Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:3202

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
3603419 CV EXPL 14-32341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De UvA moet een schadevergoeding van bijna 10.000 euro betalen aan een student omdat deze buiten zijn schuld een half jaar studievertraging heeft opgelopen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/186
NJF 2015/329
JA 2015/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 3603419 CV EXPL 14-32341

Uitspraak: 8 mei 2015

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde mr. T.J. van den Torn,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon Universiteit van Amsterdam

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde mr. E.L.C.M. Rijnders.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de UvA.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 november 2014 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- het tussenvonnis van 15 januari 2015 waarin een comparitie van partijen is gelast.

1.2.

De comparitie heeft op 14 april 2015 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt, welke aan het procesdossier zijn toegevoegd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in september 2010 begonnen met de bacheloropleiding Sociale Geografie en Planologie, eerst bij de Universiteit Utrecht en vanaf september 2011 bij de UvA.

2.2.

Bij de UvA dient elke student zich voor de door hem te volgen vakken in te schrijven via het Studenten Informatie Systeem (hierna: SIS). In het studiejaar 2012-2013 liep de inschrijfperiode voor de vakken van het eerste semester van 25 juni 2012 om 13:00 uur tot 9 juli 2012 om 16:00 uur.

2.3.

[eiser] heeft op 9 juli 2012 getracht zich via het SIS in te schrijven. Bij e-mail van 10 juli 2012 om 11:55 uur heeft [eiser] aan de Onderwijsbalie van de UvA gemeld dat hij zich vanwege problemen met het SIS op 9 juli 2012 niet in heeft kunnen schrijven voor de door hem gewenste vakken.

2.4.

De Onderwijsbalie van de UvA heeft bij e-mail van 10 juli 2012 aan [eiser] geschreven:

“(…) Zoals je weet hanteren wij een strenge deadline, helaas kunnen wij je daardoor niet meer inschrijven voor de vakken. Zoals wij ook al eerder vermeld hebben, de vakaanmelding is verplicht en wie zich niet binnen het termijn heeft aangemeld, wordt uitgesloten van deelname aan het onderwijs. (….) Wij bewaren jouw email, zodat er in augustus bepaald kan worden of er een clementie verleend kan worden door het hoofd van de afdeling. Echter, deze kans is zeer gering. Wij raden je dan ook aan naar alternatieven te zoeken, misschien kun je deze periode gebruiken voor keuze vakken buiten deze opleiding (…)”

2.5.

Het hoofd van het College Sociale Wetenschappen van de UvA heeft bij beslissing van 14 augustus 2012 het verzoek van [eiser] om alsnog voor de door hem gewenste vakken ingeschreven te worden afgewezen. [eiser] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de examencommissie van de UvA. Nadat dit beroep ongegrond is verklaard heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het college van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO).

2.6.

Bij uitspraak van 28 augustus 2013 heeft het CBHO het beroep van [eiser] gegrond verklaard. Daarbij is door het CBHO, kort gezegd, overwogen dat voldoende vast is komen te staan dat het SIS op 9 juli 2012 niet naar behoren functioneerde, zodat [eiser] zich niet kon inschrijven voor zijn vakken. De UvA had vervolgens niet mogen weigeren om [eiser] alsnog in te schrijven voor deze vakken.

2.7.

Op 8 april 2015 heeft [eiser] zijn bacheloropleiding afgerond.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

voor recht verklaart dat de UvA volledig aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het onrechtmatig genomen besluit van 14 augustus 2012,

3.1.2.

de UvA veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 11.031,13 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2014 tot aan de voldoening,

3.1.3.

de UvA veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – dat hij als gevolg van het onrechtmatige handelen van de UvA (zijnde de weigering om hem na 9 juli 2012 alsnog voor zijn vakken in te schrijven) een half jaar studievertraging op heeft gelopen, waardoor hij een half jaar later op de arbeidsmarkt komt. Hierdoor lijdt hij schade, die de UvA dient te vergoeden.

3.3.

De UvA voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de uitspraak van het CBHO van 28 augustus 2013 staat vast dat de UvA met de op 14 augustus 2012 genomen beslissing om [eiser] niet alsnog in te schrijven voor zijn vakken in het eerste semester van studiejaar 2012/2013 onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De UvA is dan ook gehouden om de schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden aan [eiser] te vergoeden.

4.2.

Ter beoordeling ligt allereerst de vraag voor of er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van de UvA en de door [eiser] gevorderde schade (zijnde schade doordat hij, kort gezegd, een half jaar studievertraging heeft opgelopen).

4.3.

Vast staat dat [eiser] in het eerste semester van het studiejaar 2012/2013 niet de voor zijn studie verplichte vakken heeft gevolgd en dat hij daardoor een half jaar studievertraging heeft opgelopen. De UvA heeft in dit verband aangevoerd dat [eiser] zich na de e-mail van 10 juli 2012 had moeten wenden tot de studieadviseur, zodat de studieadviseur [eiser] had kunnen informeren dat hij hangende de beroepsprocedure tegen de beslissing van 14 augustus 2012 de door hem gewenste vakken kon volgen en er gezamenlijk gezocht kon worden naar manieren om de studievertraging te beperken. Dit verweer van de UvA slaagt niet. In de e-mail van 10 juli 2012 is door de UvA uitdrukkelijk aan [eiser] gecommuniceerd dat hij zonder inschrijving wordt uitgesloten van onderwijs. Ook voor 10 juli 2012 is door de UvA naar haar studenten steeds gecommuniceerd: ‘geen inschrijving is geen onderwijs’. De UvA heeft op geen enkel moment (duidelijk) aan [eiser] bericht dat hij zich tot de studieadviseur moest wenden en dat er dan wellicht nog een oplossing mogelijk was. Onder die omstandigheden kan de UvA [eiser] vervolgens niet verwijten dat hij zich na de e-mail van 10 juli 2012 niet tot de studieadviseur heeft gewend. [eiser] is – terecht – afgegaan op de (herhaalde) berichtgeving vanuit de UvA dat geen inschrijving betekende dat hij geen onderwijs kon volgen.

4.4.

Conclusie is derhalve dat [eiser] als gevolg van de onterechte weigering van de UvA om hem alsnog voor zijn vakken in te schrijven een half jaar studievertraging heeft opgelopen. Daardoor komt [eiser] een half jaar later op de arbeidsmarkt.

4.5.

Vastgesteld dient vervolgens te worden wat de omvang is van de schade die [eiser] lijdt doordat hij een half jaar later op de arbeidsmarkt komt. Deze schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. De kantonrechter zal de omvang van de schade derhalve dienen te schatten.

4.6.

Bij gebreke van verdere reële aanknopingspunten zal daarbij in navolging van [eiser] aansluiting worden gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging van de Letselschade Raad (hierna: de Richtlijn). De Richtlijn heeft immers betrekking op de schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief zal zijn als gevolg van een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad. Dat de Richtlijn specifiek ziet op studievertraging als gevolg van een ongeval doet aan de bruikbaarheid van deze richtlijn voor het onderhavige geval niet (zonder meer) af. De enkele omstandigheid dat [eiser] zich gedurende het half jaar niet heeft hoeven richten op herstel van een ongeval en dus zijn kennis gedurende die periode op een andere wijze heeft kunnen verrijken, zoals de UvA nog heeft aangevoerd, is daartoe in ieder geval onvoldoende.

4.7.

Terecht is door de UvA betoogd dat niet vast staat dat [eiser] zonder studievertraging direct na zijn afstuderen een baan zou hebben gevonden. Dit doet echter niet ter zake. Immers staat wel vast dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de UvA een half jaar later op de arbeidsmarkt komt. Daardoor kan hij ook een half jaar later starten met het zoeken naar een baan, zodat ervan uit moet worden gegaan dat het moment waarop hij een baan vindt ook met een half jaar opschuift. Concrete feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat dit in het onderhavige geval anders is, zijn gesteld noch gebleken.

4.8.

Voor zover de UvA nog heeft willen stellen dat er verrekening van voordeel in de zin van artikel 6:100 BW plaats dient te vinden omdat [eiser] in het half jaar waarin hij niet heeft kunnen studeren heeft kunnen werken of zijn kennis op andere manieren heeft kunnen verrijken, geldt dat zij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

4.9.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht alsmede het door hem aan schade gevorderde bedrag van € 9.437,50 zullen worden toegewezen. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen overeenkomstig de vordering van [eiser], nu door de UvA ter zake geen zelfstandig verweer is gevoerd.

4.10.

De vraag of de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn zal, gelet op de aard van de vordering, dienen te worden getoetst aan de hand van het Rapport BGK-integraal. [eiser] heeft gesteld en afdoende onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voor toewijzing van de werkelijke advocaatkosten voor het buitengerechtelijke traject, zoals door [eiser] is gevorderd, is echter geen grond. Door [eiser] zijn immers geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden afgeweken van de forfaitaire bedragen die ter zake buitengerechtelijke incassokosten worden gehanteerd. Toewijsbaar is een bedrag van
€ 846,88. De wettelijke rente hierover wordt afgewezen, nu [eiser] ter zake onvoldoende heeft gesteld.

4.11.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt de UvA veroordeeld in de proceskosten. Nu aan [eiser] een toevoeging is verleend dient 75% van de explootkosten te worden voldaan aan het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (het LDCR) na ontvangst van een nota van het LDCR. De overige 25% aan explootkosten dienen door de UvA aan [eiser] te worden voldaan, dat bedrag dient [eiser] (door) te betalen aan de deurwaarder die de dagvaarding heeft betekend op een daartoe strekkend betalingsverzoek van deze deurwaarder.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat de UvA volledig aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het onrechtmatig genomen besluit van 14 augustus 2012,

5.2.

veroordeelt de UvA om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 9.437,50 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2014 tot aan de dag der voldoening,

5.3.

veroordeelt de UvA om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 846,88 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.4.

veroordeelt de UvA in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

- explootkosten : € 99,80

- griffierecht : € 77,00

- salaris gemachtigde : € 600,00 (2,0 punten x € 300,00)

- totaal : € 776,80

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis en waarvan een bedrag van € 74,85 (75% van de explootkosten) te voldoen aan het LDCR op het moment dat de UvA daarvoor een nota van het LDCR heeft ontvangen,

5.5.

verklaart de veroordelingen onder 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.M. de Vries, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.E.A. Möhring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2015.

De griffier De kantonrechter

**