Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7080

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/650294-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in het kader van de exploitatie en bevoorrading van een coffeeshop schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door een te grote hoeveelheid softdrugs aanwezig te hebben. Niet is vast te stellen of deze voorraad zodanig groot is dat deze een naar verhouding met de dagomzet van de coffeeshop redelijke voorraad overstijgt en strafoplegging vereist. Wat verdachte verweten wordt, komt in feite neer op het op economisch verantwoorde wijze exploiteren van een coffeeshop. Met de constatering dat dit een strafbaar feit is en verdachte daarvoor strafbaar is, kan daarom worden volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/650294-13

Datum uitspraak: 16 oktober 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.K. Mireku, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.A. Kamans, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2013 te Amsterdam en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk (al dan niet beroeps-of bedrijfsmatig) heeft bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of afgeleverd, in elk geval op 28 februari 2013 opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand [Naam pand], gelegen aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

95951 gram hennep en/of ongeveer 12014 gram hashish en/of 5432 voorgedraaide joints, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hashish, in elk geval een middel voorkomende op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit, voor wat betreft het aanwezig hebben van de softdrugs, wettig en overtuigend bewezen. Volgens de raadsvrouw van verdachte kan de tenlastegelegde hoeveelheid niet worden vastgesteld, dan wel dient die naar beneden te worden bijgesteld en zijn de testen niet representatief uitgevoerd. De rechtbank betrekt in haar overwegingen, voor zover relevant en van toepassing, de door de officier van justitie en de raadsvrouw aangevoerde standpunten.

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit, voor zover het betreft het aanwezig hebben van de softdrugs, bekend. De raadsvrouw heeft echter - in haar schriftelijke pleitnotities uitgebreid en hier verkort weergegeven – betoogd dat de ten laste gelegde hoeveelheid hennep niet klopt omdat geen rekening gehouden is met het gewicht van de zakken waarin deze verpakt zat. Ter terechtzitting is toegelicht dat er 115 zakken van twee verschillende soorten aanwezig waren die gemiddeld 59 gram wegen. De rechtbank zal gelet op dit verweer de hoeveelheid hennep naar beneden bijstellen en afronden op 90000 gram.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de meting en vaststelling van de hoeveelheid aangetroffen softdrugs onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, nu de weegschaal alvorens de drugs te wegen niet is geijkt en getest. Bovendien is slechts een zestal monsters van de softdrugs onderzocht, hetgeen niet representatief is voor de gehele hoeveelheid.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van deze verweren dat er geen aanleiding is om er van uit te gaan dat de gebruikte weegschaal niet juist werkte op het moment dat de verbalisant de drugs heeft gewogen. De rechtbank verwijst hierbij bovendien naar het aanvullend proces-verbaal van 30 september 2014 waarin is eenduidig toegelicht dat de weegschaal goed functioneerde. Een kilo keukenzout gaf op de betreffende weegschaal (inclusief papieren zak) immers een gewicht aan van 1.018 kilogram. Voorts valt niet in te zien dat geen sprake was van representatieve monsters.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 28 februari 2013 tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een bedrijfspand [Naam pand], gelegen aan de [adres 2] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 90000 gram hennep en ongeveer 12014 gram hashish en 5432 voorgedraaide joints.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. In de gevallen waarin de wet dat voorschrijft, zal dit verkort vonnis met die bewijsmiddelen worden aangevuld. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 (een) maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, en een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Motivering van de beslissing ex 9a van het Wetboek van Strafrecht

Op grond van de omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan, zal geen straf of maatregel aan verdachte worden opgelegd.

De rechtbank is op grond van de volgende overwegingen tot dit oordeel gekomen.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen geachte feit is gepleegd in het kader van de exploitatie van coffeeshop [naam]. De aangetroffen softdrugs dienden ter bevoorrading van deze coffeeshop. Niet wordt betwist dat verdachte mede-eigenaar van deze coffeeshop was ten tijde van het aantreffen van de drugs. Ter terechtzitting is door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de gang van zaken rond de bevoorrading van de coffeeshop uiteengezet.

Zoals eerder in uitspraken van andere rechterlijke instanties in vergelijkbare zaken is overwogen, doet hier zich het merkwaardige en niet anders dan als paradoxaal aan te duiden feit voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich – blijkens het dossier en de ter terechtzitting overgelegde stukken – aan de zogenaamde AHOJ-G-criteria hield, gedoogd wordt waar het de in die criteria genoemde handelingen dan wel het nalaten daarvan betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een – voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke, en daarmee de toegestane handelsvoorraad van 500 gram overschrijdende – voorraad en de aankoop van de verdovende middelen bij kwekers dan wel tussen- of groothandelaren onverminderd verboden zijn en even zoveel strafbare feiten opleveren.

Dat het door verdachte gepleegde feit het rechtstreekse uitvloeisel en tevens onlosmakelijke gevolg is van de exploitatie van de coffeeshop, terwijl het bij dat laatste om een in beginsel gedoogde activiteit gaat, speelt naar het oordeel van de rechtbank een belangrijke rol bij de strafmaatbepaling.

In de onderhavige zaak acht de rechtbank in dit verband van belang dat coffeeshop [naam]– ten tijde van belang – een behoorlijke boekhouding voerde en verantwoording aflegde aan de fiscus. Bovendien is gebleken dat de coffeeshop viermaal per jaar werd gecontroleerd,er een goede verstandhouding bestond met de gemeente en er geen sprake was van overlast. Kortom: de coffeeshop had haar zaken goed op orde.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de aangetroffen hoeveelheid redelijk was voor een normale bevoorrading van coffeeshop [naam]. Daarbij gaat de rechtbank uit van een bruikbare handelsvoorraad van 82 kilogram softdrugs, gelet op de onbetwiste toelichting ter terechtzitting door verdachte en zijn raadsvrouw over de hoeveelheid middelen die niet als bruikbaar afval kan worden beschouwd. Uit de overgelegde producties blijkt dat – ten tijde van belang – dagelijks gemiddeld ongeveer 1,2 kilogram softdrugs werd omgezet in de coffeeshop. Voornoemde voorraad was dus toereikend voor de exploitatie van de shop gedurende ruim twee maanden.

Ondanks dat de aangetroffen, bruikbare voorraad softdrugs erg groot is in verhouding met aangetroffen handelsvoorraden in vergelijkbare zaken, en er dus sprake is van een niet mis te verstane overtreding van de gedoogvoorwaarden door verdachte, overweegt de rechtbank dat niet vast te stellen is of deze voorraad zodanig groot is dat deze een naar verhouding met de dagomzet redelijke voorraad overstijgt en strafoplegging vereist.

De rechtbank houdt hierbij rekening met het gegeven dat coffeeshop [naam] een uitgebreid assortiment aan softdrugs verkoopt om een breed publiek te voorzien en haar ‘upscale’ karakter te behouden. Ter illustratie heeft verdachte aangegeven dat van een soort hennep die slechts eenmaal per jaar geoogst wordt, daarom eenmaal per jaar een grote hoeveelheid werd ingekocht om te kunnen voldoen aan de vraag. De rechtbank houdt rekening met deze ‘business filosofie’ achter coffeeshop [naam].

Aansluitend bij uitspraken van andere rechterlijke instanties, acht de rechtbank het een kwestie voor de wetgever om deze achterdeurproblematiek te reguleren. Zolang het Openbaar Ministerie er voor kiest om, bij gebrek aan een dergelijke regulering, zaken waarin deze problematiek speelt voor te leggen aan de rechter, zal deze daar inhoudelijk op dienen te beslissen.

Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat wat verdachte verweten wordt in feite neerkomt op het op economisch verantwoorde wijze exploiteren van een coffeeshop, is zij van oordeel dat met de constatering dat dit een strafbaar feit is en verdachte daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. Aldus zal zij, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte geen straf of maatregel opleggen.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen goederen:

  • -

    4 stuks papier

  • -

    4 stuks papier

  • -

    1 stuk weegschaal

  • -

    1 stuk rekenmachine

  • -

    3 stuks sleutelbos (in totaal 15 sleutels)

  • -

    1 stuk papier

  • -

    1 stuk kassabon

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. M.E.B. Nyman en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2014.