Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:2401

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
C-13-573024 - HA ZA 14-937
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg testament. Legaat rechtsgeldig tot stand gekomen. Termijn voor keuze legaat is geen afzonderlijke verplichting. Ruime interingsbevoegdheid,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/573024 / HA ZA 14-937

Vonnis van 29 april 2015

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ([land]),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen worden hierna mede [eisers gezamenlijk] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding 12 juni 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014 waarin ambtshalve een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 maart 2015 met de daarin genoemde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] maart 2004 is [erflater] (hierna: erflater) overleden te Amsterdam. [erflater] was sedert [datum] in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde]. Uit een eerder huwelijk van erflater zijn drie kinderen geboren, zijnde eisers in conventie.

2.2.

Bij testament van 9 april 1996 heeft erflater beschikt over zijn nalatenschap. In het testament is in de artikelen II en III een zogeheten ouderlijke boedelverdeling opgenomen. Verder is in het testament bepaald, voor zover relevant:

“(…) VI. Ik geef aan mijn echtgenote het recht voormelde toedeling geheel of gedeeltelijk niet te aanvaarden, mits zij binnen acht maanden na mijn overlijden dit te kennen geeft door middel van een verklaring vast te leggen in een notariële akte. In dat geval legateer ik haar, af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden, mede ter voldoening aan mijn sub IV gemelde natuurlijke verbintenis, het recht van vruchtgebruik over dat gedeelte van mijn nalatenschap dat niet door haar in eigendom wordt verkregen. (…)

Met betrekking tot gemeld recht van vruchtgebruik bepaal ik het volgende:

(…)

- De vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigden tezamen zijn verplicht bij notariële akte een beschrijving van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen te doen opmaken binnen acht maanden na mijn overlijden.

(…)

- (…) Overigens is de vruchtgebruiker bevoegd de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden, te bezwaren en te beheren, om daarover te beschikken en deze naar eigen inzicht te beleggen en herbeleggen. De vruchtgebruiker dient dit te doen ten name van de hoofdgerechtigden met aantekening van het vruchtgebruik.

De vruchtgebruiker heeft het recht in te teren op het vruchtgebruik-vermogen. Dit interingsrecht eindigt bij het beëindigen door de vruchtgebruiker van het voeren van een zelfstandige huishouding, dus bij het voortzetten van de huishouding in een bejaarden-, verpleeg- of verzorgingstehuis, tenzij de vruchtgebruiker de verzorgingskosten/verpleegprijs uit zijn inkomsten kan betalen.

(…)”

2.3.

Mr. R.J.C. van Helden, notaris, heeft op 27 september 2004 onder meer aan [eisers gezamenlijk] geschreven:

“(…) [gedaagde] heeft op basis van het testament een keuze gemaakt voor het recht van vruchtgebruik van de gehele nalatenschap (…)”

2.4.

Op 5 augustus 2005 is bij (notariële) akte van boedelbeschrijving, verdeling en afgifte legaat (hierna: de akte van boedelbeschrijving), welke akte is gesloten tussen [gedaagde] en [eisers gezamenlijk], voor zover van belang, het volgende bepaald:

“(…)

3. Uiterste wilsbeschikking

(…) In gemeld testament heeft erflater zijn echtgenote het recht gegeven om òf een toedeling òf een afgifte vruchtgebruik te verlangen. Zij heeft gekozen voor het recht van vruchtgebruik van de nalatenschap (…)

De verdeling

De partijen zijn de volgende verdeling overeengekomen:

Toedeling aan [gedaagde]

(…)

- de onverdeelde helft in het Appartementsrecht;

- de onverdeelde helft in de hiervoor genoemde inboedel, de C. Bechstein vleugel (...)

Toedeling aan de erfgenamen [[eisers gezamenlijk], rb]:

- de onverdeelde helft in het Appartementsrecht;

- de onverdeelde helft in de hiervoor genoemde inboedel, de C. Bechstein vleugel (...)

Afgifte legaat:

Overgaande tot de voorgenomen afgifte verklaarden de erfgenamen bij deze af te geven aan de legataris, [gedaagde] voornoemd, die verklaarde deze afgifte te aanvaarden, het vruchtgebruik van de nalatenschap zijnde:

- de onverdeelde helft in het Appartementsrecht;

- de onverdeelde helft in de hiervoor genoemde inboedel, de C. Bechstein vleugel (...)”

2.5.

Het in de akte boedelbeschrijving genoemde ‘Appartementsrecht’ betreft het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de begane grond met tuin alsmede de eerste verdieping van de [adres] (hierna: het appartementsrecht). Het appartementsrecht is op 1 mei 2014 overgedragen aan een derde tegen betaling van € 385.000,00.

2.6.

Na daartoe verkregen verlof hebben [eisers gezamenlijk] op 2 mei 2014 conservatoir beslag laten leggen op de koopsom onder de notaris (ter zake van de overdracht van het appartementsrecht) en, voor zover relevant, de rekeningen van [gedaagde] bij de ABN AMRO bank.

2.7.

In het kader van de opheffing van het beslag hebben partijen op 28 mei 2014 een depotovereenkomst gesloten waarin onder meer staat:

“(…) Vandaag hebben partijen overeenstemming bereikt dat een bedrag van € 100.000 in depot zal blijven totdat bij onherroepelijke uitspraak zal zijn beslist of totdat partijen in onderling overleg finale overeenstemming hebben bereikt. (…)”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers gezamenlijk] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, samengevat:

Primair:

I. voor recht te verklaren dat het testamentair legaat omschreven in het testament van erflater onder artikel VI niet is geëffectueerd nu niet is voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden;

II. voor recht te verklaren dat de akte van boedelbeschrijving zonder rechtsgevolg is gebleven;

III. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers gezamenlijk] en

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 195.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2005 tot aan de dag van voldoening;

Subsidiair:

V. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis een boedelbeschrijving voorzien van een waardebepaling door een door de rechtbank aan te wijzen (boedel)notaris te doen opmaken en de daartoe noodzakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken, op straffe van een dwangsom,

VI. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken nadat de (boedel)notaris de waarde van de nalatenschap heeft vastgesteld, aan [eisers gezamenlijk] hun aandeel in de (waarde van) de nalatenschap te voldoen, te vermeerderen met de vertragingsrente vanaf 6 maart 2006;

Meer subsidiair:

VII. voor recht te verklaren dat ten gevolge van de verkoop van het appartementsrecht het blote eigendom van het vruchtgebruik is opengevallen en de waarde daarvan aan [eisers gezamenlijk] dient te worden uitbetaald, welke waarde is te bepalen op € 77.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2014;

Nog meer subsidiair:

VIII. aan [eisers gezamenlijk] het beheer toe te kennen over het volledige vruchtgebruikvermogen, begroot op € 192.500,00 en de concertvleugel, en [gedaagde] te veroordelen genoemd bedrag te voldoen en de concertvleugel aan [eisers gezamenlijk] af te geven, op straffe van een dwangsom;

Althans:

IX. het vruchtgebruikvermogen en de concertvleugel onder bewind te doen stellen met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen bewindvoerder, met veroordeling van [gedaagde] de onder bewind gestelde goederen af te geven, op straffe van een dwangsom en

X. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, daaronder de beslagkosten begrepen.

3.2.

[eisers gezamenlijk] stellen dat het in het testament omschreven legaat niet tot stand is gekomen nu niet is voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden. [gedaagde] heeft nimmer het vruchtgebruik gehad over het nalatenschapsvermogen en zij mocht daarover niet beschikken. Er dient alsnog gevolg te worden gegeven aan de uitvoering van de bepalingen van het testament. Voor zover het legaat wel rechtsgeldig tot stand is gekomen, is het [gedaagde] niet toegestaan in te teren op het blote eigendom en dient de waarde van dit blote eigendom aan [eisers gezamenlijk] te worden uitgekeerd, dan wel dient het beheer van het vruchtgebruikvermogen aan [eisers gezamenlijk] te worden toegekend, dan wel dient dit onder bewind te worden gesteld.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers gezamenlijk] in hun vordering dan wel tot afwijzing van die vordering, met veroordeling van [eisers gezamenlijk] in de (daadwerkelijke) proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en verbeurde dwangsommen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eisers gezamenlijk] te veroordelen hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan opheffing van het depot binnen 48 uur na dagtekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom.

4.2.

[eisers gezamenlijk] concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie

Legaat

5.1.

Allereerst dient te worden vastgesteld of het legaat (onder artikel VI van het testament) rechtsgeldig tot stand is gekomen. [eisers gezamenlijk] stellen op dit punt dat noch conform het bepaalde in het testament binnen acht maanden na het overlijden van erflater de keuze voor het legaat notarieel is vastgelegd, noch is voldaan aan het in artikel 1103 oud Burgerlijk Wetboek (OBW) (thans artikel 4:191 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)) neergelegde constitutieve vereiste van inschrijving van de verwerping van de nalatenschap in het boedelregister.

5.2.

Vaststaat dat [gedaagde] niet binnen een termijn van acht maanden in een notariële akte heeft verklaard te kiezen voor het recht van vruchtgebruik (het legaat). Of daardoor het legaat van vruchtgebruik niet op rechtsgeldige wijze is gevestigd, is mede een kwestie van uitleg van het testament. De uitleg van het bepaalde in het testament dient te geschieden aan de hand van artikel 4:46 BW, welk artikel op basis van artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW directe werking heeft vanaf 1 januari 2003. Bij de uitleg van het testament dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk dient te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW). In het testament van erflater staat dat het legaat strekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis. In het licht van die bedoeling moet de optie voor het legaat worden bezien. De termijn die in het testament is opgenomen vormt in dat licht enkel een aansporingstermijn voor [gedaagde] om een keuze te maken voor het legaat en de vastlegging van die keuze in een notariële akte is slechts een instructie aan [gedaagde], dit ter wille van de duidelijkheid omtrent het legaat van vruchtgebruik. De bepaling dat binnen acht maanden een keuze dient te worden gemaakt bij notariële akte, vormt evenwel geen afzonderlijke verplichting die, bij niet-nakoming, moet leiden tot verval van rechten. De uitleg die [eisers gezamenlijk] aan het testament geven, zou afbreuk doen aan de wil van erflater en zou als ongewenst gevolg hebben dat de natuurlijke verbintenis niet wordt gerealiseerd.

5.3.

De rechtbank volgt [eisers gezamenlijk] niet in hun stelling dat voor de verwerping van de nalatenschap tevens een rechtshandeling in de zin van artikel 1103 OBW is vereist en dat, nu geen verklaring is opgenomen in het boedelregister, geen verwerping van de nalatenschap heeft plaatsgehad en aldus evenmin is gekozen voor het legaat van vruchtgebruik. Voor de aanvaarding van het legaat is rechtens niet vereist dat een daartoe strekkende verklaring in het boedelregister wordt ingeschreven. In het testament is net zo min de verplichting tot inschrijving van de keuze in het boedelregister opgenomen.

5.4.

Bij brief van 27 september 2004 is door de notaris mr. R.J.C. van Helden aan [eisers gezamenlijk] kenbaar gemaakt dat [gedaagde] kiest voor het legaat. Daarmee is, overigens binnen acht maanden na het overlijden van erflater, aan [eisers gezamenlijk] duidelijkheid verstrekt omtrent het legaat van vruchtgebruik. Vervolgens hebben [eisers gezamenlijk] meegewerkt aan de totstandkoming van de akte van 5 augustus 2005 waarin de keuze voor het legaat is neergelegd. Daarmee strookt niet de stelling dat vanwege het ontbreken van de keuze in het boedelregister geen verwerping van het legaat heeft plaatsgehad. De bedoeling van [gedaagde] was immers duidelijk en bekend bij [eisers gezamenlijk] Indien zij evengoed van mening zouden zijn geweest dat [gedaagde] een keuze had moeten maken, hadden zij de voet van artikel 4:192 lid 2 BW een verzoek kunnen indienen, opdat de kantonrechter [gedaagde] een termijn zou hebben gesteld voor het uitbrengen van een keuze. Dat hebben zij echter nagelaten, zodat zij zich in alle redelijkheid ook niet kunnen beroepen op artikel 1103 OBW. Gezien de ratio van het testament en de in voornoemde stukken kenbaar gemaakte en neergelegde keuze van [gedaagde] is het vruchtgebruik over het gedeelte van de nalatenschap dat niet in eigendom door [gedaagde] is verkregen rechtsgeldig gevestigd.

5.5.

Aan het primair en subsidiair gevorderde ligt ten grondslag dat het legaat niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Nu de rechtbank op dat punt anders oordeelt, liggen die vorderingen voor afwijzing gereed.

Vruchtgebruikvermogen

5.6.

Het geschil van partijen concentreert zich verder op de vraag welke gevolgen de verkoop van het appartementsrecht heeft ten aanzien van de positie van [eisers gezamenlijk] en hun blote eigendom van het vruchtgebruikvermogen en voorts op de bevoegdheden die [gedaagde] heeft met betrekking tot het vruchtgebruik(vermogen). [gedaagde] was bevoegd tot vervreemding van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen. Zulks is bepaald in het testament. Aldus mocht zij het appartementsrecht vervreemden. Na de overdracht van het appartementsrecht is het vruchtgebruik op dat deel van de opbrengst komen te liggen dat niet aan [gedaagde] toekwam uit hoofde van het eigendomsrecht.

5.7.

Ingevolge artikel 3:215 lid 1 BW kan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot gehele vervreemding en vertering van het vruchtgebruik worden gegeven. Erflater heeft in het testament in artikel VI onder meer bepaald:

“De vruchtgebruiker heeft het recht in te teren op het vruchtgebruik-vermogen. Dit interingsrecht eindigt bij het beëindigen door de vruchtgebruiker van het voeren van een zelfstandige huishouding, dus bij het voortzetten van de huishouding in een bejaarden-, verpleeg- of verzorgingstehuis, tenzij de vruchtgebruiker de verzorgingskosten/verpleegprijs uit zijn inkomsten kan betalen.”

5.8.

Erflater heeft in het testament geen beperkingen verbonden aan de interingsbevoegdheid. Dat betekent dat [gedaagde] onbegrensd mag interen op dit vermogen en dat zij dit vermogen mag verteren zolang zich niet één van de gronden voor beëindiging voordoet. Dat het de bedoeling van erflater is geweest om de bevoegdheid tot intering op het vermogen afhankelijk te stellen van een verzorgingsbehoefte aan de zijde van [gedaagde], volgt niet uit het testament. [gedaagde] behoeft dan ook niet, zoals [eisers gezamenlijk] betogen, aannemelijk te maken dat deze behoefte bestaat. [gedaagde] is gezien de interingsbevoegdheid verder niet gehouden de waarde van het blote eigendom te vergoeden aan [eisers gezamenlijk]

5.9.

[eisers gezamenlijk] stellen (subsidiair) dat het recht op vruchtgebruik van [gedaagde] op het vruchtgebruikvermogen is komen te vervallen, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft zonder [eisers gezamenlijk] daarover in te lichten het appartementsrecht verkocht en is zonder enige kennisgeving naar [land] vertrokken, aldus [eisers gezamenlijk]

5.10.

Hiermee miskennen [eisers gezamenlijk] echter dat [gedaagde] krachtens het testament bevoegd was de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden, te bezwaren en te beheren, en daarover te beschikken en deze naar eigen inzicht te beleggen en te herbeleggen. Aan het recht van vruchtgebruik is niet de voorwaarde gekoppeld dat de vruchtgebruiker de hoofdgerechtigden ([eisers gezamenlijk]) op de hoogte diende te stellen van een (voorgenomen) vervreemding van het appartementsrecht. Het handelen van [gedaagde] wordt dan ook niet in strijd geacht met de eisen van redelijkheid en billijkheid. [eisers gezamenlijk] hebben voorts onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld ter staving van hun stelling dat het (onaangekondigde) vertrek van [gedaagde] naar [land] in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid, dit mede in het licht van de omstandigheid dat aan [gedaagde] het gehele vervreemdings- en verteringsbevoegdheid is toegekend. Het vruchtgebruik van [gedaagde] is aldus niet komen te vervallen.

5.11.

De vruchtgebruiker is verplicht jegens de hoofdgerechtigden ten aanzien van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen en het beheer daarover de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen (artikel 3:207 lid 3 BW). Indien de vruchtgebruiker in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, kan de rechtbank op vordering van de hoofdgerechtigde aan deze het beheer toekennen of het vruchtgebruik onder bewind stellen (artikel 3:221 lid 1 BW). Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] hebben [eisers gezamenlijk] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] in ernstige mate tekort is geschoten in haar zorgplicht als vruchtgebruiker. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] voor het eerst in 2014 rekening en verantwoording heeft afgelegd is daartoe onvoldoende, temeer daar het appartementsrecht in dat jaar is vervreemd en niet is gesteld of gebleken dat zich vóór 2014 dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan ten aanzien van het vruchtgebruik dat [gedaagde] als vruchtgebruiker daarover rekening en verantwoording moest afleggen en enkel het uitblijven van rekening en verantwoording als een ernstig tekortschieten kan worden aangemerkt. Er bestaat dan ook geen grond voor toekenning van het beheer over het vruchtgebruikvermogen en de concertvleugel (de ‘C. Bechstein vleugel’ in de akte van boedelbeschrijving, zie onder 2.4) aan [eisers gezamenlijk] of voor onderbewindstelling.

De rechtbank overweegt verder dat ter comparitie door [gedaagde] is verklaard dat het tot nu toe niet mogelijk is gebleken de gelden afkomstig uit de verkoop van het appartementsrecht op een rekening ten name van [eisers gezamenlijk] te administreren met een vruchtgebruik op naam van [gedaagde], zoals bepaald in het testament. De gelden kunnen, aldus [gedaagde], wel op haar naam worden geadministreerd. Dit vormt echter geen grond voor het toekennen van het beheer aan [eisers gezamenlijk] dan wel het onder bewind stellen van het vruchtgebruik. Deze administratieve beperking kan [gedaagde] niet worden verweten. Bovendien zou het toekennen van het beheer aan [eisers gezamenlijk] of het onderbewindstellen op deze grond derogeren aan de ongelimiteerde interingsbevoegdheid. De rechtbank gaat er van uit dat partijen op dit punt samen tot een oplossing kunnen komen.

5.12.

Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eisers gezamenlijk] integraal worden afgewezen.

5.13.

Over de proceskosten zal de rechtbank hierna beslissen.

In reconventie

5.14.

In de depotovereenkomst (zie onder 2.7) zijn partijen overeengekomen dat een bedrag van € 100.000,00 in depot zal blijven totdat bij onherroepelijke uitspraak zal zijn beslist of totdat partijen in onderling overleg finale overeenstemming hebben bereikt.

5.15.

[gedaagde] stelt dat het onredelijk is het geld langer in depot te laten staan gelet op de mogelijk lange duur van de procedure en de omstandigheid dat [gedaagde] het vruchtgebruikvermogen zolang het geld in depot staat niet kan benutten. De depotovereenkomst is onder druk tot stand gekomen, aldus [gedaagde].

5.16.

Partijen zijn in beginsel gehouden aan hetgeen zij in de depotovereenkomst zijn overeengekomen. Aan de voorwaarden tot opheffing van het depot, te weten een onherroepelijke uitspraak dan wel finale overeenstemming, is niet voldaan. Nu [gedaagde] niet heeft gesteld dat de overeenkomst niet in stand kan blijven, bestaat er geen grond voor toewijzing van het gevorderde. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat de overeenkomst onder druk tot stand is gekomen en deze op die grond niet kan worden nagekomen, wordt aan die stelling voorbij gegaan, nu zij die stelling niet nader met concrete feiten en omstandigheden heeft toegelicht.

5.17.

De vordering in reconventie wordt afgewezen.

Proceskosten in conventie en in reconventie.

5.18.

Volgens [gedaagde] doen zich in de onderhavige procedure omstandigheden voor die een integrale vergoeding van de proceskosten met zich dienen te brengen. Op dit punt overweegt de rechtbank dat artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechter niet verplicht tot de toepassing van het zogeheten liquidatietarief. Een vordering tot veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is evenwel slechts toewijsbaar indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt door een procedure aan te spannen. Daarvan is pas sprake als de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid er van, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn indien eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Gelet op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht tot toegang tot de rechter dient hierbij terughoudendheid te worden toegepast (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

5.19.

In conventie zal de rechtbank [eisers gezamenlijk] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten conform het liquidatietarief. Niet is gebleken dat [eisers gezamenlijk] de onjuistheid van hun stellingen hadden behoren te kennen, dan wel moesten begrijpen dat hun stellingen op voorhand geen kans van slagen hadden. Aan de onder 5.18 beschreven strenge maatstaf voor veroordeling in de werkelijke proceskosten is niet voldaan.

De proceskosten in conventie aan de zijde van [gedaagde] worden als volgt begroot:

  • -

    griffierecht: € 1.519,00

  • -

    advocaatkosten: € 904,00 (2 punten × € 452,00)

------------------------------------------+

Totaal € 2.423,00

De gevorderde wettelijke rente wordt als na te melden toegewezen.

5.20.

In reconventie wordt [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk], tot op heden begroot op € 452,00 aan advocaatkosten.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.423,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

in reconventie

6.3.

wijst het gevorderde af,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] tot op heden begroot op € 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.