Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP5496

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2010
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
350512 / HA ZA 06-2908
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:1968, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht, artikel 3:194 lid 2 BW is van toepassing op een wettelijke verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2011/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 350512 / HA ZA 06-2908

Vonnis van 15 december 2010

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

3. [C],

wonende te --,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E.J. Rasker te Amsterdam,

tegen

[D],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F.M.N. Janssen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de kinderen dan wel (ieder afzonderljk) [A], [B] en [C] respectievelijk de vader genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 25 oktober 2006, 24 oktober 2007 en 23 april 2008,

- de rolbeslissing van 30 december 2009, waarbij het verzoek van de kinderen tot het houden van een comparitie van partijen is afgewezen,

- de akte uitlating rapport mr. [E] van de kinderen van 27 januari 2010, met producties,

- de antwoordakte van de vader van 24 februari 2010,

- de akte houdende vermeerdering van eis plus overlegging stukken van de kinderen van 24 februari 2010, met producties,

- de akte van de vader van 10 maart 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie:

2.1. Met inachtneming van wat in de eerdere tussenvonnissen is overwogen, recapituleert de rechtbank als volgt.

2.1.1. Het gaat in deze zaak om de nalatenschap van de moeder van de kinderen tevens, op het moment van haar overlijden (22 juli 2004), echtgenote van de vader. De vader en de moeder waren in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Bij testament van 10 juni 2004 heeft de moeder over haar nalatenschap beschikt. Daarbij heeft zij – kort gezegd - bepaald dat haar nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat aan de vader alle goederen van de nalatenschap toekomen en aan ieder van de kinderen een geldvordering op de vader ter grootte van hun erfdeel, welke vordering eerst opeisbaar wordt in de in het testament genoemde omstandigheden. In het testament is de vader als executeur benoemd.

De vader is hertrouwd.

In conventie:

2.1.2. De kinderen hebben bij dagvaarding en akte houdende correctie eis gevorderd, samengevat:

voor recht te verklaren dat:

1. de vader door ten onrechte en welbewust in zijn boedelbeschrijving geen melding te maken van de tegoeden op de Bank Societé Generale Luxemburg en grondstukken op Madeira als erfgenaam geen recht meer heeft op deze waardes;

2. de vader paulianeus heeft gehandeld jegens eisers door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden c.q. willens en wetens onder ede een valselijke verklaring af heeft gelegd ter zake van de tot de gemeenschap(pelijke boedel) behorende gelden en zaken;

3. de vader na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebrachte vermogen niet langer privé-eigendom is gebleven, dan wel zal moeten worden verrekend;

4. de kosten van juridische bijstand die de kinderen ten deze hebben gemaakt ten laste komen van de boedel;

met veroordeling van de vader:

5. tot volledige opening van zaken betreffende de in het lichaam van de dagvaarding gemelde vraagpunten door overlegging van de bij brief van 4 maart 2006 gevraagde documenten met heldere schriftelijke toelichting;

idem ter zake van andere waardebestanddelen waarvan duidelijk wordt dat de vader deze bewust buiten de boedelbeschrijving heeft gehouden en tekst en uitleg te geven;

6. om rekening en verantwoording af te leggen van zijn taak als executeur testamentair aan een door de rechtbank ten laste van de boedel te benoemen onpartijdige deskundige (notaris);

6a. voorwaardelijk, namelijk ingeval de vader weigert mee te werken aan de vorderingen ex 5 en 6, respectievelijk de rechtbank meent dat de kinderen niet in hun vordering sub 7 kunnen worden ontvangen, de vader af te zetten als executeur met benoeming van een nieuwe executeur / vereffenaar;

7. om de kinderen ieder hun alsdan vastgestelde geldvordering te voldoen;

8. in de kosten van deze procedure.

2.1.3. In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank hierover als volgt geoordeeld.

De vordering sub 1 is toewijsbaar (rechtsoverweging 4.21). Daartoe heeft zij het volgende overwogen. Vastgesteld werd dat de huwelijksgoederengemeenschap van vader en moeder op de datum van het overlijden van moeder grond in Madeira en banktegoed in Luxemburg omvatte die vader opzettelijk heeft verzwegen.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 3:194 lid 2 BW de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap van een nalatenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten verbeurt. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat voor de nalatenschap van de moeder (waartoe die goederen voor de helft behoorden) dat, gelet op haar testament, de vader dit deel van de nalatenschap verbeurt en dat de overige erfgenamen het aandeel van de moeder in die goederen verkrijgen.

De vordering sub 2 is toewijsbaar voor zover het betreft het paulianeus handelen van de vader jegens de kinderen door willens en wetens onder ede een valselijke verklaring af te leggen ter zake van de tot de gemeenschap behorende gelden en zaken (rechtsoverweging 4.22).

De vordering sub 3 is niet toewijsbaar (rechtsoverweging 4.23).

De vordering sub 4 is toewijsbaar (rechtsoverweging 4.25).

De vordering sub 5 is toewijsbaar (rechtsoverweging 4.26).

De vordering sub 6 is toewijsbaar (rechtsoverwegingen 4.29 en 4.30). In dat kader is bij tussenvonnis van 23 april 2008 mr. [E] als deskundige benoemd tegenover wie de vader rekening en verantwoording moest afleggen over de alsnog op te stellen boedelbeschrijving. In dat kader is bij tussenvonnis eveneens R.F. van Dijk als deskundige benoemd om de vrije verkoopwaarde van het woonschip [F], --, te --, per 22 juli 2004 te taxeren.

2.2. Bij akte van 24 februari 2010 hebben de kinderen hun eis vermeerderd, in die zin dat

aan de vordering sub 1 wordt toegevoegd:

, door gelden, in de kluis, te verzwijgen en desgevraagd geen opgaaf te doen van andere waardebestanddelen,

respectievelijk door later in zijn informatie naar de deskundige andere waarden, waardebestanddelen, als niet limitatief vermeld in d.d. 27 januari 2010 te verzwijgen, c.q. tegen beter weten in vol te houden dat deze niet bestaan, dan wel lager (de rechtbank leest:) zijn,

als erfgenaam/deelgenoot geen recht meer heeft op deze waarden en deze op eerste vordering van eisers dient uit te betalen c.q. af te dragen

en aan de vordering sub 2:

welke gelden/geldswaarden en goederen daardoor direct door eisers opeisbaar zijn.

2.3. De vader verzet zich in de eerste plaats tegen de vermeerdering van eis omdat volgens hem de rechter in het vonnis van 24 oktober 2007 een eindbeslissing heeft genomen op de vorderingen sub 1 en sub 2.

Verder voert de vader aan dat artikel 3:194 BW hier niet van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat artikel 3:194 BW zich richt op de onverdeelde mede-eigendom, terwijl met het overlijden van de erflater geen onverdeelde mede-eigendom ontstaat, maar een directe transfer van alle goederen en schulden van de nalatenschap naar de langstlevende. Volgens hem is er ook geen aanleiding voor een analoge toepassing.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1. Juist is dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 24 oktober 2007 over de oorspronkelijke vorderingen sub 1 en sub 2 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist en daarmee een – niet in een einduitspraak vervatte – eindbeslissing heeft genomen. Dit vormt op zichzelf geen beletsel voor een vermeerdering van die vorderingen. Dit geldt temeer daar de vermeerdering inhoudt de oorspronkelijke vorderingen aan te vullen en die aanvulling in het verlengde van de oorspronkelijke vorderingen ligt. De rechtbank acht de vermeerdering dan ook niet in strijd met een goede procesorde. Het verzet van de vader tegen de vermeerdering kan niet slagen.

2.4.2. De rechtbank heeft haar beslissingen op de vorderingen sub 1 en sub 2 op artikel 3:194 BW gegrond en geoordeeld dat de vader op grond van dat artikel zijn aandeel in goederen in de nalatenschap van de moeder heeft verbeurd.

Het standpunt van de vader ten aanzien van artikel 3:194 BW komt er naar het oordeel van de rechtbank in wezen op neer dat de vader wenst dat de rechtbank terugkomt van deze eerdere beslissingen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een – niet in een einduitspraak vervatte – eindbeslissing de regel geldt dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens bijzondere omstandigheden. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, dit om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Voor de vraag of heroverweging hier op zijn plaats is, is het volgende van belang. Uitgangspunt is dat artikel 3:194 lid 2 BW geldt voor de bijzondere gemeenschappen die zijn vermeld in artikel 3:189 lid 2, zoals een nalatenschap. In het geval van een nalatenschap strekt het artikel ter bescherming van mede-erfgenamen.

Kernvraag is of het artikel ook van toepassing is op een wettelijke verdeling. Artikel 3:194 lid 2 BW is daarop niet rechtstreeks van toepassing, omdat in dat geval de nalatenschap immers al is verdeeld en de mede-erfgenamen ‘slechts’ een vordering op de langstlevende hebben. In de bepalingen over de wettelijke verdeling is geen regeling opgenomen voor het geval sprake is van bedrog bij het verschaffen van informatie. In de artikelen 4:15 en 4:16 BW, die gaan over de informatieverschaffing, boedelbeschrijving en vaststelling van de geldvordering van de mede-erfgenamen in het geval van een wettelijke verdeling, wordt ook niet uitdrukkelijk naar artikel 3:194 lid 2 BW verwezen, terwijl dat wel gebeurt naar andere artikelen in Boek 3 titel 7 BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter niet dat artikel 3:194 lid 2 BW welbewust is uitgesloten voor het geval er een wettelijke verdeling is. De rechtbank is van oordeel dat sprake lijkt te zijn van een omissie, mede omdat artikel 3:194 lid 2 BW er juist toe strekt de regel van artikel 4:1110 (oud) BW (welke van toepassing is op alle nalatenschappen) uit te breiden tot vergelijkbare gevallen. In aanmerking nemend dat de eisen van redelijkheid en billijkheid ook de rechtsverhouding tussen partijen (allen erfgenamen) beheersen, is een overeenkomstige toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW op de wettelijke verdeling aangewezen om in deze omissie te voorzien. Aldus moet de slotsom zijn dat voor heroverweging geen plaats is en dat de rechtbank in haar tussenvonnis terecht heeft geoordeeld dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is.

2.4.3. Partijen verschillen verder van mening of de vorderingen van de kinderen op grond van 3:194 lid 2 BW thans opeisbaar zijn. Volgens de vader niet; volgens de kinderen wel.

Volgens de vader kan toepasselijkheid van artikel 3:194 lid 2 BW er alleen toe leiden dat de niet-opeisbare vordering van de kinderen op de vader wordt verhoogd. Immers in het nieuwe erfrecht worden de goederen, verzwegen of niet, aan de langstlevende toebedeeld en komt aan de kinderen een niet-opeisbare vordering op de langstlevende toe wegens overbedeling. Bij verzwijging van een bestanddeel door de langstlevende zou analoog geredeneerd de niet-opeisbare vordering van de kinderen worden verhoogd met het aandeel van de langstlevende in het door hem verzwegen bestanddeel. Aldus de vader.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de vader. Juist is dat bij een wettelijke verdeling, zoals hier aan de orde, de goederen van de nalatenschap aan de langstlevende toekomen en dat daartegenover niet-opeisbare vorderingen van de kinderen op de langstlevende staan. Dat deze vorderingen van de kinderen niet-opeisbaar zijn, staat echter los van de vraag of de vorderingen van de kinderen op grond van artikel 3:194 lid 2 BW opeisbaar zijn. Voor de vraag of die vorderingen opeisbaar zijn, is van belang dat artikel 3:194 lid 2 BW het opzettelijk verzwijgen van een bestanddeel sanctioneert met het verbeuren van het aandeel van de verzwijger in dat bestanddeel. In het onderhavige geval kan met verbeuren van het aandeel worden gelijk gesteld het onmiddellijk opeisbaar zijn van de vorderingen, omdat dan, net als bij het verbeuren van het aandeel, de verzwijger geen rechten meer kan doen gelden op zijn aandeel in het verzwegen bestanddeel. Niet-opeisbaarheid van de vorderingen zou feitelijk geen sanctie voor de verzwijgende vader opleveren. In dat geval zou hij immers toch nog volledig gebruik kunnen maken van zijn aandeel in de door hem verzwegen bestanddelen en dat volledig kunnen verteren. Dit klemt temeer daar de vader heeft verklaard dat hij dit ook zal doen. De vorderingen uit hoofde van artikel 3:194 lid 2 BW zouden daarmee illusoir zijn, hetgeen in strijd zou zijn met het sanctiekarakter van artikel 3:194 lid 2 BW. De slotsom kan dan ook niet anders zijn dan dat de vorderingen van de kinderen uit hoofde van artikel 3:194 lid 2 BW opeisbaar zijn.

2.4.4. In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 is beslist dat de vader twee bestanddelen opzettelijk heeft verzwegen, namelijk grond in Madeira en banktegoed in Luxemburg, en dat de vader op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in moeders helft van die bestanddelen heeft verbeurd.

De kinderen stellen thans dat de vader ook gelden in de kluis heeft verzwegen en hebben hun vordering in die zin vermeerderd. De vader heeft erkend (extra) gelden in de kluis te hebben verzwegen en tevens dat bij toepasselijkheid van artikel 3:194 lid 2 BW daarmee rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal daarom, met partijen, ervan uitgaan dat op grond van artikel 3:194 lid 2 BW de vader ook zijn aandeel in moeders helft van de verzwegen gelden in de kluis heeft verbeurd.

Gezien het voorgaande betekent dit feitelijk dat de kinderen thans recht hebben op betaling door de vader van 1/8 van de waarde van het hele bestanddeel, namelijk vaders aandeel (1/4) in moeders helft van het bestanddeel.

2.4.5. Bij tussenvonnis van 23 april 2008 is mr. [E] (hierna: [E]) als deskundige benoemd en is aan haar de volgende vraag voorgelegd: Wilt u de vader tegenover u rekening en verantwoording doen afleggen over de alsnog op te stellen boedelbeschrijving, met inachtneming van al hetgeen in het tussenvonnis is overwogen?

[E] heeft een concept-boedelbeschrijving met toelichting, gedateerd 19 oktober 2009, opgemaakt. Hierop hebben partijen gereageerd bij brief aan de rechtbank, de vader bij brief van 9 november 2009 en (de raadsman van) de kinderen bij brief van 8 december 2009.

Bij de brief van 8 december 2009 hebben de kinderen aangegeven de concept-boedelbeschrijving met toelichting van [E] als haar definitieve rapportage te willen beschouwen, dit om verdere vertraging te voorkomen, en hun commentaar daarop te reserveren tot een later tijdstip in de procedure. Bij hun hierop volgende aktes hebben zij dat gedaan. Kort gezegd stellen de kinderen dat de boedelbeschrijving onvolledig, onduidelijk en op punten onjuist is.

Bij antwoordakte heeft de vader verzocht zijn brief van 9 november 2009 als daar herhaald en ingelast te beschouwen. Kort gezegd kan de vader zich vinden in de concept-boedelbeschrijving van [E], maar heeft hij deze in zijn brief van 9 november 2009 willen verduidelijken.

De toelichting van [E] houdt onder meer het volgende in:

“Aan het opstellen van deze concept-akte is een lange en vrij moeizame weg voorafgegaan. Er bestaat tussen erfgenamen groot verschil van mening over de waardering van bepaalde vermogensbestanddelen, maar het grootste probleem was het verkrijgen van meer zekerheid over de werkelijke samenstelling van de nalatenschap. Gaandeweg is duidelijk geworden dat de boedel een beduidend groter vermogen omvat dan uit de oorspronkelijke, onder ede afgelegde, boedelbeschrijving blijkt. Na een behoorlijk aantal gesprekken met beide partijen en de confrontatie van de executeur met voor handen zijnde stukken (…) heeft de heer [D] een beter inzicht gegeven in de werkelijke samenstelling van de nalatenschap. Hij heeft bij die gelegenheid en in de daarop volgende gesprekken, verklaard dat hij thans geen informatie meer achterhoud. Ik kan echter uiteraard op geen enkele wijze in staan voor de volledigheid van de beschrijving.

Het thans voorliggende stuk is gebaseerd op alle informatie die ik voor handen had, ik heb geen aanwijzingen meer dat er thans nog vermogensbestanddelen worden verzwegen, maar uiteraard der zaak en zeker ook gezien de ontwikkelingen in het verleden, kan ik daar nooit zekerheid over geven. De boedelbeschrijving is echter ook primair een opgave van de executeur, niet van de notaris. Hetzelfde geldt voor de “plaatsing van de goederen” in de omschrijving. De heer [D] volhardt in het opnemen van de vordering “Lochem” als onderdeel van de huwelijksgoederengemeenschap, hoewel het appartement te Lochem destijds onder een uitsluitingsclausule is verkregen, zijns inziens ontbreekt het causaal verband ter zake. Aangezien de beschrijving zijn verklaring is, heb ik deze beschrijving (en waardering) uiteindelijk (…) te volgen, hij legt immers de verklaring af.

(…)”

2.4.6. Met inachtneming van deze toelichting kan uit de boedelbeschrijving en de reacties daarop van partijen het volgen met betrekking tot de verzwegen bestanddelen worden afgeleid:

Grond Madeira

In haar toelichting heeft [E] weergegeven dat het voor haar onmogelijk is gebleken om een betrouwbare taxateur ter plaatse te vinden.

In de concept-boedelbeschrijving is de grond in Madeira gewaardeerd op € 325.000,--, de “waarde volgens taxatierapporten in bezit executeur”.

De kinderen betwisten deze waarde. Zij voeren aan dat de rapporten waarop de waarde is gebaseerd niet zijn overgelegd en zij deze daarom niet kunnen beoordelen. Ook heeft de vader volgens hen geen bankafschriften overgelegd of willen overleggen waaruit de aankoop- en verkoopbedragen blijken. De kinderen gaan daarom uit van een waarde van

€ 500.000,-, de waarde die de vader in juli 2005 daaraan heeft gegeven in zijn vermogensoverzicht aan zijn huidige echtgenote.

Hierop heeft de vader aangevoerd dat [E] afschriften heeft ontvangen van de koopprijs. Hij betwist niet dat op zijn lijstje voor zijn huidige echtgenote de waarde op € 500.000,-- is bepaald, maar stelt – naar de rechtbank begrijpt – dat dit bedrag onwerkelijk hoog was.

De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vader had gelegen de taxatierapporten over te leggen waarop de waardering van € 325.000,-- is gebaseerd. De rechtbank zal daarom uitgaan van de waarde van € 500.000,--, een waarde die de vader zelf eerder aan de grond in Madeira heeft toegekend. Zijn stelling dat die waarde onwerkelijk hoog was, heeft hij op geen enkele manier onderbouwd. De enkele stelling dat hij [E] afschriften van de koopprijs heeft gegeven, is daartoe onvoldoende, nu daarvan in deze procedure niets is gebleken en het – zeker in dit stadium van de procedure - op zijn weg had gelegen deze stukken over te leggen om zijn standpunt te onderbouwen.

Dat betekent dat de kinderen recht hebben op betaling door de vader van 1/8 van het bedrag van € 500.000,--, aldus € 62.500,--.

Banktegoed Luxemburg

In de concept-boedelbeschrijving staat een tegoed vermeld van € 257,63 (op rekening-courant) en € 210.358,-- (op spaarrekening), tezamen € 210.615,63.

De kinderen kunnen zich daarin vinden.

Dat betekent dat de kinderen op dit punt recht hebben op betaling door de vader van 1/8 van het bedrag van € 210.615,63, aldus € 26.326,95.

Gelden kluis

In de concept-boedelbeschrijving staat aan contanten een bedrag van € 30.000,-- genoemd. Oorspronkelijk had de vader hier een bedrag van € 5.000,-- opgegeven. Het verzwegen deel zou dan € 25.000,-- bedragen.

De kinderen hebben hierop verwezen naar een uitspraak van de vader aan zijn accountant [G] eind 2004 dat er € 40.000,-- aan contanten in de kluis ligt.

De vader heeft de gestelde uitspraak van hem aan zijn accountant niet betwist, maar voert aan, zo begrijpt de rechtbank, dat hij zich heeft vergist in de datum van “aangetoonde” opnamen van contant geld bij de bank in Luxemburg, om het extra bedrag van € 25.000,-- te verklaren.

Het is de rechtbank – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet duidelijk geworden waar de gestelde opnamen van contant geld bij de bank in Luxemburg door de vader zijn aangetoond. Wat daar echter ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat de vader niet duidelijk heeft gemaakt dat zijn uitspraak aan de accountant, die hij niet betwist, onjuist was, laat staan dat hij daarvan stukken heeft overgelegd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.

De rechtbank zal daarom uitgaan van een bedrag van € 40.000,-- in de kluis, waarvan

€ 35.000,-- is verzwegen.

Dat betekent dat de kinderen recht hebben op betaling door de vader van 1/8 van het bedrag van € 35.000,--, aldus € 4.375,--.

2.4.7. Op grond van het voorgaande hebben de kinderen in verband met de verzwegen bestanddelen thans recht op betaling door de vader van € 62.500,-- + € 26.326,95 +

€ 4.375,-- = € 93.201,95.

2.4.8. Met betrekking tot de waarde van de woonark heeft het volgende te gelden. In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank overwogen dat een nieuwe taxatie was aangewezen (rechtsoverweging 4.34). Bij tussenvonnis van 23 april 2008 heeft de rechtbank daartoe deskundige R.F. van Dijk benoemd om de vrije verkoopwaarde van de woonark per 22 juli 2004 te taxeren (rechtsoverweging 3.6). Bij (gelijkluidende) brieven van 13 november 2008 heeft de rechtbank aan partijen laten weten niet langer aanleiding te zien deze deskundige een taxatie te laten verrichten. De inhoud van de brief luidt als volgt:

“Bij fax van 7 mei 2008 en 19 september 2008 heeft mr. Janssen namens [D] aangegeven dat partijen reeds beschikken over een in gezamelijke opdracht uitgebracht taxatierapport van de woonboot. [D] heeft daarom aangegeven niet bereid te zijn aan een derde taxatie mee te werken.

Mr. Rasker heeft bij fax van 16 mei 2008 en 1 oktober 2008 namens de kinderen bevestigd dat de heer [H] op verzoek van beide partijen op 14 februari 2008 een taxatie heeft verricht. De kinderen maken echter bezwaar tegen deze taxatie, aangezien deze taxatie sterk afwijkt van een door een andere makelaar verrichte taxatie. Voorts hebben de kinderen aangevoerd dat de taxatie niet voldoet aangezien uitsluitend de woonark is getaxeerd en niet de woonark plus ligplaats. [D] dient derhalve aan het in het tussenvonnis bepaalde te voldoen en de kinderen verzoeken de rechtbank daarom te bepalen dat [D] het voorschot dient te voldoen.

Nu partijen in gezamenlijk overleg een taxatie door de heer [H] hebben laten verrichten, ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals in het tussenvonnis van 23 april 2008 is bepaald, de heer Van Dijk alsnog een taxatie te laten verrichten. Immers is zowel in het tussenvonnis van 24 oktober 2007 als van 23 april 2008 vooropgesteld dat partijen in onderling overleg een taxatie konden doen plaatsvinden, en dat een taxatie in opdracht van de rechtbank daarmee overbodig zou zijn. Nu er een op gemeenschappelijk verzoek uitgevoerde taxatie is, zijn partijen daaraan ook gebonden tenzij sprake is van zwaarwegende en steekhoudende argumenten voor het tegendeel. Daartoe is voorshands niet voldoende dat een andere makelaar anders heeft getaxeerd.

Uit de brief van mr. Rasker begrijpt de rechtbank dat de kinderen zich op het standpunt stellen dat de taxatie van de heer [H] niet voldoet, aangezien de waarde van de ligplaats niet is meegenomen in de taxatie. Naar het zich nu laat aanzien zal een dergelijke omissie op eenvoudige wijze kunnen worden hersteld door de heer [H], middels een aanvullend taxatierapport. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hierom in onderling overleg aan de heer [H] zullen verzoeken.

Indien partijen geen overeenstemming mochten bereiken over het laten verrichten van een aanvullende taxatie door de heer [H], dienen partijen dit bij akte aan de rechtbank kenbaar te maken. De rechtbank verzoekt partijen dan om het eerder door de heer [H] uitgebrachte taxatierapport, de vraagstelling aan die deskundige en de aan het taxatierapport ten grondslag liggende stukken in het geding te brengen. De rechtbank zal vervolgens bepalen of een aanvullende taxatie noodzakelijk is, waarbij het vooralsnog in de rede lijkt te liggen dat de rechtbank zo nodig de heer [H] tot zodanige aanvullende taxatie opdracht zal geven.”

Bij fax van 19 december 2008 van mr. Rasker hebben de kinderen bij nader inzien erkend dat de in gezamenlijke opdracht door [H] verrichte taxatie tot een bedrag van

€ 478.870,-- zowel de waarde van woonboot als die van de ligplaats vertegenwoordigt.

De rechtbank is van oordeel dat daarom van de waarde van € 478.870,-- moet worden uitgegaan.

De vervolgens in opdracht van de kinderen door Van Dijk verrichte taxatie, slechts een zichttaxatie, maakt dat niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat zij in voornoemde brief van 13 november 2008 heeft overwogen. De kosten van de taxatie door Van Dijk zullen voor rekening van de kinderen moeten blijven.

2.4.9. Ten aanzien van de overige geschilpunten van partijen acht de rechtbank het raadzaam om een comparitie van partijen te bepalen, om een schikking te beproeven dan wel om het verdere verloop van de procedure te bespreken.

Dan zullen onder meer de volgende onderwerpen aan de orde komen:

a. de waarde van (de aandelen in) [I] B.V., waarvoor in de concept-boedelbeschrijving een bedrag van € 301.356,-- is opgenomen; de kinderen willen in dat kader inzage in de boekhouding en in de jaarrekening en beantwoording van hun vragen door een onafhankelijke registeraccountant. De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van artikel 4:16 lid 4 BW in beginsel recht op inzage hebben.

b. de tegoeden op de diverse bankrekeningen, waarvoor in de concept-boedelbeschrijving een bedrag van € 614.489,-- is opgenomen. In haar voorlopig rappport heeft [E] dit bedrag als volgt gespecificeerd:

(1) girorekening 9483065 € 108.583,53

en de daaraan gekoppelde spaarrekening € 308.389,69

(2) Raborekening 32.46.69.917

Saldo per 31/12/2004 € 4.883,68

Saldo per 1/1/2004 € 16.552,14

Internetbonussparen 3030.409.260 nihil

(3) girorekening 12.13.675 per 12/10/2007 € 25.822,85

(4) girorekening 43.76.520 per 12/10/2007 € 40.341,52

(5) Rabo telespaar 32.83.53.76.15 per 31/12/2004 € 5.200,--

(6) OHRA Bank 73.42.44.517 € 13.096,73

(7) Spaarbeleg 61.10.254 per 1/1/2005 € 62.903,77

(8) Rabo Tilburg, beleggingsrekening17.54.64.758 € 10.200,--

(9) ABN AMRO Effectendepot 57.30.60.584

Waarde per 31/12/2004 nihil

Waarde per 31/12/2003 € 4.907,80

(10)ABN AMRO privérekening 57.30.60.584

Saldo per 31/12/2004 nihil

Saldo per 31/12/2003 € 1.218,64

Daarbij heeft [E] opgemerkt dat het bedrag van € 614.489,-- van de op dat moment aan haar bekende rekeningen lager is dan het oorspronkelijk door de vader in de boedelomschrijving opgenomen bedrag, reden waarom zij de vader heeft verzocht haar mee te delen welke rekening in haar overzicht ontbreekt. Zij heeft daarbij nog aangetekend dat het verschil mogelijk ook verklaard kan worden doordat de peildata die haar ter beschikking stonden vaak niet gelijk vielen met de overlijdensdatum.

De kinderen hebben in de brief van hun advocaat van 4 maart 2006 aan de vader, waarnaar zij ook nu weer verwijzen, om kopieën van de bankafschriften over de periode april 2003 – augustus 2004 verzocht. De vader heeft deze stukken niet aan hen verstrekt en, zoals uit het rapport van [E] lijkt te volgen, ook niet aan [E]. De rechtbank is van oordeel dat de kinderen op grond van artikel 4:16 lid 4 BW in beginsel recht hebben op de gevraagde informatie.

c. de vorderingen op [C], waarvoor in de concept-boedelbeschrijving de bedragen

€ 82.747,70 respectievelijk € 9.015,88 zijn opgenomen. De kinderen willen een specificatie van die bedragen en een toelichting op de in de concept-boedelbeschrijving onder B.3 opgenomen schuld met betrekking tot deze leningen. De rechtbank is van oordeel dat ook hier geldt dat de kinderen op grond van artikel 4:16 lid 4 BW in beginsel recht hebben op de gevraagde informatie.

d. de vordering Lochem, waarvoor in de concept-boedelbeschrijving een bedrag van

€ 224.804,-- is opgenomen. Volgens de kinderen gaat het om een bedrag van € 227.237,92, maar betreft het verschil wellicht de kostenveroordeling. Uit het rapport [E] is het verschil niet te verklaren; uit de stellingen van [D] evenmin. Het is de rechtbank niet duidelijk of met de opneming van de vordering voor dit bedrag in de boedelbeschrijving de bezwaren van de kinderen op dit punt zijn weggenomen. Zo niet dan zullen de kinderen hun standpunt dienen te verduidelijken. Ook zal dan de vader zijn standpunt ter zake dienen te verduidelijken, in het bijzonder zal hij de toelichting in zijn brief van 9 november 2009 dienen te verduidelijken, gelet op de opmerkingen van de kinderen in hun akte van 27 januari 2010.

e. de kosten executele

f. de pensioenrechten en bonus Tanzania, welke posten volgens de kinderen ten onrechte niet in de boedelschrijving staan vermeld.

3. De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

3.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op een of meer punten ter terechtzitting van mr. G.A. Bouter-Rijksen in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220 op maandag 7 maart 2011 van 13.00 tot 16.30 uur,

3.2. bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

3.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank – ter attentie van de roladministratie van de sector ciciel – om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

3.4. bepaalt dat indien partijen informatie willen overleggen deze uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

in conventie en in reconventie:

3.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bouter - Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2010.?