Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV0368

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
13-845079-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een registeraccountant veroordeeld tot 200 uur werkstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft leiding gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste loonbelastingaangifte en het niet meewerken met de Belastingdienst door zijn bv, een accountantskantoor met als doel dat er te weinig belasting zou worden geheven en dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd. De rechtbank neemt verdachte het plegen van deze misdrijven in het bijzonder kwalijk, omdat hij als registeraccountant beter zou moeten weten en een voorbeeldfunctie heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845079-07

Datum uitspraak: 23 december 2011

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1959],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvende op het adres [adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

1.1. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 december 2011.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Hart en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.J. Zijlstra, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. [bedrijf van verdachte] B.V. op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks 1 april 2003 t/m 07 februari 2006 te Amstelveen en/of te Amsterdam en/of te Zaan-stad en/of te Hoofddorp en/of te Apeldoorn en/of te Heerlen en/of elders in Ne-derland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen:

- over de maand april 2003 (D-028) en/of

- over de maand mei 2003 (D-029) en/of

- over de maand juni 2003 (D-030) en/of

- over de maand juli 2003 (D-031) en/of

- over de maand augustus 2003 (D-032) en/of

- over de maand september 2003 (D-033) en/of

- over de maand oktober 2003 (D-034) en/of

- over de maand november 2003 (D-035) en/of

- over de maand december 2003 (D-036) en/of

- over de maand januari 2004 (D-037) en/of

- over de maand februari 2004 (D-038) en/of

- over de maand maart 2004 (D-039) en/of

- over de maand april 2004 (D-040) en/of

- over de maand mei 2004 (D-041) en/of

- over de maand juni 2004 (D-042) en/of

- over de maand juli 2004 (D-043) en/of

- over de maand augustus 2004 (D-044) en/o

- over de maand september 2004 (D-045) en/of

- over de maand oktober 2004 (D-046) en/of

- over de maand november 2004 (D-047) en/of

- over de maand december 2004 (D-048) en/of

- over de maand januari 2005 (D-049) en/of

- over de maand februari 2005 (D-050) en/of

- over de maand maart 2005 (D-051) en/of

- over de maand april 2005 (D-052) en/of

- over de maand mei 2005 (D-053) en/of

- over de maand juni 2005 (D-054) en/of

- over de maand juli 2005 (D-055) en/of

- over de maand augustus 2005 (D-056) en/of

- over de maand september 2005 (D-057) en/of

- over de maand oktober 2005 (D-058) en/of

- over de maand november 2005 (D-059) en/of

- over de maand december 2005 (D-060),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op de/het ingeleverde aangiftebiljet(ten) loon-belasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) maand/maanden (tel-kens) geen verschuldigde loonbelasting en premievolksverzekering opgege-ven/ingevuld en/of doen opgeven/invullen, terwijl in werkelijkheid loonbelasting en premie volksverzekering verschuldigd was, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot welk(e) vorenomschreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) vorenomschre-ven verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 januari 2003 tot en met 13 november 2003 in te Amstelveen en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meerma-len, althans eenmaal, 11 facturen (D-108 t/m D-118) (telkens) - zijnde een ge-schrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - val-selijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) in strijd met de waarheid deze/die factu(ur/ren) zonder vermelding van BTW opgemaakt, ter-wijl in werkelijkheid wel BTW verschuldigd was, zulks (telkens) met het oog-merk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ande-ren te doen gebruiken;

3. [bedrijf van verdachte] B.V. op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 24 juli 2006 t/m 29 maart 2007 te Amstelveen en/of Amsterdam en/of Hoofddorp en/of elders in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Belas-tingwet verplicht was tot het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, opzettelijk deze niet heeft verleend, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers na het verstrekken van inzage op 30 maart 2007 bleek dat te weinig om-zetbelasting en/of te weinig loonbelasting werd geheven, tot welk(e) vorenom-schreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) voren-omschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gege-ven.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1 ATV-richtlijnen

3.1.1. De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuiste aangifte doen van loonbelasting door verdachtes bv), omdat – kort gezegd – ten onrechte en dus in strijd met de ATV-richtlijnen niet is gekozen voor een bestuursrechtelijke afdoening door middel van het opleggen van vergrijpboetes, maar voor de strafrechtelijke weg. Het criterium financieel nadeel kon al niet leiden tot vervolging aangezien – hoewel de verplichte loonaangiftes niet zijn gedaan – geen sprake is van het strafrechtelijk vereiste opzet. Op grond van de ATV-richtlijnen had in deze zaak moeten worden gekozen voor een bestuursrechtelijke afdoening en niet voor strafrechtelijke vervolging, aldus de raadsman.

3.1.2. De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de ATV-richtlijnen van 2006 in deze zaak van toepassing zijn. De (aanmeldings)richtlijnen richten zich wat het begrip “opzet” betreft (allereerst), zoals hierna zal blijken, tot de (ambtenaren van de) Belastingdienst. In de desbetreffende richtlijnen worden voor het aanmelden twee criteria genoemd: het drempelbedrag en opzet, waarmee wordt bedoeld opzet in strafrechtelijke zin. De aanmeldende ambtenaar bespreekt met de boete-fraudecoördinator of voor ten minste het drempelbedrag sprake is van opzet. Indien laatstgenoemde van oordeel is dat dit het geval is, meldt deze de zaak aan bij het sectieoverleg. In dat overleg, waaraan de FIOD-ECD, de contactambtenaar formeel recht en de boete-fraudecoördinator deelnemen, wordt getoetst of de zaak aanmeldingswaardig is. Het gezamenlijke sectoroverleg oordeelt vervolgens op basis van de bewijsbaarheid of een zaak in aanmerking komt voor opsporing. Als de zaak vervolgingswaardig is, wordt deze ten slotte doorgestuurd naar het tripartite overleg. Aan dat overleg neemt, naast eerder genoemde partijen, ook de officier van justitie deel.

3.1.3. De door het Openbaar Ministerie vervolgens genomen beslissing tot verdere vervolging - die ervan uitgaat dat aan het zogenaamde aanmeldingscriterium is voldaan - is dan mede gebaseerd op onderdeel 6 van de richtlijn. Ook naar het kennelijke oordeel van het Openbaar Ministerie was sprake van het opzettelijk begaan van een fiscaal delict in combinatie met een commuun delict en van een verdachte die als registeraccountant beroepsmatig op het handelen van derden en op de financiële integriteit van geldstromen invloed heeft en een voorbeeldfunctie vervult. Verder was het wenselijk de gestelde norm te handhaven of te bevestigen en was het in verband met de waarheidsvinding noodzakelijk nader strafrechtelijk onderzoek te doen. Op die gronden kon hij in redelijkheid op grond van de vervolgingsrichtlijnen tot vervolging overgaan.

3.2 Una via

3.2.1. De raadsman heeft – kort gezegd – voorts betoogd dat het Openbaar Ministerie in strijd met het una via-beginsel (artikel 69a Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) oud) heeft gehandeld en daarom niet kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (valsheid in geschrift).

3.2.2. De raadsman heeft aangevoerd dat aan verdachte voor de omzetbelasting reeds naheffingsaanslagen en vergrijpboetes zijn opgelegd wegens het niet aangeven van btw. Verdachte wordt vervolgd voor het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) en het opmaken van facturen waarop de btw ontbreekt. Er is sprake van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit. Het gaat in deze zaak immers om facturen die in alle opzichten identiek zijn aan de facturen die zijn uitgestuurd, waarop alleen een btw-bedrag ontbreekt. Het enige zogenaamd valse aan deze facturen is dus dat zij de btw niet vermelden, terwijl de vergrijpboetes zijn opgelegd wegens het niet aangeven van btw. Er is een wezenlijke samenhang in handelen en schuld van de dader. Door ondanks de opgelegde vergrijpboetes toch tot strafvervolging wegens valsheid in geschrift over te gaan handelt het Openbaar Ministerie in strijd met het una via-beginsel en is het niet-ontvankelijk, aldus de raadsman.

3.2.3. De rechtbank overweegt als volgt. Het una via-beginsel was tot 1 juli 2009 neergelegd in het inmiddels vervallen artikel 69a Awr, dat luidde: “Het recht tot strafvervolging op de voet van artikel 69 met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67d of 67e vervalt, indien de boete-inspecteur aan een belastingplichtige ter zake reeds een boete heeft opgelegd.”

De aan verdachte opgelegde vergrijpboete is opgelegd voor het (opzettelijk) aangifte doen van onjuiste omzetbelasting. Verdachte wordt onder 2 vervolgd voor het valse-lijk opmaken van facturen door in strijd met de waarheid die facturen zonder vermel-ding van btw op te maken, terwijl in werkelijkheid wel btw verschuldigd was, kort gezegd valsheid in geschrift, strafbaar gesteld bij artikel 225 lid 1 Sr. Uit de wetsge-schiedenis volgt dat de wetgever de samenloop van fiscale beboeting met strafver-volging op grond van artikel 225 lid 1 Sr niet heeft willen uitsluiten.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1994/1995, 23 470 nr. 8, pagina 20) staat hierover het volgende te lezen:

“(...) In de tweede plaats moet worden opgemerkt, dat de samenhang tussen het fis-cale vergrijp en het delict van artikel 225, eerste lid, Sr naar ons oordeel niet dwingt tot de conclusie dat fiscale beboeting strafvervolging in een dergelijk geval behoort uit te sluiten. De gedraging die het fiscale vergrijp oplevert, is immers niet identiek aan hetgeen in artikel 225, eerste lid, Sr is strafbaar gesteld, ook al han-gen beide samen. Bij de fiscale vergrijpen vormt het gebruik dat van een stuk wordt gemaakt in de verhouding tot de fiscus de kern van de zaak, terwijl de genoemde strafbepaling bij uitstek ziet op het opmaken van een vals geschrift. De situatie zou kunnen worden vergeleken met de strafvervolging van iemand die eerst een stuk vervalst en vervolgens zelf van dat valse stuk gebruik maakt ten opzichte van een derde. Ook in die situatie zou zo iemand cumulatief de overtreding van artikel 225, eerste lid, en van artikel 225, tweede lid, Sr ten laste kunnen worden gelegd. (…).”

Kort gezegd komt het erop neer dat het in artikel 225 lid 1 Sr gaat om het valselijk opmaken van een geschrift en niet om het gebruik ervan. De relevante fiscale boete-bepalingen zien juist op het gebruik maken van valse of vervalste geschriften. In de onderhavige zaak is aan verdachte een vergrijpboete opgelegd voor een onjuiste om-zetbelastingaangifte. Verdachte wordt verweten facturen valselijk te hebben opge-maakt. Deze facturen zijn niet ten behoeve van de aangifte overgelegd, maar zijn aangetroffen in de administratie van verdachte, nadat een onderzoek was ingesteld in verband met de door verdachte gedane aangifte. Er is dus geen sprake van hetzelfde feit.

3.3. De rechtbank verwerpt de verweren die strekken tot het niet-ontvankelijk verkla-ren van de officier van justitie.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir –gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

4.2.1. De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van wat aan hem is ten las-te gelegd omdat dit niet kan worden bewezen.

4.2.2. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat geen sprake is geweest van opzet en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De nihil- aangiftes kunnen niet los gezien worden van het feit dat wel loonbelastingkaarten zijn ingeleverd. Verdachte had dus wel de juiste fiscaal relevante gegevens aan de Belastingdienst doen toekomen. Het is evident dat dit niet valt te rijmen met een ver-onderstelde frauduleuze opzet. Zeker is immers dat de Belastingdienst er op enig moment achter komt dat de loonbelastingaangiftes niet kloppen. Verdachte heeft ge-zegd suppletieaangiftes te hebben gedaan, wat ook een volstrekt gebruikelijke gang van zaken is. Het is immers ondenkbaar dat verdachte met zijn kennis van de werk-wijze van de Belastingdienst als registeraccountant zo naïef zou zijn geweest die dis-crepanties te laten bestaan zonder die door middel van suppleties recht te trekken.

4.2.3. Onder de randnummers 35 tot en met 55 van zijn pleitnota heeft de raadsman uiteengezet dat de ten laste gelegde valsheid in geschrift niet kan worden bewezen, omdat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de veronderstelde valse facturen. Kort gezegd kan niet worden bewezen dat verdachte het oogmerk had. Het is boven-dien uiterst onwaarschijnlijk dat een registeraccountant op deze manier zou proberen te frauderen. Er kan ook geen sprake zijn van gebruik als echt en onvervalst van deze facturen, want de facturen met daarop de omzetbelasting zijn uitgestuurd. Zolang de gewraakte facturen zich in de administratie van verdachte bevinden, worden ze niet in enige zinnige betekenis van dat woord ‘gebruikt’. Gebruiken kan in dit verband immers alleen maar betekenen “naar derden toe als bewijsmiddelen presenteren”, al-dus de raadsman.

4.2.4. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Verdachte betuigt spijt voor zover een actievere houding van hem had mogen worden verwacht, wat zeker het geval is. Verdachte betwist echter dat hij totaal geen medewerking zou hebben verleend. In zijn brief van 26 februari 2007 heeft verdachte expliciet meegedeeld bereid te zijn mee te werken. Het is ver-der een feit dat verdachte ten tijde van het geplande boekenonderzoek in februari 2007 een operatie moest ondergaan, waardoor die afzegging hem niet is aan te reke-nen. Ook de persoonlijke omstandigheden in verband met zijn echtscheiding hebben een niet te onderschatten rol gespeeld. De echtscheiding is uitgesproken in november 2006, maar de procedure en de aanloop daartoe hebben in de jaren een zware tol van hem geëist. De zakelijke beslommeringen en onzekerheden ten gevolge van zijn ver-trek bij De Zeeuw en De Keizer in de jaren daarvoor kwamen daar nog bij. Een en ander heeft er zeker toe bijgedragen dat verdachte niet in alle opzichten in zijn han-delen als registeraccountant erin geslaagd is de hoogste maatstaven na te leven, wat hem oprecht spijt. Het is de vraag of het gebrek aan medewerking, mede gezien de persoonlijke omstandigheden, van dien aard en ernst is dat een strafrechtelijke ver-oordeling op zijn plaats is. Het antwoord op die vraag zou nee moeten luiden, aldus de raadsman.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

4.4.1. Voorop staat dat de besloten vennootschap waaraan verdachte leiding gaf, zich aan het opzettelijk doen van onjuiste loonbelastingaangifte heeft schuldig gemaakt, terwijl dit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, zoals is ten laste gelegd. Met datzelfde doel heeft verdachte als leidinggevende, zoals hierna zal worden uiteengezet, opzettelijk geen medewerking verleend aan de Belastingdienst, in de persoon van [persoon 1], toen deze naar aanleiding van die aangiftes een boekenonderzoek wilde doen. Bij het onderzoek dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden, stuitte de Belastingdienst op verschillende facturen die op dezelfde geleverde diensten betrekking hadden. Het betreft hier facturen met vermelding van btw en facturen zonder vermelding van btw. Al deze facturen heeft verdachte opgemaakt. Aangezien zij niet naast elkaar kunnen bestaan en uit onderzoek is gebleken dat de facturen met btw niet vals zijn, heeft verdachte de facturen btw valselijk opgemaakt, zoals hierna uiteengezet zal worden.

4.4.2. Verdachte heeft verklaard de desbetreffende loonbelastingaangiftes te hebben gedaan, maar gezegd dat hij ze door middel van door hem ingediende zogeheten suppletieaangiftes heeft willen corrigeren. Niet aannemelijk is echter geworden dat verdachte (eigener beweging) suppleties heeft ingediend. Hieruit volgt dat de aangiftes opzettelijk onjuist zijn gedaan en dat verdachtes handelen ertoe strekte dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank in haar oordeel dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan, gesterkt door zijn onwillige houding ten opzichte van de Belastingdienst, toen deze een boekenonderzoek wilde instellen, en door de valse facturen die bij verdachte zijn aangetroffen.

4.4.3. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft onderschat dat zijn non-coöperatieve opstelling jegens de Belastingdienst werd gezien als het opzettelijk niet willen meewerken aan een boekenonderzoek en mede het gevolg van privéproblemen was. Hoewel de rechtbank niets aan de ernst van de persoonlijke problemen van verdachte wil afdoen, blijkt uit de stukken dat hij eigenlijk alleen initiatief toonde, als het ging om afzeggen van afspraken. Daarbij heeft hij ook niet geschuwd de Belastingdienst voor te liegen of de zaken anders voor te spiegelen dan zij in werkelijkheid waren. Zo heeft verdachte de afspraak van 30 augustus 2006 niet laten doorgaan, omdat hij in het buitenland zou verblijven, terwijl uit zijn agenda blijkt dat hij in die periode gewoon heeft gewerkt. De Belastingdienst heeft later een nieuwe afspraak gemaakt voor 19 februari 2007. Verdachte heeft op 15 februari 2007 laten weten laten weten dat in verband met zijn verblijf in het ziekenhuis de afspraak van 19 februari 2007 niet kon doorgaan. Uit het dossier blijkt dat op 8 februari 2007 bij verdachte een aantal pennen uit zijn arm is verwijderd die daar in april 2006 waren geplaatst in verband met een armbreuk. Het moet er dus voor worden gehouden dat het een geplande operatie betrof waarover verdachte de Belastingdienst al veel eerder had kunnen informeren. Uit een brief van het ziekenhuis van 26 februari 2007 blijkt bovendien dat het postoperatieve beloop ongecompliceerd was en dat verdachte nog de dag van de operatie het ziekenhuis in goede conditie kon verlaten. Het enige advies dat verdachte werd gegeven, was dat hij gedurende vier weken piekbelasting moest mijden. Er was kortom geen reden de desbetreffende afspraak af te zeggen.

Verdachte is dan opzettelijk bezig geweest het onderzoek van de Belastingdienst zo lang mogelijk uit te stellen en heeft aldus geen medewerking verleend.

4.4.4. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet verlenen van medewerking ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven. Het niet verlenen van medewerking was naar zijn aard en in het algemeen geschikt om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven (Hoge Raad 26 juni 2001, LJN ZD2493). Pas na onderzoek in de in beslag genomen administratie bleek dat onjuiste aangiften loonbelasting waren gedaan en dat te weinig btw was afgedragen.

4.4.5. Aannemelijk is dat het niet meewerken aan het onderzoek verband houdt met het feit dat onregelmatigheden in de administratie van verdachtes bv bestonden. Uit de stukken blijkt dat verdachte een managementovereenkomst heeft gesloten met De Zeeuw & De Keizer. In deze overeenkomst (artikel 2) is neergelegd welke bedragen verdachte maandelijks kon factureren en dat deze bedragen exclusief btw waren. Hieruit volgt dat de managementwerkzaamheden belast waren voor de omzetbelasting. In het onderzoek zijn twee verschillende soorten facturen aan het licht gekomen. Bij De Zeeuw en De Keizer zijn de facturen waarop btw staat vermeld, aangetroffen en in de administratie van verdachte facturen zonder vermelding. Uit de verklaring van [persoon 2] van De Zeeuw & De Keizer volgt dat de facturen die bij De Zeeuw & De Keizer zijn gevonden, de facturen zijn die aan verdachte zijn betaald en dat de op die facturen vermelde btw is verrekend. Geconfronteerd met de facturen die bij verdachte zijn aangetroffen, verklaart Veenenbos dat hij deze facturen niet kent en dat hij ze, gelet op de facturen die in hun administratie zijn opgenomen, omschrijft als fraude.

De facturen die bij De Zeeuw & De Keizer zijn aangetroffen, zijn in overeenstemming met de managementovereenkomst die verdachte heeft gesloten. De facturen die verdachte ook heeft opgemaakt, maar zonder vermelding van btw, kunnen niet sporen met facturen waarop wel melding is gemaakt van btw. De facturen die in verdachtes administratie zijn gevonden, zijn dan ook valselijk opgemaakt, met het kennelijke doel om te verdoezelen dat ten onrechte geen omzetbelasting was aangegeven. Dat verdachte deze facturen niet heeft overgelegd of naar derden toe als bewijsmiddel heeft gepresenteerd, doet hieraan niet af. Het gebruik als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden (Hoge Raad 25 april 2006, LJN AV1628) en evenmin hoeft het gebruik dat wordt beoogd, het gebruik te zijn waarvoor het geschrift is bedoeld (Hoge Raad 18 februari 1958, 295).

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan in die zin dat

1. [bedrijf van verdachte] B.V. van 1 april 2003 tot en met 7 februari 2006 te Am-stelveen en te Hoofddorp of te Heerlen, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aan-giften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen:

- over de maand april 2003 (D-028) en

- over de maand mei 2003 (D-029) en

- over de maand juni 2003 (D-030) en

- over de maand juli 2003 (D-031) en

- over de maand augustus 2003 (D-032) en

- over de maand september 2003 (D-033) en

- over de maand oktober 2003 (D-034) en

- over de maand november 2003 (D-035) en

- over de maand december 2003 (D-036) en

- over de maand januari 2004 (D-037) en

- over de maand februari 2004 (D-038) en

- over de maand maart 2004 (D-039) en

- over de maand april 2004 (D-040) en

- over de maand mei 2004 (D-041) en

- over de maand juni 2004 (D-042) en

- over de maand juli 2004 (D-043) en

- over de maand augustus 2004 (D-044) en

- over de maand september 2004 (D-045) en

- over de maand oktober 2004 (D-046) en

- over de maand november 2004 (D-047) en

- over de maand december 2004 (D-048) en

- over de maand januari 2005 (D-049) en

- over de maand februari 2005 (D-050) en

- over de maand maart 2005 (D-051) en

- over de maand april 2005 (D-052) en

- over de maand mei 2005 (D-053) en

- over de maand juni 2005 (D-054) en

- over de maand juli 2005 (D-055) en

- over de maand augustus 2005 (D-056) en

- over de maand september 2005 (D-057) en

- over de maand oktober 2005 (D-058) en

- over de maand november 2005 (D-059) en

- over de maand december 2005 (D-060),

onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op de ingeleverde aangiftebiljetten loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemde maanden geen verschuldigde loonbelasting en premievolksverzekering opgege-ven/ingevuld of doen opgeven/invullen, terwijl in werkelijkheid loonbelasting en premie volksverzekering verschuldigd was, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot welke vorenomschreven feiten hij, ver-dachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

2. hij op in de periode van 16 januari 2003 tot en met 13 november 2003 in te Am-stelveen of elders in Nederland, 11 facturen (D-108 tot en met D-118) - geschrif-ten die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft op-gemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid die facturen zonder vermelding van btw opgemaakt, terwijl in werkelijkheid wel btw ver-schuldigd was, telkens met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3. [bedrijf van verdachte] B.V. in de periode 24 juli 2006 tot en met 29 maart 2007 te Amstelveen of Amsterdam of elders in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het verlenen van medewerking als bedoeld in arti-kel 52, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, opzettelijk deze niet heeft verleend, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd ge-heven, immers na het verstrekken van inzage op 30 maart 2007 bleek dat te wei-nig omzetbelasting en te weinig loonbelasting werd geheven, aan welke voren-omschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen

9.1. De eis van de officier van justitie

9.1.1. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft haar eis – zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd.

9.1.2. Verdachte en zijn bv hebben een belastingcontrole gefrustreerd en onjuiste aangiften loonbelasting gedaan met een belastingnadeel van afgerond € 68.000 als gevolg. Dit is een aanmerkelijk bedrag waarmee de Staat en de hele samenleving be-nadeeld zijn. Voorts heeft verdachte valsheid in geschrift gepleegd. Deze gedragin-gen kunnen vooral verdachte, tevens als directeur grootaandeelhouder van [bedrijf van verdachte] BV, ernstig worden aangerekend en wel om twee redenen. Verdachte is registeraccountant en vervult daarmee een voorbeeldfunctie. Hij heeft aldus een positie waaraan anderen, waaronder bijvoorbeeld de Belastingdienst, het vertrouwen ontlenen dat alles wel op orde zal zijn. Die voorbeeldfunctie heeft verdachte niet vervuld. Hij heeft voorts het vertrouwen in de beroepsgroep geschaad. De tweede re-den is, dat de valsheid in geschrift zoals door verdachte gepleegd, listig c.q. geraffi-neerd is, helemaal in combinatie met de geantedateerde suppleties en het presenteren aan de rechter-commissaris en het Openbaar Ministerie van de achteraf herziene ad-ministratie als de juiste administratie.

9.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring de straf te matigen op grond van het evenredigheidsbeginsel. Verdachte is al gestraft. Hij is uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel en probeert zich nu te richten op andere werkzaamheden. Vanaf september 2011 is hij zich aan het oriënteren op de arbeidsmarkt en op zoek naar een baan als docent en/of interim-manager om in zijn levensonderhoud te voor-zien. Hij verricht onbetaalde activiteiten voor de bv van zijn dochter Mercurius Fi-nancial Consultants B.V. en is verder bezig met het afwikkelen van de zaken van [bedrijf van verdachte]. Hij heeft dus weinig inkomsten en teert op de incasso van openstaande debiteuren. Als het zo doorgaat, stevent hij op een faillissement af. Dan zal niet alleen hij, maar ook zijn gezin de dupe zijn, aangezien hij ruim € 1100 ali-mentatie per maand moet betalen, aldus de raadsman.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

9.3.1. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de modaliteit daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

9.3.2. Verdachte heeft van begin 2003 tot eind 2005 leiding gegeven aan het opzette-lijk doen van onjuiste loonbelastingaangifte door zijn bv, een accountantskantoor. Als de Belastingdienst niet zou hebben ingegrepen, zou de fiscus en daarmee de hele samenleving, voor meer dan € 50.000 zijn benadeeld. Verdachte heeft dan ook uit ei-gen winstbejag gehandeld. Toen de Belastingdienst een (boeken)onderzoek wilde doen, heeft hij geen medewerking verleend. Integendeel, er was hem kennelijk veel aan gelegen dat het onderzoek geen doorgang zou vinden. Hij heeft daarbij gelogen en de ambtenaar van de Belastingdienst aan het lijntje gehouden. Uiteindelijk is ge-bleken dat verdachte zich ook heeft schuldig aan valsheid in geschrift door valse fac-turen te maken. De rechtbank neemt verdachte het plegen van deze misdrijven in het bijzonder kwalijk, omdat hij als registeraccountant beter zou moeten weten en een voorbeeldfunctie heeft. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte het blazoen van zijn beroepsgroep bevlekt.

9.3.3. De rechtbank zal verdachte daarom een werkstraf opleggen, zodat hij iets kan terugdoen voor de samenleving die hij heeft willen benadelen. De rechtbank zal niet zover gaan verdachte ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ver-dachte is nog niet eerder veroordeeld en het bewezen verklaarde heeft al weer enige jaren geleden plaatsgevonden. Wel zal hij worden veroordeeld tot een voorwaardelij-ke gevangenisstraf, enerzijds om zo ook de ernst van het bewezen verklaarde te on-derstrepen, anderzijds om verdachte ervan te weerhouden zich op nieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Verdachte heeft immers te kennen heeft gegeven veel waarde te hechten aan zijn registratie als registeraccountant en zal op enig moment weer een inkomen willen genereren, zodat niet uitgesloten is dat hij opnieuw in de verleiding zal komen het niet zo nauw te nemen met de wet.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 91 en 225 Sr en de artikelen 52, 68 en 69 Awr. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

1. Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechts-persoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3. Opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel f van de Wet inzake de rijksbelastingen (oud), terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk lei-ding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 (twee-honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar be-horen heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (hon-derd) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. A.A.M. van Oosten en A.C. Schaafsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2011.

De griffier is buiten staat dit

verkorte vonnis mede te ondertekenen.