Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ6854

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
C/13/538535 / KG ZA 13-346 HJ/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam oordeelt dat de Staat toestemming moet geven aan de producent van de televisieserie Dokter Tinus om in die televisieserie gebruik te mogen maken van het logo en de andere kenmerken van de politie.

Daarnaast heeft de vereniging van televisieproducenten - kort gezegd - gevorderd dat de Staat nimmer een televisieuitzending vooraf mag toetsen en ook in de toekomst altijd toestemming moet geven voor het gebruik in een dramaserie van het politielogo en de andere kenmerken van de politie. Deze vordering wordt afgewezen. Weliswaar kan op grond van artikel 7 van de Grondwet in de regel worden aangenomen dat de Staat een televisieuitzending niet vooraf mag toetsen, maar niet kan worden uitgesloten dat op deze regel een uitzondering mag worden gemaakt. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. In een kort geding kan hierover geen algemeen oordeel worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/538535 / KG ZA 13-346 HJ/MV

Vonnis in kort geding van 27 maart 2013 en 10 april 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FOUR ONE MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vereniging

VERENIGING VAN ONAFHANKELIJKE TELEVISIEPRODUCENTEN (O.T.P.),

gevestigd te Hilversum,

eiseressen bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 maart 2013,

advocaat mr. R.S. Le Poole te Amsterdam,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer speciaal het MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE,

zetelend te Den Haag,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET INSTITUUT FYSIEKE VEILIGHEID,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagden,

advocaat mr. drs. S.M. Kingma te Den Haag.

Eiseressen zullen hierna ook Four One Media en OTP worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ook de Staat en het IFV worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 27 maart 2013 hebben Four One Media en OTP gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van Four One Media en OTP: [A], [B] en [C] met mr. Le Poole en zijn kantoorgenote mr. A. Bekema.

Aan de zijde van de Staat en het IFV: [D], [E] en [F] met mr. Kingma en zijn kantoorgenote mr. R.S.I. Lawant.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van vordering 1, zoals opgenomen in het petitum van de dagvaarding, heeft de voorzieningenrechter op 27 maart 2013 mondeling vonnis gewezen, waarin deze vordering is toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom (zie hierna onder 5.1 van dit vonnis). De voorzieningenrechter heeft tevens medegedeeld dat bij vonnis van 10 april 2013 wordt beslist over de overige vorderingen (zie hierna onder 5.2 tot en met 5.5 van dit vonnis). In dit vonnis zal tevens de motivering worden opgenomen voor de toewijzing van vordering 1.

2. De feiten

2.1. Four One Media is een televisieproducent. OTP is blijkens haar statuten een vereniging die de belangen behartigt van televisieproducenten in Nederland. Het merendeel van de Nederlandse televisieproducenten, waaronder Four One Media, is aangesloten bij OTP.

2.2. Blijkens productie 1 van Four One Media en OTP is de Staat houder van twee Benelux-beeldmerken (het politielogo en het politielogo vormgegeven in het woord ‘politie’) met de inschrijvingsnummers 0536012 en 0536011. De Staat is tevens auteursrechthebbende ten aanzien van de politiehuisstijl. Onder die huisstijl kan worden begrepen de zogenaamde ‘striping’ op onder meer politieauto’s. Tijdens het pleidooi van de raadsman van de Staat is naar voren gebracht dat de Staat tevens houder is van het Benelux-beeldmerk dat bestaat uit de ‘striping’ (met inschrijvingsnummer 0929424). Een kopie van het inschrijvingsbewijs van dit beeldmerk is niet in het geding gebracht.

2.3. Het IFV is een bij wet van 27 september 2012 opgericht zelfstandig bestuursorgaan. Met ingang van 1 januari 2013 draagt het IFV in opdracht van de Staat zorg voor de handhaving van de onder 2.2 genoemde intellectuele eigendomsrechten. Op de website www.politie.nl is over het IFV onder meer het volgende opgenomen:

Toestemming vragen

Om toestemming te krijgen voor het gebruik van het politielogo en/of de politiestriping kunt u terecht bij het IFV. Het IFV vraagt vervolgens aan de Directie Communicatie van de politie advies over het wel of niet instemmen met het verzoek. Hierbij kijkt de politie naar drie aspecten:

- worden haar taak en bevoegdheden waarheidsgetrouw in beeld gebracht?

- draagt de productie bij aan het imago van de politie?

- bestaat er risico voor de veiligheid van de burger?

Wat heeft u nodig om toestemming te verkrijgen?

Stuur een e-mail met een toelichting op het gewenste gebruik van het politielogo en/of striping aan (…). Voeg hierbij de verhaallijn, het script of andere informatie over de productie, met de nadruk op het aandeel van de politie in de productie (…).

Bericht binnen twee weken

Normaal gesproken laat het IFV u binnen twee weken schriftelijk weten of u wel of geen toestemming krijgt. De toestemming geldt voor een bepaalde periode, met een maximum van een jaar. Bij misbruik van de politiemiddelen en/of imagoschade voor de Nederlandse politie kan het IFV de toestemming met onmiddellijke ingang intrekken. Indien gewenst neemt de politie contact op met de producent om tekst en uitleg te geven over het afwijzen van het verzoek. Vanzelfsprekend kunt u, na het aanbrengen van de nodige aanpassingen, altijd een nieuw verzoek indienen om alsnog toestemming te krijgen.

2.4. Four One Media produceert in opdracht van SBS Broadcasting B.V. de televisieserie Dokter Tinus. De eerste serie is uitgezonden in het seizoen 2012/2013. Bij de opnames van de eerste serie van Dokter Tinus heeft Four One Media gebruik gemaakt van politie-uniformen en politieauto’s die zijn voorzien van het politielogo en van de ‘striping’ (overeenkomstig de onder 2.2 genoemde beeldmerken).

2.5. Bij e-mail van 27 februari 2013 heeft Four One Media ten behoeve van de tweede serie van Dokter Tinus, die zal worden uitgezonden in het seizoen 2013/2014, toestemming gevraagd aan het IFV voor het gebruik van het politielogo en de politiehuisstijl. Bij brief van 7 maart 2013 heeft het IFV deze toestemming geweigerd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

Algemeen.

De politiehuisstijl (waaronder vallen de politiestriping en het politie woord-/beeldmerk) heeft ten doel een optimale herkenbaarheid van de Nederlandse politie te creëren. Gelet op de bijzondere taken en bevoegdheden van de politie is het van groot belang dat het publiek in een oogopslag weet dat men in een voorkomend geval met een politie-uiting van doen heeft. De ontwerper van de huisstijl heeft zijn auteursrecht overgedragen aan de Nederlandse Staat. Het IFV (Instituut Fysieke Veiligheid) draagt er in opdracht van de Nederlandse Staat zorg voor dat ongeautoriseerd gebruik van de politiehuisstijl zo veel mogelijk voorkomen wordt.

(…)

Na afstemming met de Stafafdeling Communicatie van de Nationale Politie bevestig ik u hierbij formeel dat de Nationale Politie niet instemt met het verlenen van toestemming aan de tv-serie ‘Dokter Tinus’ van Four One Media B.V. om gebruik te maken van de politiehuisstijl (zoals uniformen en auto’s).

(…)

Deze brief dient als formele bevestiging van dit besluit. Reden van de politie om niet in te stemmen zijn dat de uitstraling, handelswijze en werkwijze van de politieman in de serie, zoals die naar voren komt in het script, niet overeenkomt met de wijze waarop de politie in de huidige tijd dient te functioneren en zich dient te profileren.

(…)

2.6. De raadsman van Four One Media en OTP heeft het IFV bij brief van 22 maart 2013 onder meer gesommeerd Four One Media toestemming te verlenen voor het gebruik van de politiehuisstijl in de serie Dokter Tinus.

2.7. Vanaf 3 april 2013 staan de opnames gepland voor de tweede serie van Dokter Tinus.

2.8. Als productie 6 hebben Four One Media en OTP een brief in het geding gebracht van 5 maart 2013 van het IFV die is gericht aan producent IDTV Drama. Deze brief heeft betrekking op het televisieprogramma ‘Beschuldigd’. Uit de brief blijkt dat ook IDTV Drama geen toestemming heeft verkregen voor het gebruik van de politiehuisstijl. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

Inmiddels hebben wij meldingen ontvangen dat tijdens deze dagelijks uit te zenden serie met grote regelmaat, ondanks het feit dat u geen toestemming daartoe is verleend, toch gebruik maakt van (onderdelen van) de politiehuisstijl. (…)

Ik verzoek u dringend, met klem, en voor zover nodig sommeer ik u, het gebruik van (onderdelen van de) politiehuisstijl met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

Dit geldt tevens voor het gebruik van (onderdelen van de) huisstijlen van de overige door de Staat aangewezen hulpverleningsdiensten in het kader van de rampenbestrijding die gebruik maken van de voor hen bepaalde huisstijlen. (…)

Indien mij blijkt dat u niet aan mijn verzoek heeft voldaan, zie ik mij genoodzaakt de Landsadvocaat te verzoeken deze kwestie op zo kort mogelijke termijn tot civielrechtelijke toetsing te brengen. Bij een dergelijke (kortgeding) procedure zal in beginsel (onder bepaling van een dwangsom) een verbod worden gevraagd om (verder) inbreuk te maken op het auteursrecht van de Staat. Als de Staat in het gelijk wordt gesteld, zullen de proceskosten ook voor uw rekening komen. De Staat is bevoegd daarenboven een (voorschot op de) schadevergoeding te vorderen. Gerechtelijke procedures met betrekking tot inbreuk op de rechten op de striping en het logo zoals bij de politie in gebruik, zijn tot op heden steeds in het voordeel van de Staat uitgevallen.

(…)

3. Het geschil

3.1. Four One Media en OTP vorderen – kort gezegd – het volgende:

(1) de Staat en het IFV te gebieden Four One Media toestemming te verlenen voor het gebruik van de politiehuisstijl in de televisieserie Dokter Tinus, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag;

(2) de Staat en het IFV te gebieden geen voorafgaande inhoudelijke toetsing uit te voeren ten behoeve van een besluit tot het al dan niet verlenen van toestemming voor het gebruik van de politiehuisstijl in filmwerken geproduceerd door leden van OTP;

(3) de Staat en het IFV te verbieden toestemming voor het gebruik van de politiehuisstijl door leden van OTP te onthouden op grond van redenen die zijn gebaseerd op de intellectuele eigendomsrechten van de Staat, meer in het bijzonder met als reden dat de taak en de bevoegdheden van de politie niet waarheidsgetrouw in beeld worden gebracht en/of de productie niet bijdraagt aan het imago van de politie;

(4) de Staat en het IFV te verbieden de handhaving van intellectuele eigendomsrechten ten detrimente van leden van OTP uit te voeren op een wijze die niet overeenstemt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

(5) de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden;

(6) de Staat en het IFV te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv (in dit geval € 25.000,- exclusief BTW), te vermeerderen met de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. Four One Media en OTP voeren hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aan. De regeling zoals hiervoor geciteerd onder 2.3 is in strijd met artikel 7 van de Grondwet (de vrijheid van meningsuiting en het verbod op censuur). Uit dit artikel volgt dat geen voorafgaand toezicht mag plaatsvinden op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending. Met name de toetsing door het IFV of de taken en bevoegdheden van de politie waarheidsgetrouw in beeld worden gebracht en of de productie bijdraagt aan het imago van de politie, komt neer op censuur. De politie gaat hierbij op de stoel van de programmamaker zitten. In dit geval geldt dat de vrijheid van meningsuiting (zoals neergelegd in artikel 10 EVRM) als een geldige reden kan worden aangemerkt in de zin van artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE, zodat geen sprake is van een merkinbreuk. Ook het auteursrecht waarop de Staat zich beroept, dient in dit geval te wijken voor de vrijheid van meningsuiting. Het IFV misbruikt de intellectuele eigendomsrechten van de Staat. Dit brengt naar de mening van Four One Media en OTP tevens mee dat de handelwijze van het IFV in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3. De Staat heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. De Staat werkt niet mee aan het gebruik van onderdelen van de politiehuisstijl waarop intellectuele eigendomsrechten rusten, indien de politie op een manier wordt uitgebeeld waarin de Staat zich niet kan vinden. De Staat hoeft daaraan ook niet mee te werken; als merkhouder en auteursrechthebbende staat het de Staat vrij om al dan niet toestemming te verlenen of aan een eventuele toestemming voorwaarden te verbinden. Indien een televisieproducent de politie op neutrale wijze portretteert, geen afbreuk doet aan het imago van de politie en geen verkeerd beeld geeft van de taken en bevoegdheden van de politie, zal tegen het verlenen van toestemming geen bezwaar bestaan. Indien echter een televisieproducent zijn fictieve agenten (bijvoorbeeld) dronken achter het stuur laat zitten, joints laat roken, verdachten laat mishandelen of anderszins de wet laat overtreden, is er voor de Staat geen enkele reden (en ook geen verplichting) om daaraan mee te werken. Onjuist is dat hierdoor sprake zou zijn van censuur als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Er is immers geen sprake van een verplichte voorafgaande toestemming. Er zijn ook producenten die de huisstijl van de politie gebruiken zonder hiervoor toestemming te vragen (omdat het gebruik naar hun mening valt onder de wettelijke exceptie op IE-rechten of omdat de uitingsvrijheid klaarblijkelijk zwaarder weegt). Het staat producenten voorts geheel vrij om de politie te portretteren hoe zij willen (positief, neutraal, negatief); producenten kunnen de Staat hierbij echter niet verplichten hen altijd gebruik te laten maken van de politiehuisstijl. Iedere televisieproducent heeft een (weinig bezwarend) alternatief om de politie te portretteren, te weten zonder gebruik van de politiehuisstijl. Artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE geeft de merkhouder uitdrukkelijk het recht op te komen tegen gebruik dat afbreuk doet aan de reputatie van het merk. De vrijheid van meningsuiting prevaleert niet altijd boven het auteursrecht en het merkenrecht.

3.4. Over de televisieserie Dokter Tinus voert de Staat aan dat het onmiskenbaar een commerciële productie is. Dokter Tinus is enkel gericht op entertainment en draagt niet bij aan een debat van algemeen maatschappelijk belang. Artikel 10 EVRM biedt dan een beperkte bescherming. Ook Four One Media heeft een weinig bezwarend alternatief; te weten het gebruik van politie-uniformen en politieauto’s waarop geen IE-rechten van de Staat rusten. De Staat heeft voor het gebruik van de politiehuisstijl in Dokter Tinus geen toestemming verleend omdat Ken (het personage dat een agent speelt) niet waarheidsgetrouw een agent in beeld brengt. Hij komt sullig over, heeft vaak weinig te doen, is weinig doortastend en bang om actie te ondernemen. Hij drinkt een biertje op een terras, terwijl hij gekleed is in een politie-uniform, het maakt hem niet uit als hij een verkeerde persoon aanhoudt op verdenking van diefstal en hij probeert indruk te maken op een meisje door haar rijles te geven in zijn dienstauto. Verder worden bepaalde procedures niet juist in beeld gebracht en wordt gebruik gemaakt van verouderde blaastests. De eerste vordering dient dan ook te worden afgewezen.

De vorderingen 2 en 3 – die niet direct zien op Dokter Tinus – kunnen niet worden toegewezen omdat die veel te algemeen van aard zijn. Het hangt steeds van de concrete omstandigheden van het geval af of een IE-recht van de Staat prevaleert boven de vrijheid van meningsuiting. De Staat bestrijdt dat het IFV handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook vordering 4 is daarom niet toewijsbaar.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Four One Media en OTP hebben een spoedeisend belang bij het instellen van hun vorderingen. Niet bestreden is dat Four One Media vanaf 3 april 2013 een aanvang neemt met de opnames voor de tweede serie van Dokter Tinus. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat ook andere televisieproducenten op (redelijk) korte termijn moeten weten waar zij aan toe zijn. Four One Media en OTP zijn dan ook ontvankelijk in dit kort geding.

4.3. Four One Media en OTP beroepen zich op het recht op vrijheid van meningsuiting van artikel 10 lid 1 EVRM en op het grondrecht dat is neergelegd in artikel 7 van de Grondwet (het verbod op censuur). De Staat en het IFV beroepen zich op hun intellectuele eigendomsrechten, meer in het bijzonder op hun merkenrechten en op hun auteursrecht. De rechten waarop partijen zich in dit geding beroepen, zijn niet absoluut. Ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM kan een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd zijn, indien die bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Ook het grondrecht van artikel 7 Grondwet is niet absoluut, doch “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet”. Onder meer uit artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE volgt dat het recht op een merk evenmin absoluut is. Het gebruik van een merk door een ander dan de merkhouder is immers toegestaan, mits hij hiervoor een geldige reden heeft en mits dit gebruik geen afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Uit verschillende artikelen in de Auteurswet volgt eveneens dat onder bepaalde omstandigheden een ander dan de auteursrechthebbende (onderdelen van) een auteursrechtelijk beschermd werk mag openbaren. Een voorbeeld hiervan is het citaatrecht genoemd in artikel 15a Aw.

4.4. Er bestaat geen rangorde in de hiervoor genoemde – in beginsel gelijkwaardige – rechten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt het er in dit geding dan ook op neer dat op grond van alle relevante omstandigheden van het geval een belangenafweging moet worden gemaakt.

4.5. Het belang van Four One Media en OTP is erin gelegen dat zij, ook als het gaat om een entertainmentprogramma, de vrijheid moeten hebben de werkelijkheid na te bootsen om geloofwaardig en “echt” bij de televisiekijker over te komen en dat zij om die reden gebruik moeten kunnen maken van echte politie-uniformen en echte politieauto’s. Daar tegenover staat het belang dat de Staat en het IFV hebben bij een positief imago van de politie en het belang dat de politie niet wordt blootgesteld aan reputatie- of imagoschade, zonder dat hiermee een maatschappelijk doel is gediend. De Staat heeft er verder een belang bij dat het publiek niet in verwarring wordt gebracht door personen of organisaties die zich als politie presenteren (of zich presenteren op een wijze die doet denken aan de politie), terwijl zij dat niet zijn.

4.6. Waar het de televisieserie Dokter Tinus betreft, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ook entertainmentprogramma’s (waaronder dramaseries) vallen onder de werking van artikel 10 EVRM. Het televisiekijkend publiek is eraan gewend dat de politie er in dramaseries precies zo uitziet als de echte politie. Dit heeft tot gevolg dat een producent van een dramaserie een geldige reden heeft om gebruik te maken van politie-uniformen en politieauto’s die zijn voorzien van de ‘echte’ beeldmerken van de Staat. Het verweer van de Staat dat iedere producent over een weinig bezwarend alternatief beschikt (nepuniformen, nepauto’s), gaat daarmee niet op. De kijker zal dat als niet echt ervaren en raar, amateuristisch of zelfs belachelijk vinden. De facto heeft de Staat bij deze stand van zaken (als monopolist van politiediensten) een machtsmiddel in handen, te meer daar ter zitting is gebleken dat een televisieproducent de desbetreffende uniformen en auto’s alleen kan huren bij bepaalde verhuurbedrijven die hiervoor een vergunning hebben van de Staat en te meer daar een dergelijk verhuurbedrijf pas overgaat tot verhuur aan een individuele televisieproducent indien die producent kan aantonen dat hij voor zijn dramaserie toestemming van het IFV heeft verkregen. Er is dan ook sprake van een gesloten systeem. Tezamen met de actieve rol die de Staat en het IFV zichzelf toekennen, welke rol neerkomt op een verregaande bemoeienis vooraf met de inhoud van het script van een nog uit te zenden dramaserie, komt dit op gespannen voet te staan met artikel 7 van de Grondwet (het verbod op censuur). Dat het televisieproducenten niet verplicht wordt gesteld voorafgaande toestemming te vragen en zij ook zonder die toestemming tot uitzending kunnen overgaan, zoals de Staat en het IFV hebben betoogd, doet aan dit oordeel niet af. In de eerste plaats zal dit vanwege de voornoemde rol van de verhuurbedrijven betekenen dat zij de benodigde materialen niet kunnen huren, maar die tegen hoge(re) kosten zelf moeten laten (na)maken. Verder wordt verwezen naar de onder 2.8 van dit vonnis weergegeven sommatie van het IFV aan IDTV Drama. Het achteraf dreigen met juridische procedures en de daarmee verband houdende kosten, kan televisieproducenten in de toekomst dwingen vooraf toestemming te vragen.

4.7. De voorzieningenrechter acht het verder van belang dat verwarringsgevaar (nagenoeg) kan worden uitgesloten omdat Dokter Tinus een dramaserie is voor televisie en iedere kijker weet dat de politieagent die in die serie voorkomt niet echt is maar gespeeld. Ook gebeurtenissen zijn niet echt maar gespeeld. Er is sprake van fictie. Het publiek zal zich hiervan in het algemeen bewust zijn. Imago- of reputatieschade bij de politie kan om dezelfde redenen evenmin snel worden aangenomen. Het gedrag (of eventueel wangedrag) van ‘de politie’ in een televisieserie zal niet op het conto van de ‘echte’ politie worden geschreven. Weliswaar kan niet geheel worden uitgesloten dat de beeldvorming in een dramaserie (enige) invloed kan hebben op het imago of de reputatie van de ‘echte’ politie, maar nu sprake is van fictie is voorshands niet aannemelijk dat die invloed groot is. Aannemelijker is dat voor het imago van de politie haar optreden in de realiteit van veel grotere invloed is. De voorbeelden die de Staat en het IFV hebben aangehaald ten aanzien van Ken, de politieagent uit Dokter Tinus, zullen het imago of de reputatie van de politie bij de gemiddelde televisiekijker geen serieuze schade toebrengen. Het op basis van deze voorbeelden onthouden van toestemming om de politiehuisstijl te mogen gebruiken, acht de voorzieningenrechter niet proportioneel.

4.8. Op grond van alle hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemde omstandigheden van het geval is de voorzieningenrechter over de televisieserie Dokter Tinus van oordeel dat een afweging van belangen in het voordeel van Four One Media dient uit te vallen. Dit leidt tot toewijzing van vordering 1. Een dwangsom zal hieraan niet worden verbonden, nu de Staat geacht wordt zich aan rechterlijke uitspraken te houden. Hetzelfde geldt voor het IFV als ‘onderdeel’ van de Staat.

4.9. Over de vorderingen 2 en 3 is de voorzieningenrechter het volgende van oordeel. Gevorderd is – kort gezegd – dat de Staat en het IFV nimmer een voorafgaande inhoudelijke toetsing mogen verrichten alsmede de Staat en het IFV te gebieden nimmer toestemming te weigeren op basis van de eerste twee toetsingsgronden, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3 (een niet waarheidsgetrouw beeld en afbreuk van het imago). De Staat en het IFV hebben terecht aangevoerd dat deze vorderingen te algemeen van aard zijn om in een kort geding (bij wijze van voorlopige voorziening) te kunnen worden toegewezen. Weliswaar is hiervoor uiteengezet dat er in de regel geen grond zal zijn voor een voorafgaande toetsing van een script van een televisieserie waarin de politiehuisstijl wordt gebruikt, maar dat die regel nooit uitzonderingen zal kennen, kan niet op voorhand worden aangenomen. Gedacht kan worden aan een geval waarin eerder terechte bezwaren (achteraf) zijn gemaakt tegen het gebruik van de politiehuisstijl en de kans op herhaling van onrechtmatig handelen zo groot is dat voorafgaande toetsing van de inhoud van het programma op zijn plaats is. Bij onrechtmatig handelen zoals hiervoor bedoeld kan worden gedacht aan verwarringsgevaar (bijvoorbeeld als niet voldoende duidelijk is dat het om fictie gaat) of van ernstige reputatieschade (bijvoorbeeld indien de politie enkel in beeld wordt gebracht met de opzet haar imago te schaden) of wanneer de veiligheid van de burger in het geding is (zie de derde toetsingsgrond van het IFV, hiervoor onder 2.3 opgenomen). In dergelijke gevallen hoeft ook een toetsing vooraf niet per definitie ongerechtvaardigd te zijn. De voorzieningenrechter kan hierover op voorhand geen uitspraak doen. Mocht zich in de toekomst een nieuw geval voordoen waarin toestemming wordt geweigerd, dan kunnen partijen zich laten leiden door de overwegingen die de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft opgenomen. Zo nodig zal de meest gerede partij een nieuw kort geding moeten aanspannen.

4.10. Aan vordering 4 hebben Four One Media en OTP de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten grondslag gelegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt hieraan echter voor de beoordeling van dit geschil geen zelfstandige aanvullende betekenis toe. Vordering 4 zal derhalve niet worden toegewezen.

4.11. Aangezien de vorderingen van Four One Media gedeeltelijk worden toegewezen, terwijl hetgeen OTP vorderde in veel individuele gevallen toewijsbaar zou kunnen zijn, maar in dit geding niet kan worden toegewezen omdat de vordering daarvoor te algemeen is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren als na te melden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt de Staat en het IFV om Four One Media schriftelijk toestemming te verlenen voor het gebruik van de politiehuisstijl (waaronder beeldmerken en ‘striping’) in de tweede televisieserie Dokter Tinus,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden, gerekend vanaf 10 april 2013,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Veraart op 27 maart 2013 en 10 april 2013.