Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2415

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2015
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
15/04254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:157, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Contractenrecht, financieel recht. Effectenlease, HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Rolnr. 15/04254

Mr M.H. Wissink

Zitting van 11 december 2015

Conclusie inzake art. 80a RO

in de zaak van:

Vereniging Consument & Geldzaken,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres tot cassatie,

(hierna: de Vereniging)

tegen

Aegon Bank N.V. (mede h.o.d.n. Spaarbeleg),

gevestigd te Den Haag,

verweerster in cassatie,

(hierna: Aegon)

1. Het bij dagvaarding van 6 juli 2015 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de rolbeslissing van het gerechtshof Amsterdam van 10 april 2012 en de (tussen)arresten van dit hof van 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1450, 7 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9564, 4 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:581 (de dagtekening is bij tussenarrest van 25 maart 2014 verbeterd van 4 maart 2013 naar 4 maart 2014) en 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1229. Oordelend dat (kort gezegd) de onderhavige effectenleaseovereenkomsten en de gedragingen van Aegon daaromtrent dezelfde betreffen als welke aan de orde waren in de collectieve actie die de Stichting Gedupeerden Spaarbeleg (GeSp) tegen Aegon heeft aangespannen, is het hof tot dezelfde afweging gekomen als HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, (GeSp/Aegon), welke leidde tot afwijzing van de vorderingen van de Vereniging.

2. De in de cassatiedagvaarding vervatte 25 middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Ik licht dat hieronder toe.

3. Middel 1 komt op tegen de weigering door het hof van de “akte, tevens verzoekschrift” ter rolle van 10 april 2012, zulks “Voor zover noodzakelijk met doorbreking van het rechtsmiddelenverbod ziende op rolbeschikkingen, c.q., in zoverre sprake is van een tussenvonnis ex art. 232 rv., jo. art. 347 lid 1 Rv.” De klacht houdt in dat het hof ongemotiveerd voorbij gaat aan “de uitgebreid onderbouwde stellingen van de advocaat van appellante in principaal appel behelzende dat te dezen sprake is van een uitzondering op de regel van art. 347 lid 1 Rv”. Nadere toelichting of een vermelding van de vindplaatsen van de bedoelde stellingen ontbreekt.

Het middel verwijst (hier en elders) ter onderbouwing mede naar middel 25. Dit middel verwijt het hof schending van art. 6 EVRM “nu het Hof Amsterdam, naar het oordeel van de Vereniging willens en wetens, althans bewust roekeloos, althans door aanmerkelijke schuld onjuiste uitspraken gedaan en/of onjuiste arresten [heeft] gewezen, terwijl bij wel juiste uitspraken, de zaak in het voordeel van VCG/consumenten zou zijn beslecht.” Het middel insinueert dat het hof een faillissement van de bank wilde voorkomen en daarom zijn arresten onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd met schending van de regels van stelplicht en bewijslast. Verder dan het uiten van deze opmerkelijke en ernstige aantijging komt middel 25 niet. Er worden geen specifieke gedragingen en/of overwegingen van het hof vermeld, waaruit zou blijken dat er ook maar enige grond zou bestaan voor dit verwijt.

Beide middelen falen, reeds omdat zij niet voldoen aan de bepaaldheidseisen die volgens vaste rechtspraak worden gesteld aan cassatiemiddelen.1

4. De middelen 2, 5 en 6 verwijten het hof schending van art. 83 Rv wegens het accepteren van de antwoordakte van Aegon van 26 juni 2012 en de antwoordakte na tussenarrest, welke niet door de procesadvocaat van Aegon zijn ondertekend.

Blijkens het tussenarrest van 30 oktober 2012, rov. 2.1, en het tussenarrest van 4 maart 2014, rov. 2.4, gaat het om stukken waarvan vast staat dat deze zijn getekend door of namens de procesadvocaat (door diens advocaat-medewerker) en dus van de procesadvocaat afkomstig zijn. Voor zover het middel klaagt over de bedoelde vaststelling, keert het zich tegen een aan het hof voorbehouden constatering van feiten waarover in cassatie niet kan worden geklaagd.

Het voorschrift van art. 83 Rv dat schriftelijke conclusies en akten worden ondertekend door de partij of gemachtigde dan wel de advocaat van wie zij afkomstig zijn, brengt mee dat op niet overeenkomstig deze bepaling ondertekende conclusies en akten geen acht kan worden geslagen. Anders dan in HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5958, NJ 2010/485,2 waarop het middel zich beroept, aan de orde was, is in onderhavige zaak geen sprake van een getekende en een ongetekende versie van een stuk in het procesdossier van de rechter, waarbij de versies inhoudelijk verschillen. De rechtsklacht houdt in dat mr. Van der Velden (de procesadvocaat van Aegon) persoonlijk had moeten tekenen. Die klacht gaat m.i. uit van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens dient een verzuim ten aanzien van de ondertekening zich aan als een herstelbaar gebrek. Indien het hof het tekenen in opdracht niet had geaccepteerd, had het aan Aegon de mogelijkheid moeten bieden om alsnog een door de procesadvocaat getekende versie in te leveren.3 Daarom valt niet in te zien hoe de Vereniging door de door haar gepercipieerde fout in haar procesbelangen is geschaad. Zij heeft m.i. dan ook geen in rechte te respecteren belang bij deze klacht.

5. De middelen 3, 4 en 7 bestrijden de weigering van de eiswijziging in het tussenarrest van 30 oktober 2012, rov. 2.12-2.14 en 2.16. Zij falen omdat daartegen geen hogere voorziening openstaat (art. 130 lid 2 Rv), ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220).

6. In het eindarrest van 7 april 2015 heeft het hof in rov. 2.14 t/m 2.23 feitelijke overwegingen gewijd aan de houdbaarheid van bepaalde stellingen van partijen nadat het hof, naar aanleiding van de stellingen van de Vereniging, in een tussenarrest Aegon had opgedragen haar betwisting nader toe te lichten aan de hand van stukken. Het hof bespreekt hetgeen Aegon in haar verweer heeft aangevoerd en hoe daarop door de Vereniging weer is gereageerd. Het hof komt tot de conclusie dat de Vereniging, gezien de onderbouwde betwisting door Aegon, haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De middelen 8 t/m 11 klagen over de begrijpelijkheid van die oordelen. De middelen 9 t/m 11 falen, omdat zij niet voldoen aan de daaraan te stellen bepaaldheidseisen. Dit betreft overigens geen kwestie van bewijslast, anders dan middel 11 veronderstelt, maar van stelplicht: hoe gemotiveerder en beter gedocumenteerd de stellingen van een partij zijn, hoe concreter diens wederpartij zich tegen die stellingen zal moeten verweren.

Verwijzend naar de stellingen van de Vereniging in haar antwoordakte van 12 augustus 2014 nrs. 10-24, klaagt middel 8 over het oordeel in rov. 2.14 en 2.16. Volgens dit oordeel is de stelling van de Vereniging, dat hetgeen Aegon heeft aangeleverd is ‘verzonnen en gefabriceerd’ en ‘niets van doen heeft met de werkelijkheid’, niet voldoende feitelijk onderbouwd en toegelicht. Het hof overweegt dat de Vereniging niet uitlegt waaruit zou moeten blijken dat de door Aegon overgelegde stukken gefabriceerd zijn, dan wel aan welke feiten en omstandigheden het hof die conclusie zou moeten verbinden. In de antwoordakte van 12 augustus 2014 nrs. 10-24, waaraan het hof refereert, volstond de Vereniging naar de kern genomen met de reactie dat de door Aegon omschreven producten niet onder die lemma’s in het jaarverslag zijn terug te vinden; enige duiding of context biedt de akte niet. Niet onbegrijpelijk is dat het hof deze reactie gezien de stand van het geding onvoldoende vond, zodat dit middel faalt.

7. In het eindarrest van 7 april 2015 heeft het hof in rov. 2.35 t/m 2.46 onderzocht of sprake was van misleidende reclame (neen, volgens het hof) en in rov. 2.47 t/m 2.51 of een informatieplicht is geschonden (ja, volgens het hof). De middelen 12 e.v. zien daarop.

De middelen 12 en 13 bestrijden het oordeel in rov. 2.42, dat de mededelingen in de documenten van het welkomstpakket die de deelnemers niet voor het aangaan van de Sprintplanovereenkomsten onder ogen zijn gekomen, hen niet kunnen hebben misleid en/of tot het sluiten van de overeenkomsten hebben bewogen. Daarmee acht het hof een grief van de Vereniging gegrond (rov. 2.43). Daarover klaagt de Vereniging nu in cassatie met het argument dat het te laat aanbieden van informatie een bonus zet op het achterhouden van informatie en de deelnemer belemmert zich in te spannen de risico’s te begrijpen. Als de Vereniging dat had willen betogen, had zij dat in appel moeten doen. De middelen (die niet duidelijk maken dat de Vereniging dit in appel heeft betoogd) falen daarom.

8. De middelen 14 t/m 21 voldoen niet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv en bouwen overigens voort op de voorgaande middelen, zodat zij eveneens falen. Het uitgangspunt van middelen 17, 18, 20 en 21 dat in deze procedure is komen vast te staan dat geen sprake is geweest van aankoop van obligaties, is bovendien feitelijk onjuist (zie rov. 2.19 van het eindarrest). Middel 19, dat betoogt dat het hof ten onrechte geen gevolgtrekking verbindt aan het feit dat Aegon de feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, miskent nog dat in cassatie niet kan worden geklaagd dat het hof geen gevolgtrekkingen aan de proceshouding van een partij heeft verbonden (HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, rov. 3.5.1).

9. De motiveringsklacht van middel 22, gericht tegen de verwerping van het bewijsaanbod in rov. 2.54, voldoet niet aan de daaraan te stellen bepaaldheidseisen en faalt. De klacht maakt niet duidelijk waarom het hof niet kon oordelen dat de bewijsaanbiedingen als niet ter zake dienend konden worden gepasseerd, maar volstaat met de mededeling: “Het is naar de mening van de Vereniging in het licht van de aangedragen uitgebreide onderbouwingen met dito stukken van overtuiging volslagen onvoldoende om slechts te volstaan met dit oordeel.”

10. Middel 23 klaagt dat het hof niet is ingegaan op een door het middel als grief aangemerkte productie bij antwoordakte van 22 maart 2011 (te weten de daarbij overgelegde Richtlijn voor Reclames van Beleggingsinstellingen van De Nederlandse Bank). Het middel faalt, omdat het niet duidelijk maakt waarom het hof deze productie als grief had moeten aanmerken en, zo ja, waarom het die grief gezien de twee conclusie-regel dan nog had mogen beoordelen.

11. Middel 24 faalt, omdat het hof is ingegaan op de stelling van de Vereniging dat Aegon het product bewust duur heeft gemaakt (rov. 2.20 van het eindarrest) terwijl het hof niet gehouden is daarbij elke stelling of productie van een partij afzonderlijk te behandelen.

12. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Deze laatste eis houdt meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. Zie HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; bevestigd in o.m. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125; HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828, RvdW 2013/719; HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892. Zie voorts C.J-A. Seinen, TvP 2015/2.

2 En Hof ’s-Hertogenbosch 10 januari 1939, NJ 1939/540.

3 Vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 (verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad); F. van Schaik, De ondertekeningsverplichting van art. 83 Rv, TREMA 2014/3.