Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
CV 12-29085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, partijen komen onderling overeen ontslagvergoeding, vergoeding concurrentiebeding en uitbetaling restant bonus. Op verzoek van werknemer wordt totale bedrag in vaststellingsovereenkomst opgenomen als zijnde ontslagvergoeding. Werknemer verlangt uitbetaling gehele brutobedrag op speciale spaarrekening. Werkgever is over deelbedrag verplicht loonbelasting in te houden. Werknemer vordert vergoeding van schade doordat werkgever in strijd met vaststellingsovereenkomst niet gehele bedrag aan werknemer heeft uitgekeerd. Uitleg vaststellingsovereenkomst aan de hand van Haviltex norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/89
AR-Updates.nl 2014-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

Rolnummer: CV 12-29085

Vonnis van: 23 januari 2014

F.no.: 497

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.C. Frissart-Kallenbach

t e g e n

[gedaagde]

gevestigd te [plaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. C.E. Stratenus

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op de dagvaarding van 13 september 2012 met producties heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord met producties gereageerd. Bij instructievonnis van 6 november 2012 is besloten tot schriftelijk voortprocederen, waarna de volgende processtukken zijn genomen:

  • -

    namens [eiser] een conclusie van repliek tevens houdende een vermeerdering van eis met productie;

  • -

    namens [gedaagde] de conclusie van dupliek met productie;

  • -

    namens [eiser] een akte houdende uitlating productie tevens houdende overlegging van een productie;

  • -

    namens [gedaagde] een akte houdende uitlating productie.

De zaak staat voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

  1. De thans [leeftijd] (geboren op [geboortedatum]) [eiser] is op [datum] op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst bij de vennootschap onder firma “[bedrijf]” als [functie] in dienst getreden.

  2. [eiser] treedt bij schriftelijke arbeidsovereenkomst van [datum] met ingang van [datum]als [functie] in dienst bij [gedaagde].

  3. [eiser] is een van de certificaathouders van de stichting [stichting] Op 19 februari 2008 wordt daartoe de Certificatenhoudersovereenkomst getekend. [eiser] is één van de ondertekenaars.

  4. [gedaagde] deelt [eiser] bij brief van 25 januari 2011 mede dat over het jaar 2010 aan hem € 126.000,00 aan bonus wordt toegekend. Overeenkomstig de daarvoor geldende regeling is de helft van dit bedrag aan [eiser] uitbetaald in februari 2011 en wordt de andere helft van het bedrag (€ 63.000,00) in het daarop volgende jaar, in dit geval 2012, uitbetaald.

  5. In de periode vanaf medio mei 2011 t/m medio juli 2011 onderhandelen [eiser] en [gedaagde] over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De onderhandelingen vinden mede plaatst aan de hand van een concept beëindigingsovereenkomst (“termination-agreement”).

  6. Bij e-mail van 7 juli 2011 reageert [eiser] op de toegezonden concept beëindigingsovereenkomst als volgt:

In de voorgestelde termination-agreement gaat [gedaagde] in 2012 bedragen aan mij uitkeren:

- artikel 5: bonus 2010 van 63k en

- artikel 6: non-compete van 18k

Zoals ik al aan heb gegeven ga ik een uitkering aanvragen bij het UWV, omdat ik door mijn concurrentiebeding niet snel een geschikte baan zal kunnen vinden. Net is mij duidelijk gemaakt dat indien deze bedragen in 2012 uitgekeerd worden, deze gekort zullen worden op mijn uitkering van het UWV.

Ik wil nogmaals benadrukken dat ook ik de zaak snel wil afronden, en daarom wil ik jullie vragen of het mogelijk is dat deze 2 bedragen samen met de severance payment voor 30 september 2011 als totale ontslagvergoeding in een stamrecht BV of op een andere manier, zoals jullie prefereren, aan mij uitgekeerd kunnen worden.

[gedaagde] bericht [eiser] bij e-mail van 8 juli 2011 dat zijn voorstel intern is besproken en dat [gedaagde] “are comfortable accelerating your payments to fall in fiscal year 2011”. [eiser] antwoordt een uur later bij e-mail:

Allereerst bedankt dat alle uitkeringen in 2011 kunnen plaatsvinden.

Ik heb as maandag een afspraak bij de bank om te checken of de omschrijvingen in de termination agreement voldoen, zodat de totale vergoeding van 90k (63+18+9) voor een stamrecht BV of iets dergelijks aangewend kan worden.

[eiser] bericht bij e-mail van 12 juli 2011 dat hij daags daarvoor bij de Rabobank is geweest en dat hem is geadviseerd

de totale vergoeding van 90k (63+18+9) die zoals afgesproken 2 weken na de beëindigingsdatum wordt overgemaakt, in de termination agreement als ontslagvergoeding te betitelen; op deze manier kan ik het hele bedrag aanwenden voor een stamrecht-toepassing.

Kunnen jullie de overeenkomst hiervoor aanpassen en mij opsturen, zodat ik deze zo spoedig mogelijk getekend kan retourneren.

  1. Op 12 juli 2011 ondertekenen [eiser] en [gedaagde] de Engelstalige beëindigingsovereenkomst (“Termination Agreement”). In deze beëindigingsovereenkomst is overeengekomen dat het dienstverband met [eiser] op [datum] eindigt. [eiser] wordt tot het einde van de arbeidsovereenkomst vrijgesteld van werkzaamheden, waarbij [eiser] geacht wordt alle vakantiedagen te hebben opgenomen. Aan [eiser] wordt vanaf juli 2011 tot het einde van het dienstverband een bedrag van € 3.000,00 bruto per maand betaald.

  2. Voorts is in de beëindigingsovereenkomst de navolgende regeling opgenomen over de ontslagvergoeding en de bonus:

4.

Employee will receive a severance payment (ontslagvergoeding) in the amount of € 90.000 (in words: ninety thousand euro) (the “Severance Payment”). Employer will cooperate in paying out the Severance Payment in the manner indicated by Employee, subject to applicable law and regulation, within 2 weeks from the Termination Date.

5.

Employee is not entitled to a bonus payment.

……..

14.

All amounts referred to herein are gross and shall be subject to applicable tax withholding and deduction, or as otherwise agreed by the tax authorities making use of fiscal regimes.

k. Aan het slot van de beëindigingsovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

12.

Insofar as necessary parties explicitly waive the right to invoke error in respect of this agreement and/or to dissolve this agreement or to have it dissolved.

13.

After execution of the above parties shall grant each other full discharge in respect of the employment contract and its termination and declare that they have no longer anything to claim from one another. ………

All amounts referred to herein are gross and shall be subject to applicable tax withholding and deduction, or as otherwise agreed by the tax authorities making use of fiscal regimes.

15.

This agreement is an agreement determining the legal relationship between parties, as referred to in Article 7:900 of the Dutch Civil Code.

De Rabobank brengt bij brief van 29 augustus 2011 aan [eiser] een offerte uit voor een zogeheten Rabo GoudenHanddrukSparen rekening. In de offerte wordt tot uitgangspunt genomen dat eenmalig op 30 september 2011 € 90.000,00 wordt ingelegd.

In verband met de Rabo GoudenHanddrukSparen rekening verzoekt Rabobank [gedaagde] bij brief van 14 september 2011 de toegezonden “verklaring ontslagvergoeding door de (ex-)werkgever” te ondertekenen. Op 16 september 2011 ondertekent [gedaagde] de toegezonden verklaring.

[eiser] vraagt [gedaagde] bij e-mail van 28 september 2011 wanneer het bedrag van de “severance payment” op de GoudenHanddrukSparen rekening wordt overgemaakt. [gedaagde] antwoordt bij e-mail van 4 oktober 2011 dat het deel van de “severance payment” dat betrekking heeft op de tweede helft bonus over 2010 om fiscale redenen niet als ontslagvergoeding kan worden overgemaakt. In de e-mail merkt [gedaagde] daarover onder meer op:

[naam] and I said yes to your proposal to rename all payments as “severance” a bit too quickly, not being fiscalists, and when we were preparing to pay it out we were stopped, as the bonus component cannot be considered severance granted upon termination. I’ve since discussed this issue at length with a fiscal advisor, and I’m sorry to say I’ve been advised there is apparently no way around this, as the bonus instalment was already codified in our 2010 accounts as income earned by you during the employment period.

[eiser] antwoordt bij e-mail 5 oktober 2011 dat hij nakoming van de in de beëindigingsovereenkomst gemaakte afspraken verlangt “tenzij jullie een andere oplossing hebben”. Bij e-mail van 7 oktober 2011 vraagt [gedaagde] aan [eiser] of het bedrag van € 27.000,00 die dag op de GoudenHanddrukSparen rekening kan worden overgemaakt en wordt [eiser] gevraagd op welke bankrekening het bedrag van € 63.000,00 bruto aan bonus moet worden uitbetaald. [eiser] antwoordt diezelfde dag bij e-mail dat hij bij zijn verlangen blijft dat [gedaagde] de beëindigingsovereenkomst nakomt en bereid is aan een andere oplossing mee te werken “mits het netto-effect voor mij hetzelfde blijft”. Hierop volgt nog enige e-mailwisseling waarbij [gedaagde] onder meer het voorstel doet de ontbindingsvergoeding met € 10.000,00 te verhogen. Dit schikkingsvoorstel wordt door [eiser] afgewezen. Vervolgens volharden, ook na bijstand van gemachtigden, beide partijen in hun standpunten.

De Belastingdienst bericht [gedaagde] bij brief van 29 november 2011 onder meer als volgt:

Naar aanleiding van uw schriftelijk verzoek van 8 november 2011 bevestig ik hierbij dat het niet is toegestaan de tweede helft van de bonus over 2010 ad € 63.000 aan te merken als ontslagvergoeding en te storten in een stamrechtconstructie.

De stamrechtvrijstelling in de loonbelasting kan worden toegepast indien er sprake is van een uitkering wegens gederfd of te derven loon. Het gedeelte van de ontslagvergoeding dat bestaat uit een beloning voor in concreto verrichte werkzaamheden en/of vergoedingen voor overige zaken zoals tantième, bonus, vakantiegeld etc. dient op de gebruikelijke wijze in de loonheffingen te worden betrokken.

Op enig moment heeft [gedaagde] de restantbonus over 2010 van € 63.000,00 bruto aan [eiser] betaald door op dat bedrag € 32.760,00 aan loonbelasting in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst en het restantbedrag van € 30.240,00 over te maken op de privé bankrekening van [eiser].

vordering

2.

[eiser] vordert na wijziging van eis dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van:

  1. primair: € 37.676,64 zijnde de werkelijk geleden schade en te betalen op de GoudenHanddrukSparen rekening van [eiser];

  2. subsidiair: voor het geval het bedrag aan schade niet alsnog gestort kan worden op de GoudenHanddrukSparen rekening, € 78.492,99, zijnde de geleden schade;

  3. de wettelijke rente over het onder sub a, althans sub b, gevorderde bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid zijnde 14 oktober 2011, althans vanaf de datum van de dagvaarding zijnde 13 september 2012, tot aan de dag van algehele voldoening;

  4. € 998,32 excl. btw wegens buitengerechtelijke incassokosten;

  5. de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

Ter onderbouwing van deze vordering voert [eiser] samengevat het navolgende aan.

3.

[eiser] is ten gevolge van een overgang van onderneming in dienst gekomen van [gedaagde]. Eerst na de overgang van onderneming heeft hij een beëindigingsovereenkomst met zijn oude werkgever [bedrijf] getekend. [eiser] had aandelen van [bedrijf], die na de overgang zijn omgezet in 1,2% van de certificaten van aandelen in [gedaagde].

4.

De medio mei 2011 gedane mededeling van [gedaagde] dat hij disfunctioneerde, kwam voor [eiser] als een volslagen verrassing. [eiser] betwist dat hij disfunctioneerde. [gedaagde] heeft dat disfunctioneren ook niet onderbouwd. Uit realiteitszin is [eiser] met [gedaagde] in onderhandeling getreden over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een verkoop van zijn certificaten van aandelen in [gedaagde].

5.

Over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is uiteindelijk op 12 juli 2011 overeenstemming bereikt. Op 12 juli 2011 heeft [eiser] zijn instemming met de beëindigingsovereenkomst gegeven nadat hij van de Rabobank de suggestie kreeg om het bedrag van € 90.000,00 in zijn totaliteit op een GoudenHanddrukSparen rekening te zetten met alle voordelen van dien.

[eiser] stelt dat voor een goed begrip van het bedrag van € 90.000,00 aan ontslagvergoeding gerealiseerd dient te worden dat als [eiser] het tot een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter had laten aankomen naar zijn inschatting aan hem een ontbindingsvergoeding op basis van een neutrale factor van € 455.093,00 bruto zou zijn toegekend.

Voorts wijst [eiser] erop dat de beëindigingsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 e.v. BW is. In de beëindigingsovereenkomst heeft [gedaagde] zich jegens [eiser] verplicht een ontbindingsvergoeding van € 90.000,00 bruto te betalen. [gedaagde] schiet ondanks aanmaning in deze betalingsverplichting tekort. [gedaagde] heeft de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

6.

Eerst (geruime tijd) na de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de ontslagvergoeding van € 90.000,00 bruto moet worden gesplitst in € 27.000,00 bruto en € 63.000,00 bruto. Het bedrag van € 27.000,00 bruto kan en is (uiteindelijk) rechtstreeks op de GoudenHanddrukSparen rekening gestort. Het bedrag van € 63.000,00 bruto merkt [gedaagde] aan als de restantbonus over 2010 waarop zij fiscale bedragen heeft ingehouden. [gedaagde] is niet bereid gebleken het bedrag van € 63.000,00 bruto zonder enige inhouding over te maken op de GoudenHanddrukSparen rekening.

[eiser] stelt dat [gedaagde] de ontslagvergoeding ten onrechte splitst in twee bedragen, waaronder het bedrag van € 63.000,00 bruto als restantbonus. [eiser] heeft in artikel 5 van de beëindigingsovereenkomst uitdrukkelijk afstand van de bonus gedaan, waaronder de restantbonus over 2010.

7.

Voorzover [gedaagde] jegens de Belastingdienst gehouden is op het bedrag van € 63.000,00 bruto fiscale bedragen in te houden, komt dit volgens [eiser] voor rekening en risico van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de tekst van de beëindigingsovereenkomst opgesteld, de jurist van [gedaagde] was bij het opstellen van die tekst betrokken, [gedaagde] had alle gelegenheid om zich over de fiscale gevolgen van de beëindigingsovereenkomst voor te laten lichten en [eiser] wist niet dat de restantbonus van € 63.000,00 over 2010 al in de financiële stukken van [gedaagde] was verwerkt. Voorts heeft [eiser] zich voor de beëindigingsovereenkomst niet door een juridisch adviseur laten bijstaan. Hij heeft alleen deskundige hulp ingeroepen bij de onderhandelingen over de verkoop van zijn certificaten van aandelen in [gedaagde].

8.

Bij de berekening van zijn schade is [eiser] onder meer van de volgende uitgangspunten uitgegaan. De GoudenHanddrukSparen rekening valt in box 1, zodat over het saldo en de aangroei van dat saldo geen vermogensbelasting behoeft te worden betaald. Pas bij uitkering heeft [eiser] belasting te betalen. [eiser] verwacht dat hij alsdan alleen een AOW uitkering heeft, zodat de uitkering uit de GoudenHanddrukSparen rekening in het laagste belastingtarief van 15,2% zal vallen. Verder heeft [eiser] zijn schade berekend aan de hand van de met de Rabobank overeengekomen rente van 4,6%. Dit leidt tot een bedrag van € 37.676,64 als dat bedrag nog op de GoudenHanddrukSparen rekening kan worden gestort. Als dat niet meer mogelijk is, is zijn schade € 78.492,99.

verweer

9.

[gedaagde] verweert zich tegen de vordering. [gedaagde] stelt dat op 1 februari 2005 een nieuwe arbeidsovereenkomst met [eiser] tot stand is gekomen. Voorafgaande aan de fusie met [bedrijf] zijn voor alle werknemers pro forma ontbindingsprocedures gevoerd, waarbij de arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd onder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Dit is ook in het geval van [eiser] gebeurd. Van een overgang van onderneming, waarbij de personeelsleden zijn overgegaan, is derhalve geen sprake geweest.

10.

[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst met [eiser] wegens disfunctioneren beëindigd. [gedaagde] verwijt [eiser] met name dat hij regelmatig als handelaar strikte instructies en protocollen niet opvolgde waardoor hij niet geautoriseerde posities innam met grote financiële risico’s die niet waren afgedekt.

11.

In het kader van de beëindiging van de rechtsverhoudingen tussen [eiser] en [gedaagde] is onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de koop van de aan [eiser] toebehorende certificaten van aandelen (depositary receipts) in [gedaagde]. In de onderhandeling over beide onderwerpen is mede op basis van fiscale overwegingen er voor gekozen om een beperkte ontslagvergoeding toe te kennen en een ruimhartige regeling over de verkoop van de certificaten van aandelen te treffen. De beide overeenkomsten zijn op 12 juli 2011 getekend.

In afwijking van de certificatenhoudersovereenkomst is met [eiser] overeengekomen dat hij op 30 juni 2013 50% van zijn certificaten verkoopt en een jaar later op 30 juni 2014 de resterende 50%. Hierdoor kan [eiser] nog profiteren van dividenduitkeringen, hetgeen in 2012 heeft geleid tot een dividenduitkering van € 234.000,00.

In het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is met [eiser] overeengekomen dat hij € 9.000,00 bruto aan ontslagvergoeding ontvangt, een vergoeding van € 18.000,00 (6 maanden x € 3.000,00) bruto krijgt wegens zijn gebondenheid aan het concurrentiebeding en dat aan hem nog € 63.000,00 bruto aan restantbonus over 2010 wordt uitgekeerd in 2011 in plaats van 2012. Aldus uitgesplitst zijn deze drie bedragen in de concept-overeenkomsten op 6/7 juli 2011 opgenomen en aan [eiser] toegezonden. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij wilde onderzoeken of hij die drie bedragen in een stamrechtconstructie kon storten. [eiser] had daarbij bijstand van de Rabobank en een juridisch adviseur. Nadat [eiser] [gedaagde] op 12 juli 2011 bij e-mail berichtte dat deze constructie mogelijk was, heeft [gedaagde] daaraan meegewerkt en de tekst van de beëindigingsovereenkomst daarop aangepast.

12.

In oktober 2011 is [gedaagde] gebleken dat het deel van de beëindigingsvergoeding dat betrekking heeft op de restantbonus over 2010 niet op de GoudenHanddrukSparen rekening kan worden gestort. De bonus over 2010 stond bij [gedaagde] op de balans en de jaarrekening 2010 gereserveerd, waarbij het bedrag op een aparte bankrekening was geparkeerd. [gedaagde] is daardoor gehouden dit bedrag aan [eiser] uit te keren en heeft op grond van de fiscale regelgeving loonbelasting in te houden. Uiteindelijk heeft [gedaagde] dit ook gedaan, zodat het nettobedrag van € 30.240,00 naar de privérekening van [eiser] is overgemaakt. [gedaagde] heeft daarmee correct gehandeld. Als [gedaagde] in strijd met de fiscale regelgeving het brutobedrag op de GoudenHanddrukSparen rekening had overgemaakt, zou zij daarmee een strafbaar feit hebben gepleegd en zou [eiser] een naheffing en/of een fiscale boete hebben gekregen. [eiser], althans zijn juridisch adviseur, had moeten weten dat het benoemen van de bonus over 2010 tot ontslagvergoeding volgens de fiscale belastingwetten niet kan.

13.

[gedaagde] stelt dat zij de beëindigingsovereenkomst op correcte wijze is nagekomen. In de beëindigingsovereenkomst is nadrukkelijk bepaald dat de fiscale wetgeving in acht moet worden genomen. [gedaagde] heeft dat gedaan.

14.

Voorzover [gedaagde] op grond van de beëindigingsovereenkomst gehouden is € 90.000,00 bruto aan [eiser] te betalen door overmaking van dat bedrag op de GoudenHanddrukSparen rekening, is die verplichting in strijd met de fiscale wetgeving en daarmee op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig. Deze nietige afspraak wordt op grond van artikel 3:42 BW van rechtswege omgezet in een geldige afspraak. In dit geval betekent dat betaling van het netto bedrag van de restantbonus en afdracht van de loonbelasting.

15.

Voorzover [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade betwist [gedaagde] de hoogte van het gevorderde bedrag. Voor de GoudenHanddrukSparen rekening geldt een uitgestelde belastingplicht. [eiser] zal belasting hebben te betalen als het tot een uitkering komt. De schade van [eiser] bestaat uit de gemiste rente aangroei over het bedrag van € 32.760,00 dat aan de Belastingdienst is afgedragen en niet op de GoudenHanddrukSparen rekening is gestort. [gedaagde] hanteert daarvoor niet de rente van 4,6% die [eiser] met de Rabobank is overeengekomen. Dat percentage geldt alleen voor het inlegbedrag en niet voor de aangroei van het vermogen. Een realistischer – en gezien de huidige rentestand nog steeds hoog – rentepercentage is volgens [gedaagde] 4%. Dit leidt over 20 jaar tot een renteaangroei van € 39.000,00. Als dat bedrag nu wordt uitgekeerd, moet het contant worden gemaakt. Uitgaande van 4% leidt dat tot een bedrag van € 17.800,00 bij uitbetaling in 2012. Vervolgens dient over dit bedrag belasting te worden betaald. Het door [eiser] genoemde percentage van 15,2% acht [gedaagde] niet realistisch. Naar verwacht mag worden zal [eiser] na het bereiken van zijn 65ste jaar meer dan alleen een AOW uitkering genieten. De schade dient derhalve te worden geschat. Volgens [gedaagde] is alsdan een bedrag van € 10.000,00 aan schade een alleszins redelijk bedrag aan te verwachten schade.

beoordeling

16.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] op grond van de beëindigingsovereenkomst gehouden is het volledige bedrag van € 90.000,00 te storten op de door [eiser] geopende GoudenHanddrukSparen rekening.

17.

Voor het beantwoorden van deze vraag dient de beëindigingsovereenkomst te worden uitgelegd. De tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst is een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 e.v. BW. Ook bij de uitleg van een vaststellingsovereenkomst kan niet worden volstaan met louter een taalkundige uitleg van de contractsbepalingen, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht. Vlg. onder meer HR 11-09-2009, LJN: BI5915 (ACS Holding BV vs HTC International BV), HR 29-06-2007, LJN: BA4909 (L’Orange Projecten vs Uni-Invest) en HR 02-04-2004, LJN: AO1948 (Havenga vs Eemsmond).

18.

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd leidt de kantonrechter het navolgende af.

Medio mei 2011 zijn partijen in onderhandeling getreden over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De beëindiging van de arbeidsrelatie met [eiser] brengt tevens met zich mee dat [eiser] zijn certificaten van aandelen in [gedaagde] te koop heeft aan te bieden en dat die certificaten van aandelen op de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst aan [gedaagde] dienen te zijn verkocht en geleverd. In ieder geval voor de verkoop van de certificaten van aandelen in [gedaagde] hield [eiser] ruggespraak met een extern juridisch adviseur. [gedaagde] heeft bij de onderhandelingen haar bedrijfsjurist betrokken.

Partijen hebben over beide documenten, te weten de beëindigingsovereenkomst (“Termination Agreement”) en overeenkomst betreffende de certificaten van aandelen (“Agreement with respect to sale, purchase and transfer”) op 12 juli 2011 ondertekend. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat fiscale overwegingen ertoe hebben geleid voor [eiser] een royale financiële regeling te treffen in de overeenkomst betreffende de certificaten van aandelen en een beperkte financiële regeling in de beëindigingsovereenkomst. Op 7/8 juli 2011 zijn partijen overeengekomen dat aan [eiser] in totaal € 90.000,00 zou worden uitgekeerd, bestaande uit de volgende drie componenten:

  • -

    € 9.000,00 bruto ontslagvergoeding;

  • -

    € 18.000,00 bruto vergoeding in verband met het concurrentiebeding;

  • -

    € 63.000,00 bruto wegens restantbonus over 2010.

Deze drie componenten zijn in de concept-overeenkomsten van 7/8 juli 2011 ook afzonderlijk opgenomen. De betaling van de ontslagvergoeding zou in 2011 worden gedaan, terwijl de bedragen van € 18.000,00 en € 63.000,00 in 2012 zouden worden betaald. [eiser] heeft de hoogte van deze drie componenten aan vergoedingen niet (meer) betwist. Hij verlangde alleen een betaling van alle drie bedragen in 2011 om een korting op zijn uitkering te voorkomen en wenste een voor hem zo gunstig mogelijke fiscale regeling. Nadat [gedaagde] met de betaling van alle drie bedragen in 2011 had ingestemd, heeft hij voor de fiscale gevolgen zelf – zoals aangekondigd in zijn e-mail van 8 juli 2011 aan [gedaagde] - advies ingewonnen bij de Rabobank en daarvan bij e-mail van 12 juli 2011 aan [gedaagde] verslag gedaan. [gedaagde] – waarvan onbetwist is gelaten dat zij geen bijstand van een fiscalist had – heeft op de door [eiser] gegeven informatie vertrouwd en daaraan uitvoering gegeven.

Vervolgens is in de tekst van de beëindigingsovereenkomst opgenomen dat [eiser] een ontslagvergoeding van € 90.000,00 bruto ontvangt en dat hij geen recht (meer) heeft op een bonus. Voorts blijft ook in de definitieve tekst van de beëindigingsovereenkomst staan dat de betaling van € 90.000,00 aan de (fiscale) regelgeving dient te voldoen (de artikelen 4 en 14).

19.

In deze context bezien mochten [eiser] en [gedaagde] redelijkerwijs van elkaar verwachten dat [gedaagde] bereid was de drie afzonderlijke componenten aan vergoedingen - ontslagvergoeding van € 9.000,00 bruto, vergoeding wegens concurrentiebeding van € 18.000,00 bruto en de restantbonus over 2010 van € 63.000,00 bruto – als een totaalbedrag van € 90.000,00 aan ontslagvergoeding aan te merken voorzover zulks volgens de fiscale regelgeving was toegestaan.

20.

Na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst is het [gedaagde] gebleken dat het fiscaal niet is toegestaan de restantbonus over 2010 als ontslagvergoeding te oormerken, zodat [gedaagde] op grond van de wet gehouden is op dat brutobedrag de loonbelasting in te houden. De Belastingdienst heeft dit bevestigd bij brief van 29 november 2011. Vervolgens heeft [gedaagde] het bedrag aan loonbelasting ingehouden en afgedragen en het nettobedrag aan [eiser] overgemaakt.

Hiermee heeft [gedaagde] uitvoering gegeven aan de beëindigingsovereenkomst zoals die in de rechtsverhouding tussen partijen dient te worden uitgelegd.

21.

Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] niet is tekort geschoten in de beëindigingsovereenkomst, zodat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

22.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen, welke wordt begroot op € 1.500,00 wegens salaris gemachtigde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. D.H. de Witte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.