Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4861

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
AMS 13-6931 en AMS 14-675
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing woonlandbeginsel op vervolguitkering WIA aan rechthebbenden in Turkije en Marokko is in strijd met artikel 6 Besluit 3/80 en artikel 5 NMV. Verwijzing naar eerdere uitspraken rechtbank en CRvB. Geen verschil bestaande uitkeringen en toekenningen na 1 juli 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummers: AMS 13/6931 en 14/675

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2014 in de zaken tussen

1.

[naam eiser 1], wonende in Turkije, gemachtigde mr. N. Türkkol (13/6931), eiser 1,

2.

[naam eiser 2], wonende in Marokko, gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn (14/675), eiser 2,

hierna gezamenlijk ook aangeduid als: eisers,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde F.M.J. Eijmael).

Procesverloop

Zaak 13/6931

Bij besluit van 19 juli 2013 heeft verweerder eiser 1 meegedeeld dat zijn loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) eindigt op 11 september 2013 en dat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor een vervolguitkering.

Bij besluit van dezelfde datum (het primaire besluit) heeft verweerder eiser 1 meegedeeld dat de hoogte van de aan hem toegekende vervolguitkering met ingang van 1 oktober 2013 wordt aangepast aan de kosten van levensonderhoud in zijn woonland.

Bij besluit van 23 oktober 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser 1 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Zaak 14/675

Bij besluit van 19 augustus 2013 heeft verweerder eiser 2 meegedeeld dat zijn loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet WIA eindigt op 4 september 2013 en dat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor een vervolguitkering.

Bij besluit van dezelfde datum (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser 2 meegedeeld dat de hoogte van de aan hem toegekende vervolguitkering met ingang van 1 oktober 2013 wordt aangepast aan de kosten van levensonderhoud in zijn woonland.

Bij besluit van 16 september 2013 (het primaire besluit II) is aan eiser 2 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend, op welke toeslag eveneens de woonlandfactor is toegepast.

Bij besluit van 20 december 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de tegen beide primaire besluiten gemaakte bezwaren, voor zover betrekking hebbend op de toepassing van de woonlandfactor, ongegrond verklaard.

Eiser 2 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 12 juni 2014.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Wettelijk kader

Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Met deze wet is in de Wet WIA onder meer artikel 62 gewijzigd, in het bijzonder de leden 2 en 3.

Artikel 62 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt thans als volgt:

‘1. De vervolguitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand: G × H waarbij:

* G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 61, zesde lid; en

* H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon.

2.

De vervolguitkering bedraagt voor een verzekerde die woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de verzekerde woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

3.

Voor de toepassing van de Toeslagenwet ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in het tweede lid, bedraagt het minimumloon het op grond van het tweede lid op hem van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in die wet. Ten aanzien van die verzekerde worden de bedragen, genoemd in de artikelen 2 en 8 van de Toeslagenwet, vastgesteld op het in de eerste zin bedoelde percentage van deze bedragen.’

2.

Hierdoor wordt aan een verzekerde die niet woont in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie (EU), een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland, een vervolguitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag. Eenzelfde percentage geldt voor de toeslag op grond van de TW. Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de uitkeringsgerechtigde woonachtig is en dat van Nederland. Voor Turkije en Marokko is dit percentage vastgesteld op 60%.

3.

Het geschil zal mede worden beoordeeld aan de hand van internationale en Europese regelgeving, neergelegd in artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden

(Besluit 3/80) en artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV).

3.1

Artikel 6, eerste lid, eerste alinea, van Besluit 3/80 luidt als volgt: ‘Tenzij in dit besluit anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.’

3.2

Artikel 5, eerste lid, van het NMV bepaalt: ‘De uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, bij ouderdom of aan nabestaanden, de uitkeringen bij overlijden en de kinderbijslagen verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een van de Verdragsluitende Partijen, kunnen op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of het kind woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt.’

Relevante feiten

4.

Eisers zijn woonachtig in Turkije, respectievelijk Marokko, en ontvingen ten tijde van de inwerkingtreding van de Wwsz een loongerelateerde WIA-uitkering. Na afloop van deze uitkering zijn zij in aanmerking gebracht voor de hier aan de orde zijnde WIA-vervolguitkering en een toeslag (eiser 2). Op deze aanspraken heeft verweerder de woonlandfactor toegepast.

Beoordeling van het geschil

5.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2013:5315) heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de eveneens op grond van de Wwsz gebaseerde verlaging van de nabestaandenuitkering aan in Turkije en Marokko wonende rechthebbenden strijdig is met respectievelijk artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 en artikel 5, eerste lid, van het NMV.

6.

Bij uitspraken van 21 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:845) en 9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1466) heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2013 bevestigd. Ook de Raad is van oordeel dat de verlaging van de nabestaandenuitkering van rechthebbenden in Turkije en Marokko strijdig is met genoemde verdragsbepalingen.

7.

In het licht van de uitspraken van de Raad heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting van 12 juni 2014 aan verweerder een nadere zienswijze gevraagd ten aanzien van de onderhavige zaken.

8.

In zijn schriftelijke reactie en ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de uitspraken van de Raad niet van toepassing zijn op de zaken van eisers. Verweerder acht bepalend dat, anders dan in de door de Raad beoordeelde zaken van nabestaanden, waar het recht op uitkering al bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de Wwsz op 1 juli 2012, het recht op een vervolguitkering is ontstaan na 1 juli 2012. Nu het een nieuwe toekenning betreft, is de Wwsz terecht toegepast, aldus verweerder. Verweerder is van mening dat ook uit de recente woonlandjurisprudentie kan worden afgeleid dat verschil kan worden gemaakt tussen op het tijdstip van de inwerkingtreding van Wwsz al lopende uitkeringen enerzijds, en uitkeringen die zijn toegekend na deze inwerkingtreding anderzijds.

Eisers zijn van mening dat de uitspraken van de Raad eveneens op hun zaken van toepassing zijn en dat de vervolguitkering en de toeslag niet hadden mogen worden verlaagd.

9.

Ter zitting hebben partijen meegedeeld de juridische argumentatie die aan de eerdergenoemde oordelen van de Raad ten grondslag ligt in essentie te onderschrijven. Verweerder meent echter dat die oordelen zijn gegeven in een andere situatie, waarin niet een eerste toekenning aan de orde is. Die oordelen zijn daarom, volgens verweerder, niet van toepassing op de thans voorliggende gevallen. Partijen zijn het er daarnaast over eens dat de vervolguitkering en de toeslag aan te merken zijn als een invaliditeitsuitkering als bedoeld in artikel 6 van Besluit 3/80 en artikel 5 van het NMV.

10.

Gelet op de stellingname van verweerder, spitst het geschil zich toe op de vraag of het feit dat het recht op de vervolguitkering en de toeslag is ingegaan op een moment gelegen na de inwerkingtreding van de Wwsz tot het oordeel dient te leiden dat verweerder kon overgaan tot toepassing van artikel 62, leden 2 en 3, van de Wet WIA, zonder daarbij in strijd te handelen met artikel 5 van het NMV en artikel 6 van Besluit 3/80. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.

Anders dan verweerder meent, is naar het oordeel van de rechtbank in de hiervoor onder 5 en 6 genoemde uitspraken geen steun te vinden voor het standpunt dat bij de toepassing van het woonlandbeginsel verschil kan worden gemaakt tussen uitkeringen die al waren toegekend vóór de inwerkingtreding van de Wwsz en uitkeringen die daarna zijn toegekend. Verweerder heeft in dit kader gewezen op rechtsoverweging 3.11 in de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2013. Daarin is inderdaad sprake van ‘verworven rechten’. Die passage heeft betrekking op de beoordeling van de in die zaken feitelijk aan de orde zijnde verlagingen van bestaande uitkeringen, in het licht van het arrest Akdas (Hof van Justitie EU, 26 mei 2011, te vinden op http://curia.eu, onder zaaknummer C-485/07). Hieruit kan niet a contrario worden afgeleid dat de toepassing van het woonlandbeginsel ten aanzien van uitkeringen die worden toegekend na 1 juli 2012 op grond van de Wwsz niet in strijd komt met de exportbepalingen. Bovendien lag een dergelijke situatie in die eerdere uitspraak niet voor.

Dat de toekenningsdatum voor toepassing van de Wwsz een relevant verschil zou maken, is voorts ook uit de genoemde uitspraken van de Raad geenszins op te maken. Veeleer ziet de rechtbank in deze laatste uitspraken een aanwijzing voor een tegengestelde visie, nu de Raad ten aanzien van artikel 17 van de Anw heeft overwogen dat op grond van het eerste lid van dat artikel de bruto nabestaandenuitkering op een bepaald bedrag (ter hoogte van 70% van het netto-minimumloon) wordt vastgesteld en dat op grond van het derde lid van dat artikel slechts een percentage van dat bedrag wordt uitgekeerd. Naar het oordeel van de Raad kan dat niet anders dan als een vermindering van het toegekende bedrag worden gezien. Daarbij wordt het element tijdsverloop tussen toekenning en vermindering niet genoemd. Dat is ook niet nodig, indien de toepassing van het derde lid niet anders dan als een vermindering van het toegekende bedrag kan worden gezien.

De rechtbank overweegt verder dat de tekst van artikel 62 van de Wet WIA op rechtens relevante onderdelen overeenkomt met die van artikel 17 van de Anw, omdat de hoogte van de vervolguitkering in artikel 62, eerste lid, van de Wet WIA wordt gerelateerd aan het minimumloon en op grond van artikel 62, tweede lid slechts een percentage van dat bedrag wordt vastgesteld dan wel uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank is die lagere vaststelling van de vervolguitkering in het licht van voormelde jurisprudentie van de Raad ook niet anders te begrijpen dan als een vermindering.

12.

De rechtbank is ook anderszins van oordeel dat gelet op de geest, inhoud en bewoordingen van artikel 6 van Besluit 3/80 en artikel 5 van het NMV het door verweerder gemaakte onderscheid tussen “nieuwe” en “oude” uitkeringen niet relevant is. In de kern gaat het in die bepalingen immers om een verbod op het aanbrengen van een beperking van de exportbeperkingen. Het vaststellen van de invaliditeitsuitkering op een bepaald (lager) percentage van de in Nederland geldende uitkering vormt een zodanige beperking. Indien het standpunt van verweerder zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat ten aanzien van na 1 juli 2012 toegekende uitkeringen het nuttig effect van de artikelen 6 van Besluit 3/80 en 5 van het NMV zou worden ondermijnd. Het gebruik van de zinsnede “op generlei wijze” in beide bepalingen had dan gevoeglijk achterwege kunnen blijven.

13.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het standpunt van verweerder, dat bij toekenningen na 1 juli 2012 artikel 62, leden 2 en 3, van de Wet WIA onverkort kan worden toegepast, niet volgt. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 6 van Besluit 3/80 en artikel 5 van het NMV. De beroepen zijn dan ook gegrond.

14.

Gelet op de gegrondverklaring behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, waar ter zitting door verweerder en door eiser 1 is verwezen naar de mogelijke dubbele nationaliteit van eiser 1, dit voor de beoordeling in dit geding geen relevant gegeven is, reeds omdat niet gebleken is dat hier sprake is van een situatie waarin artikel 59 van het Aanvullend Protocol aan de orde is (Protocol bij de Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Trb. 1963/184).

15.

Gegeven de gegrondverklaring van de beroepen dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd. De rechtbank herroept de primaire besluiten en ziet voorts aanleiding te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten. De rechtbank kan zelf in de zaken voorzien, omdat niet in geschil is dat eisers, als artikel 62, leden 2 en 3, van de Wet WIA niet mag worden toegepast, recht hebben op een vervolguitkering en (in zaak 2) toeslag alsof zij woonachtig zijn in Nederland. Verweerder dient aan eisers dan ook over te gaan tot betaling van het volledige bedrag en de achterstallige bedragen uit te keren.

16.

Eiser 2 heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de na te betalen bedragen. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Voor zaak 1 wijst de rechtbank erop dat eiser zich tot verweerder kan wenden met een verzoek om vergoeding van de wettelijke rente.

17.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten in beroep alsmede, ten aanzien van eiser 2, de proceskosten in bezwaar. Deze kosten worden, op basis van € 487,- per punt, begroot op € 974,- voor eiser 1 (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een beroepschrift) en € 1948,- voor eiser 2 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor de (telefonische) hoorzitting).

18.

Verweerder dient tevens aan beide eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de op de verlaging van de vervolguitkering en toeslag betrekking hebbende besluiten van 19 juli 2013, 19 augustus 2013 en 16 september 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van schadevergoeding in de zin van wettelijke rente over de nabetalingen aan eiser 2;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan iedere eiser het door hem betaalde griffierecht van

€ 44,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 974,- te betalen aan eiser 1, en € 1948,- te betalen aan eiser 2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter,

mrs. T.P.J. de Graaf en H.J. van Harten, leden,

in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB