Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2013:3

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-07-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
EJ 60654/2013 – H 103/13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek van het Openbaar Ministerie tot enquête bij Aqualectra, Curoil en Curgas en RdK. Verzoek strekt ertoe dat het Hof een onderzoek instelt naar beleid en gang van zaken bij deze overheid NV's. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie faalt. Het Hof oordeelt dat voor toewijzing van dit verzoek tot enquête is vereist dat voldoende blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2013/113
RO 2013/79
JONDR 2013/791
JOR 2013/270 met annotatie van mr. R.F. van den Heuvel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum beschikking: 15 juli 2013

Registratienummer: EJ 60654/2013 – H 103/13

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

HET OPENBAAR MINISTERIE,

gevestigd in Curaçao,

verzoeker,

hierna te noemen: het OM,

vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, mr. A.C. van der Schans,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

INTEGRATED UTILITY HOLDING N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: Aqualectra,

gemachtigde: mr. K. Frielink,

2. de naamloze vennootschap

CURACAO OIL N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: Curoil,

gemachtigde: mr. C. de Bres,

3. de naamloze vennootschap

CUROIL GAS N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: Curgas,

gemachtigde: mr. C. de Bres,

4. de naamloze vennootschap

REFINERIA DI KORSOU,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

hierna te noemen: RdK,

gemachtigde: mr. D.E. Liqui-Lung,

met als belanghebbenden:

1. [belanghebbende sub 1],

wonend in Curaçao,

hierna te noemen: [belanghebbende sub 1],

gemachtigden: mrs. D.D. Zahavi en L.A.E. Timmer,

2. [belanghebbende sub 2],

wonend in Curaçao,

hierna te noemen: [belanghebbende sub 2],

gemachtigden: mrs. D.D. Zahavi en L.A.E. Timmer,

3. [belanghebbende sub 3],

wonend in Curaçao,

hierna te noemen: [belanghebbende sub 3],

gemachtigden: mrs. D.A.A. Boersema en P.J. van der Korst.

1 Procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van het Hof op 13 februari 2013, heeft het OM een verzoek tot enquête gedaan bij Aqualectra, Curoil en Curgas en RdK. Het verzoek strekt ertoe dat het Hof een onderzoek instelt naar het beleid en de gang van zaken bij Aqualectra, Curoil en Curgas en RdK vanaf in ieder geval 10 oktober 2010. In het verzoekschrift heeft het OM tevens verzocht om het handelen en nalaten van [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] in het onderzoek te betrekken.

1.2

Curoil en Curgas hebben gezamenlijk op 8 april 2013 een verweerschrift met producties ingediend. [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] hebben elk een verweerschrift met producties ingediend op 8 april 2013. Aqualectra heeft op 11 april 2013 een verweerschrift ingediend. RdK heeft geen verweerschrift ingediend.

1.3

Het Land Curaçao is in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende in deze procedure te verschijnen, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.4

Het OM heeft op 26 april 2013 een conclusie na verweerschrift met producties ingediend. Curoil en Curgas hebben gezamenlijk op 8 mei 2013 een antwoordconclusie met een productie ingediend. Aqualectra en [belanghebbende sub 3] hebben beide op 16 mei 2013 een antwoordconclusie ingediend. [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] hebben beiden op 17 mei 2013 een antwoordconclusie ingediend. RdK heeft geen antwoordconclusie ingediend.

1.5

In verband met de behandeling van het verzoek ter zitting hebben [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] op 22 mei 2013 en het OM op 24 mei 2013 en op 31 mei 2013 aanvullende producties ingediend.

1.6

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013 ter openbare zitting van het Hof in Curaçao. Verschenen zijn het OM, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, Aqualectra bij haar gemachtigde, vergezeld door D.P. Jonis en I. Moenir-Alam, respectievelijk directeur en hoofd juridische zaken van Aqualectra, Curoil en Curgas bij hun gemachtigde, vergezeld door Y.W. [L], C. Martina en C. de la Fuente, respectievelijk directeur, financieel manager en jurist van Curoil, RdK bij haar gemachtigde, [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] beiden in persoon, bijgestaan door hun gemachtigden, en [belanghebbende sub 3] bij zijn gemachtigden. Ter zitting heeft het Hof beslist dat het de aanvullende producties van het OM buiten beschouwing zal laten. Met instemming van partijen heeft zowel Aqualectra als [belanghebbende sub 3] een productie nagezonden. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.7

Beschikking is bepaald op heden.

2 Ontvankelijkheid

2.1

Verweersters (met uitzondering van RdK) en belanghebbenden hebben aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot enquête omdat de stichting Fundashon Akshon Sivil (hierna: FAS) die het OM heeft verzocht om dit verzoek tot enquête in te dienen geen belanghebbende is en geen sprake is van dringende gronden als bedoeld in artikel 2:272 lid 2 onder a BW.

2.2

Dit verweer wordt verworpen. De aangeduide regeling dient zo te worden begrepen dat het in eerste instantie aan het OM is om te beoordelen of de betrokkene als belanghebbende kan gelden en of diens verzoek aan het OM op dringende gronden is gebaseerd. Deze vragen zijn door het OM bevestigend beantwoord. Het OM heeft daarbij gewezen op de statutaire doelstelling van FAS en de door FAS verrichte werkzaamheden, waaronder het doen van aangiften. Deze beoordeling kan als juist worden aanvaard. Hier komt bij dat het OM, zoals het ter zitting heeft bevestigd, het verzoek tot enquête tevens op verzoek van de vakbonden STK en STKo heeft gedaan. Tegen het optreden van het OM mede op verzoek van deze vakbonden zijn geen bezwaren aangevoerd. Bovendien blijkt uit het verzoekschrift dat het OM het verzoek tot enquête daarnaast heeft gedaan op grond van zijn bevoegdheid ex artikel 2:272 lid 2 onder a BW om daartoe over te gaan om redenen van openbaar belang, te weten de ongestoorde energie- en watervoorziening op Curaçao. Aldus behartigt het OM zelfstandig een specifiek openbaar belang.

2.3

Verder hebben verweersters (met uitzondering van RdK) en belanghebbenden zich op het standpunt gesteld dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot enquête omdat het verzoekschrift geen duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust bevat, zoals is vereist op grond van artikel 429d lid 1 Rv.

2.4

Het Hof deelt dit standpunt niet. Het verzoek zoals hiervoor weergegeven onder rov. 1.1 blijkt duidelijk uit het verzoekschrift, mede gelet op het feit dat daarin als onderwerp is vermeld ‘Verzoek van het Openbaar Ministerie ex artikel 2:271 BW’. Bovendien zijn de gronden van het verzoek uitvoerig vermeld in de brieven van FAS van 25 juli, 2 en 14 augustus 2012 en 4 januari 2013, alsmede in de brief van de vakbonden van 31 juli 2012, alle behorend bij het verzoekschrift. Voor verweersters en belanghebbenden moet het dan ook duidelijk zijn geweest waartegen zij zich hadden te verweren. Dat blijkt ook uit de door hen gevoerde inhoudelijke verweren.

2.5

Ook hebben verweersters (met uitzondering van RdK) en belanghebbenden een beroep gedaan op artikel 2:273 BW. Voor zover dit beroep ertoe strekt dat het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek tot enquête, kan dat niet slagen. Artikel 2:273 BW strekt ertoe dat de betrokken rechtspersoon niet onverhoeds met een enquêteverzoek wordt geconfronteerd en voldoende gelegenheid heeft gekregen de bestaande bezwaren te onderzoeken en, zo mogelijk, maatregelen te nemen om daaraan tegemoet te komen. Aan deze strekking is voldaan, nu het OM de brief van FAS van 25 juli 2012 heeft doen toekomen aan de vennootschappen en de vennootschappen op de daarin vermelde bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken hebben gereageerd. Gezien de aard en inhoud van de brief van FAS en de verdere gang van zaken moet worden aangenomen dat het bestuur van de vennootschappen de raad van commissarissen op de hoogte heeft gebracht van de bestaande bezwaren. Als hier al sprake is van een nalatigheid heeft in elk geval de vennootschap daarvan geen nadeel ondervonden.

2.6

Tot slot hebben [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] betoogd dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot enquête voor zover dat tegen hen is gericht, omdat een onderzoek in een enquêteprocedure op grond van artikel 2:271 BW uitsluitend kan worden ingesteld naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon.

2.7

Dit betoog gaat uit van een verkeerde lezing van het verzoekschrift. Het verzoek van het OM om het handelen en nalaten van [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] in het onderzoek te betrekken, is geen verzoek tot enquête gericht tegen hen. [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] zijn dan ook geen verweerders in deze procedure. Zij zijn in de gelegenheid gesteld in de procedure te verschijnen als belanghebbenden, louter omdat zij door het OM in het verzoekschrift zijn genoemd (zie artikel 429f lid 1 Rv).

3 Feiten

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast.

3.1

Aqualectra, Curoil en Curgas en RdK zijn naamloze vennootschappen naar het recht van Curaçao.

3.2

Aqualectra is als openbaar nutsbedrijf verantwoordelijk voor de levering van water en elektriciteit aan de inwoners en bedrijven van Curaçao. Haar hoofdtaak is de levering van water en elektra zoveel mogelijk te garanderen.

3.3

Curoil is opgericht door het Eilandgebied Curaçao nadat Shell, dat de olieraffinaderij op Curaçao sinds 1915 ontwikkelde en exploiteerde, in 1985 haar activiteiten op Curaçao beëindigde. Curoil heeft destijds de distributie van de (olie)producten van een dochtermaatschappij van Shell overgenomen. De Venezolaanse staatsoliemaatschappij Petrólo de Venezuela S.A. (hierna: PDVSA) heeft de exploitatie van de olieraffinaderij overgenomen.

3.4

De doelstelling van Curoil is de uitoefening van het petroleumbedrijf in volle omvang. Curoil koopt producten (waaronder benzine, diesel, stookolie, bitumen en gas) in van PDVSA, en levert die via diverse afzetkanalen aan de eindgebruikers op het eiland. Aqualectra is daarvan de grootste. Curoil heeft een exclusief recht op afname van producten van PDVSA en PVDSA mag enkel aan Curoil aardolie(-producten) leveren ter distributie op (onder meer) Curaçao.

3.5

Curgas is een dochteronderneming van Curoil. Een deel van de bedrijfsactiviteiten van Curoil is door haar in Curgas ondergebracht. Curgas legt zich met name toe op het aankopen en distribueren van gas en alles wat daarmee samenhangt.

3.6

RdK is eigenaar van de olieraffinaderij op Curaçao. RdK is door het Eilandgebied Curaçao opgericht om de in 1985 van Shell overgenomen olieraffinaderij in onder te brengen. RdK heeft de raffinaderij tot 2019 verhuurd aan Refineria ISLA Curaçao B.V. (hierna: ISLA), een dochteronderneming van PDVSA. De huur bedraagt ongeveer US$ 25 miljoen per jaar.

3.7

RdK heeft per 19 januari 2011 van Aqualectra 49% van de gewone aandelen in CUC Holdings N.V. (hierna: CUCH) verworven en per 8 december 2011 de resterende 51% van die aandelen van Mitsubishi/Marubeni. Dochtermaatschappij van CUCH is Curaçao Utilities Company N.V. (hierna: CUC). CUCH/CUC is eigenaar van de Built Own and Operate-centrale (hierna: de BOO-centrale). De BOO-centrale levert stoom, lucht en elektriciteit aan de olieraffinaderij. RdK heeft haar dochtermaatschappij Curaçao Refinery Utilities N.V. (hierna: CRU) aangewezen als operator van de BOO-centrale.

3.8

Het Land Curaçao is – sinds de staatkundige transitie op 10 oktober 2010 – (enig) aandeelhouder van Aqualectra, Curoil (en daarmee indirect van Curgas) en RdK. Vóór 10 oktober 2010 was dat het Eilandgebied Curaçao. Gedurende een bepaalde tijd zijn deze aandelen gehouden door tussenkomst van de overheidsstichting Stichting Implementatie Privatisering (hierna: STIP).

3.9

Bij landsbesluit van 1 februari 2011 is de Minister van Algemene Zaken door de Raad van Ministers gemachtigd met ingang van 1 februari 2011 het Land Curaçao als aandeelhouder van (onder meer) Aqualectra, Curoil en RdK te vertegenwoordigen en daarbij het stemrecht uit te oefenen overeenkomstig de besluiten van de Raad van Ministers. [belanghebbende sub 3] is van 10 oktober 2010 tot 29 september 2012 Minister van Algemene Zaken van Curaçao geweest. Hij was als Minister van Algemene Zaken van Curaçao op grond van genoemd landsbesluit van 1 februari 2011 tot 29 september 2012 vertegenwoordiger van de aandeelhouder van deze vennootschappen.

Thans is de Minister van Financiën de vertegenwoordiger van de aandeelhouder van Aqualectra en Curoil; voor RdK is dit nog steeds de Minister van Algemene Zaken.

3.10

In oktober 2011 heeft de regering van Curaçao modelstatuten voor overheidsvennootschappen (zoals Aqualectra, Curoil en RdK) vastgesteld. Aqualectra heeft haar statuten per 18 december 2011 aangepast aan de modelstatuten, Curoil per 29 mei 2012, Curgas per 11 maart 2013 en RdK per 8 mei 2012. In de modelstatuten is de Code Corporate Governance geïmplementeerd (artikel 30). Verder is in de modelstatuten in artikel 2 lid 2 opgenomen dat de vennootschap ‘het algemeen belang en een deugdelijke sociaal-economische ontwikkeling van Curaçao in acht dient te nemen’.

3.11

Het bestuur van Aqualectra bestaat thans uit één persoon, [J], aangesteld per 1 april 2011. Per 4 oktober 2011 zijn de toenmalige andere bestuurders [A.], aangesteld per 1 januari 2009, [B], aangesteld per 1 juli 2010, en [C], aangesteld per 1 juli 1999, geschorst. [A] is vervolgens ontslagen per 9 december 2011, [B] is ontslagen (in het kader van een schikking) per 9 december 2011 en [C] is met pensioen gegaan per 31 december 2011.

3.12

De raad van commissarissen van Aqualectra is van samenstelling gewijzigd. [belanghebbende sub 1] volgde [D] per 29 november 2010 op als president-commissaris, tot zijn ontslag per 27 december 2012. [belanghebbende sub 2] was lid van de raad van commissarissen van 29 november 2010 tot en met 8 februari 2013. Op 30 juni 2011 is [E] aangesteld als commissaris. [E] maakt nog steeds deel uit van de raad van commissarissen.

3.13

Bij Curoil is [F] van 3 juli 2006 tot 12 juli 2011 directeur geweest. Vanaf 13 april 2011 tot 4 juni 2012 waren president-commissaris [H] en commissaris [I] belast met de dagelijkse leiding. Het bestuur van Curoil bestaat thans uit één persoon, [L.], aangesteld per 1 juni 2012.

3.14 [

H] is president-commissaris van Curoil geweest van 24 november 2010 tot 1 juli 2012; voor 24 november 2010 was dit[K]. [I] is aangesteld als commissaris op 13 januari 2011. Hij maakt nog steeds deel uit van de raad van commissarissen. [L] was commissaris van 13 januari 2011 tot 15 januari 2012.

3.15 [

M] was directeur van RdK van 16 september 2004 tot 21 januari 2011. Vervolgens is [M] geschorst geweest, welke schorsing is opgeheven op 6 december 2012. Van 24 januari 2011 tot 24 juli 2012 was [I] interim directeur. Nadien waren de commissarissen [N] en [O] aangesteld als ‘gedelegeerd bestuurder’ van 24 juli 2012 tot 19 november 2012. Per 30 mei 2013 is [P] belast met het dagelijks bestuur van RdK.

3.16 [

belanghebbende sub 1] is van 23 november 2010 tot en met 27 december 2012 president-commissaris van de raad van commissarissen van RdK geweest. [N en O] zijn op respectievelijk 8 april 2011 en 3 januari 2012 benoemd als commissarissen. Zij zijn geschorst op 6 december 2012 en op 14 december 2012 ontslagen. [L] is op 14 december 2010 benoemd als commissaris en heeft zijn ontslag ingediend begin november 2012. Thans bestaat de raad van commissarissen uit [Q] (president-commissaris), [R], [S] en [T].

3.17

Bij Koninklijk Besluit van 13 juli 2012 (Stb. 2012, 338) heeft de Rijksministerraad, op advies van het College financieel toezicht (Cft), aan de regering van Curaçao een aanwijzing in de zin van artikel 13, vijfde lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten gegeven, met als hoofddoel de begroting van 2012 in overeenstemming te brengen met de eisen die deze Rijkswet stelt.

3.18

In oktober 2012 heeft de huidige Minister van Financiën aan de stichting Stichting Overheidsaccountants Bureau (hierna: SOAB) de opdracht gegeven tot het uitvoeren van ‘quickscans’ naar de financiële situatie van (onder meer) Aqualectra, Curoil en RdK. SOAB heeft op 12 oktober 2012 rapporten uitgebracht over Aqualectra en RdK en op 16 oktober 2012 over Curoil.

4 Gronden

Aqualectra

4.1

Het OM heeft, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd aan het verzoek tot enquête bij Aqualectra:

( i) Aqualectra heeft de termijn voor het afronden van de jaarrekening 2010 overschreden;

(ii) Aqualectra heeft onverplicht de door haar gehouden aandelen in CUCH, die al geruime tijd op de balans van Aqualectra werden gewaardeerd op NAF. 65,5 miljoen, voor slechts NAF. 1,- verkocht en overdragen aan RdK. Dit heeft voor Aqualectra in 2010 een verlies opgeleverd van minimaal NAF. 65,5 miljoen;

(iii) Aqualectra heeft geen enkele serieuze poging gedaan om de tarieven over de afgelopen jaren te doen verhogen en heeft de tarieven zelfs verlaagd. Mede hierdoor bevindt Aqualectra zich thans in een financieel zeer moeilijke situatie;

(iv) De raad van commissarissen heeft besloten dat door de directie slechts met toestemming van de raad van commissarissen besluiten met een transactiewaarde van NAF. 50,- konden worden genomen. Dit besluit is in strijd met de statuten van Aqualectra;

( v) Het bestuur en raad van commissarissen vergaderden niet stelselmatig;

(vi) Het statutair vereiste business plan 2012 en een begroting ontbreken;

(vii) Het terugsturen van agrekko’s en het niet onderhouden van gasturbines heeft de elektriciteitsleverantie in gevaar gebracht;

(viii) De raad van commissarissen heeft (met voorbijgaan van het bestuur) miljoenencontracten gesloten in strijd met aanbestedingsregels;

(ix) Aqualectra heeft een Memorandum of Understanding (MoU) over zonnepanelen gesloten zonder dat er een reguliere aanbesteding is geweest;

( x) Aqualectra heeft premies en belastingen niet afgedragen;

(xi) Aqualectra heeft zich door de overheid laten dwingen een bepaalde productiemix te realiseren;

(xii) Aqualectra heeft een oplopende schuld aan Curoil;

(xiii) Er zijn zonder noodzaak zeer kostbare nieuwe IT-systemen aangeschaft;

(xiv) Grote aantallen uitzendkrachten zijn zonder zakelijke redenen in dienst genomen.

Curoil en Curgas

4.2

Het OM heeft, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd aan het verzoek tot enquête bij Curoil en Curgas:

( i) Curoil heeft de jaarverslagen over 2010 en 2011 niet ter inzage gelegd voor belanghebbenden zoals de wet voorschrijft;

(ii) Curoil heeft (zich er niet tegen verzet dat) enorme verliezen (zijn) geleden, als gevolg van het niet aanpassen van de prijzen van olie door de overheid, terwijl dat noodzakelijk was in verband met de gestegen internationale olieprijzen;

(iii) Curoil heeft door het betalingsgedrag van Aqualectra een vordering van NAF. 96 miljoen op Aqualectra verkregen. Curoil heeft geen serieuze pogingen ondernomen om de vordering op Aqualectra (deels) betaald te krijgen en heeft ook geen beleid terzake ontwikkeld;

(iv) Curoil heeft een steeds oplopende schuld aan PDVSA. Een gevolg is dat PDVSA boeterente in rekening is gaan brengen;

( v) Curoil heeft in strijd met duidelijke adviezen van Ernst & Young een investering gedaan van NAF. 20 miljoen voor nieuwe tanks te Motet.

RdK

4.3

Het OM heeft, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd aan het verzoek tot enquête bij RdK:

( i) RdK heeft de jaarrekening 2011 nog niet opgemaakt;

(ii) Er zijn onduidelijkheden over de gang van zaken bij de verwerving door RdK van de aandelen van Aqualectra in CUCH;

(iii) Er zijn onduidelijkheden over de verwerving door RdK van aandelen van Mitsubishi/Marubeni in CUCH;

(iv) Er zijn onbeantwoorde vragen over de vrijgave van CUC aan RdK van het erfpachtrecht met betrekking tot de BOO-centrale en de overgang in eigendom van de BOO-centrale aan RdK;

( v) Er is een gedelegeerd bestuur ingesteld, waardoor er feitelijk geen toezicht meer was op de directie;

(vi) Er zijn contracten gesloten zonder aanbesteding of offerte en zonder duidelijke meerwaarde voor RdK, terwijl in sommige gevallen contracten werden gesloten met (familierelaties van) commissarissen van RdK;

(vii) RdK heeft gratis onderwijs en andere gemeenschapsprojecten gefinancierd en heeft een commissaris een persoonlijke lening verstrekt teneinde zijn persoonlijke (hypothecaire) lening geheel of gedeeltelijk af te lossen.

4.4

Verweersters en belanghebbenden hebben verweer gevoerd, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

4.5

Bij de beoordeling moet in het oog worden gehouden dat voor toewijzing van een verzoek tot enquête vereist, maar ook voldoende is dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (artikel 2:274 lid 1 BW). De vraag of er sprake is geweest van hetzij wanbeleid, hetzij een vermoeden van wanbeleid, dan wel van 'zeer ernstig tekortschietend, flagrant ondermaats beleid', zoals gesuggereerd door Aqualectra in haar pleitnota onder 7 en 12, is niet aan de orde. Deze vragen kunnen eventueel aan de orde komen indien na afloop van de onderhavige procedure door een daartoe gerechtigde een verzoek wordt gedaan op de voet van artikel 2:282 BW.

4.6

Verder kan het Hof de toewijzing van een verzoek tot enquête baseren op een of meer van de aan dat verzoek ten grondslag gelegde gronden, al dan niet in onderling verband en samenhang bezien, mits daaruit blijkt van gegronde redenen als hiervoor bedoeld. Voor het overige kunnen de aangevoerde gronden dan onbesproken worden gelaten. Voor zover het Hof hem die vrijheid laat, kan bij toewijzing van het verzoek tot enquête de te benoemen onderzoeker niettemin bepaalde aan het verzoek tot enquête ten grondslag gelegde gronden, die door het Hof onbesproken zijn gelaten, bij zijn onderzoek betrekken.

5 Beoordeling

5.1

Bij de nu volgende beoordeling moet het volgende worden vooropgesteld.

5.1.1

De verweersters in deze procedure zijn alle naamloze vennootschappen naar het recht van Curaçao en als zodanig onderworpen aan de voor naamloze vennootschappen geldende regels van Boek 2 BW. Dit brengt mee dat bij de uitoefening van de aan de afzonderlijke organen toegekende bevoegdheden de in verband daarmee in Boek 2 opgenomen, daarop gebaseerde of daaraan ten grondslag liggende regels in acht moeten worden genomen. Nu het gaat om vennootschappen waarvan de aandelen in handen zijn van het Land Curaçao en vóór 10 oktober 2010 in handen waren van het Eilandgebied Curaçao – rechtstreeks of door tussenkomst van een derde (STIP) – spelen hierbij ook een rol de Eilandsverordening Corporate Governance van 12 oktober 2009 (AB 2009, 92) en het daarop gebaseerde Eilandsbesluit Code Corporate Governance Curaçao van 28 oktober 2009 (AB 2009, 96).

5.1.2

In een geval als het onderhavige, waarin de in aanmerking komende bevoegdheden telkens zijn verdeeld over drie organen, te weten het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering, betekent dit onder meer dat die organen de grenzen van hun bevoegdheid nauwkeurig in het oog moeten houden en ieder voor zich de andere organen de gelegenheid moeten geven hun bevoegdheden overeenkomstig de daaraan verbonden rechten en verplichtingen uit te oefenen, een en ander met inachtneming van artikel 2:7 BW. Voor het bestuur en de raad van commissarissen geldt hierbij als belangrijk richtsnoer het vennootschapsbelang en het belang van de aan de vennootschap verbonden onderneming, zoals dit telkens is vast te stellen door afweging van een reeks in aanmerking komende deelbelangen, waaronder in elk geval het belang van de continuïteit van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming (artikelen 2:8 lid 3 en 2:19 lid 7 BW, artikelen 2.1 en 3.1 Code Corporate Governance). Aandacht verdient hierbij dat het bestuur in staat moet worden gesteld zijn taak met een zekere mate van zelfstandigheid uit te oefenen. Voor zover aan die zelfstandigheid beperkingen worden gesteld door een wettelijke of statutaire goedkeurings-, instemmings- of aanwijzingsregeling, mag die regeling niet zo ver gaan dat aan het bestuur de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid geheel of grotendeels wordt ontnomen. De algemene vergadering en de raad van commissarissen kunnen – buiten de in de wet of de statuten geregelde gevallen – de tot 'bestuur' te rekenen taken niet geheel of gedeeltelijk aan zich trekken. Een belangrijk uitgangspunt is verder dat het bestuur primair verantwoordelijk is voor het bepalen van de strategie en het beleid van de vennootschap.

5.1.3

Aan de algemene vergadering komt steeds een aantal belangrijke bevoegdheden toe. Intussen geldt ook voor de algemene vergadering dat zij het bestuur de nodige zelfstandigheid moet laten. Het enkele feit dat de enige aandeelhouder een publiekrechtelijke rechtspersoon is – thans het Land Curaçao – maakt dit niet anders. Wel kan zich in dit verband, zoals bij iedere aandeelhouder, een belangenconflict voordoen. Het optreden van het Land Curaçao als aandeelhouder zal mede worden beïnvloed door zijn publiekrechtelijke verantwoordelijkheden. Daarbij speelt ook de op dat optreden gerichte, interne besluitvorming een rol. Die publiekrechtelijke verantwoordelijkheden en die interne besluitvorming kunnen echter zijn verantwoordelijkheid als enig aandeelhouder, zoals deze mede wordt bepaald door artikel 2:7 BW, niet aantasten. Zoals in alle gevallen van tegenstrijdig belang tussen de vennootschap en een orgaan of functionaris van die vennootschap moet hier als hoofdregel gelden dat de (vertegenwoordiger van de) enig aandeelhouder zich in een dergelijk geval bij de besluitvorming binnen de vennootschap terughoudend opstelt. Van hem kan daarnaast worden verwacht dat hij pogingen aanwendt om de tegengestelde belangen zo goed als mogelijk is te verenigen. Voor zover daaraan in een gegeven geval niet is voldaan, kan dit mede bijdragen tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen.

5.2

Aan de orde is vervolgens eerst het betoog van verweersters (met uitzondering van RdK) en [belanghebbende sub 3] dat in deze procedure feiten die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2012 buiten beschouwing dienen te blijven, nu de enquêteregeling op 1 januari 2012 in werking is getreden.

5.3

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (Hof 29 juni 2012, LJN: BX0420, rov. 3.1 en 3.2, en Hof 5 maart 2013, LJN: BZ4843, rov. 3.1), geldt voor de enquêteregeling het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking en neemt dit niet weg dat feiten die zich hebben voorgedaan vóór de invoering van de enquêteregeling in beginsel (mede) ten grondslag kunnen worden gelegd aan de beslissing om op de voet van artikel 2:271 BW een onderzoek te bevelen en dat het onderzoek zich in beginsel (mede) kan uitstrekken tot de periode vóór de invoering van de enquêteregeling. Dit betoog gaat dan ook niet op. Een andere zaak is dat bij de toepassing van de artikelen 2:282 en 283 BW en andere sanctiebepalingen wellicht gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór de invoering van de enquêteregeling buiten beschouwing moeten worden gelaten. Die vraag is echter thans niet aan de orde.

Aqualectra

5.4

Het verzoek tot enquête bij Aqualectra berust mede op het verwijt dat de raad van commissarissen en de (vertegenwoordiger van de) aandeelhouder in 2011 en een gedeelte van 2012 ‘op de stoel van het bestuur zijn gaan zitten’. In dit verband is als grond iv aangevoerd dat de raad van commissarissen bij besluit van 11 juli 2011 heeft besloten dat de bestuurders van Aqualectra slechts met toestemming van de raad van commissarissen besluiten met een transactiewaarde van NAF. 50,- of meer konden nemen. Dat dit besluit, dat geldig was voor de duur van zes maanden, is genomen en dat daaraan uitvoering is gegeven, is door Aqualectra niet betwist. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder rov. 5.1.2 is vooropgesteld, beperkte deze goedkeuringsregeling de bevoegdheid van het bestuur op onaanvaardbare wijze. Ook was deze regeling in strijd met de statuten van Aqualectra (de oude statuten van 16 januari 2002) en na wijziging van de statuten op 18 december 2011 ook in strijd met de nieuwe statuten (artikel 13 lid 6 onder i). Een aanwijzing voor de vergaande bemoeienis van de (vertegenwoordiger van de) aandeelhouder met de operationele kant van de onderneming in de desbetreffende periode kan ook worden gevonden in de gang van zaken rond de MoU over zonnepanelen die, zoals door Aqualectra is erkend, door de Minister van Algemene Zaken is ondertekend ‘als getuige’ (grond ix). Een en ander is grond om voor deze periode aan een juist beleid te twijfelen.

5.5

Hier komt bij dat de voormalige president-commissaris van Aqualectra ([belanghebbende sub 1]) gedurende een relevante periode tevens president-commissaris van RdK was. Aannemelijk is dat hij dientengevolge niet onafhankelijk en kritisch heeft kunnen opereren ten opzichte van de in aanmerking komende deelbelangen (artikel 2.9 Code Corporate Governance). Gelet op de verwevenheid van de ondernemingen van Aqualectra en RdK is ook hierin een grond gelegen om aan een juist beleid te twijfelen. Bovendien heeft de president-commissaris bij zijn optreden nagelaten de schijn van belangenverstrengeling tussen Aqualectra en RdK te vermijden (12.12 van de Code Corporate Governance). Dit blijkt uit zijn betrokkenheid bij de overdracht van de aandelen van Aqualectra in CUCH (de zogeheten BOO-aandelen) aan RdK (grond ii). In plaats van zich buiten die transactie te houden, heeft hij – met een andere commissaris ([belanghebbende sub 2]) – namens de raad van commissarissen van Aqualectra op 5 januari 2011 toestemming gegeven voor de overdracht van de aandelen en vervolgens op 19 januari 2011 als president-commissaris van RdK namens RdK de ‘Share Transfer Deed’ ondertekend.

5.6

De hiervoor onder iii aangeduide grond heeft betrekking op de vaststelling van de tarieven voor de gebruikers. Het is een gegeven dat Aqualectra als openbaar nutsbedrijf op dit gebied in een spanningsveld opereert. Aan de ene kant dient zij een goede toegang tot de door haar verleende diensten te bewaken, waarbij gelet op de belangen van de gebruikers de tarieven voor water en elektriciteit betaalbaar moeten zijn voor de inwoners en bedrijven van Curaçao. Aan de andere kant behoort zij een zakelijke berekening aan de tarieven ten grondslag te leggen om de continuïteit van haar onderneming te waarborgen. Vast staat dat Aqualectra haar tarieven niet heeft aangepast aan de gestegen brandstofprijzen en deze in 2011 zelfs met 5 cent heeft verlaagd, waardoor zij water en elektriciteit moest leveren onder de kostprijs. Door directeur [A] is onder andere in brieven aan de Minister van Algemene Zaken gewaarschuwd voor de gevolgen van de tariefsverlaging. Vervolgens is aan hem door de raad van commissarissen bij brief van 21 april 2011 een disciplinaire maatregel, bestaande uit een ernstige waarschuwing, opgelegd.

5.7

Aqualectra heeft naar voren gebracht dat zij de tarieven niet kon aanpassen aan de gestegen brandstofprijzen en deze zelfs moest verlagen, omdat zij gebonden was aan de maximumtarieven die door de regering van Curaçao op grond van de Prijzenverordening waren vastgesteld. Zoals van iedere andere vennootschap mag echter ook van Aqualectra worden verwacht dat zij een deugdelijk financieel beleid voert. Dat betekende in dit geval dat het bestuur, daarin gesteund door de raad van commissarissen, zich tot het uiterste had moeten inspannen om alsnog een tariefsverhoging te bewerkstelligen. Dat het bestuur en de raad van commissarissen in dit opzicht aan hun verplichtingen hebben voldaan, is vooralsnog niet gebleken. Verder geldt ook voor het Land Curaçao als aandeelhouder dat het had moeten inzien dat de continuïteit van de onderneming van Aqualectra moest worden gewaarborgd. Indien en voor zover de vertegenwoordiger van de aandeelhouder daarmee in een situatie is komen te verkeren dat voor hem een tegenstrijdig belang met de vennootschap was ontstaan, diende hij – zoals hiervoor onder rov. 5.1.3 is vooropgesteld – zich als zodanig binnen de vennootschap terughoudend op te stellen en had hij moeten overwegen in hoeverre hij zijn invloed kon aanwenden om het Land Curaçao te bewegen zijn prijspolitiek bij te stellen. Voorshands is aannemelijk dat hij dit niet in voldoende mate heeft gedaan. Ook in deze gang van zaken is derhalve een grond gelegen om aan een juist beleid te twijfelen.

5.8

Er zijn indicaties dat de geschetste gang van zaken bij Aqualectra inderdaad schadelijk is geweest voor de financiële positie van de onderneming. In de ‘quickscan’ van SOAB van 12 oktober 2012 wordt gerapporteerd dat er in de afgelopen jaren tot mei 2012 aanzienlijke verliezen zijn geleden, waarvoor als belangrijke oorzaken worden aangewezen het niet aanpassen van de tarieven en zelfs een tariefsverlaging van 5 cent in 2011, zoals hierboven omschreven, en de overdracht van de BOO-aandelen (grond ii). Geconcludeerd wordt dat de financiële situatie van Aqualectra zorgelijk is. Volgens een mediabericht van 21 februari 2013 heeft de Minister van Financiën verklaard dat Aqualectra feitelijk failliet is (conclusie na verweerschrift, punt 4.c). Een en ander draagt bij aan het oordeel dat in de geschetste gang van zaken een grond is gelegen om aan een juist beleid te twijfelen.

5.9

Voor wat betreft de overdracht van de BOO-aandelen staat vast dat Aqualectra deze aandelen, die een boekwaarde van NAF. 65,5 miljoen hadden, om niet heeft overgedragen aan RdK (grond ii). Volgens de ‘quickscan’ van SOAB van 12 oktober 2012 is de boekwaarde van het aandelenbelang van Aqualectra in CUCH per eind 2010 in de jaarrekening 2010 tot nihil afgeboekt en is het verlies van NAF. 65,5 miljoen ten laste van het resultaat van Aqualectra gebracht. Bij RdK wordt de verwerving van de BOO-aandelen in de cijfers van RdK gekwalificeerd als een winst van NAF. 56,478,390 uit hoofde van ‘Gain from acquisition of CUC Holdings N.V’. Een nadere analyse van de waarde van de BOO-aandelen door SOAB van 8 februari 2013 (productie 3, verweerschrift Aqualectra) becijfert de reële waarde op NAF. 53,8 miljoen. Dit duidt erop dat de overdracht van de BOO-aandelen financieel zeer nadelig was voor Aqualectra, zodat ook hierin een grond is gelegen om aan een juist beleid te twijfelen. De omstandigheid dat achteraf mogelijk alsnog betaald zal gaan worden voor de aandelen, maakt dat niet anders.

5.10

In de ‘quickscan’ van SOAB is verder vermeld dat de verliezen van Aqualectra zijn gefinancierd onder andere door een toename van de schuld aan Curoil (grond xii), waarbij dan nog komt dat Curoil rente in rekening is gaan brengen.

5.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aan het verzoek tot enquête ten grondslag gelegde gronden ii, iii, iv, ix en xii, in onderling verband en samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat gebleken is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen bij Aqualectra.

Curoil en Curgas

5.12

Ook in het geval van Curoil is er grond voor het oordeel dat de verhouding tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de aandeelhouder niet in overeenstemming was met Boek 2 BW en de Code Corporate Governance zoals hiervoor beschreven onder rov. 5.1.2 en 5.1.3. In de verhouding tussen het bestuur en de raad van commissarissen springt in het oog dat de president-commissaris en een andere commissaris gedurende een betrekkelijk lange tijd – van 13 april 2011 tot 4 juni 2012 – belast waren met de dagelijkse leiding. Ook verdient aantekening, gelet op de verwevenheid van de ondernemingen van Curoil en RdK, dat de directeur van Curoil tegelijkertijd commissaris van RdK was en dat hij eerder gelijktijdig commissaris van Curoil en van RdK was.

5.13

Van een vergaande bemoeienis van de (vertegenwoordiger van de) aandeelhouder getuigt de gang van zaken bij de reservering van NAF. 0,05 cent per verkochte liter brandstof voor een ‘speciaal fonds’ naar aanleiding van een besluit van de Raad van Ministers van 28 juni 2012. In de ‘quickscan’ van SOAB van 16 oktober 2012 is vermeld dat Curoil in september 2012 drie facturen heeft ontvangen van de Minister van Algemene Zaken met het verzoek deze te betalen vanuit de in het fonds opgebouwde middelen. Het ging om facturen van MIC N.V. die betrekking hadden op plannen voor wijkverbetering, alsmede de directievoering en het toezicht op de ontwikkeling van plannen voor werkzaamheden aan het Wilhelminapark en Vredenbergplein. De hiervoor verschuldigde bedragen waren (incl. OB): NAF. 28.305,18, NAF. 52.224,68 en NAF. 75.313,00. Deze facturen zijn door Curoil ten laste van het fonds uitbetaald, aldus nog steeds SOAB.

5.14

Ook in het geval van Curoil is in de desbetreffende periode sprake van een verslechterende financiële toestand. Belangrijke oorzaak daarvan is de stijgende schuld van Curoil aan PDVSA (althans aan ISLA, van wie Curoil in formele zin de debiteur is). Dit klemt te meer nu PDVSA in 2011 1,5% debetrente per maand in rekening is gaan brengen (grond iv). Ook lukte het Curoil niet om achterstallige vorderingen op Aqualectra te innen en liep de vordering van Curoil op Aqualectra op (grond iii).

5.15

De stijgende schuld aan PDVSA houdt nauw verband met het feit dat Curoil haar tarieven niet heeft aangepast aan de gestegen internationale olieprijzen (grond ii). Zo heeft tussen april 2010 en maart 2011 geen prijsaanpassing plaats gevonden, terwijl de inkoopprijzen in die periode met 0,32 cent per liter zijn gestegen. Ook Curoil was gebonden aan de maximumtarieven die door de regering van Curaçao op grond van de Prijzenverordening waren vastgesteld. Hetgeen het Hof hiervoor onder rov. 5.7 heeft overwogen ten aanzien van Aqualectra geldt echter mutatis mutandis ook ten aanzien van Curoil. Dat het bestuur, gesteund door de raad van commissarissen, zich voldoende heeft ingespannen om de tarieven te doen verhogen, is vooralsnog niet gebleken. Voorshands is aannemelijk dat de (vertegenwoordiger van de) aandeelhouder zich onvoldoende terughoudend heeft opgesteld bij het (door-)voeren van prijspolitiek voor de producten van Curoil.

5.16

Gelet op de verslechterde financiële toestand van Curoil kan ook een kanttekening worden geplaatst bij het bouwproject voor drie nieuwe opslagtanks te Motet. Dit project vergt een investering van NAF. 20 miljoen en loopt van april 2012 tot en met oktober 2013. Deze investering is in strijd met een advies van Ernst & Young, dat inhield dat Curoil de investering slechts kan doen indien Aqualectra haar schuld aan Curoil zou voldoen of hebben voldaan, aan welke voorwaarde niet is voldaan.

5.17

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aan het verzoek tot enquête ten grondslag gelegde gronden ii, iii en iv, in onderling verband en samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat gebleken is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen bij Curoil. Niet gebleken is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen bij Curgas. Curgas zijn door het OM geen zelfstandige inhoudelijke verwijten gemaakt.

RdK

5.18

Uit de door het OM overgelegde stukken komt naar voren dat de corporate governance structuur van RdK in de praktijk niet was zoals die had behoren te zijn. RdK heeft zelf ook in het kader van deze procedure ter zitting naar voren gebracht dat in de voorbije periode de Code Corporate Governance niet is nageleefd en dat er met betrekking tot een veelheid van kwesties vragen rijzen met betrekking tot het behoorlijk functioneren van de toenmalige raad van commissarissen. Genoemd kan worden dat bij RdK twee commissarissen van 24 juli 2012 tot 19 november 2012 ‘gedelegeerd bestuurder’ zijn geweest (grond v) en dat, zoals eerder overwogen, de president-commissaris van RdK tevens president-commissaris van Aqualectra was en een commissaris van RdK gelijktijdig commissaris en later directeur van Curoil was. Het Hof verwijst in dit verband verder naar hetgeen onder punt 4.2 ‘Corporate Governance’ in de ‘quickscan’ van SOAB van 12 oktober 2012 is vermeld.

5.19

Ook zijn er in de ‘quickscan’ van SOAB aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat RdK buiten haar statutaire doelstelling in 2012 verscheidene overheidsprojecten, waaronder het project Skol Pornada, heeft gefinancierd (grond vii). RdK heeft een bedrag van NAF. 168.266,97 uitbetaald aan een bedrijf voor het project Plan Nashonal di Bario en kleinere bedragen aan diverse vrijwilligers in verband met het project Plan SparMAS (in totaal NAF. 9.975,-) en het project Jan Kok (in totaal NAF. 35.370,-) en aan een bedrijf voor de huldiging van C. Martina (NAF. 18.410,-). Een en ander lijkt te moeten worden bezien tegen de achtergrond van de eerder genoemde aanwijzing die de Rijksministerraad op 13 juli 2012, op advies van het Cft, aan de regering van Curaçao heeft gegeven.

5.20

In de punten 20.2 tot en met 21.5 van de brief van FAS van 4 januari 2013 is onbestreden naar voren gebracht dat contracten zijn gesloten zonder aanbesteding of offerte en zonder duidelijke meerwaarde voor RdK, terwijl in sommige gevallen contracten werden gesloten met (familierelaties van) commissarissen van RdK (grond vi). Zo zou door RdK/CRU een opdracht tot bekabeling zijn gegund aan een bedrijf waarvan een commissaris van RdK (een van de ‘gedelegeerd bestuurders’) de directeur is (zie de punten 2.14 en 2.15 en de bijlagen 46 en 47 bij de brief van FAS van 4 januari 2013).

5.21

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aan het verzoek tot enquête ten grondslag gelegde gronden v, vi en vii, in onderling verband en samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat gebleken is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen bij RdK. Voor zover door belanghebbenden is gesteld dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:273 BW, geldt dat dit verweer alleen toekomt aan de vennootschap. RdK heeft dat verweer echter niet gevoerd. Overigens blijkt uit de brief van FAS van 25 juli 2012 dat de bezwaren zijn gericht tegen het financieel beleid van RdK. De hier besproken redenen om aan een juist beleid te twijfelen kunnen onder deze noemer worden begrepen.

Slotsom

5.22

Zoals hiervoor is vastgesteld is gebleken van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen bij Aqualectra, Curoil en RdK.

5.23

In verschillende toonaarden is door een of meer verweersters, dan wel belanghebbenden aangevoerd dat een onderzoek weinig kan toevoegen aan de reeds bekende feiten. Opgemerkt is ook dat het instellen van een onderzoek voor de betrokken vennootschappen een zware belasting zou betekenen in mankracht en financiële middelen. Bij de afweging van de betrokken belangen laat het Hof deze overwegingen meewegen. Ook dan is er echter aanleiding om het verzoek tot enquête bij Aqualectra, Curoil en RdK toe te wijzen. Deze overheidsvennootschappen vervullen een cruciale functie in de samenleving. Het beweerde disfunctioneren van deze vennootschappen heeft tot grote maatschappelijke onrust geleid. Zoals in deze procedure is gebleken, bestaat vooralsnog geen overeenstemming tussen de betrokken partijen over de toedracht en de beoordeling van een reeks door het OM opgevoerde gebeurtenissen. Onder deze omstandigheden is het van groot maatschappelijk belang dat een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek door een deskundige plaatsvindt, gericht op opening van zaken en vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor het beleid op de aangegeven punten. Van een dergelijk onderzoek kan bovendien een preventieve werking uitgaan. De daaraan verbonden belasting voor de rechtspersonen, in het bijzonder voor wat betreft de mankracht en de kosten van het onderzoek, weegt daar niet tegen op. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het Land Curaçao – de enig aandeelhouder van Aqualectra, Curoil en RdK – blijkens de door het OM overgelegde brief van de Minister van Financiën van 26 oktober 2012, het verzoek tot enquête steunt. Verder verzet RdK zich niet tegen toewijzing van het verzoek tot enquête bij RdK en heeft zij te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de kosten van dat onderzoek ten laste van haar zullen komen.

5.24

Het Hof zal dan ook een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij Aqualectra, Curoil en RdK. De onderzoeker dient bij zijn onderzoek met name te betrekken de hiervoor onder rov. 5.11 (Aqualectra), rov. 5.17 (Curoil) en rov. 5.21 (RdK) bedoelde kwesties. Daarbij dient de onderzoeker telkens aandacht te besteden aan de verhouding tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de aandeelhouder. Verder kan hij aandacht besteden aan andere – al dan niet samenhangende – kwesties indien hij dit nodig acht voor een goed begrip van het beleid en de gang van zaken bij deze vennootschappen. Na te noemen onderzoeker kan zich desgewenst, in overleg met het Hof, doen bijstaan door (lokale) deskundigen.

5.25

Het OM heeft verzocht, het handelen en nalaten van [belanghebbende sub 1], [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] bij het onderzoek te betrekken. Voor een dergelijke specifieke opdracht ziet het Hof geen aanleiding. Aan de onderzoeker kan worden overgelaten in hoeverre hij aan dat handelen en nalaten aandacht besteedt.

5.26

Voor behandeling van een vordering tot schadevergoeding zoals door [belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2] ter zitting verzocht, is in deze enquêteprocedure geen plaats.

5.27

Gelet op het grote maatschappelijke belang van het onderzoek, zal het Hof deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat het onderzoek spoedig kan aanvangen. Het belang van [belanghebbende sub 3], die zich tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft verzet, weegt daar niet tegen op.

5.28

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

Het Hof:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Aqualectra, Curoil en RdK, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rov. 5.24 is overwogen;

benoemt mr. J.H.M. Willems teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten voor Aqualectra, Curoil en RdK elk vast op NAF. 50.000,-, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Aqualectra, Curoil en RdK en dat zij voor de betaling daarvan ten genoege van de onderzoeker vóór de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.P. de Haan, A.J. Beukenhorst en P. van Schilfgaarde, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 juli 2013.