Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:569

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-05-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/02367
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1874, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Sociaal verzekeringsrecht. Incasso eigen bijdragen voor thuiszorg (AWBZ en WMO). Facturen besluiten in de zin van art. 1:3 Awb. Vaststelling hoogte van de bedragen (HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94). Formele rechtskracht. Bekendmaking in de zin van art. 3:41 lid 2 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/02367

mr. Keus

Zitting 1 mei 2015

Conclusie inzake:

het zelfstandig bestuursorgaan met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid CAK als rechtsopvolger van Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK BZ) B.V.

(hierna: het CAK)

eiser tot cassatie

advocaat: mr. M.W. Scheltema

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder])

verweerder in cassatie

advocaat: mr. H.J.W. Alt

In deze zaak is de vraag aan de orde of het hof de formele rechtskracht van bepaalde facturen van het CAK heeft miskend. Daarnaast speelt de vraag of de verschuldigdheid van de eigen bijdragen ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) 1 en de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo)2 rechtstreeks uit deze wetten en de daarbij behorende besluiten voortvloeit, in die zin, dat voor de invordering van die eigen bijdragen überhaupt geen beschikking noodzakelijk zou zijn.

1 Feiten3en procesverloop

1.1

[verweerder] heeft gedurende een aantal jaren tot midden 2009 thuiszorg in de vorm van huishoudelijke hulp ontvangen.

1.2

Het CAK heeft in de periode van 17 januari 2006 tot en met 29 juni 2009 ten name van [verweerder] een aantal facturen uitgeschreven tot een totaalbedrag van € 3.658,28 wegens eigen bijdrage zorg zonder verblijf in de periode van 10 oktober 2005 tot en met 19 april 2009.

1.3

[verweerder] heeft deze facturen niet betaald.

1.4

Bij exploot van 6 mei 2010 heeft het CAK [verweerder] doen dagvaarden voor de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Gorinchem (hierna: de kantonrechter). Het CAK heeft gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.658,28 ter zake van onbetaald gebleven facturen, vermeerderd met een bedrag van € 841,48 aan wettelijke rente vanaf 14 dagen na factuurdatum tot 6 mei 2010 en een bedrag van € 895,53 aan buitengerechtelijke kosten. Het CAK heeft zijn vordering beperkt tot een bedrag van in totaal € 5.000,- en heeft afstand gedaan van hetgeen het daarboven te vorderen heeft. [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.5

Bij tussenvonnis van 14 juni 2010 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bevolen, welke comparitie op 16 augustus 2010 heeft plaatsgehad. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd. Bij vonnis van 14 maart 2011 heeft de kantonrechter [verweerder] veroordeeld aan het CAK een bedrag van € 4.499,76 te betalen, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft de kantonrechter afgewezen. Aan zijn oordeel heeft de kantonrechter onder meer ten grondslag gelegd dat de facturen voldoende helder zijn onderbouwd en dat [verweerder] de vermelde uren en de hoogte van de eigen bijdrage niet heeft betwist. Dat [verweerder] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij onbekend was met de eigen bijdrage, kan hem volgens de kantonrechter niet baten, nu dit een omstandigheid is die voor zijn rekening en risico komt (rov. 4).

1.6

Bij exploot van 10 juni 2011 heeft [verweerder] bij het hof ’s-Gravenhage hoger beroep tegen het vonnis van 14 maart 2011 ingesteld. Nadat het hof bij tussenarrest van 23 augustus 2011 een comparitie van partijen had gelast, welke comparitie op 7 oktober 2011 heeft plaatsgehad, heeft [verweerder] bij memorie van grieven één grief voorgesteld. Het CAK heeft deze grief bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben partijen nog een akte genomen.

1.7

Bij eindarrest van 4 februari 2014 heeft het hof Den Haag het vonnis van de kantonrechter van 14 maart 2011 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] veroordeeld om ter zake van facturen die betrekking hebben op het jaar 2009 aan het CAK een bedrag van € 126,66 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot de dag van betaling. Het hof heeft de vordering van het CAK voor het overige afgewezen en het CAK veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Daartoe heeft het - voor zover in cassatie nog van belang - het volgende overwogen:

“3.6 Bij de aanvang van de vorderingsperiode werden de bijdragen in de kosten van zorg zonder verblijf geregeld door het Bijdragebesluit zorg. Volgens artikel 16d van dat besluit moest de bijdrage worden berekend naar evenredigheid van het aantal uren waarin de zorg verleend werd, in elke periode van vier weken tot een maximum dat met inachtneming van gezinssituatie en inkomen werd vastgesteld. De verschuldigde bijdrage was dus afhankelijk van het zorgbedrag in een bepaalde periode (hierna: het periodebedrag) en het vastgestelde maximum (hierna: de maximale periodebijdrage) en wel aldus dat de laagste van die beide bedragen verschuldigd was. In de loop van de vorderingsperiode zijn de toepasselijke bepalingen veranderd, maar de hiervoor beschreven systematiek is ongewijzigd gebleven. Deze systematiek brengt met zich dat [verweerder] verplichting tot betaling van een bepaalde bijdrage voortvloeit uit de combinatie van de vaststelling van de maximale periodebijdrage en de vaststelling van het periodebedrag.

3.7

Het CAK heeft gesteld dat haar rechtsvoorganger bij jaarlijkse beschikkingen de maximale periodebijdrage steeds voor een jaar heeft vastgesteld. Vervolgens werd bij periodieke facturen voor elke periode het periodebedrag vastgesteld, de reeds eerder vastgestelde maximale periodebijdrage vermeld en het laagste van deze beide bedragen in rekening gebracht. Deze facturen zijn volgens het CAK wat betreft de vaststelling van de omvang van de ontvangen zorg ook aan te merken als beschikkingen in de zin van artikel 1:3 tweede lid jº artikel 4:86 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.8

Het hof merkt op dat het de verwijzing naar artikel 4:86 Awb onjuist acht, nu die bepaling eerst per 1 juli 2009 in werking is getreden en op de onderhavige zaak toepassing mist. Overigens kan het zich ermee verenigen dat de facturen aangemerkt moeten worden als beschikkingen in de zin van de Awb tot vaststelling van de omvang van de verleende zorg en van het daarbij passende periodebedrag. Ook de vaststellingen van de maximale periodebijdrage dienen als beschikkingen in de zin van de Awb te worden beschouwd.

3.9

[verweerder] bestrijdt dat ook niet, maar hij ontkent de jaarlijkse beschikkingen en de periodieke facturen ooit te hebben ontvangen. Het CAK stelt dat deze documenten wel aan [verweerder] zijn toegezonden (zonder te pretenderen dat zij over bewijs daarvoor beschikt), maar voegt daaraan toe dat anders met de overlegging in rechte deze beschikkingen wel op een aan de wet voldoende wijze zijn bekendgemaakt. Op zichzelf acht het hof dat juist omdat het de overlegging in rechte beschouwt als een geschikte wijze van bekendmaking in de zin van artikel 3:41 tweede lid Awb ten aanzien van personen die in het geding verschenen zijn. Evenwel zijn niet alle relevante beschikkingen in dit geding overgelegd. In eerste aanleg zijn wel de facturen overgelegd en in hoger beroep ook de beschikking tot vaststelling van de maximale periodebijdrage over 2009. De jaarlijkse beschikkingen over eerdere jaren zijn echter niet overgelegd en het CAK heeft doen weten dat die beschikkingen slechts eenmalig aan de klant worden verstrekt en “dus” niet meer kunnen worden overgelegd.

3.10

Hieruit volgt dat niet kan worden geconstateerd dat voor de jaren 2005 tot en met 2008 een maximale periodebijdrage is vastgesteld en, als dat wel gebeurd mocht zijn, dat die vaststellingen aan [verweerder] zijn bekendgemaakt, bij gebreke waarvan zij ingevolge artikel 3:40 Awb niet in werking zijn getreden. Het ontbreekt de facturen over deze jaren daarom aan een toereikende grondslag. De vordering van het CAK dient in zoverre te worden afgewezen. Het bewijsaanbod van het CAK zal het hof passeren, omdat het niet is gespecificeerd.

3.11

Voor zover de vordering betrekking heeft op het jaar 2009, wordt zij gedragen door de overgelegde beschikking tot vaststelling van de maximale periodebijdrage over 2009 en door de overgelegde facturen van 1 mei 2009, 2 juni 2009 (gedeeltelijk) en 29 juni 2009. Daaraan zou het niet in de weg staan als die stukken niet voor aanvang van het geding aan [verweerder] zijn toegezonden. Deze beschikkingen hebben formele rechtskracht en de civiele rechter heeft van de rechtmatigheid ervan uit te gaan.

3.12

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering van het CAK met vernietiging van het bestreden vonnis dient te worden toegewezen voor zover betrekking hebbende op het jaar 2009, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na factuurdatum, nu tegen deze rentevordering geen zelfstandig verweer is gevoerd. Het CAK dient als in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van beide instanties.”

1.8

Bij exploot van 25 april 2014 heeft het CAK - tijdig - beroep in cassatie tegen het arrest van 4 februari 2014 ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna het CAK heeft gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het CAK heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel omvat drie onderdelen (1-3), waarvan onderdeel 1 in twee subonderdelen (1.1-1.2) uiteenvalt.

2.2

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3.6. Het subonderdeel betoogt dat indien ’s hofs beslissing in rov. 3.6 aldus moet worden begrepen dat voor de verschuldigdheid en/of de mogelijkheid van invordering van de bijdrage voor de verleende zorg een (vaststellings)beschikking (ten aanzien van de maximale periodebijdrage) en/of een factuur noodzakelijk is, het hof heeft miskend dat de verschuldigdheid van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ en/of Wmo rechtstreeks uit die wetten en de daarbij behorende besluiten voortvloeit. Daartoe verwijst het onderdeel naar art. 6 lid 4 AWBZ en de art. 16d en 16e Bijdragebesluit zorg4, alsmede naar art. 15 Wmo en art. 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning5. Volgens het subonderdeel moet de burgerlijke rechter, in het geval beschikkingen ontbreken of onduidelijk is of deze zijn genomen, beoordelen of de door het CAK gevorderde bedragen met de AWBZ respectievelijk de Wmo en de daarop gebaseerde regelingen in overeenstemming zijn.

2.3

Volgens subonderdeel 1.2 vitieert gegrondbevinding van subonderdeel 1.1 ook het oordeel in rov. 3.10 dat het de facturen over de jaren 2005-2008 aan een toereikende grondslag ontbreekt.

2.4

Onderdeel 2 betoogt dat het hof heeft miskend dat (ook) de facturen over de jaren 2005-2008 formele rechtskracht toekomt. Volgens het onderdeel is ’s hofs beslissing in rov. 3.8-3.10, zonder nadere motivering, die ontbreekt, in ieder geval onbegrijpelijk, gelet op zijn (rechtens juiste) overweging in rov. 3.11 dat aan de facturen uit het jaar 2009 formele rechtskracht toekomt. Niet valt in te zien waarom dat voor de jaren 2005-2008 anders zou zijn. Naar het hof in rov. 3.8 rechtens juist heeft beslist, zijn de facturen immers aan te merken als besluiten waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb heeft opengestaan, aldus het onderdeel. Het onderdeel betoogt verder dat het volgens het hof ontbreken van een toereikende grondslag voor de facturen over de jaren 2005-2008 ontoereikend is voor zijn beslissing in rov. 3.10 dat aan die facturen geen formele rechtskracht toekomt. De formele rechtskracht geldt volgens het subonderdeel immers ook voor beschikkingen die een toereikende grondslag ontberen en waarvan vaststaat dat zij, zo daartegen tijdig bezwaar zou zijn gemaakt en beroep zou zijn ingesteld, zouden zijn vernietigd.

2.5

Onderdeel 3 betoogt dat de onderdelen 1-2 bij gegrondbevinding ook ’s hofs beslissing in rov. 3.12 vitiëren.

2.6

De klacht van onderdeel 2 is de meest verstrekkende. Als die klacht doel treft, behoeft immers niet meer aan de orde te komen of de verschuldigdheid en/of de mogelijkheid van invordering van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ en/of Wmo rechtstreeks uit die wetten en de daarbij behorende besluiten voortvloeit en of het de bedoelde facturen, in de woorden van het hof, aan een toereikende juridische grondslag ontbreekt. Formele rechtskracht van een besluit impliceert immers dat de burgerlijke rechter dat besluit, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming, voor geldig en rechtmatig moet houden. Ik zal de klacht van onderdeel 2, te weten dat het hof heeft miskend dat de facturen over de jaren 2005-2008 formele rechtskracht hebben, dan ook als eerste bespreken.

2.7

Het leerstuk van de formele rechtskracht houdt in dat wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, de burgerlijke rechter, zo deze beroepsgang niet is gebruikt, in geval de geldigheid van de beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, ervan dient uit te gaan dat die beschikking, zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft, met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen in overeenstemming is. Dit volgt uit het standaardarrest Heesch/Van de Akker6. Dat het leerstuk van de formele rechtskracht ver strekt, blijkt uit de volgende overweging in dit arrest:

“3.3.2 (…) Dit geldt in beginsel ook dan, indien dit de burgerlijke rechter ertoe zou nopen aan zijn uitspraak de rechtsgeldigheid ten grondslag te leggen van een beschikking waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat zij, als daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd. (…)”

Het leerstuk berust op de gedachte dat een doelmatige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter is geboden7.

2.8

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94, AB 2015/90 m.nt. F.J. van Ommeren, geoordeeld over een aan de onderhavige zaak vergelijkbare kwestie. Ook in die zaak was geklaagd dat het hof had miskend dat bepaalde facturen inzake de verschuldigde eigen bijdragen op grond van de AWBZ en de Wmo formele rechtskracht hadden. Het hof had in die zaak, evenals het hof in de onderhavige zaak, geoordeeld dat het bepaalde facturen aan een toereikende juridische grondslag ontbrak, omdat de onderliggende beschikkingen ten aanzien van de maximale periodebijdrage ontbraken. De Hoge Raad oordeelde als volgt:

“3.4.3 Het hof heeft in rov. 2.3 als vaststaand aangemerkt dat de facturen over perioden in de jaren 2006, 2007 en 2008, evenals de facturen over perioden in de jaren 2005 en 2009, betrekking hebben op eigen bijdragen die op de voet van de AWBZ en de Wmo zijn verschuldigd wegens in die perioden verleende hulp. Ook dit is in cassatie niet bestreden. Gezien hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, hebben ook deze facturen te gelden als besluiten in de zin van art. 1:3 Awb waartegen bezwaar ingevolge de Awb kon worden gemaakt. Het CAK heeft voor het hof gesteld dat ook deze besluiten - evenals de facturen over perioden in de jaren 2005 en 2009 - formele rechtskracht hebben verkregen. Het hof heeft ten onrechte nagelaten die stelling te beoordelen. Indien de facturen over perioden in de jaren 2006, 2007 en 2008 formele rechtskracht hebben verkregen, dient immers voor de burgerlijke rechter tot uitgangspunt dat zij een toereikende juridische grondslag hebben en is niet van belang dat de onderliggende beschikkingen ontbreken. In zoverre slaagt de klacht.”

2.9

In de onderhavige zaak heeft het hof in rov. 3.8 vastgesteld dat de facturen moeten worden aangemerkt als beschikkingen in de zin van de Awb tot vaststelling van de omvang van de verleende zorg en van het daarbij passende periodebedrag; ik acht die vaststelling in zoverre onvolledig, dat de bedoelde en inderdaad als beschikkingen in de zin van de Awb op te vatten facturen óók en vooral strekken tot vaststelling van de te betalen eigen bijdrage, zulks met inachtneming van de maximale eigen bijdrage per vier weken. In rov. 3.10 heeft het hof vervolgens ten onrechte beoordeeld of de facturen een toereikende juridische grondslag hebben. Een dergelijke grondslag zou volgens het hof ontbreken, omdat niet zou kunnen worden geconstateerd dat voor de jaren 2005-2008 een maximale periodebijdrage was vastgesteld. Nu tegen de facturen bezwaar en beroep ingevolge de Awb heeft opengestaan, van welke mogelijkheid in het onderhavige geval geen gebruik is gemaakt, had het hof, gelet op het beginsel van formele rechtskracht, tot uitgangspunt moeten nemen dat de facturen op een toereikende juridische grondslag berusten.

Zoals het onderdeel terecht betoogt, valt niet in te zien waarom aan de facturen over het jaar 2009 wel formele rechtskracht toekomt en aan de (volgens het hof niet op een toereikende grondslag berustende) facturen over de jaren 2005-2008 niet. Nu het hof in rov. 3.11 ten aanzien van de facturen die betrekking hebben op het jaar 2009 wel formele rechtskracht heeft aangenomen, ligt het, mede gelet het uitdrukkelijke beroep van het CAK op de formele rechtskracht van de litigieuze facturen8, niet voor de hand dat het hof ten aanzien van de facturen over de jaren 2005-2008 überhaupt aan het beginsel van formele rechtskracht heeft voorbijgezien. Wel heeft het hof zich mijns inziens niet ten volle rekenschap van de betekenis van de formele rechtskracht gegeven. Het hof heeft immers miskend dat de formele rechtskracht van de betrokken facturen impliceerde dat de burgerlijke rechter van de geldigheid van die facturen en dus mede van een toereikende juridische grondslag van die facturen had uit te gaan, óók als - hetgeen overigens slechts ter beoordeling van de bestuursrechter staat - juist zou zijn dat de geldigheid van een besluit (factuur) waarbij de te betalen eigen bijdrage per periode concreet wordt vastgesteld, mede van een voorafgaande en separate vaststelling van de maximale eigen periodebijdrage bij beschikking afhankelijk is. In die zin heeft het hof de formele rechtskracht van de facturen over de jaren 2005-2008 inderdaad miskend.

2.10

Ik teken in dit verband nog aan, zoals ik ook in mijn conclusie onder 2.22-2.25 voor HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94, AB 2015/90 m.nt. F.J. van Ommeren, heb gedaan, dat de wet geen steun biedt aan de kennelijk aan rov. 3.10 ten grondslag liggende gedachte dat de maximale eigen bijdrage bij afzonderlijke beschikking moet zijn vastgesteld, vóórdat het CAK eigen bijdragen in rekening kan brengen.

2.11

Met betrekking tot de (over de jaren 2005-2007) op grond van de AWBZ in rekening gebrachte eigen bijdragen bepaalde de destijds toepasselijke regelgeving, voor zover hier van belang, in art. 5 lid 2 Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering niet méér dan dat de rechtsvoorganger van het CAK (CAK BZ B.V., het toenmalige centraal administratiekantoor9) voor de zorgverzekeraars de vaststelling en de inning van de in art. 16d Bijdragebesluit zorg bedoelde bijdrage verrichtte, en wel op basis van de door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens. Weliswaar diende CAK BZ B.V. bij de inning van de eigen bijdragen met de uit de art. 16d en 16e Bijdragebesluit zorg voortvloeiende maximale (periode)bijdragen rekening te houden, maar op elk van de door het CAK overgelegde facturen is dat gebeurd; elk van die facturen vermeldt zowel het totale periodebedrag als de maximale periodebijdrage (waarbij voor die maximale periodebijdrage steeds naar een bepaald beschikkingsnummer is verwezen), terwijl op géén van die facturen een bedrag, hoger dan de maximale periodebijdrage, in rekening is gebracht10.

2.12

Voor de (over 2008) in rekening gebrachte bijdragen op grond van de Wmo geldt mutatis mutandis hetzelfde. Art. 16 Wmo in haar destijds geldende versie bepaalde niet meer dan dat een eigen bijdrage op grond van die wet wordt vastgesteld en geïnd door een door de minister aan te wijzen rechtspersoon. Die aanwijzing was vervat in art. 2 van de destijds geldende Regeling maatschappelijke ondersteuning, waarin als rechtspersoon als bedoeld in art. 16 Wmo het centraal administratiekantoor, bedoeld in art. 1 onderdeel b Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering (derhalve CAK BZ B.V.), was aangewezen. Ook voor de eigen bijdragen ingevolge de Wmo gold dat deze per periode een bepaald maximum niet mochten overschrijden (zie art. 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning). Evenals voor de facturen met betrekking tot de eigen bijdragen ingevolge de AWBZ, geldt voor de facturen met betrekking tot de (over 2008) in rekening gebrachte bijdragen op grond van de Wmo dat zij naast een totaal periodebedrag steeds (onder verwijzing naar een bepaald beschikkingsnummer) de maximale periodebijdrage (“Maximale periodebijdrage Wmo”) vermelden, welke maximale periodebijdrage in géén van de overgelegde facturen is overschreden11.

2.13

Anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, was het voor de invordering door het CAK van de verschuldigde eigen bijdragen derhalve niet noodzakelijk dat het CAK de daarbij wettelijk in acht te nemen maximale periodebijdragen bij voorafgaande separate beschikkingen had vastgesteld.

2.14

Ik acht de klachten van onderdeel 2 gegrond.

2.15

Nu onderdeel 2 slaagt, behoeven de subonderdelen 1.1 en 1.2 geen bespreking. Het is daarom ten overvloede, dat ik nog het navolgende over de in die subonderdelen vervatte klachten opmerk.

2.16

Zoals ik in mijn conclusie onder 2.29-2.33 voor HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94, AB 2015/90 m.nt. F.J. van Ommeren, reeds betoogde, vloeit de verschuldigdheid van de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ en de Wmo niet rechtstreeks uit die wetten en de daarbij behorende besluiten voort, in die zin, dat voor de invordering van die eigen bijdragen überhaupt geen beschikking noodzakelijk zou zijn.

2.17

Deze opvatting is in strijd met vaste jurisprudentie volgens welke de concrete vaststelling van de in een bepaalde periode genoten zorg en de daarvoor te betalen eigen bijdrage als besluit (beschikking) in de zin van de Awb moet worden aangemerkt12.

2.18

Ook het per 1 juli 2009 geldende (en in casu op de invordering van de eigen bijdragen over de jaren 2005 tot en met 2008 overigens niet als zodanig toepasselijke) art. 4:86 Awb schrijft voor dat de verplichting tot betaling van een uit de wet voortvloeiende geldschuld bij beschikking wordt vastgesteld. In de memorie van toelichting wordt daarover opgemerkt13:

“De hoofdregel, neergelegd in dit artikel, is dat een verplichting tot betaling eerst ontstaat nadat een beschikking tot stand is gekomen. (…)

Wanneer de burger moet betalen, ligt het voor de hand dat hij eerst door middel van een beschikking op de hoogte wordt gesteld van zijn verplichting. In de meeste gevallen kan van de burger niet worden verlangd dat hij op grond van de wet alleen weet dat hij een geldschuld heeft. Bovendien kan hij de hoogte van die schuld zelf veelal niet vaststellen. Het bestuur zal dus in het algemeen verplicht zijn om bij beschikking vast te stellen hoe hoog de schuld precies is, voordat het aanspraak kan maken op betaling daarvan. (…).”

2.19

In art. 4:88 lid 1 Awb is een uitzondering op de hoofdregel opgenomen. Die uitzondering houdt in dat bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat een geldsom moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. Lid 2 schrijft voor dat in dat geval het betrokken voorschrift mede bepaalt binnen welke termijn de betaling moet plaatsvinden. Scheltema merkt over deze uitzondering op14:

“Op grond van (uitleg van) het wettelijk voorschrift moet voldoende duidelijk zijn dat de betalingsverplichting rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Op grond van art. 4:88 lid 1 Awb kan immers alleen bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat een geldschuld dient te worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. In dat geval wordt afgeweken van de hoofdregel van art. 4:86 lid 1 Awb dat een geldschuld bij beschikking wordt vastgesteld. Waarschijnlijk is daarom bijvoorbeeld de vermelding in een wetsbepaling dat een vergoeding verschuldigd is voor bepaalde handelingen van een bestuursorgaan, waarvan de hoogte in lagere regelgeving wordt vastgesteld, niet toereikend omdat daaruit niet zonder meer volgt dat de geldschuld niet bij beschikking wordt vastgesteld en twijfelachtig is of de omvang wel door de wet wordt bepaald.”

2.20

Ik deel dan ook niet de opvatting van subonderdeel 1.1 dat in het geval dat beschikkingen ontbreken of onduidelijk is of deze zijn genomen, de burgerlijke rechter zal moeten beoordelen of de door het CAK gevorderde bedragen met de AWBZ respectievelijk de Wmo en de daarop gebaseerde regelingen in overeenstemming zijn.

Voor zover de overgelegde facturen met de enkele vermelding van de in aanmerking genomen maximale periodebijdragen op zichzelf niet voldoende inzichtelijk zouden maken hoe die maximale periodebijdragen waren berekend, zou een belanghebbende dat langs bestuursrechtelijke weg aan de orde moeten stellen.

2.21

De klachten van subonderdeel 1.1 en subonderdeel 1.2 falen.

2.22

Onderdeel 3 betoogt dat de onderdelen 1-2 bij gegrondbevinding ook ’s hofs beslissing in rov. 3.12 vitiëren. Nu rov. 3.12 voortbouwt op oordelen die met succes door onderdeel 2 worden bestreden, kan rov. 3.12 evenmin als die oordelen in stand blijven.

2.23

Voor de goede orde teken ik nog aan dat in geval van vernietiging van het bestreden arrest het vonnis van de kantonrechter van 14 maart 2011 naar mijn mening niet zonder meer kan worden bekrachtigd. Terwijl de kantonrechter de wettelijke rente heeft toegewezen, berekend vanaf 14 dagen na de verschillende factuurdata tot de dag van de inleidende dagvaarding, heeft het hof in rov. 3.9 (in cassatie onbestreden) immers rekening gehouden met de mogelijkheid dat de betrokken facturen [verweerder] eerst met de (ter terechtzitting van de kantonrechter van 11 oktober 2010 genomen) conclusie van repliek hebben bereikt en dat de besluiten die de betrokken facturen belichamen eerst met die overlegging in rechte op een aan de wet voldoende wijze zijn bekendgemaakt. Na cassatie zal mijns inziens nader moeten worden vastgesteld met ingang van welke datum het CAK op vergoeding van wettelijke rente aanspraak kan maken en voorts moeten worden beoordeeld of en in hoeverre die vaststelling consequenties heeft voor de toewijsbaarheid van de tot een bedrag van € 5.000,- beperkte vordering van het CAK, waarvan de tot de dag van de dagvaarding berekende wettelijke rente onderdeel vormde.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De AWBZ is per 1 januari 2015 ingetrokken bij art. 11.2.1 lid 1 van de Wet van 3 december 2014, houdende regels inzake de verzekering van zorg aan mensen die zijn aangewezen op langdurige zorg (Wet langdurige zorg), Stb. 2014, 494; zie voor de inwerkingtreding van die laatste wet per 1 januari 2015 Stb. 2014, 521.

2 De Wmo is per 1 januari 2015 ingetrokken bij art. 8.9 lid 1 van de Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015), Stb. 2014, 280; zie voor de inwerkingtreding van deze laatste wet per 1 januari 2015, Stb. 2014, 281.

3 Rov. 2.2 van het bestreden arrest.

4 Het Bijdragebesluit zorg is per 1 januari 2015 ingetrokken bij art. 10.5 van het Besluit van 9 december 2014, houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg), Stb. 2014, 520; zie voor de inwerkingtreding van dit laatste besluit Stb. 2014, 521.

5 Het Besluit maatschappelijke ondersteuning is per 1 januari 2015 met de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 vervallen (Stb. 2014, 280; Stb. 2014, 281).

6 HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986/723 m.nt. MS.

7 HR 8 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1799, NJ 1997/159 m.nt. MS, rov. 3.3.1.

8 Zie de memorie van grieven, onder 21-35.

9 Zie voor de aanwijzing van Centraal Administratiekantoor Bijzondere Ziektekosten b.v. op grond van art. 3 lid 1 van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering art. I van de Beschikking aanwijzing administratie-instellingen bijzondere ziektekostenverzekering, Stcrt. 1997, 249.

10 Prod. 2 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg.

11 Prod. 2 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg. In de schriftelijke toelichting van mr. Alt wordt onder 13 gesteld dat uit de als prod. 2 bij de memorie van antwoord overgelegde beschikking ten aanzien van de maximale periodebijdrage voor het zorgjaar 2009 volgt dat de factuur van 26 februari 2009 met nummer 1-1457799-08-007 (prod. 2 bij de conclusie van repliek) achteraf bezien te hoog is. Nog daargelaten dat dit punt pas voor het eerst in cassatie is aangevoerd, geldt dat het onjuist is. De factuur van 26 februari 2009 ziet immers niet op het zorgjaar 2009 (waarop de als prod. 2 bij de memorie van antwoord overgelegde beschikking ten aanzien van de maximale periodebijdrage ziet), maar op het zorgjaar 2008 (periode 11-2008).

12 CRvB 12 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8934, JB 2010/93, rov. 4.1.1; CRvB 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6823, rov. 4.3.2; CRvB 29 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1448, RSV 2013/195, rov. 4.3.2. Zie verder: AbRvS 3 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5084, JB 2004/394 m.nt. F.A.M.S, rov. 2.3 en AbRvS 15 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL8922, rov. 2.7.

13 Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 32.

14 M.W. Scheltema, Bestuursrechtelijke geldschulden (2010), p. 14.