Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ2022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10/2588
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat is ingediend. Dat eiser in dit geval niet eerder beroep heeft ingesteld ligt in beginsel binnen zijn risicosfeer.

Tevens is geoordeeld dat het op internet geplaatst en raadpleegbaar zijn van een bezwaarschriftenregeling waarin is vermeld dat een adviescommissie is ingesteld, niet als een mededeling in de zin van artikel 7:13, tweede lid, van de Awb kan worden beschouwd. Het niet doen van de bedoelde mededeling leidt ertoe dat een beslistermijn van zes weken geldt.

Voorts leidt het niet doen van een mededeling in de zin van artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb ertoe dat van opschorting van de beslistermijn geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/2588 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. L.A. van Kan,

tegen

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (voorheen: Oud-Zuid),

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 24 maart 2010, verzonden 25 maart 2010, heeft verweerder eiser wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslagen.

Bij fax van 30 maart 2010 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 30 september 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit bezwaar.

Bij besluit van 29 september 2010, verzonden 1 oktober 2010, heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 17 maart 2011, waar eiser bij gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder.

Motivering

1.1 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

1.2 Ingevolge artikel 6:7 van de Awb, voor zover van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

1.3 Ingevolge artikel 6:8 van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

1.4 Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking van het besluit aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

1.5 Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

1.6 Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Ingevolge artikel 7:10, tweede lid, van de Awb, wordt de termijn opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb doet het bestuursorgaan indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

1.7 Ingevolge artikel 7:13, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, is dit artikel van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld.

Ingevolge artikel 7:13, tweede lid, van de Awb, deelt het bestuursorgaan, indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.

2. Gesteld noch gebleken is dat het besluit van 24 maart 2010 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het besluit door verweerder op 25 maart 2010 is verzonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op

26 maart 2010 en is verstreken op 7 mei 2010.

3. De rechtbank stelt verder het volgende vast. Gebleken is dat ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb is ingesteld. In het licht van het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb in relatie tot artikel 7:13, tweede lid, van de Awb, had verweerder aan eiser in ieder geval binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift zou verstrijken, en daarmee uiterlijk op 18 juni 2010, mededeling moeten doen van het instellen van een adviescommissie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet uiterlijk op 18 juni 2010 heeft meegedeeld dat een adviescommissie is ingesteld teneinde over het bezwaar te adviseren. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat, anders dan verweerder heeft betoogd, het op internet geplaatst en raadpleegbaar zijn van de ‘Regeling behandeling bezwaren Stadsdeel Oud-Zuid’, waarin is vermeld dat een adviescommissie is ingesteld, niet als een mededeling in de zin van artikel 7:13, tweede lid, van de Awb kan worden beschouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de systematiek van artikel 7:13 in relatie tot artikel 7:10 van de Awb volgt dat de mededeling, hoewel vormvrij, eerst na de ontvangst van een bezwaarschrift kan geschieden, alsmede aan de indiener van het bezwaarschrift zelf gericht en op diens situatie toegesneden dient te zijn. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser er uiterlijk 18 juni 2010 schriftelijk dan wel mondeling van op de hoogte is gesteld dat een adviescommissie is ingesteld dan wel dat eiser daar uiterlijk op die datum van op de hoogte was. Nu binnen de voornoemde termijn geen mededeling is gedaan, gold voor het nemen van een beslissing op het bezwaarschrift een beslistermijn van zes weken. De rechtbank heeft voor deze conclusie aanknopingspunten gevonden in de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AU0145.

4. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bij brief van 1 april 2010 gebruik heeft gemaakt van de in artikel 6:6 van de Awb neergelegde bevoegdheid eiser in de gelegenheid te stellen een verzuim te herstellen. Gesteld noch gebleken is echter dat verweerder eiser overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb schriftelijk heeft meegedeeld dat als gevolg hiervan de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moest zijn beslist ingevolge het tweede lid van het laatstgenoemde artikel zou worden opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat ook in dit geval van opschorting van de beslistermijn geen sprake is (geweest).

5. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op vrijdag 18 juni 2010 op het bezwaar moeten beslissen. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat verweerder eerst op 14 juli 2010 en daarmee buiten de beslistermijn een verdagingsbesluit als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb heeft genomen. Van een rechtsgeldige verdaging en verlenging van de beslistermijn is aldus evenmin sprake (geweest). De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden.

6. Het vorenstaande betekent dat vanaf zaterdag 19 juni 2010 de mogelijkheid voor eiser bestond om verweerder schriftelijk in gebreke te stellen en na verloop van twee weken daarna een beroepschrift in te dienen tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). De vroegst mogelijke datum waarop eiser beroep kon instellen was daarmee 3 juli 2010. Gerekend vanaf die datum zijn tot het indienen van het beroepschrift op 30 september 2010 bijna drie maanden verstreken.

7. Vast staat dat eiser verweerder bij fax van 22 juni 2010 voor het eerst in gebreke heeft gesteld en dat verweerder niet binnen veertien dagen na deze ingebrekestelling heeft beslist.

8. Een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet aan een termijn gebonden, maar het is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Of sprake is van een onredelijk aangewend rechtsmiddel hangt af van de concrete omstandigheden die zich voordoen.

9. Gelet op het hiervoor geconstateerde tijdsverloop van bijna drie maanden is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift van eiser onredelijk laat is ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. Dat eiser niet eerder dan 30 september 2010 beroep heeft ingesteld ligt in beginsel binnen zijn risicosfeer. Dat verweerder eiser bij brief van 23 juni 2010 als reactie op de eerste ingebrekestelling van 22 juni 2010 heeft meegedeeld dat naar zijn mening de beslistermijn eerst zou verstrijken op 29 september 2010, doet daaraan niet af. Door eiser zijn geen zodanig bijzondere feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat van eiser niet had kunnen worden gevergd om eerder in beroep te komen.

10. Het beroep zal gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard.

11. Bij die beslissing is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2011 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.