Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2207

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
2035064 \ CV EXPL 13-10689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking. Kassière heeft een verdachtenverklaring en een schuldbekentenis ondertekend.

Kantonrechter oordeelt dat werkgeefster een 18-jarige scholiere, gezien de jeugdige leeftijd en onervarenheid alsmede de afhankelijke positie, ervan behoort te weerhouden een belastende verklaring en een schuldbekentenis te ondertekenen

tenzij de werkgeefster zich ervan heeft verzekerd dat deze verklaring in volle vrijheid wordt afgelegd. De verdachtenverklaring en de schuldbekentenis worden vernietigd op grond van artikel 3:44 BW wegens misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/139
AR-Updates.nl 2014-0381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 2035064 \ CV EXPL 13-10689

vonnis van: 6 maart 2014

fno.: 713

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DBO Finance B.V.,

gevestigd te Hoorn,

eiseres,

nader te noemen DBO,

gemachtigde: mr N. Lubach,

t e g e n

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

nader te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr.drs. A.M. Neijzen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding van 22 april 2013 [met producties];

  • -

    antwoord;

  • -

    instructievonnis van 19 juni 2013;

  • -

    repliek [met producties];

  • -

    dupliek;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1. [gedaagde], destijds 18 jaar oud, heeft van 22 januari 2007 tot en met 23 juni 2007 als kassière en oproepkracht gewerkt in een filiaal van Albert Heijn B.V. (hierna Albert Heijn) in Amsterdam. Daarnaast ging zij naar school.

1.2. Op 23 juni 2007 heeft de filiaalmanager [gedaagde] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst direct werd opgezegd aangezien zij er van werd verdacht voor een bedrag van ten minste € 2.500,- aan gelden van haar werkgever te hebben verduisterd.

1.3. [gedaagde] heeft op 23 juni 2007 een zogenoemde verdachtenverklaring ondertekend. Dit is een voorgedrukt invulformulier, waarop vakjes kunnen worden aangekruist en waarop ruimte is voor een persoonlijke verklaring. In die ruimte is met de hand geschreven:

Ik meerdere keren geld uit de kassalade gehaald en in mijn zak gestopt. Tevens heb ik emballagebonnen aangeslagen en de waarde van die bonnen in mijn zak gestopt.

Daaronder is voorgedrukt:
‘Ik ben bereid de door mij veroorzaakte schade van ten minste …… volledig te vergoeden en daarvoor een terugbetalingsregeling te treffen.’
Achter het Euroteken is met de hand € 2.500,- ingevuld.
Onderaan de verklaring is voorgedrukt:
‘Ik heb deze verklaring geheel vrijwillig afgelegd.’

1.4. Voorts heeft [gedaagde] op 23 juni 2007 een schuldbekentenis ondertekend, waarin zij erkende zich tot een bedrag van € 2.500,- ten koste van haar werkgever te hebben bevoordeeld, welk bedrag zij in maandelijkse termijnen van € 150,- zal betalen aan DBO Corporate Incasso B.V., aan wie Albert Heijn de vordering tot terugbetaling heeft overgedragen. De schuldbekentenis bepaalt in artikel 9. dat [gedaagde] de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten verband houdend met de nakoming van de afbetalingsregeling zal betalen en 1% rente per maand verschuldigd zal zijn vanaf de datum van de schuldbekentenis. [gedaagde] heeft de schuldbekentenis goedgeschreven voor € 2.500,- en een handgeschreven verklaring toegevoegd die luidt:

Ik heb meerdere keren geld uit de kassalade gehaald en in mijn zak gestopt. Tevens heb ik emballagebonnen aangeslagen en de waarde van die bonnen in mijn zak gestopt.

1.5. DBO Corporate Incasso B.V. heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 2 juli 2007, onder vermelding van haar dossiernummer [nummer] en met als onderwerp de bevestiging van een betalingsregeling in zake de schuld aan Albert Heijn, verzocht haar bankrekeningnummer op te geven en in te stemmen met een maandelijkse incasso van € 150,- zoals in de schuldbekentenis genoemd. Daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde] bij brieven van 11 juli 2007 aan Albert Heijn en aan DBO Corporate Incasso B.V. laten weten dat [gedaagde] de vordering betwistte, de bovengenoemde verdachtenverklaring introk en niet tot betaling zou overgaan.

1.6. Bij aangetekende brief van 9 oktober 2007 heeft DBO Corporate Incasso B.V. [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 2.550,- aan hoofdsom en rente voor 12 oktober 2007, onder aanzegging dat de zaak anders aan een incassobureau zou worden overgedragen. Deze brief bevatte hetzelfde dossiernummer als de hiervoor onder 1.5 bedoelde brief van DBO Corporate Incasso B.V. en vermeldde eveneens dat het ging om de schuld aan Albert Heijn.

1.7. De gemachtigde van [gedaagde] en DBO Corporate Incasso B.V. hebben tussen 24 juli 2007 en 14 november 2007 over de vordering gecorrespondeerd. Op 13 november 2007 schreef DBO Corporate Incasso B.V. onder vermelding van haar dossiernummer [nummer]:

(…) Wij zullen wanneer wij binnen 7 dagen na heden niets van u hebben vernomen de procedure onverminderd voortzetten.

1.8. Bij brieven van 15 juni 2009, 6 augustus 2009, 6 oktober 2009, 23 november 2009, 8 december 2009, 22 januari 2010, 1 juli 2010, 15 oktober 2010, 15 februari 2011, 3 maart 2011 en 16 mei 2011 heeft DBO [gedaagde] gesommeerd tot betaling van bedragen die opliepen tot € 4.525,56. In deze brieven is steeds het dossiernummer [nummer] van DBO vermeld, alsmede DBO Corporate Incasso B.V te Hoorn als opdrachtgever en het referentienummer [nummer] van de opdrachtgever.

1.9. Bij brief van 15 juni 2012 aan de gemachtigde van [gedaagde] heeft DBO Incasso B.V. laten weten dat tot dagvaarding zou worden overgegaan indien [gedaagde] niet alsnog een voorstel voor een minnelijke regeling zou doen. Voorts werd de gemachtigde verzocht mede te delen of de dagvaarding aan haar kantoor kon worden betekend, waarop de gemachtigde bij e-mail van 18 juni 2012 ontkennend heeft geantwoord en voorts heeft bericht van kantooradres te zijn veranderd en het dossier reeds jaren geleden te hebben gearchiveerd.

Vordering en verweer

2. DBO vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

a. € 2.500,- aan hoofdsom;
b. € 714,- aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. € 2.362,06 aan rente, berekend tot 22 maart 2013;
d. de proceskosten en de rente daarover vanaf 14 dagen na vonnisdatum.

3. Daartoe stelt DBO dat [gedaagde] voor een totaal van € 2.500,- aan bedragen van haar werkgever heeft weggenomen, hetgeen zij heeft toegegeven. DBO voert aan dat [gedaagde] door middel van de hiervoor onder 1.4 bedoelde schuldbekentenis een verplichting tot terugbetaling op zich heeft genomen, die zij dient na te komen. DBO heeft haar daartoe een betalingsregeling aangeboden, maar [gedaagde] is deze niet nagekomen, hoewel DBO haar bij herhaling ter zake heeft aangemaand.

4. [gedaagde] beroept zich primair op verjaring van de vordering. Daartoe stelt zij dat DBO na 13 november 2007 geen handelingen heeft verricht waardoor de verjaring van de onderhavige vordering is gestuit. Zij heeft de hiervoor onder 1.7 genoemde brieven niet ontvangen en overigens blijkt uit die brieven niet welke vordering deze betreffen, terwijl daarin het recht op nakoming niet ondubbelzinnig is voorbehouden. Subsidiair ontkent zij de beschuldiging en stelt zij niet gehouden te kunnen worden aan de hiervoor onder 1.3 bedoelde verklaring en de onder 1.4 genoemde schuldbekentenis, omdat deze niet de waarheid bevatten en zij deze onder dwang heeft afgelegd.

5. DBO brengt tegen het primaire verweer in dat haar incassobureau DBO Incasso B.V. [gedaagde] onder vermelding van haar dossiernummer op 15 juni 2009 heeft aangeschreven op het adres waar de dagvaarding is betekend, waardoor de loop van de verjaring is gestuit. DBO betwist dat [gedaagde] de brieven niet zou hebben ontvangen en dat de vordering is verjaard. Voorts stelt DBO dat [gedaagde] naar aanleiding van de brieven vele malen telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Ook heeft [gedaagde] gesproken met een buitendienstmedewerker van DBO die haar een aantal malen heeft bezocht. Daarnaast wijst DBO op de hiervoor onder 1.8 bedoelde brief van 15 juni 2012, die de gemachtigde van [gedaagde] heeft ontvangen.

Beoordeling van het primaire verweer

6.

De vordering betreft de nakoming van de terugbetalingsafspraak die is vastgelegd in de schuldbekentenis. De verjaring wordt beheerst door artikel 3:313 BW.

7.

Partijen zijn het er over eens dat de termijn van verjaring van de onderhavige vijf jaar is en is begonnen op 24 juni 2007, de dag nadat [gedaagde] de overeenkomst heeft ondertekend. Evenmin is in geschil dat de hiervoor onder 1.7 bedoelde brief van 13 november 2007 de verjaring heeft gestuit. Als dat de laatste stuitingshandeling is geweest, is de vordering op 14 november 2012 verjaard. Onderzocht dient allereerst te worden of de brief van 15 juni 2009, waarop DBO zich beroept, de loop van de verjaring van de onderhavige vordering heeft gestuit op de voet van artikel 3:317 BW.

8.

Deze vraag wordt voorshands ontkennend beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen. Anders dan DBO aanvoert is de kantonrechter van oordeel dat zonder nadere onderbouwing, die is uitgebleven, niet kan worden gezegd dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat de brief die zij, ruim anderhalf jaar nadat de correspondentie tussen haar gemachtigde en DBO Corporate Incasso B.V was geëindigd, kreeg van DBO Incasso B.V. betrekking had op de harerzijds betwiste beschuldiging van verduistering van de zijde van Albert Heijn. Daarbij blijft in het midden of [gedaagde] de bedoelde brief en de vele herinneringen die daarop zijn gevolgd, heeft ontvangen.

9.

Het voorgaande oordeel zou anders kunnen luiden als DBO, zoals zij heeft aangeboden, zou bewijzen dat en wanneer [gedaagde] telefonisch of in gesprekken met DBO’s buitendienst medewerker kenbaar heeft gemaakt te hebben begrepen dat de brief van 15 juni 2009 de gecedeerde vordering van Albert Heijn betrof. Daarover volgt hierna in rechtsoverweging 21. meer.

10.

Voor het geval DBO heeft bedoeld te stellen dat de verjaring opnieuw is gestuit door de hiervoor onder 1.9 bedoelde brief van 15 juni 2012 aan de gemachtigde van [gedaagde], geldt dat die opvatting niet kan worden gevolgd. Gesteld noch gebleken is immers dat DBO Incasso B.V. er van uit mocht gaan dat mr Neijzen 3 jaar nadat DBO voor het laatst van zich had laten horen nog als gemachtigde van [gedaagde] optrad. DBO is daar kennelijk ook niet van uitgegaan, nu zij de hiervoor onder 1.8 genoemde brieven niet aan de gemachtigde maar aan [gedaagde] zelf heeft gestuurd. De omstandigheid dat [gedaagde] zich na ontvangst van de dagvaarding in april 2013 opnieuw tot mr Neijzen heeft gewend, maakt dit oordeel niet anders.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer.

11.

Om proceseconomische redenen wordt reeds thans ingegaan op het subsidiaire verweer van [gedaagde] dat zij door bedreiging, althans doordat haar werkgever misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden, is gebracht tot ondertekening van de verdachtenverklaring en de schuldbekentenis, hoewel de inhoud daarvan niet juist is. Daaraan verbindt zij de conclusie dat deze rechtshandelingen vernietigbaar zijn op de voet van artikel 3:44 BW.

12.

Volgens [gedaagde] heeft de supermarktmanager, [naam], haar in aanwezigheid van haar collega [naam], op 23 juni 2007 tot haar schrik en ontsteltenis beschuldigd van het wegnemen van geld uit de kassa en het foutief aanslaan van emballagebonnen. Zij was in tranen en heeft de verwijten steeds ontkend, maar daarnaar werd niet geluisterd. De supermarktmanager heeft een bedrag van € 2.500,- in de voorgedrukte verklaringen ingevuld, zelf heeft zij dat bedrag niet genoemd. Door de ondervonden bejegening is zij geheel over haar toeren geraakt. De werkgever heeft haar gedreigd de politie in te schakelen en haar pleegmoeder erbij te betrekken, hetgeen [gedaagde] natuurlijk wilde voorkomen. Onder deze druk is [gedaagde] er uiteindelijk toe gekomen de verdachtenverklaring en de schuldbekentenis te ondertekenen en daaraan zelf de twee laatste regels toe te voegen. [gedaagde] is niet in de gelegenheid gesteld de verklaringen te lezen voordat zij deze ondertekende. Pas nadat ze, thuisgekomen, enigszins was gekalmeerd heeft zij zich tot mr Neijzen gewend, die de verklaringen heeft ingetrokken (zie 1.5).

13.

Daarnaast betwist [gedaagde] de hoogte van de vordering van Albert Heijn. Zij wijst er op
dat haar gemachtigde in de correspondentie met DBO (zie 1.7) heeft verzocht om bewijsstukken, getuigenverklaringen of videobeelden, maar DBO heeft de beschuldiging van verduistering en de omvang daarvan niet onderbouwd.

14.

DBO betwist [gedaagde] te hebben bedreigd, onder druk te hebben gezet of misbruik te hebben gemaakt van de omstandigheden. Uit de verdachtenverklaring blijkt dat deze geheel vrijwillig is afgelegd. Van een wilsgebrek is volgens DBO dan ook geen sprake. Zij stelt dat [gedaagde], na te zijn geconfronteerd met een kastekort en de tegen haar gerezen verdenking, uit vrije wil heeft erkend zich onrechtmatig gelden te hebben toegeëigend. Ook heeft [gedaagde] eigener beweging gezegd dat het een bedrag van € 2.500,- betrof en uit zichzelf te kennen gegeven de veroorzaakte schade te willen vergoeden. Albert Heijn heeft [gedaagde] geïnformeerd over de juridische gevolgen van het ondertekenen van de verdachtenverklaring en de schuldbekentenis. Gezien de vrijwillige verklaring van [gedaagde] was er voor Albert Heijn geen reden om [gedaagde] ervan te weerhouden de genoemde documenten te ondertekenen.

15.

Ten slotte stelt DBO de geconstateerde kasverschillen te kunnen bewijzen, maar zij meent dat dit bewijs irrelevant is, omdat aan de schuldbekentenis en de verdachtenverklaring dwingende bewijskracht toekomt en deze niet vernietigd kunnen worden. Zij baseert de vordering uitdrukkelijk op de overeenkomst die in de schuldbekentenis is vastgelegd.

Beoordeling van het subsidiaire verweer.

16.

Artikel 3:44 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer deze door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. Uit het tweede lid van deze bepaling blijkt dat van bedreiging sprake is indien iemand een ander onrechtmatig beweegt tot het verrichten van een rechtshandeling. Deze bepaling geldt voor iedere rechtshandeling, ongeacht of deze op schrift is gesteld en welke bewijskracht op grond van de artikelen 150 en 156 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering aan zo’n geschrift toekomt. Het verweer dat de schuldigverklaring en de schuldbekentenis niet vernietigd kunnen worden snijdt derhalve geen hout.

17.

De kantonrechter is van oordeel dat een werkgever niet onrechtmatig handelt door een werknemer, die van verduistering wordt verdacht, voor te houden dat inmenging van de politie kan worden voorkomen indien de werknemer een bekentenis aflegt. Zonder nadere toelichting, die is uitgebleven, is niet in te zien waarom van het voornemen van de werkgever om de (pleeg-)ouder van een werknemer in te lichten over een gerezen verdenking, een zodanig nadeel kan uitgaan dat van onrechtmatigheid kan worden gesproken. De verdachtenverklaring en de schuldbekentenis kunnen op de aangevoerde grond van bedreiging niet worden vernietigd.

18.

Uit het vierde lid van artikel 3:44 BW blijkt dat sprake is van misbruik van omstandigheden wanneer Albert Heijn, ofschoon zij [gedaagde] daarvan had moeten weerhouden, heeft bevorderd dat [gedaagde] de genoemde verklaringen ondertekende, terwijl Albert Heijn wist of had moeten begrijpen dat [gedaagde] door een bijzondere omstandigheid, zoals een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, een abnormale geestestoestand of onervarenheid, daartoe werd bewogen.

19.

Naar het oordeel van de kantonrechter behoort de werkgever van een 18-jarige scholiere, die van verduistering wordt verdacht, gezien de jeugdige leeftijd en de onervarenheid van de werkneemster alsmede haar afhankelijke positie, haar ervan te weerhouden een belastende verklaring en een schuldbekentenis te ondertekenen. Dit zou anders kunnen liggen indien de werkgever zich ervan heeft verzekerd dat de werkneemster daartoe in volle vrijheid overgaat, bijvoorbeeld na overleg met een ouder of een andere vertrouwenspersoon, maar daarvan is niet gebleken. De voorgedrukte passage in de verdachtenverklaring ‘Ik heb deze verklaring geheel vrijwillig afgelegd.’ is daarvoor niet voldoende.

20.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verdachtenverklaring en de schuldbekentenis op de voet van artikel 3:44 BW worden vernietigd wegens misbruik van omstandigheden van de zijde van Albert Heijn. Daarmee slaagt het subsidiaire verweer en zal de vordering, voor zover deze niet is verjaard, worden afgewezen.

21.

In het licht van het voorgaande is niet meer van belang of de verjaring al dan niet is ingetreden. Een bewijsopdracht is daarom niet meer aan de orde.

22.

DBO zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.



BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt DBO in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 300,- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. E.D. Bonga-Sigmond, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.