Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
C/13/574775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv. Vordering vrouw om inzage in bankgegevens van ex-echtgenoot en diens eenmanszaak afgewezen. Geen partij bij de rechtsbetrekking tussen de man en zijn eenmanszaak en de bank, ondanks gemeenschap van goederen. Geen rechtmatig belang bij haar vordering tot afgifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer: C/13/574775 / KG ZA 14/1361 BvM

vonnis van: 31 oktober 2014

vonnis van de voorzieningenrechter

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 14 oktober 2014

nader te noemen: [eiseres]

advocaat: mr. L.J. de Rijke

t e g e n

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTERDAM U.A.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde

nader te noemen: Rabobank

advocaat: mr. D.S. van Lith.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van 27 oktober 2014 van de kantonrechter onder nummer KK 14-1596. Met inachtneming van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting van 24 oktober 2014 door partijen is toegelicht, wordt thans vonnis gewezen door de voorzieningenrechter.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

  1. [eiseres] vordert Rabobank te veroordelen om van diverse in de dagvaarding genoemde Rabobankrekeningen die op naam staan van [de ex-echtgenoot] (hierna: [de ex-echtgenoot]) - met wie [eiseres] gehuwd is geweest van 26 september 2007 tot en met 1 juni 2011 - alle rekeningafschriften over te leggen over de periode 1 juni 2009 tot en met 1 juni 2011.

  2. [eiseres] stelt hiertoe onder meer dat tussen [de ex-echtgenoot] en haar bij het Gerechtshof in hoger beroep een procedure loopt die handelt over de verdeling van de gemeenschapsboedel van partijen. In eerste aanleg heeft [de ex-echtgenoot] geweigerd relevante stukken, waaronder de genoemde afschriften over te leggen. Nu een vordering benadeling onderdeel is van de verdelingsprocedure, heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij inzage in de betreffende afschriften.

  3. Rabobank heeft aangevoerd dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Dit verweer wordt gepasseerd. [eiseres] heeft immers aangevoerd dat op 12 november 2014 een mondelinge behandeling van de verdelingsprocedure in hoger beroep zal plaatsvinden en dat zij in het kader van die procedure behoefte heeft aan de gevraagde informatie. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

  4. [eiseres] legt aan haar vordering artikel 843a Rv ten grondslag alsmede dat zij als deelgenoot in de huwelijkse gemeenschap recht heeft op afschriften c.q. inzage in alle bankafschriften van haar toenmalige echtgenoot [de ex-echtgenoot].

  5. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

  6. Artikel 843a Rv biedt (kort gezegd en voor zover relevant) een grondslag om inzage, afschrift of uittreksel te vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin diegene partij is. [eiseres] vordert stukken ten aanzien van rekeningen die op naam staan van [de ex-echtgenoot] of zijn eenmanszaak. Bij de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten tussen Rabobank en [de ex-echtgenoot] is zij echter geen partij. Die rechtsbetrekking kan derhalve geen grondslag vormen tot afgifte c.q. inzage van de gevraagde bescheiden. De omstandigheid dat zij destijds in gemeenschap van goederen was getrouwd met [de ex-echtgenoot] maakt weliswaar dat zij een belang heeft bij de rechtsbetrekking tussen [de ex-echtgenoot] en Rabobank, maar zij is daardoor – anders dan de rechtbank Maastricht overweegt in haar vonnis van 12 maart 2008 (LJN BC6796) – nog geen partij in die rechtsbetrekking.

  7. [eiseres] staat op basis van haar huwelijk in een rechtsbetrekking tot [de ex-echtgenoot]. [eiseres] heeft echter op basis van die rechtsbetrekking geen rechtmatig belang bij haar vordering tot afgifte, zoals vereist in het kader van artikel 843a Rv. Daarbij is van belang dat [eiseres] in de procedure met nummer C/13/568671 / KG ZA 14-877 tegen [de ex-echtgenoot] reeds heeft gevraagd om afgifte c.q. inzage en de voorzieningenrechter die vordering heeft afgewezen wegens (naar de voorzieningenrechter begrijpt) het ontbreken van belang daarbij. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het aan het gerechtshof is om te bepalen welke stukken het – buiten het reeds in eerste aanleg opgebouwde dossier – in het kader van de verdeling van belang acht, en om vervolgens partijen daarom te verzoeken. Niet valt in te zien dat [eiseres] ten opzichte van [de ex-echtgenoot] als direct betrokkene ten aanzien van de rechtsbetrekking (en de in hoger beroep lopende verdelingsprocedure) geen en jegens een derde wel belang zou hebben bij afgifte c.q. inzage.

  8. Bij pleidooi heeft [eiseres] aangevoerd dat zij als deelgenoot in de algemene gemeenschap van goederen een zelfstandig recht heeft om jegens Rabobank inzage te vorderen over de huwelijkse periode. Dit beroep gaat niet op. De genoemde rekeningen staan op naam van [de ex-echtgenoot] dan wel diens eenmanszaak. Krachtens artikel 1:97, eerste lid, BW staan die rekeningen daardoor onder zijn bestuur en niet onder gemeenschappelijk bestuur van beide echtelieden, zodat [eiseres] niet gerechtigd is tot inzage als onderdeel van dat bestuur. Anders dan [eiseres] veronderstelt, is in dit opzicht de tenaamstelling van de bankrekeningen wel relevant.

  9. Nu een grondslag voor de vordering tot afgifte c.q. inzage ontbreekt, wordt de gevraagde voorziening geweigerdorziening geweigerd. [eiseres] wordt veroordeeld in de kosten aan de zijde van Rabobank, nu zij in het ongelijk wordt gesteld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorziening;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 608,- aan griffierecht en € 816,- aan advocaatkosten;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. H.J.H. van Meegen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.