Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C/13/500953 / HA ZA 11-2560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Beslissing in een aantal incidenten in zaak over civielrechtelijke gevolgen van een kartelbeschikking van de Europese Commissie. Rechtbank op grond van artikel 6 EEX-Vo bevoegd ten aanzien van niet in Nederland gevestigde gedaagden. Geen onbevoegdheid op grond van forumkeuze- en arbitragebedingen in koopovereenkomsten met enkele gedaagden. Incidentele vordering tot oproeping van derden (mede-geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie) in het geding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 200
NJF 2014/314

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/500953 / HA ZA 11-2560

Vonnis in incidenten van 4 juni 2014

in de zaak van

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

CDC PROJECT 13 SA,

gevestigd te Brussel (België),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de (voorwaardelijke) incidenten,

advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te ’s-Gravenhage,

tegen

1. de naamloze vennootschap

AKZO NOBEL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap naar Zweeds recht

EKA CHEMICALS AB,

gevestigd te Bohus (Zweden),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in de (voorwaardelijke) incidenten,

advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,

3. de vennootschap naar Fins recht

KEMIRA CHEMICALS OY,

gevestigd te Helsinki (Finland),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de (voorwaardelijke) incidenten,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

Partijen worden hierna CDC, Akzo, Eka en Kemira genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk Akzo c.s. genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure in de (voorwaardelijke) incidenten

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in de incidenten van 19 december 2012 (hierna: het tussenvonnis), met de daarin vermelde gedingstukken;

  • -

    de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van Akzo en Eka van 27 februari 2013, met producties;

  • -

    de akte houdende uitlatingen in het bevoegdheidsincident van 27 februari 2013 aan de zijde van Kemira, met producties;

  • -

    de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van CDC van 24 april 2013, met producties;

  • -

    de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van CDC van 8 mei 2013, met één productie;

  • -

    de akte uitlating producties aan de zijde van Akzo en Eka van 5 juni 2013;

  • -

    de akte uitlating producties aan de zijde van Kemira van 5 juni 2013.

1.2.

De procedure in de hoofdzaak en in het incident tussen CDC en Arkema France S.A., is op eenstemmig verzoek van deze partijen op de rol doorgehaald. Dit vonnis wordt daarom niet gewezen tussen CDC en Arkema France S.A.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tussen CDC en Akzo c.s.

2 De (verdere) beoordeling in de incidenten

2.1.

De rechtbank gaat in het kader van de opgeworpen incidenten uit van de volgende (enerzijds gestelde en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste) feiten:

2.1.1.

Eka en Kemira zijn producenten van natriumchloraat. Akzo is de moedermaatschappij van Eka. Akzo is niet als aanbieder van natriumchloraat actief (geweest).

2.1.2.

Akzo c.s. en vijf andere rechtspersonen zijn geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 11 juni 2008 (hierna: de beschikking), waarin de Commissie heeft geconcludeerd dat (onder meer) Akzo c.s. inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG-Verdrag (thans artikel 101 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie) en artikel 53 EER-Overeenkomst door deel te nemen aan een complex geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen met het oog op de toewijzing van verkoopvolumes, de vaststelling van prijzen, de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over prijzen en verkoopvolumes en de controle op de uitvoering van de concurrentiebeperkende afspraken met betrekking tot natriumchloraat op de markt binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: het kartel) in de periode van 21 september 1994 tot 9 februari 2000. De Commissie heeft wegens de inbreuken geldboetes aan onder meer Akzo c.s. opgelegd, welke geldboetes later (ten dele) zijn kwijtgescholden.

2.1.3.

Akzo c.s. hebben geen beroep ingesteld tegen de beschikking.

2.1.4.

Een aantal grootafnemers van natriumchloraat (hierna: de afnemers) heeft zijn vordering tot schadevergoeding op deelnemers aan het kartel aan CDC gecedeerd. De afnemers zijn gevestigd in verschillende Europese landen en zij hebben hun productielocaties in onder meer Zweden, Finland, Noorwegen en Spanje.

bezwaar van Akzo en Eka tegen inhoud akte CDC

2.2.

Akzo en Eka hebben bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de door CDC op 24 april 2013 genomen akte. Het bezwaar richt zich concreet op de hoofdstukken II.A en II.B van deze akte. CDC gaat daarin (opnieuw) in op onderwerpen die bij pleidooi in de incidenten uitvoerig aan de orde zijn gekomen, aldus Akzo en Eka, maar partijen is in het tussenvonnis slechts de gelegenheid geboden de maatstaf voor de uitleg van overeenkomsten naar toepasselijk recht toe te lichten. Zij verzoeken de rechtbank daarom de hoofdstukken II.A en II. B buiten beschouwing te laten.

2.3.

Het bezwaar wordt verworpen. Het bezwaar had onverwijld ter kennis van de rolrechter moeten worden gebracht. Akzo en Eka hebben dit niet gedaan. Verder is niet gesteld of gebleken dat CDC in de gewraakte akte meer of andere stellingen naar voren heeft gebracht dan bij pleidooi in de incidenten aan de orde zijn gekomen. Het bezwaar kan dan ook bij gebreke van voldoende belang verder onbesproken blijven.

verder in de bevoegdheidsincidenten

2.4.

In de bevoegdheidsincidenten is de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Akzo c.s. hebben in dit verband de bevoegdheid van de rechtbank op grond van de EEX-Vo betwist en verder ieder voor zich een beroep gedaan op talrijke forumkeuze- en arbitragebedingen, die in de afzonderlijke relaties met de afnemers zijn overeengekomen. Deze bedingen, waarin standaard formuleringen zijn gebezigd die in het handelsverkeer gangbaar zijn (r.o. 3.1 van het tussenvonnis), staan er volgens Akzo c.s. aan in de weg, dat aan de Nederlandse rechter de bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak.

2.5.

Aan haar vorderingen heeft CDC het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van de beschikking staat vast dat Akzo, Eka en Kemira, alle geadresseerden van de beschikking, inbreuk hebben gemaakt op het kartelverbod. Reeds het feit dat zij hebben deelgenomen aan één en dezelfde voortgezette verboden gedraging (inbreuk op het kartelverbod), maakt dat elk van hen op grond van Europees dan wel nationaal recht onrechtmatig jegens de afnemers heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de totale schade die elk van de afnemers ten gevolge van (de instandhouding van) het kartel heeft geleden.

bevoegdheid ten aanzien van Akzo

2.6.

Akzo heeft woonplaats in Amsterdam. De rechtbank is dan ook bevoegd van het tegen Akzo gevorderde kennis te nemen (artikel 2 lid 1 EEX-Vo), tenzij de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren in verband met de forumkeuze- en arbitragebedingen (zie hierna).

bevoegdheid ten aanzien van Eka en Kemira

2.7.

Eka en Kemira hebben geen woonplaats in Nederland, maar in respectievelijk Zweden en Finland.

2.8.

Indien er in dezelfde procedure meer dan één gedaagde is, kunnen de gedaagden worden opgeroepen voor de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 6 lid 1 EEX-Vo). CDC heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, ten aanzien van Eka en Kemira, op artikel 6 lid 1 EEX-Vo gebaseerd, onder verwijzing naar Akzo, die alhier woonplaats heeft, als 'ankergedaagde'.

2.9.

Artikel 6 lid 1 EEX-Vo stelt als voorwaarde dat er een nauwe band (in de zin van die bepaling) bestaat tussen de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen. Anders dan Akzo c.s. betoogt, is - mits één gedaagde woonplaats heeft in het aangezochte forum - niet vereist dat de (andere) partijen of de vorderingen als zodanig een nauwe band met Nederland of de Nederlandse rechtssfeer hebben.

2.10.

Uit de uitspraken van het Hof van Justitie volgt, dat de nationale rechter bij de beantwoording van de vragen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, rekening moet houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier (vgl. HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson), r.o. 41 en HvJ 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH), r.o. 83). In het bijzonder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 6 lid 1 EEX-Vo op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; van gevaar voor tegenstrijdige beslissingen is pas sprake indien deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (vgl. HvJ 13 juli 2006, zaak C-539/03 (Roche Nederland/Primus) r.o. 26, HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson), r.o. 40 en HvJ 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH), r.o. 79).

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de vorderingen ingesteld tegen de verschillende gedaagden in de onderhavige zaak een nauwe band in de zin van artikel 6 lid 1 EEX-Vo.

2.12.

Ten aanzien van de vordering van CDC jegens Akzo enerzijds en de vorderingen jegens de overige gedaagden anderzijds is – anders dan Eka en Kemira betogen – naar het voorlopig oordeel van de rechtbank sprake van eenzelfde feitelijke situatie. CDC legt aan haar vorderingen in de kern marktvervalsing ten grondslag, die in haar visie alle gestelde schade bij aankoop van natriumchloraat oplevert, ongeacht hoe en bij welke leverancier het natriumchloraat is gekocht.
Akzo c.s. benadrukken daarentegen telkens in elke concrete verhouding tussen leverancier en afnemer specifieke leveringen en meent dat deze specifieke leveringen (volgens CDC tegen te hoge prijzen) tot de gestelde schade hebben geleid.
Voorshands is de rechtbank van oordeel dat CDC de gestelde marktvervalsing voldoende heeft toegelicht om in dit stadium te kunnen oordelen dat de vorderingen zijn gebaseerd op eenzelfde feitelijke situatie. Eka en Kemira hebben, zoals CDC voorshands voldoende heeft toegelicht, meegedaan aan dezelfde marktvervalsing en zij wisten steeds, naar de aard van de zaak, dat de andere kartelleden ook hiermee bezig waren. Aan het voorgaande doet niet af dat Akzo zelf geen natriumchloraat leverde, en Eka en Kemira wel. CDC heeft immers dezelfde feitelijke situatie (marktvervalsing) ook aan haar vordering jegens Akzo ten grondslag gelegd. Voorshands hebben Akzo c.s., gelet op die grondslag van de vordering van CDC, onvoldoende naar voren gebracht om aan te kunnen nemen dat specifieke omstandigheden in de individuele leveringsrelaties tussen leverancier en afnemer van doorslaggevende betekenis zullen zijn bij de beoordeling in de hoofdzaak.

2.13.

Verder heeft CDC, naar het oordeel van de rechtbank, haar vorderingen tegen de verschillende gedaagden gestoeld op eenzelfde situatie rechtens: op grond van zowel Europees als nationaal recht is, zo stelt CDC, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers, ongeacht de door die inbreukmaker verrichte gedraging of diens aandeel in de markt waarop de kartelinbreuk plaatsvond. Akzo c.s. hebben hiertegen ingebracht dat Akzo (ook volgens de Europese Commissie) niet heeft deelgenomen aan het kartel, dat voor civiele aansprakelijkheid van Akzo meer nodig is dan haar mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid voor de door Eka gepleegde inbreuk, dat de positie van Akzo als moedermaatschappij wezenlijk anders is dan de positie van Eka en Kemira, die aan het kartel hebben deelgenomen, en dat telkens ander recht van toepassing is op de vorderingen tegen Akzo, Eka en Kemira. De rechtbank volgt deze standpunten van Akzo c.s. niet. De vorderingen in de hoofdzaak tegen alle gedaagden betreffen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank de vraag naar de civielrechtelijke consequenties van de in de beschikking door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk en de daaruit voortvloeiende communautaire mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid voor het kartel. Aan Akzo c.s. kan voorshands worden toegegeven dat de positie van Akzo, die de moedermaatschappij van onder meer Eka is, (volgens de beschikking) niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met de positie van Eka en Kemira. Voorshands zal echter de door CDC gestelde marktvervalsing (met de aard en omvang van de consequenties hiervan) bij de beoordeling in de hoofdzaak centraal staan. De geadresseerden van de beschikking worden geacht, zo heeft CDC in het kader van dit incident voldoende toegelicht, dezelfde inbreuk te hebben gepleegd waarvan de gevolgen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in belangrijke mate onder hetzelfde recht moeten worden beoordeeld (welk recht dit is, is een vraag voor later, waarover partijen nog geen debat hebben gevoerd). Daarom moet voorshands worden aangenomen dat sprake is van eenzelfde situatie rechtens. De omstandigheid dat (bij de begroting van de gestelde schade) mogelijk rekening zal moeten worden gehouden met verschillende rechtsstelsels - Akzo c.s. stelt dit en CDC is het hier, subsidiair, mee eens - laat gelet op het voorgaande voorshands onverlet dat eenzelfde situatie rechtens, zoals vereist voor een nauwe band in de zin van artikel 6 EEX-Vo, moet worden aangenomen.

2.14.

Bovendien acht de rechtbank van belang dat, bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten, die gerechten ieder voor zich op basis van hetzelfde feitencomplex (kort gezegd de gestelde marktvervalsing) en, zo neemt de rechtbank, op grond van de voldoende onderbouwde stellingen van CDC vooralsnog aan, (in belangrijke mate) met toepassing van dezelfde rechtsregels, moeten beslissen of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de afnemers. Die gerechten zouden, bij een eventueel bevestigend oordeel, afzonderlijk de totale schade moeten begroten die elk van die afnemers als gevolg van het bestaan van het kartel heeft geleden. Daarbij zou een gevaar voor onverenigbare beslissingen ontstaan. CDC heeft in dit verband erop gewezen dat de verschillende nationale rechters zich, indien de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren, bij de beoordeling van de vorderingen geconfronteerd zouden zien met dezelfde 'voorvragen' met betrekking tot de vaststelling van de feiten, de toepassing van het Europese recht, de door CDC gestelde hoofdelijke verbondenheid (CDC houdt iedere gedaagde hoofdelijk aansprakelijk voor alle door de afnemers geleden schade in verband met de gestelde marktvervalsing) en het regres dat onderwerp is van de incidenten tot vrijwaring. Al deze voorvragen kunnen mogelijk verschillend worden beantwoord, met als gevolg onverenigbare beslissingen. Een goede rechtsbedeling vraagt dus om gelijktijdige behandeling en berechting. Het voorgaande betekent dat de vrees voor tegenstrijdige beslissingen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank voldoende gerechtvaardigd is om op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo in dit geval aan te nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van CDC kennis te nemen.

2.15.

Aan Akzo c.s. kan worden toegegeven dat de culturen van verschillende landen dermate kunnen verschillen dat deze rechtbank, voor zover buitenlands recht van toepassing is, het toepasselijk recht mogelijk niet steeds zal aanwenden op dezelfde wijze als een gerecht van het land van dat toepasselijke recht. Deze mogelijkheid, die geringer zal zijn naarmate partijen de rechtbank eenvoudig, duidelijk en objectief informeren over het toepasselijk recht en de toepassing van dat recht in de betrokken jurisdictie, vloeit echter voort uit het stelsel van artikel 6 lid 1 EEX-Vo en is gelet op het voorgaande onvoldoende voor een ander oordeel over de bevoegdheid van de rechtbank op de grondslag van artikel 6 lid 1 EEX-Vo.

2.16.

De rechtbank volgt Eka en Kemira niet in hun verweer dat voor hen niet voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden opgeroepen. Gezien de aard van de verweten gedraging (deelname aan het in de beschikking aangeduide kartel) moet het voor elk van hen wel degelijk voorzienbaar zijn geweest dat zij konden worden opgeroepen voor een gerecht in een lidstaat waarin een van de mede-geadresseerden van de beschikking woonplaats heeft. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking de voorshands onvoldoende weersproken stelling van CDC dat in de markt steeds voldoende bekend is geweest dat Akzo de moedermaatschappij is van Eka. CDC stelt in het bijzonder dat de naam AkzoNobel op de fakturen van Eka, boven de naam Eka, staat.

2.17.

Zoals ook uit het bovenstaande volgt, kan niet worden gezegd dat CDC Akzo enkel mede in de onderhavige procedure heeft betrokken om Kemira weg te houden van haar woonplaatsforum (ex artikel 2 EEX-Vo), zoals Kemira nog heeft aangevoerd.

2.18.

De slotconclusie in de bevoegdheidsincidenten is dat de rechtbank ten aanzien van Akzo c.s. rechtsmacht toekomt (behoudens de forumkeuze- en arbitragebedingen, zie hierna) om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak.

de forumkeuze- en arbitragebedingen

2.19.

Het uitgangspunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, lijdt uitzondering indien partijen op de voet van artikel 23 EEX-Vo dan wel artikel 1074 Rv een gerecht van een andere lidstaat, dan wel een scheidsgerecht, als bevoegd hebben aangewezen. Artikel 6 lid 1 EEX-Vo kan niet worden ingeroepen tegenover een partij die succesvol een beroep doet op een overeengekomen (exclusief) forumkeuzebeding (HR 24 september 1999, NJ 2000/552) of arbitragebeding. Akzo c.s. hebben een beroep gedaan op met hun respectieve afnemers overeengekomen forumkeuze- en arbitragebedingen, die volgens hen aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter in de weg staan. In het tussenvonnis is overwogen dat deze bedingen (rechtsgeldig) zijn overeengekomen. CDC heeft niet betwist dat zij als cessionaris in beginsel gebonden is aan de door haar cedenten overeengekomen forumkeuze- en arbitragebedingen. Thans is dan ook de vraag aan de orde of – zoals Akzo c.s. stellen, maar door CDC gemotiveerd wordt betwist – de forumkeuze- en arbitragebedingen ook toepasselijk zijn in de onderhavige zaak.

2.20.

Akzo c.s. hebben – kort gezegd – naar voren gebracht dat de vorderingen van de afnemers vallen onder deze bedingen. Zij stellen in dit verband dat de bedingen ruim zijn geformuleerd en dat de vorderingen van CDC, nu zij samenhangen met de contractuele leveringen, door de bedingen worden bestreken. Dat deze vorderingen zijn gegrond op mededingingsrechtelijke inbreuken, maakt dit volgens Akzo c.s. niet anders. CDC stelt hiertegenover, dat haar vorderingen in de hoofdzaak, die gebaseerd zijn op de gezamenlijke gedragingen van Akzo c.s. op de markt, de hieruit voortvloeiende marktvervalsing en de daardoor ontstane schade, buiten de reikwijdte van de bedingen vallen. Volgens CDC zijn de geschillen niet “uit hoofde van of in verband met” de desbetreffende koopovereenkomsten gerezen.

2.21.

Vooropgesteld wordt dat, zoals uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt, een forumkeuzebeding wordt beheerst door de EEX-Vo (respectievelijk het verdrag van Lugano) (vgl. HvJ 3 juli 1997, zaak C-269/95 (Benincasa/Dentalkit), r.o. 25), die autonoom moet worden uitgelegd. Artikel 23 lid 1 EEX-Vo eist, met betrekking tot forumkeuzebedingen, dat partijen een gerecht moeten hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Powell Duffryn (10 maart 1992, zaak C-214/89) - gewezen onder het EEG Executieverdrag, maar ook van belang voor de uitleg van de EEX-Vo – geoordeeld dat de werking van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter moet worden beperkt tot geschillen die voortvloeien uit de rechtsbetrekking in verband waarmee de overeenkomst werd gesloten (r.o. 31 van voormeld arrest). Hierdoor wordt vermeden, dat een partij wordt verrast door de toekenning aan een bepaald gerecht van de bevoegdheid om kennis te nemen van alle geschillen die voortvloeien uit haar betrekkingen met haar medecontractant en die hun oorsprong vinden in een andere betrekking dan die welke aanleiding vormde voor de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter. Aan het vereiste van voldoende bepaaldheid van de rechtsbetrekking waaruit geschillen kunnen ontstaan, in de zin van artikel 23 EEX-Vo is voldaan, wanneer de in de leveringsovereenkomsten opgenomen forumclausule

aldus kan worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op de geschillen tussen leverancier en afnemer als zodanig. De vraag of aan de forumclausule in dit geval een dergelijke strekking moet worden toegekend, is een vraag van uitleg die door de nationale rechter moet worden beantwoord.

2.22.

In het tussenvonnis is overwogen dat in de meeste door Akzo c.s. ingeroepen bedingen standaardformuleringen zijn gebruikt die in commerciële transacties gangbaar zijn, kort gezegd inhoudende dat alle geschillen “uit hoofde van of in verband met” de betreffende overeenkomst aan het gekozen forum moeten worden voorgelegd. Een ruime formulering alleen is echter niet zonder meer voldoende om de zaak naar het overeengekomen forum dan wel arbitrage te verwijzen. Een band met de overeenkomst is, zoals hiervoor met betrekking tot de forumkeuzes overwogen, en zoals ook volgt uit de bewoordingen van de forumkeuzes en de arbitragebedingen, vereist. Anders dan Akzo c.s. betogen, is naar het oordeel van de rechtbank de reikwijdte van de forumkeuze- en arbitragebedingen niet zo ruim dat deze ook (vorderingen uit hoofde van) mededingingsrechtelijke inbreuken, zoals aan de vordering jegens Akzo c.s. in de hoofdzaak ten grondslag zijn gelegd, bestrijken. De mededingingsrechtelijke inbreuken hielden, zo stelt CDC onder verwijzing naar de beschikking, in dat Eka en Kemira de natriumchloraatmarkt hebben vervalst doordat zij hebben deelgenomen aan een kartel met het oog op de verdeling van de natriumchloraatmarkt door verkoopvolumes toe te wijzen en de prijzen van het product op de EER-markt vast te stellen en/of in stand te houden. De deelnemers aan het kartel zouden volgens CDC ook informatie hebben uitgewisseld om de tenuitvoerlegging van de afspraken te vergemakkelijken en/of te controleren en hadden een strategie die erin bestond de natriumchloraatmarkt te stabiliseren, om uiteindelijk de verkoopvolumes voor natriumchloraat onder elkaar te kunnen verdelen, het prijsbeleid ten opzichte van de klanten te coördineren en zo de marges te maximaliseren. Voorshands uitgaande van de juistheid van dit verwijt, dat door CDC aan de hand van de beschikking voorshands voldoende is toegelicht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat Eka en Kemira, gelet op de tekst van de bedingen en de zakelijke ervaring die zij en hun afnemers hebben, redelijkerwijs uit de bedingen hebben mogen afleiden dat geschillen over dit verwijt aan het gekozen forum dan wel aan arbitrage moeten worden onderworpen. Eka en Kemira hebben immers redelijkerwijs uit de bedingen niet mogen afleiden dat dergelijke verwijten voortvloeien uit of verband houden met de overeenkomsten. De afnemers behoefden voorshands redelijkerwijs, gelet op de tekst van de bedingen, niet erop bedacht te zijn dat geschillen over een dergelijk (heimelijk) handelen van hun leveranciers in het gekozen forum of in arbitrage zouden moeten worden beslecht. Relevante concrete uitlatingen of gedragingen, anders dan de tekst van de bedingen, zijn niet gesteld.

2.23.

Akzo c.s. brengen hiertegen in dat dergelijke bedingen naar toepasselijk recht geacht worden te strekken tot beslechting van alle geschillen tussen partijen in verband met de overeenkomsten, ongeacht de rechtsgrond (overeenkomst, onrechtmatige daad, bedrog) of de strekking (hoofdelijke verbondenheid) van de vordering, met inbegrip van geschillen waaraan partijen bij het aangaan van het beding niet hebben gedacht of waarop zij op dat tijdstip niet bedacht behoefden te zijn. Dergelijke bedingen hebben in Zweden, Finland en Noorwegen een zeer ruime strekking en zijn ook bedoeld voor geschillen die indirect ('more vaguely') verband houden met de zaken die partijen met elkaar hebben gedaan, aldus Akzo c.s. De door Akzo c.s. overgelegde rechtsgeleerde opinies over het toepasselijke Zweedse, Finse en Noorse recht bevestigen het standpunt van Akzo c.s. Akzo c.s. verbinden echter, naar het oordeel van de rechtbank voorshands, ten onrechte aan dit standpunt de conclusie dat de rechtbank onbevoegd is van de vorderingen van CDC kennis te nemen. CDC maakt Akzo c.s. immers een verwijt van marktvervalsing, zoals hiervoor geschetst, dat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet in verband staat met de overeenkomsten of de daaruit voortvloeiende leveringen. Volgens de genoemde rechtsgeleerde opinies geldt dat alleen geschillen die (indirect) in verband staan met een bepaalde overeenkomst, waarin het beding is opgenomen, aan het gekozen forum dan wel arbitrage worden onderworpen. Akzo c.s. hebben voorshands onvoldoende ingebracht tegen de stellingen van CDC dat de afnemers die bij Eka en Kemira natriumchloraat hebben gekocht, indien zij dit niet bij Eka of Kemira zouden hebben gekocht, hetzelfde product tegen dezelfde prijs (de algemeen geldende, door de marktvervalsing bepaalde marktprijs destijds) zouden hebben gekocht bij een andere leverancier en dat hun schade, waarvan zij thans van Akzo c.s. vergoeding vorderen, ook de schade behelst die zij hebben geleden doordat zij bij andere leveranciers (ook buiten het kartel) gedurende de instandhouding van het kartel steeds een te hoge prijs hebben betaald. Uit de voorshands voldoende onderbouwde toelichting van CDC is af te leiden dat onder deze omstandigheden de identiteit van de verkoper/leverancier onbelangrijk is, evenals ingeval van ter beurze verhandelde goederen. Het argument van Akzo c.s., dat de vorderingen van CDC (in feite: de afnemers) in de hoofdzaak, direct of indirect, verband houden met de met de afnemers overeengekomen leveringen (alleen al omdat de afnemers zonder de leveringsrelaties geen afnemer zouden zijn), baat hen dan ook voorshands niet. Ook het beroep van Akzo c.s. op een uitspraak van Zweedse Hoge Raad (NJA 2008, s 120) is tegen deze achtergrond ongegrond. Het oordeel van de rechtbank op dit punt zou anders kunnen luiden indien voldoende zou zijn toegelicht dat de leveringscontracten bij de beoordeling in de hoofdzaak van wezenlijk belang zouden zijn, maar een dergelijke toelichting is niet aangereikt.

2.24.

De vraag of Akzo zich kan beroepen op de bedingen waarbij Eka partij is, kan gelet op het voorgaande verder onbesproken blijven. Dit geldt ook voor het debat tussen partijen over de vragen of tussen Eka en afnemer Norske Skog (Sodra Cell) een geldig forumkeuzebeding tot stand is gekomen en of de bedingen, gelet op het Europese doeltreffendheidsbeginsel, toelaatbaar zijn. Het bewijsaanbod van Akzo en Eka betreft de geldigheid en de formulering van de forumkeuze- en arbitragebedingen en is daarom, gelet op het voorgaande, niet van belang voor de beslissing.

2.25.

De stellingen van Akzo c.s. over het business model van CDC - het opkopen en geldend maken van vorderingen - zijn niet relevant voor de beslissing in het incident en kunnen verder onbesproken blijven.

2.26.

De slotconclusie in de bevoegdheidsincidenten is dat de rechtbank ten aanzien van Akzo c.s. rechtsmacht heeft en bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak.

in de (voorwaardelijke) vrijwaringsincidenten

2.27.

Akzo en Eka hebben – onder de voorwaarde dat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak – gevorderd dat hen wordt toegestaan in vrijwaring de overige geadresseerden van de beschikking op te roepen:

  1. Finnish Chemicals Oy (thans genaamd: Kemira Chemicals Oy), gevestigd te Helsinki (Finland);

  2. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);

  3. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);

  4. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk);

  5. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);

  6. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje).

2.28.

Kemira heeft – onder de voorwaarde dat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak – gevorderd dat haar wordt toegestaan de overige geadresseerden van de beschikking in vrijwaring op te roepen. Naar de rechtbank begrijpt gaat het hierbij om:

  1. Akzo;

  2. Eka;

3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);

4. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);

5. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje);

6. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);

7. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk).

2.29.

Akzo, Eka en Kemira hebben – kort gezegd – aan hun vordering tot oproeping in vrijwaring ten grondslag gelegd, dat – gelet op de door CDC gestelde hoofdelijkheid en indien zij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan CDC – zij ieder een bijdrage kunnen vorderen van de overige geadresseerden van de beschikking. Akzo, Eka en Kemira stellen om die reden belang te hebben bij oproeping van de andere geadresseerden van de beschikking.

2.30.

CDC heeft zich gerefereerd.

2.31.

De voorwaarde waaronder het vrijwaringsincident is opgeworpen is vervuld. Vastgesteld wordt dat Akzo, Eka en Kemira voldoende onderbouwd hebben gesteld, dat voor de in vrijwaring op te roepen partijen jegens hen een verplichting bestaat om de nadelige gevolgen van een veroordeling van Akzo, Eka respectievelijk Kemira in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Akzo, Eka en Kemira zullen derhalve worden toegestaan de door hen genoemde partijen in vrijwaring op te roepen.

in het (voorwaardelijke) voegingsincident (artikel 222 lid 1 Rv)

2.32.

Kemira heeft verder – naar de rechtbank begrijpt, onder de voorwaarde dat de rechtbank zich op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo bevoegd acht – gevorderd de voor deze rechtbank aanhangige vrijwaringsprocedure tussen haar en Erikem Luxembourg SA (rolnummer 2011/2565) te voegen met de hoofdzaak. Kemira heeft hiertoe gesteld dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak tegen Erikem Luxembourg SA met elkaar zijn verknocht. CDC heeft zich gerefereerd.

2.33.

De voorwaarde waaronder het voegingsincident is opgeworpen is vervuld.
Kemira heeft voldoende onderbouwd gesteld dat de procedure tussen haar en Erikem Luxembourg SA (bij de rechtbank bekend onder rolnummer 2011/2565) verknocht is met de procedure in de hoofdzaak. De vordering tot voeging zal derhalve worden toegewezen.

in het (voorwaardelijke) incident ex artikel 118 Rv

2.34.

Akzo en Eka hebben gevorderd dat hen wordt toegestaan om, op de voet van artikel 118 Rv, de hiervoor vermelde overige geadresseerden van de beschikking in de hoofdzaak op te roepen. In dit verband stellen zij – in de kern – dat, indien hen dit niet wordt toegestaan, zij onnodig worden belemmerd in hun verweer tegen de vorderingen van CDC. Volgens Akzo en Eka zouden zij zich dan mogelijk moeten verweren tegen schadetoebrengende handelingen die uitsluitend of voornamelijk door derden zijn gepleegd, zonder voldoende informatie te hebben over de handelwijze van die derden.

2.35.

Bij de beoordeling van de vordering wordt vooropgesteld dat het CDC vrij staat (behoudens misbruik van recht) om een vordering in te stellen tegen die partijen die zij in rechte wenst te betrekken. Op dat uitgangspunt vormt artikel 118 Rv een (beperkte) uitzondering. Artikel 118 Rv heeft alleen betrekking op gevallen waar derden in het geding moeten worden betrokken omdat zodanige deelname rechtens vereist is. Zodanige deelname is rechtens vereist indien (i) de wet dat voorschrijft, (ii) sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en (iii) het geschil de belangen van derden mede raakt en daarover niet zinvol kan worden beslist zonder tevens hun positie daarin te betrekken. Tot deze laatste categorie behoort de situatie dat een rechterlijke beslissing praktisch onuitvoerbaar zou worden doordat een of meer betrokkenen bij de rechtsverhouding in geding niet als partij aan de procedure hebben deelgenomen en dus niet aan de daarin gewezen beslissing zijn gebonden.

De enkele door Akzo en Eka gestelde omstandigheid dat een beslissing in de hoofdzaak de basis zal vormen van een door Akzo en Eka in te stellen vrijwaringszaak tegen de mede-geadresseerden van de beschikking is, ook in samenhang met de mogelijkheid dat Akzo en Eka bij het presenteren van hun verweer in de hoofdzaak minder informatie zullen hebben dan zij zouden hebben ingeval van deelname van derden aan het geding, onvoldoende voor het oordeel dat deelname van die derden rechtens vereist is. Ook zonder deelname van de mede-geadresseerden van de beschikking aan de hoofdzaak kan immers een oordeel worden gegeven over de vraag of Akzo c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door CDC gestelde schade. Mocht in de hoofdzaak blijken dat – zoals Akzo en Eka naar voren hebben gebracht – Akzo en Eka verweer moeten voeren met betrekking tot handelingen die uitsluitend dan wel voornamelijk door derden hebben plaatsgevonden, dan zijn er voldoende procesrechtelijke wegen waarlangs Akzo en Eka alsnog de door hen gewenste informatie kunnen verkrijgen en zal indien nodig de omstandigheid, dat zij die informatie niet hebben, worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of zij hun verweren voldoende hebben toegelicht.

2.36.

De vordering tot oproeping van de mede-geadresseerden van de beschikking in de hoofdzaak zal daarom worden afgewezen.

in de incidenten

2.37.

Hetgeen partijen verder nog in de verschillende incidenten naar voren hebben gebracht, behoeft – gelet op hetgeen in de incidenten is geoordeeld – geen beoordeling meer.

in de hoofdzaak

2.38.

Akzo en Eka hebben verzocht de hoofdzaak aan te houden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van een prejudiciële vraag van een Duitse rechter over de toepasselijkheid van artikel 6 lid 1 EEX-Vo in een zaak over – kort gezegd – een claim tot schadevergoeding wegens een door de Europese Commissie vastgestelde mededingingsrechtelijke inbreuk. Naar het oordeel van de rechtbank is het antwoord van het Hof van Justitie op deze vraag niet noodzakelijk voor de beslissing in het bevoegdheidsincident. Verder is niets gesteld waaruit volgt dat op korte termijn een uitspraak op de prejudiciële vraag te verwachten is, te meer nu de prejudiciële vraag volgens de onweersproken stelling van Akzo en Eka eerst bij tussenvonnis van 29 april 2013 aan het Hof van Justitie is voorgelegd. Het verzoek tot aanhouding van de hoofdzaak zal daarom worden afgewezen.

in de incidenten

2.39.

Gelet op de belangen van partijen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om – in afwijking van de hoofdregel dat slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen (artikel 337 lid 2 Rv) – partijen toe te staan van dit vonnis tussentijds hoger beroep in te stellen.

2.40.

Akzo c.s. zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de incidenten, tot op heden aan de zijde van CDC begroot op EUR 1.130,-- (2,5 punt x tarief EUR 452,--).

3 De beslissing

De rechtbank

in de bevoegdheidsincidenten

3.1.

wijst het gevorderde af en verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak;

in de (voorwaardelijke) vrijwaringsincidenten

3.2.

staat toe dat Akzo en Eka

1. Kemira Chemicals Oy, gevestigd te Helsinki (Finland);

2. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);

3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);

4. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk);

5. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);

6. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje),

in vrijwaring oproepen tegen 30 juli 2014;

3.3.

staat toe dat Kemira

1. Akzo;

2. Eka;

3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg)

4. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);

5. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje);

6. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);

7. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),

in vrijwaring oproept tegen 30 juli 2014;

in het (voorwaardelijke) voegingsincident

3.4.

voegt de hoofdzaak met de bij de rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer 501013 / HA ZA 11-2565;

in het (voorwaardelijke) incident ex artikel 118 Rv

3.5.

wijst de vordering af;

verder in de incidenten

3.6.

veroordeelt Akzo c.s. hoofdelijk in de kosten van de incidenten, tot op heden aan de zijde van CDC begroot op EUR 1.130,--;

3.7.

stelt hoger beroep tegen dit vonnis open;

in de hoofdzaak

3.8.

verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2014 voor conclusie van antwoord;

3.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, voorzitter, en mrs. M.E.M. James-Pater en K.M. van Hassel, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.

Dit vonnis is bij ontstentenis van de

voorzitter ondertekend door de

oudste rechter.