Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1444

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
C/13/581105 / KG ZA 15-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het Stedelijk Museum heeft eiser terecht de toegang ontzegd. Eiser stuurde e-mails waarin hij dreigde kunstwerken in het Stedelijk Museum onder te plassen. De rechter besliste dat het museum terecht het risico niet heeft willen nemen dat werken daadwerkelijk door eiser zouden worden beschadigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/581105 / KG ZA 15-155 MvdV/BB

Vonnis in kort geding van 16 maart 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 17 februari 2015,

advocaat mr. H.J. Borghuis te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.C. van Loon te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Stedelijk Museum worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 2 maart 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Het Stedelijk Museum heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser]: [eiser] en zijn echtgenote met mr. Borghuis;

aan de zijde van het Stedelijk Museum: [naam 1], zakelijk directeur, en [naam 2], bedrijfsjurist, met mr. Van Loon.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is kunstschilder, van wie onder meer werken hangen in het Stedelijk Museum.

2.2.

Het Stedelijk Museum is gevestigd in een pand van de gemeente. De gemeente verhuurt het pand aan het Stedelijk Museum. Op 22 september 2012 is het museum na een ingrijpende renovatie van enkele jaren feestelijk heropend.

2.3.

[eiser], die voor de opening niet was uitgenodigd, heeft op 17 september 2012, voor zover relevant, het volgende aan het Stedelijk Museum gemaild:

‘(…) zo je weet heb ik geen uitnodiging gekregen voor de opening bestemd voor deelnemende kunstenaars

Wil je contact met mij opnemen hierover.

(…)

Sta in het telefoonboek en jullie weet als enthousiaste verzamelaars van mijn werk, waar de Afrikaanse ilustratrice Marlene Pourquoi (bedoeld is kunstenares Marlene Dumas, vzr.) ontzettend jaloers op is, waar dat te vinden

Als ik er niet hang en gezien de werkelijke leiding bij de Siamese tweeling Fuchs Dibbets ligt en mevrouw Goudsteen (bedoeld is voormalig artistiek directeur van het Stedelijk Museum [naam 3]) een braaf meelopertje is, verwacht ik van Nee.’

2.4.

Op 18 september 2012 heeft [eiser] een e-mail aan het Stedelijk Museum gestuurd waarin hij onder meer het volgende heeft vermeld:

‘(…) bedankt voor je telefonische uitnodiging, natuurlijk kom ik, maar niet om te bewonderen en verwonderen, maar om te werken.

Je weet ik ben een groot bewonderaarr van het ouevre van meissie Poerqoui.

Jullie nieuwe aanwinst Osama bin Laden is geniaal maar er mist iets. Kun je aanstaande zaterdag een stellage voor dat ding naar zetten. Mijn urine heeft de laatste dagen een bijzonder hoog zuur gehalte gekregen en ga in aanwezigheid van hare majesteit het doek met een wel gemikte pisstraal verbeteren.

Laat alleen de baard staan en de rest wordt weggezeken en nadat het doek is opgedroogd (droogtijd twee weken) signeer ik het aan de achterkant en geef het als schenking aan het SM.

Ongetwijfeld ken jij een aantal veel belovende jong buitenlandse video prutsers die dit dan filmen. Weer enig schenkingen voor het SM. (…)’

Later op de dag heeft [eiser] in een e-mail daaraan toegevoegd:

‘Mag ik ook op Luc Tuynmans pissen.’

2.5.

Bij brief van 20 september 2012 heeft het Stedelijk Museum [eiser] de toegang tot het museum ontzegd. In deze brief is, voor zover hier relevant, het volgende geschreven:

‘Naar aanleiding van uw ernstige bedreigingen ten aanzien van de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam zoals blijkt uit uw emails van 17 en 18 september, delen wij u hierbij mede dat wij besloten hebben u, met onmiddellijke ingang conform onze bezoekvoorwaarden, onvoorwaardelijk voorgoed de toegang te ontzeggen tot het museumgebouw van het Stedelijk Museum Amsterdam aan het Museumplein 10 te Amsterdam en overige gebouwen van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Wellicht ten overvloede wijzen wij u erop dat overtreding van dit toegangsverbod strafrechtelijke consequenties (artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht: huisvredebreuk) voor u kan hebben en wij bij de politie aangifte zullen doen.

Eén en ander kan tot uw aanhouding leiden. (…)’

2.6.

[eiser] heeft op de onder 2.5 vermelde brief van het Stedelijk Museum bij handgeschreven brief van 21 september 2012 als volgt gereageerd:

’17 september stuurde ik [naam 4] een mail met het voorstel dat het museum een stellage voor het schilderij Osama Ben Laden van Marlene Dumas (Pourquoi) zou neerzetten…[naam 4] voor jonge buitenlandse videokunstenaars zou zorgen en ik dan terwijl het gefilmd werd tegen Osama ben Laden zou piesen en stelde voor om alleen zijn baard te laten staan en na droging het zal signeren en als schenking aan het SM zou geven.

Lijkt mij geen huisvredebreuk .

18 september werd er met veel geheimzinnigheid het gepruts van Luc Tuynmans vertoond op de website van SM. Het schilderij werd geschonken door galerie Zwirner (=de pooier) geschilderd door Tuinhuis (=de boer) en tentoongesteld in het Stedelijk (=boordeelhouder)

Eveneens verzocht aan [naam 4] of ik daar tegen aan mocht piesen.

Lijkt mij geen huisvredebreuk . Levenslang mag ik het SM niet meer bezoeken.

Het Stedelijk is strafbaar: “Het doen van een valse melding is net zo strafbaar als het doen van valse aangifte” (artikel 188 Wetboek van Strafrecht)

P.S. wanneer komt er een goede directeur?’

2.7.

Bij brief van 29 april 2014 van zijn advocaat heeft [eiser] aan het Stedelijk Museum gevraagd om een afschrift van zijn e-mails van 17 en 18 september 2012.

2.8.

Op 4 mei 2014 is [eiser] bij een bezoek aan het Stedelijk Museum door medewerkers van het Stedelijk Museum staande gehouden en na aangifte van huisvredebreuk aan de politie overgedragen. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak uiteindelijk geseponeerd.

2.9.

Bij brief van 13 januari 2015 van zijn advocaat heeft [eiser] het Stedelijk Museum gesommeerd de ontzegging van de toegang van [eiser] tot het museum in te trekken en hem weer onvoorwaardelijk tot het museum toe te laten.

Het Stedelijk Museum heeft hierop bij brief van 26 januari 2015 als volgt gereageerd:

‘U geeft namens uw cliënt aan dat het toegangsverbod buitenproportioneel zou zijn in relatie tot de e-mails die uw cliënt heeft geschreven. Het Stedelijk Museum had die naar uw mening moeten opvatten als satirisch bedoelde mails. Ons inziens is dit wel een erg gemakkelijke conclusie en verliest u daarbij uit het oog dat de e-mails ook in een context dienen te worden geplaatst, te weten de antecedenten van uw cliënt.

Bovendien geeft u zelf aan dat de bewuste mails van 17 en 18 september 2012 geschreven zijn uit teleurstelling over een uitgebleven uitnodiging voor de heropening van het museum. Dat laat zich niet rijmen met de stelling dat de mails als satirisch waren bedoeld, maar er kan juist eerder worden geconcludeerd dat er sprake was van boosheid en frustratie. Mede gezien het feit dat uw cliënt zijn boosheid in het verleden wel degelijk een keer in daden heeft omgezet, was er ons inziens alle reden om er rekening mee te houden dat uw cliënt zijn plannen daadwerkelijk zou willen gaan uitvoeren.

Met boze bezoekers heeft het museum helaas eerder een aantal slechte ervaringen gehad; personen die het museum en haar werken niet goedgezind waren en daaraan schade hebben toegebracht. Als beheerder van de collectie hebben wij een belangrijke (contractuele) zorgplicht jegens de eigenaar van de werken, de gemeente Amsterdam, en kunnen wij het ons niet permitteren risico’s te nemen ten aanzien van de veiligheid van onze kunstwerken. In het licht van het bovenstaande dient het toegangsverbod dan ook te worden gezien.’

In de brief heeft het Stedelijk Museum vervolgens voorgesteld om met elkaar in gesprek te gaan om te bezien of het mogelijk is om [eiser] weer, onder voorwaarden, tot het museum toe te laten. [eiser] zou daarbij een proeftijd van een jaar krijgen in welke proeftijd hij geen uitingen mag doen die enige twijfel met zich kunnen brengen over zijn intenties met betrekking tot het museum, haar medewerkers en de kunstwerken en hij alleen onder begeleiding van een medewerker van het Stedelijk Museum het museum mag bezoeken.

2.10.

[eiser] is op 20 maart 2007 veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf, waarvan zeven maanden voorwaardelijk wegens het op 21 november 2006 opzettelijk in brand steken van een projectbureau. [eiser] heeft daarover toentertijd verklaard dat hij zich niet kon verenigen met de plannen inzake de aanleg van het Wieringerrandmeer, in welke plannen was begrepen dat er een dijk zou komen op de plaats van zijn woning.

2.11.

Bij e-mail van 2 februari 2015, met als onderwerp ‘pissen’ heeft [eiser], voor zover hier relevant, het volgende aan ([naam 5] van) het Stedelijk Museum geschreven:

‘Dit weekend kwam ik mijn collega [naam 6] weer eens tegen, We bespraken het een en ander.

Het genie [naam 1] (bedoeld is [naam 1], zakelijk directeur van het Stedelijk Museum, vzr.), alweer zo,n mislukt geval van de Raad van Toezicht, weet waar het over gaat. (…)

Gezamenlijk gaan we, voor het kort geding begint met een filmploeg naar het SM in de hoop dat we niet worden toegelaten. Terecht. Grote kans dat [naam 6] tegen een beeld van Dan Flavin gaat staan pissen. (…)

Ben benieuwd hoe lang die Duitse het volhoudt weer een kneus van Rob Defares. Karin houdt het nog even vol en dan kan ze weer terug naar haar blaadjes en boekjes en de Viva.

Is zaalwacht niks voor jou, met een mooie pet op. (…)’

2.12.

Op 5 februari 2015 heeft de advocaat van [eiser] aan het Stedelijk Museum laten weten bereid te zijn een gesprek aan te gaan met [naam 7] (artistiek directeur van het Stedelijk Museum) desgewenst vergezeld van [naam 5] (curator van het Stedelijk Museum).

Het Stedelijk Museum heeft hierop geantwoord dat van haar kant [naam 1], [naam 5] en [naam 2] (jurist) bij het gesprek aanwezig zullen zijn, waarna [eiser] via zijn advocaat heeft laten weten met deze samenstelling niet akkoord te gaan.

2.13.

Vervolgens heeft het Stedelijk Museum bij (confraternele) brief van 11 februari 2015 aan [eiser] nogmaals toegezegd bereid te zijn een heroverweging van het toegangsverbod te bespreken in een gesprek met haar zakelijk directeur en Manager Collecties.

2.14.

Tot een gesprek tussen [eiser] en het Stedelijke Museum is het (nog) niet gekomen. [eiser] heeft zich uitsluitend in enkele e-mails opnieuw negatief uitgelaten over (medewerkers en leden van de Raad van Toezicht van) het Stedelijk Museum.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - het Stedelijk Museum op straffe van een dwangsom te veroordelen om hem tegen vertoning van een geldig toegangsbewijs ongehinderd en onvoorwaardelijk toe te laten tot haar museum en alle daarin voor het publiek opengestelde ruimtes, met veroordeling van het Stedelijk Museum in de proceskosten.

3.2.

Het Stedelijk Museum voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het Stedelijk Museum als huurder van het pand waarin het museum is gevestigd op grond van haar gebruiksrechten bevoegd is bezoekers voor bepaalde of onbepaalde tijd de toegang tot het museum te ontzeggen. Het Stedelijk Museum komt daarbij een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien het Stedelijk Museum van die bevoegdheid misbruik maakt, of in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belang bij uitoefening en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad, zij in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid had kunnen komen.

4.2.

Partijen voeren het volgende aan. Het Stedelijk Museum stelt als beheerder van de collectie van kunstwerken die in het museum tentoon worden gesteld jegens de Gemeente Amsterdam, als eigenaar van het grootste deel van de werken, een zorgplicht te hebben. Die zorgplicht, die onder meer voortvloeit uit een tussen de Gemeente Amsterdam en het Stedelijk Museum gesloten Collectiebeheer-overeenkomst, houdt onder meer in dat het Stedelijk Museum al hetgene moet doen dat nodig is om de werken te behouden en schade aan de werken te voorkomen en te beperken.

Het Stedelijk Museum heeft in de e-mails van [eiser] van 17 en 18 september 2012 aanleiding gezien om, ter bescherming van de bij haar in beheer zijnde werken en ter voldoening aan voormelde zorgplicht, [eiser] niet meer tot het museum toe te laten. Het Stedelijk Museum heeft daarbij betrokken dat [eiser] op 20 maart 2007 is veroordeeld voor brandstichting. Met verwijzing naar enkele overwegingen uit de strafrechtelijke uitspraak heeft het Stedelijk Museum naar voren gebracht dat [eiser] een impulsieve persoonlijkheid heeft die ongenoegen of boosheid gemakkelijk omzet in negatief handelen. Het gaat daarbij met name om de overweging in de uitspraak van 20 maart 2007 dat de kans op recidive licht verhoogd is, nu op basis van psychologisch onderzoek geldt dat: ‘De persoonlijkheid van [eiser] maakt dat hij gevoeliger is voor spanningen dan de meeste andere mensen en daarmee soms niet goed omgaat, waardoor het kan komen tot een impulsdoorbraak’ (onder punt 7 van het strafvonnis). Het Stedelijk Museum is van mening dat zij onder de gegeven omstandigheden terecht is overgegaan tot het opleggen van een toegangsverbod. Zij is echter wel nog steeds bereid om met [eiser] in overleg te treden over een mogelijke (voorwaardelijke) opheffing van het toegangsverbod.

[eiser] heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat het Stedelijk Museum zijn e-mails onterecht als serieuze dreiging heeft aangemerkt. Volgens hem moeten de e-mails als satire worden gezien en heeft het Stedelijk Museum zijn humor niet als zodanig herkend en zijn ‘stekeligheid’ onterecht als boosheid geïnterpreteerd. Zijn ongenoegen over het beleid van het Stedelijk Museum en enkele bij het Stedelijk Museum betrokken personen staat in geen verhouding tot de situatie die heeft geleid tot de brandstichting. De vrees voor vernieling van werken door [eiser] is dan ook ongerechtvaardigd, aldus [eiser]. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij bereid is met het Stedelijk Museum te praten over een mogelijke oplossing maar heeft daarbij kenbaar gemaakt in ieder geval niet akkoord te zullen gaan met een (voorlopig) begeleide toegang. Ook heeft [eiser] ter zitting vastgehouden aan zijn voorwaarde dat [naam 1] niet bij het gesprek aanwezig mag zijn omdat zij volgens hem geen verstand van kunst heeft.

Wat betreft het belang dat [eiser] bij toegang tot het Stedelijk Museum heeft, is door hem aangevoerd dat hij vóór de renovatie van het Stedelijk Museum ongeveer één keer per maand het museum bezocht om mensen te ontmoeten en de ontwikkelingen van het Stedelijk Museum te volgen en dat hij dit weer wenst te doen.

4.3.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het Stedelijk Museum geen misbruik van haar bevoegdheid maakt door het toegangsverbod niet op te heffen. Ook is geen sprake van een onevenredigheid tussen de belangen van het Stedelijk Museum en van [eiser]. Daarbij is in aanmerking genomen dat het Stedelijk Museum in de uitoefening van haar zorgplicht een risico-inschatting heeft te maken met betrekking tot mogelijke vernielingen en beschadigingen van werken die zij beheert. Dat van een reëel risico sprak is blijkt uit incidenten in het verleden waarbij bezoekers kunstwerken in het museum hebben beschadigd. De voorzieningenrechter is met het Stedelijk Museum van oordeel dat het Stedelijk Museum de e-mails van [eiser] van 17 en 18 september 2012 in het kader van die risico-inschatting op goede gronden als een serieuze dreiging heeft kunnen zien. Dat [eiser] de mails als satire of humor bedoeld heeft doet daar niet aan af. Bovendien is het maar de vraag of de mails zo zijn bedoeld. In de e-mails uit [eiser] immers zijn ongenoegen en boosheid over het door het Stedelijk Museum gevoerde beleid met betrekking tot werken van andere kunstenaars (Dumas en Tuynmans) en deelt hij mee de werken met zijn urine te zullen beschadigen. De voorzieningenrechter volgt het Stedelijk Museum in haar standpunt dat zij in het kader van haar zorgplicht simpelweg niet het risico kan lopen dat [eiser] wel uitvoering aan zijn aangekondigde daad zal geven.

Dat het Stedelijk Museum bij haar risico-inschatting tevens het strafrechtelijk verleden van [eiser] heeft betrokken acht de voorzieningenrechter begrijpelijk. Uit de veroordeling van [eiser] in 2007 komt immers naar voren dat [eiser] gezien zijn persoonlijkheid impulsief kan handelen waarbij hij in staat is om aanzienlijke vernielingen aan te richten. Tevens is van belang dat [eiser] na het aan hem opgelegde toegangsverbod nimmer aan het Stedelijk Museum heeft laten weten dat de door hem op 17 en 18 september 2012 verstuurde e-mails een grap waren. Integendeel, hij is doorgegaan met het versturen van berichten waarin zijn uitlatingen werden herhaald dan wel andere negatieve uitlatingen over (medewerkers en leden van de Raad van Toezicht van) het Stedelijk Museum werden gedaan.

Ook komt gewicht toe aan de omstandigheid dat [eiser] niet bereid is mee te werken aan een redelijk compromis zoals door het Stedelijk Museum is voorgesteld. Het Stedelijk Museum heeft te kennen gegeven dat het toegangsverbod wat haar betreft niet ‘voorgoed’ hoeft te zijn, zoals in haar brief van 20 september 2012 wel stond vermeld. Het Stedelijk Museum heeft zich meerdere malen jegens [eiser] bereid verklaard met hem in gesprek te gaan over een mogelijke opheffing van het verbod en de voorwaarden waaronder [eiser] weer toegang tot het museum kan krijgen. Ook ter zitting is daarover gesproken. [eiser] heeft deze gelegenheid echter aan zich voorbij laten gaan, althans heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onredelijke voorwaarden aan het plaatsvinden van een gesprek gesteld. Zo wenst hij dat de zakelijk directeur van het Stedelijk Museum, [naam 1], niet bij het gesprek aanwezig is omdat zij volgens hem geen verstand van kunst heeft. Daarmee miskent [eiser] dat het gesprek niet zal gaan over de kunst maar over de voorwaarden waaronder hij weer toegang tot het museum zal kunnen krijgen en de veiligheid van de werken gewaarborgd blijft. Dit is nu juist een kwestie die de zakelijk directeur van het Stedelijk Museum aangaat. [eiser] heeft verder verklaard dat een voorlopig begeleide toegang voor hem niet bespreekbaar is. Het is begrijpelijk dat het Stedelijk Museum onder de gegeven omstandigheden [eiser] voorlopig bij zijn bezoeken wenst te begeleiden teneinde het vertrouwen te herstellen.

4.4.

De slotsom is dat het Stedelijk Museum geen misbruik maakt van haar bevoegdheid en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die tot opheffing van het toegangsverbod nopen.

4.5.

Gelet op het voorgaande is de vordering niet toewijsbaar. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Stedelijk Museum worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Stedelijk Museum tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2015.1

1 type: BPWB coll: