Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF8274

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2003
Datum publicatie
05-09-2003
Zaaknummer
R02/034HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF8274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

5 september 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/034HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw],

wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel verweerster, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, (voorwaardelijk) incidenteel verzoeker,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. 1. Het geding in feitelijke instanties

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 405
NJ 2003, 618
RvdW 2003, 137
EB 2003, 44
FJR 2004, 53
JWB 2003/317
PJ 2003/139
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R02/034HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 2 mei 2003

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting tussen gewezen echtgenoten op de voet van de overgangsbepaling van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie (Wet van 28 april 1994, Stb. 325, hierna: WLA).

2. De feiten liggen als volgt (zie de bestreden beschikking onder het hoofdje "vaststaande feiten"). Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 28 april 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 30 augustus 1985 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het vonnis is op 20 september 1985 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In het echtscheidingsvonnis is het door partijen in juni 1985 opgestelde echtscheidingsconvenant opgenomen, waarin partijen in art. 3, voor zover thans van belang, zijn overeengekomen dat de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw f 3.000,- per maand bedraagt, waarbij eveneens door partijen is overeengekomen dat indien de vrouw inkomsten genereert die, met toepassing van indexering gelijk aan de wettelijke indexering bij alimentatie, het bedrag van f 2.000,- bruto niet overstijgen, deze niet zullen leiden tot verlaging van de alimentatie. Mogelijke inkomsten boven de f 24.000,- bruto per jaar worden wat het meerdere betreft voor 50% verrekend met de alimentatie. Met ingang van 1 september 2000 bedroeg de in 1985 vastgestelde alimentatie voor de vrouw als gevolg van de wettelijke verhogingen f 3.954,58 per maand.

3. Op 8 maart 2000 heeft de man een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Hij verzocht de Rechtbank op de voet van art. II lid 2 WLA te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 september 2000 wordt beëindigd, subsidiair een termijn te stellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, met bepaling dat na ommekomst van deze termijn, deze niet meer kan worden verlengd.

4. Nadat de vrouw verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 20 februari 2001 de man in zijn verzoek tot definitieve beëindiging van de alimentatie niet gevolgd. Zij overwoog dat, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, de verzochte beëindiging van de alimentatieplicht zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden gevergd. De Rechtbank heeft bepaald dat met ingang van 1 december 2010 de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd, maar dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is.

5. De man is van deze beschikking in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd en (meer subsidiair) verzocht dat de alimentatieverplichting van de man zal worden afgebouwd en de wettelijke indexering buiten toepassing zal blijven. De vrouw diende een verweerschrift in.

6. Bij beschikking van 6 februari 2002 heeft het Hof de bestreden beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, de termijn van alimentatiebetaling verlengd tot 1 september 2011. Voorts heeft het Hof een afbouwregeling vastgesteld volgens welke de man aan de vrouw zal betalen een alimentatie van:

- f 3.954,58 per maand in de periode van 1 september 2000 tot 1 september 2004;

- 75% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2004 tot 1 september 2007;

- 50% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2007 tot 1 september 2009;

- 25% van dit bedrag per maand in de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2011.

Het Hof heeft de wettelijke indexering in de afbouwperiode uitgesloten. Ten slotte heeft het Hof bepaald dat verlenging van de termijn niet mogelijk is.

7. Het Hof overwoog onder meer dat naar zijn oordeel een directe beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud voor de vrouw nu te ingrijpend is en leidt tot een onbillijke achteruitgang van het inkomen van de vrouw. Daarbij heeft het Hof enerzijds meegewogen dat de gezondheidstoestand van de vrouw slecht is en dat haar arbeidsverleden en opleiding niet optimaal zijn en anderzijds dat de man weliswaar al ruim 16 jaar alimentatie heeft betaald, maar dat de man niet heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud te kunnen voldoen (r.o. 12). Voorts overwoog het Hof (r.o. 13):

"Het hof is van oordeel dat op grond van het besprokene er gronden zijn die een afbouwregeling van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw rechtvaardigen. De partijen zijn gescheiden in 1985. Op dat moment was de vrouw 40 jaar oud. Het jongste kind was negen en het oudste veertien jaar. De kinderen behoefden nog zorg. Voor de vrouw was het op dat moment gerechtvaardigd om die zorg op zich te nemen. In 1990, toen de kinderen zelfstandiger waren geworden, is de vrouw parttime gaan werken. Naar het oordeel van het hof heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet reeds vanaf dat moment fulltime had kunnen werken. Het hof acht het aannemelijk dat er op dat moment fysieke noch sociale beperkingen voor de vrouw om fulltime te gaan werken. Van de vrouw had in redelijkheid kunnen worden verlangd dat zij vanaf 1990 reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening. Hoewel de vrouw stelt mede ten gevolge van een auto-ongeluk arbeidsongeschikt te zijn geworden en niet in staat te zijn haar inkomsten te verhogen, komt dit naar het oordeel van het hof voor haar rekening en risico, nu zij hiervoor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten. Het is niet billijk dit risico op de man af te wentelen. De redelijkheid brengt met zich mede dat er voor de man uitzicht komt op een beëindiging van de alimentatieverplichting. Het hof zal teneinde een ingrijpende wijziging in een keer te voorkomen, de alimentatie voor de vrouw geleidelijk verminderen om haar de mogelijkheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen."

8. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden. Hij heeft de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van de vrouw te verwerpen. Voorts heeft de man van zijn kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met één middel. Bij verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep heeft de vrouw dit middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep te verwerpen.

Het principaal beroep

9. Onderdeel 1 van het in het principaal beroep voorgestelde middel klaagt dat de beschikking van het Hof heeft miskend dat het hier - niettegenstaande de vastgestelde afbouwregeling - gaat om een beslissing die tot gevolg heeft dat de alimentatie definitief eindigt; volgens het onderdeel voldoen de in de beschikking neergelegde gronden niet aan de hoge motiveringseisen die aan een dergelijke beslissing moeten worden gesteld, en trouwens ook niet aan de algemene motiveringseis.

10. Het verzoek van de man is gegrond op art. II lid 2 WLA. Op grond van deze bepaling beëindigt de rechter in "oude gevallen", d.w.z. alimentaties die, zoals in het onderhavige geval, door de rechter zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de WLA (1 juli 1994), op verzoek van de alimentatieplichtige de verplichting indien deze vijftien jaar heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Aan beslissingen waarin een beroep van de alimentatiegerechtigde op de te ingrijpende aard van de beëindiging wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van de termijn wordt gehonoreerd, moeten hoge motiveringseisen worden gesteld, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen. Vgl. HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653 t/m 655 nt. S.F.M. Wortmann. Deze hoge motiveringseisen brengen mee dat de rechter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het nemen van een beslissing als hiervoor bedoeld moet doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken. Zie HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654, r.o. 3.3.

11. Wat is te verstaan onder "een beperkte termijn"? Gelden de verhoogde motiveringseisen ook nog als de termijn - zoals in het onderhavige geval - meer dan tien jaar beloopt? En is daarbij van belang dat gedurende de termijn een afbouwregeling is vastgesteld? Zie over deze kwestie de conclusie van A-G Bakels voor en de noot van Wortmann onder HR 22 september 2000, NJ 2001, 228. Bakels bepleit de termijn te stellen op vijf jaar, Wortmann kiest voor een open benadering en wil de vraag of er sprake is van een beperkte termijn laten afhangen van de omstandigheden die in het concrete geval een beroep op de uitzondering rechtvaardigen. Ik zou menen dat niet de duur van de termijn, doch de beperking daarvan zonder de mogelijkheid van verlenging beslissend is voor de vraag of de verhoogde motiveringsplicht geldt. De verhoogde motiveringsplicht berust immers op het definitieve karakter van de beëindiging van de alimentatieplicht (vgl. HR 11 juni 1982, NJ 1983, 595 en 596 nt. EAAL; HR 1 juli 1982, NJ 1983, 15). Ongeacht of de rechter het moment van beëindiging bepaalt op een kortere of langere termijn wordt door zijn beslissing om verlenging van de termijn uit te sluiten de alimentatieverplichting definitief beëindigd. Daarom mag ook bij een definitieve beëindiging op termijn van de rechter worden gevergd dat hij zich nauwkeurig verstaat met de feiten en omstandigheden welke de alimentatiegerechtigde heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn of haar beroep op de uitzonderingsbepaling van art. II lid 2 WLA en met de overige relevante omstandigheden van het geval. Het onderdeel neemt daarom naar mijn oordeel terecht tot uitgangspunt dat ook in een geval als het onderhavige, waar de rechter de alimentatieplicht op termijn definitief beëindigt, een verhoogde motiveringsplicht geldt.

12. De stelling dat het Hof aan deze verhoogde motiveringsplicht niet heeft voldaan werkt het onderdeel uit onder punt 1 van het cassatierekest.

13. In de eerste plaats (onder 1.3) wordt geklaagd over 's Hofs motivering dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken. Het Hof zou daarbij hebben miskend dat het niet aan de vrouw is om dit aannemelijk te maken, doch dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat de vrouw wèl reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken.

14. De klacht faalt m.i. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om toepassing van de uitzonderingsregel van art. II lid 2 WLA, is het aan de alimentatiegerechtigde om feiten en omstandigheden te stellen die toepassing van de uitzonderingsregel kunnen rechtvaardigen en bij betwisting, althans voor zover het gaat om omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, aannemelijk te maken. Zie HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654, r.o. 3.3.

15. In de tweede plaats (onder 1.4) wordt, als ik het goed begrijp, geklaagd dat het Hof zich onvoldoende heeft verstaan met het betoog van de vrouw dat zij in haar arbeidsvermogen en verdiencapaciteit wordt gehandicapt door oude rugklachten en thans door de gevolgen van een ongeval. Voorts wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de vraag of het, in de gegeven omstandigheden, zo kort na de scheiding, mede gelet op de in haar kring bestaande maatschappelijke opvattingen, van de vrouw gevergd kon worden om hele dagen te gaan werken.

16. De eerstbedoelde klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft bij zijn oordeelsvorming de slechte gezondheidstoestand van de vrouw in aanmerking genomen (r.o. 12) en aangegeven hoe hij deze omstandigheid in zijn afweging heeft betrokken (r.o. 13). Ook de andere klacht kan niet slagen. Het Hof heeft aan bedoelde vraag aandacht besteed in r.o. 13 en heeft dienaangaande overwogen dat van de vrouw in 1985, toen de kinderen negen en veertien jaar oud waren en nog zorg behoefden, niet gevergd kon worden dat zij full time ging werken, maar dat dit in 1990, toen de kinderen zelfstandiger waren geworden, anders was en dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij toen niet full time had kunnen gaan werken. Dit oordeel berust op een aan het Hof voorbehouden feitelijke waardering en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het onderdeel zich in dit verband beroep op "de gegeven omstandigheden" en "de in de kring van de vrouw bestaande maatschappelijke opvattingen" moet daaraan voorbijgegaan worden, nu niet wordt aangegeven op welke omstandigheden en opvattingen wordt gedoeld en het onderdeel ook niet verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken waar een en ander is gesteld en uitgewerkt.

17. Voorts wordt geklaagd (onder 1.5) dat het Hof zich ten onrechte niet de vraag heeft gesteld of de door het Hof aan de vrouw toegedachte full time baan daadwerkelijk door de vrouw was te krijgen.

18. Ook deze klacht komt mij niet aannemelijk voor. De motiveringsplicht van het Hof bracht niet mee dat het Hof op die vraag had moeten ingaan, nu uit de gedingstukken niet blijkt - het middel noemt ook geen vindplaatsen - dat de vrouw zich erop heeft beroepen dat, ondanks sollicitaties, voor haar een full time baan niet te vinden was. Voor zover het onderdeel zich erop beroept dat het oordeel van het Hof niet valt te rijmen met het oordeel dat de gezondheidstoestand van de vrouw slecht is, verliest het oog dat het laatstbedoelde oordeel betrekking heeft op de gezondheidstoestand van de vrouw ten tijde van de door het Hof gegeven beschikking en mede gerelateerd is aan het na 1990 aan de vrouw overkomen ongeval. Van een ongerijmdheid is geen sprake.

19. Voortbordurend op de vorige klacht wordt het Hof tevens verweten (onder 1.6) evenmin te zijn ingegaan op de vraag of de vrouw na afloop van de afbouwperiode door arbeid geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien en of zij tijdens die periode daartoe in steeds toenemende mate in staat is.

20. De klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet reeds vanaf 1990 full time had kunnen gaan werken en dat, nu zij dit heeft nagelaten, het voor haar rekening en risico komt dat zij thans niet meer in staat is haar inkomsten te verhogen. Daarin ligt besloten dat het Hof niet is voorbij gegaan aan de vraag of de vrouw gedurende de afbouwperiode en na afloop daarvan door arbeid in eigen levensonderhoud kan voorzien, doch heeft geoordeeld dat, ook indien zulks niet mogelijk zou zijn, dit niet in de weg staat aan beëindiging op termijn van de alimentatieverplichting. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting: de regeling van art. II lid 2 WLA impliceert immers dat enkel een terugval in inkomsten aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als gevolg van de beëindiging van de alimentatieverplichting geen grond is om een uitzondering te maken op de hoofdregel. Uit dit laatste vloeit voort dat ook het onder 1.7 aan het Hof gemaakte verwijt, dat voortbouwt op de onderhavige klacht, geen doel kan treffen.

21. Ten slotte wordt geklaagd - onder 1.8 - dat uit de bestreden beschikking onvoldoende blijkt of en, zo ja, in hoeverre het Hof de perspectieven van de vrouw heeft afgewogen tegen de mogelijkheden van de man. Met name zou het Hof niet hebben gemotiveerd waarom, gegeven de welstand van de man en de slechte vooruitzichten van de vrouw, de redelijkheid met zich meebrengt dat er uitzicht komt op een beëindiging van zijn alimentatieverplichting.

22. De klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat de regeling van art. II lid 2 WLA tot uitgangspunt neemt dat de alimentatieverplichting eindigt indien deze 15 jaar heeft geduurd en dat de uitzondering op dit uitgangspunt niet berust op een afweging van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan de ene kant en de draagkracht van de alimentatieplichtige aan de andere kant, maar op omstandigheden die meebrengen dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Het Hof heeft de door de vrouw aangevoerde omstandigheden ten betoge dat voor toepassing van de uitzondering grond is (kort gezegd: dat haar gezondheid slecht is en dat haar arbeidsverleden en opleiding niet optimaal zijn) onderzocht en aangegeven hoe hij deze, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, heeft betrokken in zijn afweging die heeft geleid tot de beslissing om de alimentatieverplichting op langere termijn te beëindigen en het bedrag aan onderhoud geleidelijk te verminderen. Daarmee heeft het Hof aan zijn - in gevallen als het onderhavige - te stellen motiveringsplicht voldaan en niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting van de strekking van de regeling van art. II lid 2 WLA.

23. Onderdeel 2 van het middel neemt stelling tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 13 - dat van de vrouw in redelijkheid had kunnen worden verlangd dat zij vanaf 1990 reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening. Volgens het onderdeel getuigt deze beslissing van een onjuiste rechtsopvatting en is zij in ieder geval, in het licht van de hier geldende hoge motiveringseisen, onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt uitgewerkt onder punt 2 van het cassatierekest. Aldaar wordt met een beroep op HR 28 januari 1999, NJ 2000, 392 betoogd dat het Hof nauwkeurig en gemotiveerd had dienen aan te geven welk deel van haar inkomen de vrouw daartoe had moeten en kunnen aanwenden en nader had behoren aan te geven dat en waarom dat tot een genoegzame oudedagsvoorziening zou hebben kunnen leiden.

24. Het onderdeel is m.i. tevergeefs voorgesteld. Het verliest uit het oog dat het Hof in het onderhavige geval, anders dan in het geval dat ter berechting stond in genoemde beschikking van de Hoge Raad, niet is uitgegaan van de werkelijke financiële omstandigheden van de vrouw, maar van de financiële omstandigheden die hadden kunnen bestaan indien de vrouw, zoals naar 's Hofs oordeel van de vrouw verlangd had mogen worden, vanaf 1990 full time was gaan werken. Onder dit uitgangspunt was het niet mogelijk en was het Hof dus ook niet gehouden om exact aan te geven welk deel van het inkomen de vrouw had moeten en kunnen aanwenden voor een genoegzame oudedagsvoorziening.

25. Onderdeel 3 van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 13 - dat de gevolgen van het door de vrouw getelde auto-ongeluk voor rekening en risico van de vrouw komen, nu zij hiervoor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had kunnen afsluiten en het niet billijk is dit risico op de man af te wentelen. Het onderdeel acht dit oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd.

26. Voor zover in de uitwerking van de klacht onder punt 3 van het cassatierekest wordt betoogd dat het Hof niet kon volstaan met de algemene overweging dat de vrouw een arbeidsongeschiktheidsverzekering had moeten afsluiten, maar nauwkeurig had dienen aan te geven hoe de vrouw uit haar alimentatie en inkomen uit arbeid zo'n verzekering zou hebben moeten realiseren, strandt de klacht op dezelfde grond als onderdeel 2: nu het Hof niet is uitgegaan van de werkelijke inkomenspositie van de vrouw, maar van de inkomenspositie die had kunnen bestaan indien de vrouw, zoals volgens het Hof van haar verlangd had mogen worden, vanaf 1990 full time was gaan werken, was het niet mogelijk en was het Hof dus ook niet gehouden om nauwkeurig aan te geven op welke wijze de vrouw zo'n verzekering financieel had kunnen realiseren.

27. Voor zover het onderdeel de klacht doet steunen op de stelling dat op geen enkele wijze is gebleken, en door de man ook niet is gesteld, dat in het convenant rekening is gehouden met het treffen van een voorziening voor het intreden van arbeidsongeschiktheid van de vrouw, kan het evenmin doel treffen. De bestreden beschikking biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het Hof de grondslag voor zijn oordeel dat de vrouw een arbeidsongeschiktheidsverzekering had moeten afsluiten, heeft gezocht in hetgeen al dan niet in het convenant was voorzien. Het oordeel van het Hof berust klaarblijkelijk enkel op de algemene overweging dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde niet ten laste van de alimentatieplichtige kan worden gebracht, indien de alimentatiegerechtigde in de gelegenheid is geweest om inkomensvermindering te voorkomen, maar deze gelegenheid niet heeft benut. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vgl. HR 29 januari 1988, NJ 1988, 1031 nt. EAAL en HR 24 april 1998, NJ 1998, 603.

28. Onderdeel 4 van het middel beklaagt zich over de beslissing van het Hof om de wettelijke indexering uit te sluiten. De enkele motivering "gelet op het karakter van de afbouwregeling" getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in ieder geval ontoereikend, aldus het onderdeel.

29. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het strookt met het karakter van de afbouwregeling, waarin het verband met de behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt prijsgegeven, dat indexering achterwege blijft. Zowel de rechts- als de motiveringsklacht faalt derhalve.

30. De slotsom is dat het in het principaal beroep voorgestelde middel in al zijn onderdelen faalt.

Het incidenteel beroep

31. Nu de in het principaal beroep aangevoerde klachten niet tot cassatie van de bestreden beschikking kunnen leiden, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen behandeling.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,