Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:7931

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
1412025 \ CV EXPL 13-3722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2012, LJN: BU8512 is bij onherroepelijke rechterlijke beslissing vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan op het moment dat de kantonrechter bij beschikking van 11 december 2006 de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2007 ontbond onder toekenning van een vergoeding van € 75.000,00. Werkgever betaalt in december 2012 ontbindingsvergoeding met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2012. Kantonrechter wijst gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 tot 24 februari 2012 toe. De gevorderde verhuiskostenvergoeding is verjaard Kantonrechter verklaart ondanks bezwaar werkgever na belangenafweging vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0975
NJF 2014/51
RAR 2014/40
JAR 2014/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaaknummer: 1412025 \ CV EXPL 13-3722

vonnis van: 26 november 2013

func.: 460

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats], [land]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.F. Hilberdink

t e g e n

de besloten vennootschap Nuon Personeelsbeheer B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: Nuon

gemachtigde: mr. M.F. Hilberdink

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding van 8 februari 2013 met producties;

  • -

    conclusie van antwoord;

  • -

    instructievonnis van 11 juni 2013;

  • -

    conclusie van repliek;

  • -

    conclusie van dupliek;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten

1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

De thans [leeftijd] [eiser] (geboren op [leeftijd]), van[afkomst], treedt op [datum] bij Nuon als[functie] in dienst.

1.2.

Nuon zegt bij brief van 28 juli 2006 de arbeidsovereenkomst met [eiser] op tegen 1 oktober 2006 zonder dat daarvoor een ontslagvergunning is gevraagd en verkregen. In deze brief is onder meer opgenomen:

Any amounts that we owe to you for expenses and/or vacation entitlement will be paid to you under the final settlement of accounts or, on the event of a negative balance, will be deducted there from. In addition we shall pay your relocation costs to the [land] with a maximum of € 4.000,- excluding VAT. This will only be paid if you can provide us with an invoice of the removal company which invoice is directly addressed to Nuon.

1.3.

Nadat de opzegging van de arbeidsovereenkomst namens [eiser] is vernietigd wegens het ontbreken van een ontslagvergunning dient Nuon op 12 oktober 2006 bij de kantonrechter een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. [eiser] brengt een kort geding dagvaarding uit dat strekt tot doorbetaling van loon.

1.4.

De kantonrechter veroordeelt Nuon bij in kort geding gewezen vonnis van 1 december 2006 onder meer tot doorbetaling van loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

1.5.

Bij beschikking van 11 december 2006 ontbindt de kantonrechter voorwaardelijk de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2007 onder toekenning van een vergoeding van € 75.000,00 bruto ten laste van Nuon.

De kantonrechter overweegt over de hoogte van de vergoeding onder meer:

In de vergoeding zijn niet begrepen de kosten van een eventuele repatriëringsregeling, waarover de afspraken door partijen niet voldoende zijn toegelicht.

Het dictum van de beschikking luidt - voor zover relevant - :

voorwaardelijk voor het geval dat ingevolge enige andere rechterlijke beslissing of op andere wijze zal komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen thans nog bestaat:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2007;

kent aan [eiser] een vergoeding toe ten laste van Nuon ter hoogte van EUR 75.000,00 bruto,[..]

veroordeelt Nuon tot betaling van deze vergoeding in die zin dat deze veroordeling eerst dan ten uitvoer kan worden gelegd, als bij enige onherroepelijke rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan op de dag dat de onderhavige beschikking is gegeven.

[eiser] heeft pagina 3 van de beschikking, waarin kennelijk de standpunten van partijen zijn weergegeven, niet overgelegd.

1.6.

[eiser] laat op 15 februari 2007 ten laste van Nuon executoriaal derdenbeslag leggen onder Postbank NV. Nuon vordert in kort geding opheffing van het beslag.

1.7.

Bij vonnis van 8 maart 2007 heft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de door [eiser] gelegde beslagen op en wordt het [eiser] op straffe van een dwangsom verboden om nadere executiemaatregelen te nemen. De voorzieningenrechter overweegt onder meer:

4.1.

Gelet op de veroordeling bij de beschikking van 11 december 2006 is Nuon de vergoeding van EUR 75.000,00 niet eerder verschuldigd dan nadat bij rechterlijke uitspraak onherroepelijk is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst ten tijde van die beschikking nog bestond. [..]

4.2. [..]

Nu nog geen bodemvonnis is gewezen in deze zaak kan niet worden gezegd dat de voorwaarde voor de ten uitvoer legging van de op 11 december 2006 gegeven veroordeling, is vervuld.[ ..]

1.8.

[eiser] schakelt [verhuisbedrijf], een verhuisbedrijf dat Nuon regelmatig inschakelt voor de verhuizingen van huishoudens van expats van en naar het buitenland, in om zijn eigendommen te verhuizen naar [land]. De eigendommen zijn daartoe op 25 mei 2007 bij [eiser] opgehaald.

1.9.

Een medewerker van [verhuisbedrijf] zoekt op of omstreeks 5 juni 2007 contact met een medewerker van Nuon ([naam 1]), waarna die medewerker intern een e-mailbericht naar een andere medewerker, [naam 2] geheten, stuurt met onder meer de volgende inhoud:

[eiser] heeft [verhuisbedrijf] ingehuurd om zijn spullen terug te sturen naar [land]. De goederen zijn op 25 mei bij hem opgehaald en staan nu bij [verhuisbedrijf] in de loods en zijn klaar om verstuurd te worden. [eiser] had een brief van Nuon bij zich daterende van 28 juli 2006 waarin staat aangegeven dat wij tot 4.000 euro aan verhuiskosten voor hem betalen. De medewerkster van [verhuisbedrijf] belde mij vanochtend op om dit te verifiëren aangezien de brief nogal gedateerd is. Indien Nuon de kosten voor haar rekening neemt dan zou ze graag willen weten op welk factuuradres dit verzonden kan worden. Ik heb in het telefoongesprek aangegeven dat ik dit even intern moet checken en hier zo spoedig mogelijk bij haar op terugkom. [..] Het factuurbedrag was op dit moment € 4.029,00. Dit keer heb ik niet doorgevraagd mede omdat ik eerst even met jou en [naam 3] wilde overleggen. Mail met kostenplaats en factuuradres heb je van [naam 4] in een aparte mail aangeleverd gekregen.

1.10.

[verhuisbedrijf] bericht [eiser] bij e-mail van 27 juli 2007 dat [naam 1] van Nuon aan haar te kennen heeft gegeven dat de verhuiskostenvergoeding niet wordt betaald. Als reden wordt opgegeven dat volgens Nuon [eiser] haar aanbod tot vergoeding van de verhuiskosten tot een bedrag van € 4.000,00 niet heeft aanvaard, zodat het aanbod is vervallen. [verhuisbedrijf] wijst [eiser] erop dat hij de verhuiskosten zelf heeft te dragen.

1.11.

Bij vonnis van 22 augustus 2008 oordeelt de kantonrechter dat het door Nuon aan [eiser] gegeven ontslag door [eiser] rechtsgeldig is vernietigd en dat de arbeidsovereenkomst nog bestond op het moment van de hiervoor genoemde ontbindingsbeschikking. Het gerechtshof te Amsterdam bekrachtigt in het arrest van 27 april 2010 het vonnis van de kantonrechter. In zijn arrest van 24 februari 2012 (LJN: BU8512) verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van Nuon en bekrachtigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam.

1.12.

Bij brief van 16 mei 2012 maakt [eiser] aanspraak op betaling van de ontslagvergoeding, de wettelijke rente vanaf 11 december 2006 en de proceskosten waartoe Nuon in eerdere gerechtelijke procedures is veroordeeld.

1.13.

Nuon betaalt de ontbindingsvergoeding in december 2012 aan [eiser], vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2012.

1.14.

[eiser] sommeert Nuon bij brief van 8 januari 2013 de vervallen wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding vanaf 1 januari 2007 tot 24 februari 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de verhuiskosten inclusief opslagkosten te voldoen. Nuon weigert aan deze sommatie gevolg te geven.

1.15.

Op enig moment is [eiser] naar [land] teruggekeerd. Tot op heden staan eigendommen van [eiser] opgeslagen bij [verhuisbedrijf] in Nederland.



vordering

2.

[eiser] vordert dat Nuon bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden:

  1. tot betaling van € 19.880,87 aan wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding over de periode vanaf 1 januari 2007 tot 24 februari 2012, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2012 tot de voldoening;

  2. op straffe van een dwangsom tot het laten verzenden van de in Nederland bij [verhuisbedrijf] opgeslagen goederen van [eiser] overeenkomstig de overgelegde offerte van [verhuisbedrijf] naar een door hem opgegeven adres in [land] binnen 30 dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom, subsidiair Nuon te veroordelen tot betaling van € 4.000,00 exclusief BTW aan [eiser] of [verhuisbedrijf], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2007;

  3. op straffe van een dwangsom tot het verstrekken van een jaaroverzicht salarisbetaling 2012 en eventueel volgende jaaroverzichten aan de advocaat van [eiser] binnen 24 uur na betekening van het vonnis;

  4. tot betaling aan [eiser] van € 1.158,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  5. tot betaling van de proceskosten.

3.

Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag, dat Nuon tekortschiet in haar verplichting tot betaling van de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding vanaf 1 januari 2007 en de verhuiskostenvergoeding ten gevolge waarvan [eiser] schade lijdt, bestaande uit onder meer opslagkosten en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] voert samengevat het navolgende aan.

4.

Nuon is, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997 (JAR 1997/215), gehouden vanaf 1 januari 2007, zijnde de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigde en aanspraak bestaat op de ontbindingsvergoeding, de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding te betalen.

5.

[eiser] stelt voorts dat Nuon haar toezegging tot betaling van de verhuiskosten tot een bedrag van € 4.000,00 excl. btw niet nakomt. De toezegging was niet vrijblijvend en is zonder tijdsbepaling gedaan. Evenmin was het een onderdeel van een beëindigingsvoorstel. Nuon heeft de toezegging gedaan teneinde te voldoen aan een dringende morele verplichting om [eiser] te repatriëren. Het aanbod van Nuon is gegrond op artikel 6:5 BW dat door [eiser] is aanvaard, althans niet onverwijld is afgewezen.

Voorts heeft Nuon de aanspraak van [eiser] op de verhuiskostenvergoeding in de bodemprocedure over de rechtmatigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst in de conclusie van repliek in conventie, voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie erkend. Door die erkenning is ingevolge artikel 3:318 BW de vordering op de verhuiskostenvergoeding niet verjaard, althans is de verjaring gestuit.

De enige voorwaarde bij de toezegging was dat [eiser] een ten name van Nuon staande factuur zou aanleveren. Dit is niet mogelijk gebleken als gevolg van het uitblijven van een handeling van Nuon. Nuon heeft daarnaast laten weten niet na te zullen komen, zodat Nuon vanaf dat moment in verzuim was. Door niet na te komen heeft [eiser] schade geleden die aan Nuon is toe te rekenen. De schade bestaat uit gemist gebruiksgenot. Het lijkt [eiser] redelijk dat Nuon als schade voor dat gemist gebruiksgenot heeft te betalen de opslagkosten en (verhoogde) verhuiskosten.

6.

Als gevolg van het niet willen betalen van de ontbindingsvergoeding en het maken van uiterst negatieve opmerkingen over [eiser] in de markt is hij verstoken van inkomsten en niet in staat de verhuiskosten te voldoen. [eiser] stelt dat Nuon hem in een financiële noodsituatie heeft gebracht.

verweer

6.

Nuon verweert zich en voert aan dat de wettelijke rente pas is verschuldigd als de verschuldigde vordering opeisbaar is en de betaling ervan is vertraagd. De ontbindingsvergoeding was pas opeisbaar vanaf de dag van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2012, omdat op die dag aan de in de door de kantonrechter genoemde voorwaarden is voldaan. Nuon betwist dat het arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997 (NJ 1998, 421, De Bode / Hollandsche IJssel) van toepassing is op de onderhavige situatie. Daarin legde de Hoge Raad de frase in een voorwaardelijk ontbindingsbeschikking “voor zover rechtens vereist” uit. In dit geval heeft de kantonrechter op verzoek van Nuon in de ontbindingsbeschikking een beperking van de opeisbaarheid opgenomen. Nuon verwijst verder naar de uitspraak van de voorzieningenrechter en andere lagere rechtspraak waaruit volgt dat de wettelijke rente niet eerder is verschuldigd dan de onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2012. De wettelijke rente vanaf die datum heeft Nuon aan [eiser] voldaan. Mochten de door de kantonrechter in de beschikking opgenomen voorwaarden in strijd zijn met de 685-procedure dan had het op de weg van [eiser] gelegen om in hoger beroep te gaan van de beschikking. Dat heeft hij nagelaten.

7.

Nuon betwist een verhuiskostenvergoeding te zijn verschuldigd. De toegezegde vergoeding is een natuurlijke verbintenis, die nimmer is omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis, althans, [eiser] heeft het aanbod niet geaccepteerd maar het ontslag en daarmee de verhuiskostenvergoeding vernietigd, althans de vordering is verjaard. De verhuiskostenvergoeding is op 5 juni 2007 opgeëist en daarna tot eind 2012 niet meer. Nuon betwist dat de verjaringstermijn is gestuit door uitspraken van de gemachtigde van Nuon. Mocht worden geoordeeld dat sprake is van een opeisbare verhuiskostenvergoeding dan is er geen grondslag voor de vordering van [eiser] dat Nuon de verhuizing moet regelen. Nuon heeft slechts gemeld dat zij de verhuiskosten zou vergoeden tot een maximum van € 4.000,00 exclusief BTW en niet dat zij zou zorg dragen voor de verhuizing. De schade voor te late betaling kan slechts zien op wettelijke rente. De overige gevorderde schadevergoeding kan niet worden toegewezen. Nuon betwist dat zij [eiser] zou hebben zwart gemaakt of dat zij [eiser] in financiële nood heeft gebracht en ziet de relevantie ervan niet in. [eiser] heeft deze stellingen ook niet onderbouwd en hij heeft de verhuiskosten nog niet gemaakt. [eiser] heeft een schadebeperkingsplicht. [eiser] had zijn spullen in 2007 moeten verhuizen en de kosten op Nuon kunnen verhalen. Door dit na te laten komen de nadien ontstane opslagkosten voor rekening van [eiser]. De extra opslagkosten had [eiser] overigens ook gehad als hij zijn spullen had verhuisd naar [land], omdat hij zelf heeft gezegd dat hij geen ruimte had voor zijn spullen.

8.

Nuon heeft reeds in 2012 een jaaroverzicht verstrekt en dit op 8 mei 2013 opnieuw gedaan. Nuon betwist dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. Nuon verzoekt de kantonrechter, mocht een vordering van [eiser] worden toegewezen, om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad te weigeren, vanwege het restitutierisico. Nuon is bereid toegewezen bedragen op de derdenrekening van de advocaat van [eiser] te storten.

beoordeling

de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding

9.

De kantonrechter heeft eerst te beslissen op de vraag of Nuon gehouden is de wettelijke rente over de ontbindingsvergoeding vanaf 1 januari 2007 tot 24 februari 2012 te betalen. Voor het beantwoorden van deze vraag dient de beschikking van 11 december 2006 te worden uitgelegd.

10.

Nuon heeft op 12 oktober 2006 op de voet van artikel 7:685 BW een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, teneinde de duur van de arbeidsovereenkomst te beperken voor het geval de door haar gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Nuon heeft voorts – kennelijk teneinde het restitutierisico te beperken – de kantonrechter verzocht te bepalen dat zij eerst gehouden is de ontbindingsvergoeding te betalen als onherroepelijk komt vast staan dat de opzegging van Nuon niet rechtsgeldig is geweest.

De kantonrechter heeft vervolgens in de beschikking van 11 december 2006 de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2007 ontbonden voor het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten tijde van de beschikking op 11 december 2006 nog bestaat. Voorts heeft de kantonrechter de ontbindingsvergoeding gesteld op € 75.000,00 en bepaald dat de veroordeling tot betaling van die ontbindingsvergoeding eerst aan Nuon ten uitvoer kan worden gelegd als bij onherroepelijke beslissing vast staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 11 december 2006 nog bestaat.

11.

Volgens vaste rechtspraak is de procedure ex artikel 7:685 BW erop gericht een spoedige beslissing omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te verkrijgen (zie onder meer HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 296 en HR 5 september 1997, LJN: ZC2417). Voorts richt de voorwaarde in de beschikking, waaronder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is toegewezen en die aan de betaling van de vergoeding is gegeven, zich op de rechtsgeldigheid van de door Nuon gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst en niet op het in kracht van gewijsde gaan van een rechtelijke uitspraak omtrent de nietigheid van de opzegging. Zo staat in de voorwaarde omtrent de vergoeding niet dat die vergoeding eerst opeisbaar is nadat in een onherroepelijke beslissing is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat, maar dat die vergoeding tot die tijd jegens Nuon niet ten uitvoer kan worden gelegd.

Dit leidt er naar het oordeel van de kantonrechter toe dat als de nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst in een later gevoerd geding wordt geconstateerd de opzegging van de arbeidsovereenkomst geacht moet worden nimmer werking te hebben gehad.

Hieruit volgt dat het tijdstip van het verschuldigd worden van de ontbindingsvergoeding niet anders is dan in het geval geen sprake was geweest van een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de ontbindingsvergoeding vanaf 1 januari 2007 opeisbaar is, zodat Nuon vanaf die datum in verzuim is.

12.

Hieraan doet niet af dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 8 maart 2007 overweegt:

de vergoeding ... niet eerder verschuldigd dan nadat bij rechterlijk uitspraak onherroepelijk is vastgesteld

Dit oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel waaraan de bodemrechter niet is gebonden.

13.

Nu onherroepelijk vast is komen te staan dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd is, zodat de arbeidsovereenkomst voortduurde waardoor de ontbindingsbeschikking zijn werking heeft gekregen, betekent dit dat Nuon in lijn met het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 1 januari 2007, de ontbindingsdatum. De daarover gevorderde wettelijke rente zal met inachtneming van artikel 6:119 lid 2 BW worden toegewezen.

de verhuiskostenvergoeding

14.

De kantonrechter kwalificeert de aan [eiser] gedane toezegging bij brief van 28 juli 2006 als een eenzijdige rechtshandeling. De vraag of Nuon die eenzijdige rechtshandeling voor aanvaarding door [eiser] heeft herroepen behoeft niet te worden beantwoord, omdat zelfs in het geval [eiser] die toezegging tijdig heeft aanvaard en Nuon daaraan is gebonden [eiser] na het bericht van [verhuisbedrijf] op 27 juli 2007 niet binnen 5 jaar de vordering heeft gestuit of een rechtsvordering heeft ingesteld.

[eiser] stelt ten onrechte dat in de door hem aangehaalde passage in de door Nuon genomen conclusie van repliek in conventie/voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie in de procedure omtrent de nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst een erkenning van de verschuldigdheid van de verhuiskostenvergoeding valt te lezen. In die passage wordt de feitelijke gang van zaken beschreven rond de opslag van de spullen van [eiser], de rol van [verhuisbedrijf] en het contact met Nuon. Een erkenning van Nuon de verhuiskostenvergoeding verschuldigd te zijn valt daarin niet te lezen.

15.

Eerst op 8 januari 2013 heeft [eiser] op de verhuiskostenvergoeding aanspraak gemaakt. Dit betekent dat veronderstellenderwijs aannemende dat [eiser] een vordering op Nuon betreffende de verhuiskostenvergoeding heeft, die vordering van [eiser] wegens het overschrijding van de 5 jaarstermijn is verjaard, zodat Nuon ook niet gehouden is de eventuele schade aan [eiser] te vergoeden wegens een toerekenbare tekortkoming van die toezegging.

16.

Voor zover [eiser] subsidiair aan zijn vordering ten grondslag legt, dat Nuon onrechtmatig heeft gehandeld door in of omstreeks mei t/m juli 2007 niet de gegevens voor de door [verhuisbedrijf] op te stellen factuur te verstrekken geldt dat – veronderstellenderwijs aannemende dat Nuon daarmee onrechtmatig heeft gehandeld - ook die vordering door tijdsverloop is verjaard.

17.

Uit het voorgaande volgt dat de primair gevorderde schadevergoeding wegens het niet betalen van de verhuiskostenvergoeding en de subsidiair gevorderde verhuiskostenvergoeding worden afgewezen.

jaaroverzicht

18.

[eiser] erkent bij repliek een jaaroverzicht over 2012 te hebben ontvangen. [eiser] heeft zijn vordering daaromtrent niet ingetrokken en evenmin toegelicht welk belang hij nog bij de vordering heeft. Dit betekent dat de kantonrechter deze vordering zal afwijzen.

buitengerechtelijke incassokosten

19.

De buitengerechtelijke incassokosten komen voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking, nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] meer werkzaamheden heeft verricht ter inning van de gevorderde wettelijke rente en het verkrijgen van de jaaropgave dan het uitsluitend verrichten van voorbereidende handelingen van de gedingstukken en instructie van de zaak. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen conform de liquidatietarieven bij het team kanton van de rechtbank Amsterdam, hetgeen de kantonrechter in de omstandigheden van het geval ook een redelijk bedrag voor de in redelijkheid gemaakte werkzaamheden acht.

uitvoerbaar bij voorraad

20.

Nuon heeft verzocht om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad niet toe te staan en gewezen op het restitutierisico dat toewijzing meebrengt.

21.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] op zichzelf een te respecteren belang heeft om op korte termijn te beschikken over de gefixeerde vergoeding van de schade die hij heeft geleden door pas na ruim 5 jaar de ontbindingsvergoeding te ontvangen. Dat eerst na ruim 5 jaar de ontbindingsvergoeding kon worden uitgekeerd, was het gevolg van het op verzoek van Nuon in de ontbindingsbeschikking opnemen van de voorwaarde van tenuitvoerlegging en de door Nuon geëntameerde hoger beroep en cassatieprocedure tegen het vonnis van de kantonrechter in de bodemzaak over nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Onder deze omstandigheden is het door Nuon gestelde restitutierisico op zichzelf onvoldoende om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij weegt mee dat Nuon niet heeft gesteld of dat is gebleken dat als in hoger beroep van dit vonnis een andersluidend oordeel wordt gegeven en de betaalde hoofdsom niet kan worden terug verkregen Nuon in ernstige financiële situatie geraakt. Onder deze omstandigheden wegen de belangen van [eiser] zwaarder dan de belangen van Nuon, zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt toegewezen.

proceskosten

22.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient Nuon de proceskosten van [eiser] te voldoen.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Nuon tot betaling aan [eiser] van:

- € 19.880,87 aan hoofdsom aan wettelijke rente over de periode vanaf 1 januari 2007 tot 24 februari 2012, vermeerderd met inachtname van artikel 6:119 lid 2 BW met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2012 tot aan de voldoening;

- € 952,00 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Nuon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

- € 92,82 voor de dagvaarding
- € 448,00 voor het griffierecht
- € 800,00 voor het salaris gemachtigde
voor zover van toepassing inclusief BTW;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. D.H. de Witte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.