Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:2307

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-11-2013
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12/00165
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:476
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Afwijking u.o.s. m.b.t. bruikbaarheid verklaringen getuige voor bewijs. 2. Vordering b.p. Ad 1. ’s Hofs overwegingen voldoen aan het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, tweede volzin, Sv, en die bepaling noopte het Hof niet tot een nadere motivering. Ad 2. Het oordeel van het Hof dat de behandeling van een gedeelte van de vordering van de b.p. m.b.t. de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. In het licht van de bewezenverklaarde feiten en de inhoud van de ingediende vordering is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/00165

Zitting: 26 november 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 december 2011 verdachte wegens, onder 1, “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, onder 2, “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en, onder 3, “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het Hof de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 5.937,00 en aan verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend. Namens benadeelde partij [benadeelde partij] heeft mr. A.F.M. van Vlijmen, advocaat te Arnhem, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. Op het namens de benadeelde partij voorgestelde middel heeft mr. Nan namens verdachte bij verweerschrift gereageerd.

4 Het eerste middel van verdachte

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven van zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [benadeelde partij].

4.2.

Verdachte is door het Hof veroordeeld ter zake van afpersing van een geldbedrag van € 4.900,- (feit 1), gekwalificeerde diefstal van een geldbedrag van € 300,- (feit 2) en poging tot afpersing van een geldbedrag van € 21.000,- (feit 3) met telkens [benadeelde partij] als slachtoffer. Het Hof heeft het bewijs van de genoemde feiten onder meer doen steunen op een tweetal door [benadeelde partij] bij de politie afgelegde verklaringen (bewijsmiddelen 2 en 14). Deze verklaringen houden, naar de kern genomen, in (i) dat [benadeelde partij] in de periode voor begin november 2008 verschillende keren (waarvan minstens één keer dreigend) is benaderd door medeverdachte [betrokkene 1] en een onbekende persoon voor geld dat hij aan zijn ex-vrouw verschuldigd zou zijn, (ii) dat [benadeelde partij] op 6 november 2008 met het doel het genoemde geld op te halen is bezocht door een zekere [betrokkene 3] (naar het Hof op grond van andere bewijsmiddelen heeft vastgesteld: de verdachte) en een groepje anderen, waaronder ook [betrokkene 1], (iii) dat [benadeelde partij] toen door deze [betrokkene 3] ernstig is bedreigd en in het gezicht is geslagen en een handlanger van [betrokkene 3] aan [benadeelde partij] een pistool heeft getoond, (iv) dat [benadeelde partij] onder bedreiging een geldbedrag van € 4.900,- aan [betrokkene 3] heeft afgegeven, [betrokkene 3] of een ander daarnaast een geldbedrag van € 300,- uit de portemonnee van [benadeelde partij] heeft gepakt en [benadeelde partij] onder verdere dreiging is gemeld dat hij nog een week de tijd zou hebben om een nader geldbedrag van € 21.000,- te betalen en (v) dat [benadeelde partij] op 12 november 2008 met beledigende c.q. bedreigende teksten is gebeld en ge-sms’t vanaf nummer 06-[...] en [benadeelde partij] de stem van de beller heeft herkend als de stem van [betrokkene 3].

4.3.

Blijkens een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 24 oktober 2011 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid als standpunt van de verdediging naar voren gebracht dat de verschillende verklaringen van [benadeelde partij] als onbetrouwbaar buiten het bewijs zouden moeten worden gehouden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman onder meer opgemerkt dat (i) [benadeelde partij] in de wiethandel zit en betrokken is bij een andere, samenhangende strafzaak en zelf tegenover de politie heeft verklaard dat hij geen openheid van zaken kan geven omdat hij dan dingen zou vertellen die voor hem belastend zijn, (ii) [benadeelde partij] wisselend heeft verklaard over de (kennelijke) reden dat en het (kennelijke) doel waarvoor hij werd afgeperst, (iii) dat de woning van [benadeelde partij] is voorzien van camera’s, maar dat van het treffen op 6 november 2008 geen opnamen zijn gemaakt, waarover [benadeelde partij] tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, (iv) het telefonische bericht voor [benadeelde partij] van 12 november 2008 dat volgens [benadeelde partij] zelf van [betrokkene 3] afkomstig zou zijn volgens een tolk onverstaanbaar was, (v) [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij zijn aangifte in de zaak tegen verdachte heeft gebruikt in een procedure over een omgangsregeling met betrekking tot zijn kinderen en (vi) [benadeelde partij] wel in staat is geweest een adequaat signalement van verdachte te geven, maar niet om hem bij een fotoconfrontatie te herkennen.

4.4.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in.

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte en diens raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt:

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 6 november 2008 samen met anderen het slachtoffer [benadeelde partij] heeft afgeperst en geld van hem heeft gestolen. Verder blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde dat verdachte in bedoelde periode na 6 november 2008 telkens heeft gebeld met [benadeelde partij] voornoemd, een bericht heeft ingesproken en SMS-berichten naar hem heeft verzonden met het vooropgezette plan die [benadeelde partij], onder bedreiging, wederom een aanzienlijk geldbedrag afhandig te maken. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof toegegeven dat hij [benadeelde partij] een SMS-bericht heeft gestuurd.”

4.5.

De argumenten die door de raadsman naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat de verklaringen van [benadeelde partij] onbetrouwbaar zijn, zijn naar mijn mening niet van dien aard dat het Hof in het verweer een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv had moeten herkennen. Ik merk daarbij op dat juist het feit dat [benadeelde partij] door openheid van zaken te geven zichzelf dreigde te belasten en dus in een lastig parket zat toen hij aangifte deed, de verklaring zou kunnen zijn van de door de in het verweer gesignaleerde inconsistenties in diens verklaringen. Grote twijfels aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen roept het verweer daarom niet op. Maar ook als hierover anders zou moeten worden geoordeeld, geldt dat de bestreden uitspraak voldoende aanknopingspunten bevat die begrijpelijk maken waarom het Hof aan het verweer is voorbijgegaan. De verklaringen van [benadeelde partij] vinden namelijk steun in de andere bewijsmiddelen. Naast de verklaring van verdachte ter zitting waarop het Hof zich in de boven weergegeven overweging beroept, kan gewezen worden op de afgeluisterde tapgesprekken (bewijsmiddelen 4, 5, 7 8 en 9) en de op de telefoon van [benadeelde partij] ingesproken voicemailberichten (bewijsmiddel 10), een en ander bezien in verband met de bewijsmiddelen 6, 11, 12 en 13. Bovendien kan gewezen worden op de als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van [betrokkene 2]. Dat de betrouwbaarheid van die verklaring door de verdediging eveneens is betwist, kan hier buiten beschouwing blijven, nu de indiener van de schriftuur ervoor heeft gekozen daarvan een apart middel te maken.

4.6.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel van verdachte

5.1.

Met het middel wordt gesteld dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven van zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige [betrokkene 2].

5.2.

Het Hof heeft voor het bewijs van de tenlastegelegde afpersing, gekwalificeerde diefstal en poging tot afpersing onder meer gebruik gemaakt van een getuigenverklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 3). Blijkens een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 24 oktober 2011 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid als standpunt van de verdediging onder meer naar voren gebracht dat de verschillende verklaringen van [betrokkene 2] in ieder geval in zoverre niet voor het bewijs gebruikt zouden kunnen worden dat door deze getuige in zijn verklaringen is gesproken over een bezoek aan [benadeelde partij] dat niet op de in de tenlasteleggingen genoemde datum van 6 november 2008, maar op 21 september 2008 zou hebben plaatsgevonden.

5.3.

In de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 2] van 19 november 2008 wordt door deze vrij uitgebreid gesproken over een bezoek aan [benadeelde partij] door hemzelf, ene [betrokkene 3] en vier andere personen. De verklaring lijkt naadloos aan te sluiten bij de aangifte van [benadeelde partij] (bewijsmiddel 2), ware het niet dat [betrokkene 2] verklaart dat het bezoek “een à anderhalve maand” voor de datum van het verhoor (19 november 2008) heeft plaatsgevonden. De voor de hand liggende gedachte dat sprake is van een kennelijke vergissing en dat “een á anderhalve week” is bedoeld, wordt niet bevestigd door een blik achter de papieren muur. In het desbetreffende politieproces-verbaal (dossiernr. 292) wordt eveneens van “1 a 1,5 maand” gesproken. Belangrijker is nog dat [betrokkene 2] in een latere verklaring (dossiernr. 299) – waarop in het verweer is gewezen – met betrekking tot het bedoelde bezoek stelt: “Ik weet dat het die dag 21 september was want toen was er ook een belangrijke voetbalwedstrijd voor voetballers onder de 19 jaar, en Turkije speelde toen tegen Portugal”. De vraag die zich opdringt, is welke redengevende betekenis het Hof aan de verklaring van [betrokkene 2] heeft toegekend. Zeker nu de raadsman van verdachte dit probleem in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv aan het Hof heeft gepresenteerd, had het Hof daarop in het bestreden arrest nader dienen in te gaan.

5.4.

Het middel slaagt.

6. Het eerste middel van verdachte faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede door verdachte voorgestelde middel slaagt.

7. Nu het tweede middel van verdachte slaagt en het bestreden arrest om die reden niet in stand kan blijven, behoeft het door de benadeelde partij voorgestelde middel hier geen bespreking.1

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. bijv. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029, NJ 2009/400.