig is.

5.11.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vordering van Dexia beoogt om vast te stellen of [gedaagde] nog een vordering op Dexia heeft. Indien [gedaagde] van mening was dat zij nog een vorderingsrecht jegens Dexia heeft, heeft zij de mogelijkheid gehad tot het voeren van een daartoe strekkend verweer in conventie en/of het instellen van een daarop gerichte reconventionele vordering. [gedaagde] wordt door het instellen van de onderhavige vordering niet beknot dan wel benadeeld in zijn rechtspositie. Van schending van haar aanspraken op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM – wat daar verder ook van zij – kan dan ook geen sprake zijn.

5.12.

Er bestaat geen aanleiding voor een algemene aanhouding of “standstill”. Nu er geen onduidelijkheid bestaat over de juridische toetsings- en beoordelingskaders kunnen de geschillen omtrent de in geding zijnde lease-overeenkomsten worden behandeld en beslist. Voor zover dit in een bepaalde zaak anders is in verband met bijzondere omstandigheden of bijzondere geschilpunten, zal in die zaak anders kunnen worden beslist.

5.13.

Mede gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia in het onderhavige geval voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering, dat de belangen van [gedaagde] niet onevenredig worden geschaad door het feit dat deze thans aanhangig wordt gemaakt en beslist en voorts dat dit evenmin in strijd is met de belangen van een goede procesorde en een behoorlijke rechtspleging. Door het aanhangig maken van de onderhavige vordering maakt Dexia geen misbruik van haar recht en bevoegdheid daartoe. Op die vordering zal daarom in het hierna volgende worden beslist.

Aankoop en behoud aandelen

5.14.

De stellingen van [gedaagde] inhoudende dat Dexia niet op de in de lease-overeenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [gedaagde] aandelen heeft aangekocht en behouden, zijn onderwerp geweest van een door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onder leiding van een door het hof Amsterdam daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. In de beschikking d.d. 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) heeft het hof die stellingen verworpen. Dit omdat de vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name de periode december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande lease-overeenkomsten als de onderhavige te kunnen voldoen, door AFM in positieve zin is beantwoord. Dit oordeel heeft het hof Amsterdam herhaald in haar arrest van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523). Concrete feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn door [gedaagde] niet gesteld, zodat de hier bedoelde stellingen van [gedaagde] worden gepasseerd. De recente jurisprudentie waarop [gedaagde] in dit verband heeft gewezen betrof een ander product en een andere aanbieder en heeft geen betrekking op Dexia of op de in geschil zijnde effectenlease-producten.

Beurskoersen

5.15.

[gedaagde] stelt verder dat Dexia bij de aankoop van de aandelen waar de lease-overeenkomsten betrekking op hebben niet de juiste beurskoersen zou hebben gehanteerd.

Met Dexia wordt overwogen dat de bij aankoop gehanteerde beurskoersen in de overeenkomsten zelf zijn opgenomen en voorts dat de exacte informatie over de beurskoersen op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk is. [gedaagde] heeft in dit verband onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in zijn geval en met betrekking tot de in geding zijnde lease-overeenkomsten onjuist dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige lease-overeenkomsten.

Beleggingstechnische tekortkomingen

5.16.

[gedaagde] stelt dat de door Dexia aangeboden producten ‘beleggingstechnische tekortkomingen’ vertoonden, waardoor de [gedaagde] ofwel heeft gedwaald ofwel aanspraak behoort te hebben op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan zou volgen uit de standaard toepassing van de Hof-formule. [gedaagde] meent dat aan de leaseovereenkomsten de volgende beleggingstechnische tekortkomingen kleven:

  1. de samenstelling van de portefeuille is onvoldoende gespreid; het zijn drie of vier fondsen, terwijl het tien tot twintig fondsen zouden moeten zijn;

  2. feitelijk is het onmogelijk de leaseovereenkomsten tussentijds te beëindigen of de aandelen om te wisselen;

  3. gezien de hoge rente op de lening bestaat een (zeer) geringe kleine mogelijkheid om rendement te maken;

  4. e leaseovereenkomsten bieden geen mogelijkheid om koersverliezen af te dekken;

  5. r dient niet belegd te worden met geleend geld.

5.17.

De stellingen van (de gemachtigde van) [gedaagde], daaronder begrepen de verwijzing naar de conclusies van prof. dr. M. Damm in zijn rapport van 16 september 2013 waar ook in deze procedure naar wordt verwezen, zijn in het arrest van hof Amsterdam d.d. 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) uitgebreid besproken en verworpen (vgl. r.o. 3.18 van dat arrest). Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling in verband met een onjuiste voorstelling van zaken betreffende de beleggingstechnische risico’s. Naar die overwegingen wordt verwezen en deze maakt de kantonrechter tot de zijne. De stelling dat effectenleaseovereenkomsten zoals Dexia die aanbood veel meer risico in zich droegen dan het ‘gewoon’ beleggen in aandelen met geleend geld en dat bij de vaststelling van de mate van eigen schuld van de afnemers rekening zou moeten worden gehouden met een veel hoger risico bij effectenleaseproducten dan een normaal beleggersrisico, wordt verworpen.

Buitengerechtelijke kosten

5.18.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat nog aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door Dexia, hetgeen Dexia gemotiveerd heeft betwist. Geoordeeld wordt dat [gedaagde] geen aanspraak heeft op een dergelijke vergoeding. Dit omdat niet is onderbouwd dat dergelijke kosten met betrekking tot de onderhavige zaak zijn gemaakt, en tevens omdat is komen vast te staan dat de aanspraak jegens Dexia niet groter is dan Dexia bereid was buiten rechte te vergoeden, van welk aanbod geen gebruik is gemaakt, waardoor eventuele buitengerechtelijke kosten ook niet in redelijkheid zijn gemaakt.

De rol van de adviseur van Legio-Lease

5.19.

[gedaagde] stelt dat de bewuste overeenkomst II tot stand is gekomen op advies van een medewerker van Legio-Lease. Dat leidt er volgens [gedaagde] toe dat er sprake was van een advies-relatie tussen Legio-Lease (Dexia) en haarzelf. Dexia heeft bij de aanvang van de overeenkomst onrechtmatig gehandeld en zij is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. Dat betekent volgens [gedaagde] dat zij in het onderhavige geval in verband met het optreden van de adviseur aanspraak kan maken op een ruimere schadevergoeding dan voortvloeit uit de Hof-formule, althans op een geringer mate aan eigen-schuld. Daartoe heeft zij gewezen naar een arrest van 20 augustus 2013 van Hof Arnhem-Leeuwarden en naar een arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013.

Weliswaar heeft Dexia gesteld dat [gedaagde] dienaangaande onvoldoende heeft gesteld omtrent de contactmomenten tussen [gedaagde] en Legio Lease voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst II, maar dienaangaande wordt overwogen dat [gedaagde] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Legio Lease voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst II als adviseur heeft opgetreden. [gedaagde] heeft gesteld dat een medewerker van Legio Lease haar persoonlijk heeft geadviseerd om de aankomende uitkering uit de toen nog lopende overeenkomst I te gebruiken om de inleg voor een nog te sluiten contract (de lease-overeenkomst II) te betalen. Dexia heeft de door [gedaagde] omschreven gang van zaken bij het aangaan van de overeenkomst niet voldoende - en slechts in algemene termen - weersproken, zodat hiervan wordt uitgegaan.

Beide bovengenoemde arresten zijn in het onderhavige geval van toepassing, nu er sprake is van het optreden van Legio-Lease (Dexia) als adviseur bij wie de afnemer ([gedaagde]) advies heeft ingewonnen. Als gevolg (het causale verband) van die bewuste advisering door Legio Lease heeft [gedaagde] vervolgens de overeenkomst II afgesloten. De in de standaard arresten gegeven maatstaven voor de verdeling van de schade, kort samengevat aangeduid als het Hof-model, zijn in beginsel niet van toepassing op de vaststelling en verdeling van schade van [gedaagde] als gevolg van de onjuiste advisering door Legio-Lease (Dexia) voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Dat betekent dat [gedaagde] in verband met het optreden van de adviseur aanspraak kan maken op een ruimere schadevergoeding dan voortvloeit uit de Hof-formule.

Dat leidt er echter wel toe dat onder die omstandigheden Dexia nog een schadevergoedingsplicht heeft. Dat leidt er eveneens toe dat thans niet kan worden geconcludeerd dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Dat betekent dat de vordering van Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst II niet toewijsbaar is, nu niet kan worden vastgesteld dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan.

Toepassing Hof-model

5.20.

Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.

5.22.

In het onderhavige geval dient op de door [gedaagde] gestelde door haar geleden schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.

5.23.

Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [gedaagde] ingevolge de lease-overeenkomst I heeft genoten, zoals aan haar betaalde of toekomende dividenden. [gedaagde] heeft in totaal ten aanzien van de in geding zijnde lease-overeenkomst I een bedrag van in totaal € 786,68 aan dividend van Dexia ontvangen.

5.24.

Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [gedaagde] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door haar veroorzaakt voor rekening van [gedaagde] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

5.25.

In dit geval heeft [gedaagde] gesteld dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomst I niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomst I niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.

5.26.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst I stelt de kantonrechter voorop dat deze niet met een restschuld is geëindigd. Dat betekent dat terzake deze overeenkomst I geen bedrag aan schade door Dexia behoeft te worden voldaan.

5.27.

De kantonrechter is bij het voorgaande uitgegaan van de door Dexia bij inleidende dagvaarding overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken. Nu Dexia uitsluitend gegevens heeft overgelegd betreffende de door haar in deze procedure genoemde overeenkomst, zal de verklaring voor recht slechts daarop betrekking kunnen hebben.

5.28.

Dat betekent dat de vordering van Dexia toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

5.29.

Gelet op de uitkomt van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomst met nummer [contractnummer] heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

II. compenseert de proceskosten, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt

III. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter