Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2456

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
15/04619
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:536, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:2779, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Ontvankelijkheid gewezen aandeelhouders van SNS-bank na onteigening van hun aandelen op grond van de Interventiewet. Strijd met kapitaalseis van art. 2:346 BW? Parallellie met HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905, NJ 2014/296 (Slotervaartziekenhuis)? Staan doel en strekking Interventiewet aan ontvankelijkheid in de weg?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 346
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0277
JONDR 2017/236
JONDR 2016/1022
AR 2016/3205
ARO 2016/148
NJB 2016/2071
RvdW 2016/1130
RN 2017/1
RO 2017/11
JOR 2017/1
NJ 2017/74 met annotatie van Redactie, P. van Schilfgaarde
AR 2017/1402
JIN 2017/31 met annotatie van P. Haas
NTHR 2017, afl. 1, p. 21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2016

Eerste Kamer

15/04619

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. De STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te ’s-Gravenhage,

2. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BEHEER FINANCIËLE INSTELLINGEN,
gevestigd te ’s-Gravenhage,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS, voorheen genaamd VEB NCVB,
gevestigd te ’s-Gravenhage,

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],

4. [verweerster 4],
gevestigd te [woonplaats],

5. [verweerder 5],
wonende te [woonplaats],

6. [verweerder 6],
wonende te [woonplaats],

7. [verweerder 7],
wonende te [woonplaats],

8. [verweerder 8],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. J.W. de Jong,

e n

1. SRH N.V., voorheen genaamd SNS REAAL N.V.,
gevestigd te Utrecht,

2. SNS BANK N.V.,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

e n

PROPERTIZE B.V.,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

e n

de stichting STICHTING BEHEER SNS REAAL,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

e n

de stichting RESTITUTIE ONTEIGENDE OBLIGATIEHOUDERS SNS STICHTING, ook genoemd R.O.O.S. stichting,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen,

e n

[A],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. F.I. van Dorsser.

Verzoekers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en NLFI, gezamenlijk als de Staat c.s. Verweerders in cassatie zullen respectievelijk worden aangeduid als VEB c.s., SNS Reaal en SNS Bank (beide laatsten gezamenlijk als SNS Reaal c.s.), Propertize, Stichting Beheer, R.O.O.S. Stichting en [A].

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 200.159.002/01 OK van de ondernemingskamer in het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2015.

De beschikking van de ondernemingskamer is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de ondernemingskamer hebben de Staat c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

VEB c.s., Stichting Beheer en [A] hebben verzocht het beroep te verwerpen. SNS Reaal c.s. en Propertize ondersteunen het cassatierekest. R.O.O.S. Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

De advocaat van de Staat c.s. heeft bij brief van 8 juli 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 1 februari 2013 heeft de Minister van Financiën – onder meer – de aandelen in SNS Reaal onteigend, gebruik makend van de hem in deel 6 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) (hierna aangeduid als de Interventiewet) gegeven bevoegdheid.

(ii) Voorafgaand aan de onteigening hield Stichting Beheer in SNS Reaal 50,00000921% van de gewone aandelen en zes aandelen B.

(iii) De overige aandelen in SNS Reaal werden tot aan het tijdstip van de onteigening verhandeld aan de beurs te Amsterdam.

(iv) SNS Reaal hield en houdt de aandelen in SNS Bank.

(v) SNS Bank hield alle aandelen in Propertize, toen nog SNS Property Finance B.V. geheten, totdat zij die aandelen op 31 december 2013 overdroeg aan NLFI.

3.2

Het onderhavige cassatieberoep betreft het verzoek van VEB c.s. aan de ondernemingskamer om – kort weergegeven – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize vanaf 1 januari 2006 ‘tot en met het moment waarop het onderzoek is afgerond’, met betrekking tot de in het verzoekschrift aangeduide onderwerpen.

SNS Reaal c.s., Propertize en de Staat hebben elk bij afzonderlijk verweerschrift geconcludeerd tot – kort weergegeven – niet-ontvankelijkheid van VEB c.s. in hun verzoek.

Stichting Beheer heeft bij verweerschrift de ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal over de periode vanaf 1 januari 2012 tot een nader in het verzoekschrift beschreven tijdstip.

3.3.1

De ondernemingskamer heeft haar beschikking beperkt tot beantwoording van de vraag of verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoeken. Zij heeft VEB c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek strekkende tot het instellen van een enquête bij Propertize, en de beslissing over de ontvankelijkheid van VEB c.s. ten aanzien van SNS Bank aangehouden. Zij heeft geoordeeld dat VEB c.s. en Stichting Beheer wel bevoegd zijn tot het verzoeken van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal en dat zij in zoverre ontvankelijk zijn in hun verzoeken. De ondernemingskamer heeft bepaald dat tussentijds cassatieberoep mogelijk is.

3.3.2

Samengevat en voor zover in cassatie van belang is de ondernemingskamer op de volgende gronden gekomen tot het oordeel over de ontvankelijkheid van de verzoeken inzake SNS Reaal.

Vast staat dat VEB c.s. en Stichting Beheer toen zij hun verzoeken deden, als gevolg van de onteigening geen aandelen (meer) hielden in SNS Reaal, noch in SNS Bank of Propertize (rov. 3.13).

De ondernemingskamer gaat ervan uit dat VEB c.s. en Stichting Beheer onmiddellijk voorafgaand aan de onteigening enquêtebevoegdheid hadden (rov. 3.16).

Doel en strekking van het enquêterecht brengen mee dat aandeelhouders die niet langer voldoen aan de kapitaalseis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c, BW ten gevolge van een gebeurtenis, waaromtrent zij stellen dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de betrokken vennootschap en waarop hun enquêteverzoek mede betrekking heeft, in gevallen als het onderhavige bevoegd kunnen zijn tot het indienen van zodanig verzoek. De ondernemingskamer neemt voorts in aanmerking dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig ondermijnt, dat een door hen ongewenst verlies van hun hoedanigheid van aandeelhouder het gevolg is. Dat is niet anders nu dat verlies – anders dan in gevallen waarin het verlies van aandeelhouderschap het gevolg is van besluitvorming die kan worden teruggedraaid – ten gevolge van de onteigening onomkeerbaar is. Dit leidt tot het oordeel dat in het onderhavige geval aan VEB c.s. in beginsel, behoudens de hierna te behandelen verweren, de bevoegdheid tot het doen van het verzoek toekomt. De door VEB c.s. aan hun verzoek ten grondslag gelegde redenen voor twijfel aan een juist beleid van SNS Reaal, SNS Bank en Propertize hebben immers in belangrijke mate betrekking op de oorzaken van de onteigening, in het bijzonder het beleid en de gang van zaken rond de onteigening en de betrokkenheid van SNS Reaal, haar bestuur en haar raad van commissarissen daarbij. Hetzelfde geldt voor Stichting Beheer. (rov. 3.18)

Partijen hebben blijk gegeven van de opvatting dat een onteigening op grond van de Interventiewet op zichzelf niet in de weg staat aan een enquête als bedoeld in Titel 8, afdeling 2 BW. Immers, VEB c.s. en SNS Reaal c.s. achten de minister als 100% aandeelhouder van SNS Reaal enquêtebevoegd en VEB heeft na de onteigening de advocaat-generaal verzocht een enquêteverzoek in te dienen. Die opvatting is juist. Voorts is de ondernemingskamer van oordeel, in overeenstemming met de opvatting van partijen, die zich daarover (desgevraagd) ter terechtzitting hebben uitgelaten, dat de Interventiewet niet zou nopen tot het afbreken van een eventuele enquête, indien die zou zijn bevolen voorafgaand aan een onteigening op grond van die wet. (rov. 3.21)

De ondernemingskamer neemt tot uitgangspunt dat met de Interventiewet niet wordt beoogd meer rechten en bevoegdheden aan te tasten of aan onteigende aandeelhouders te ontnemen dan strikt noodzakelijk is voor het doel waartoe in de Interventiewet de mogelijkheid tot onteigening is gegeven (rov. 3.23).

Niet valt in te zien dat de (uitoefening van de) bevoegdheid van onteigende aandeelhouders om een enquête te verzoeken de minister, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van SNS Reaal of anderszins, in zijn streven de onderneming te stabiliseren en te reorganiseren zou belemmeren, althans zo ernstig zou belemmeren, dat het zou opwegen tegen het recht om een enquête te verzoeken. De vraag of een daadwerkelijke enquête een zodanige belemmering zou opleveren staat daar los van; die vraag dient – bij gebleken gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen – te worden betrokken in de afweging die aan toe- of afwijzing van een enquêteverzoek voorafgaat. (rov. 3.24)

Aan het voorgaande doet niet af dat de minister geen gebruik heeft gemaakt van zijn enquêtebevoegdheid, noch dat de Interventiewet een regeling voor volledige schadeloosstelling van onteigende aandeelhouders inhoudt. Evenmin doet daaraan af dat Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid) heeft geoordeeld dat de eigendom van participatiecertificaten, uitgegeven door SNS Bank, door de onteigening is overgegaan op de Staat, en dat dit meebrengt dat de onteigende houders van die participatiecertificaten daarover niet langer bij Kifid kunnen procederen. (rov. 3.25)

De omstandigheid dat onteigening op grond van de Interventiewet er de oorzaak van is dat niet langer wordt voldaan aan de kapitaalseis, vormt dus geen beletsel om VEB c.s. en Stichting Beheer enquêtebevoegd te achten (rov. 3.26).

3.4

Onderdeel 4 bevat de hoofdklacht van het middel. Deze klacht luidt dat de ondernemingskamer miskent dat voormalige aandeelhouders van een vennootschap die hun hoedanigheid van aandeelhouder hebben verloren als gevolg van een (rechtmatige) onteigening op grond van de Interventiewet, niet bevoegd zijn tot het verzoeken van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap waarin zij aandelen hielden en in zoverre niet ontvankelijk zijn in hun verzoek.

De onderdelen 5 en 6 behelzen een uitwerking van de hoofdklacht. De klachten van deze onderdelen bestrijden het oordeel van de ondernemingskamer vanuit verschillende invalshoeken. In het bijzonder betogen de klachten, kort weergegeven, dat de door de ondernemingskamer aangenomen ontvankelijkheid zich niet verdraagt met de limitatieve opsomming in art. 2:346 BW van degenen die tot indiening van een enquêteverzoek bevoegd zijn, dat het aannemen van ontvankelijkheid evenmin strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad (in het bijzonder HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905, NJ 2014/296 (Slotervaartziekenhuis; hierna: de Slotervaartbeschikking)), dat ontvankelijkheid wordt belet door de omstandigheid dat aan de kapitaalseis niet wordt voldaan door onteigening ingevolge de Interventiewet en dat het aannemen van ontvankelijkheid leidt tot een onzekere en instabiele situatie, die haaks staat op het overheidsstreven om SNS Reaal te stabiliseren en te reorganiseren.

De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.1

Art. 2:346 BW bevat een limitatieve opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête. In art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW wordt daarbij voor houders van aandelen of certificaten van aandelen de zogenoemde kapitaalseis gesteld. In cassatie dient tot uitgangspunt dat VEB c.s. en Stichting Beheer vóór de onteigening voldeden aan de kapitaalseis, maar door de onteigening niet meer aan die eis voldoen doordat zij hun positie als aandeelhouder geheel hebben verloren.

3.5.2

In de Slotervaartbeschikking is geoordeeld dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat een aandeelhouder of certificaathouder die als gevolg van een uitgifte van (certificaten van) aandelen niet langer voldoet aan de kapitaalseis, bevoegd is tot het indienen van een verzoek om een enquête in te stellen, mits het verzoek (mede) betrekking heeft op een onderzoek naar die uitgifte en de verzoeker stelt dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij die uitgifte. Het enquêterecht strekt immers mede ter bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid, aldus deze beschikking.

3.5.3

In het onderhavige geval wordt niet (meer) voldaan aan de kapitaalseis doordat de Staat, gebruik makend van de hem in de Wft gegeven bijzondere bevoegdheid met het oog op de stabiliteit van het financiële stelsel, is overgegaan tot onteigening van aandelen in onder meer SNS Reaal. In rov. 3.18 heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat de verzoeken in belangrijke mate betrekking hebben op het beleid en de gang van zaken binnen SNS Reaal, SNS Bank en Propertize die aanleiding hebben gegeven tot de onteigening, welke op haar beurt meebracht dat niet meer werd voldaan aan de kapitaalseis. Voor zover de onderdelen 5.5 en 5.6 uitgaan van een andere lezing van deze overweging, falen zij. Ook is, anders dan deze onderdelen betogen, het in die overwegingen neergelegde oordeel niet onbegrijpelijk.

3.5.4

De zaak die aan de orde was in de Slotervaartbeschikking en de onderhavige hebben met elkaar gemeen dat in beide gevallen de omstandigheid dat niet meer wordt voldaan aan de kapitaalseis verband houdt met gebeurtenissen die de aandeelhouder niet heeft kunnen verhinderen, terwijl een onderzoek wordt verzocht juist naar het beleid en de gang van zaken die ertoe hebben geleid dat niet meer aan de kapitaalseis wordt voldaan. In zoverre is er aanleiding om ook voor het onderhavige geval te oordelen dat de strekking van het enquêterecht meebrengt de verzoekers bevoegd te achten tot het indienen van een enquêteverzoek. Daaraan staat niet in de weg dat in het onderhavige geval – anders dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had – de hoedanigheid van aandeelhouder voor verzoekers geheel verloren is gegaan.

3.5.5

Hier staat tegenover dat het verband tussen enerzijds het beleid en de gang van zaken in de onderneming en anderzijds het niet meer voldoen aan de kapitaalseis, in het onderhavige geval anders en minder direct is dan in de zaak waarop de Slotervaartbeschikking betrekking had. De directe oorzaak van het niet meer voldoen aan die eis is in het onderhavige geval immers niet gelegen in enige handeling van of binnen de rechtspersoon, maar in een handeling van een derde (onteigening door de Staat). Dit verschil is echter niet zodanig dat voor de ontvankelijkheid van het verzoek in het onderhavige geval anders moet worden beslist dan in een geval als aan de orde was in de Slotervaartbeschikking. De onteigening is immers gevolg van de positie waarin SNS Reaal op 1 februari 2013 verkeerde, en die positie kan niet los worden gezien van het daaraan voorafgaande beleid binnen SNS Reaal. Daarom is voor de ontvankelijkheid in het onderhavige geval voldoende dat de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken met betrekking tot de aan de onteigening voorafgaande periode.

3.5.6

Bij het voorgaande komt dat de onteigening mede ertoe strekte een faillissement van SNS Reaal te voorkomen. In geval van een faillissement zouden de aandeelhouders ontvankelijk zijn geweest in een verzoek als het onderhavige, ook al zou daarbij de nadruk op hun eigen belang hebben gelegen (vgl. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466 (Ogem) en HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210 (KPNQwest)). Ook dit rechtvaardigt het oordeel dat de onteigening niet in de weg staat aan het voor ontvankelijkheid vereiste verband tussen het beleid binnen de vennootschap en het niet meer voldoen aan de kapitaalseis. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de onteigende aandeelhouders recht hebben op een schadeloosstelling voor het verlies van hun aandelen, nu de hoogte daarvan in negatieve zin kan zijn beïnvloed door het beleid en de gang van zaken in de periode die aan de onteigening voorafging.

3.5.7

Het bovenstaande betekent niet een uitbreiding van de limitatieve opsomming in de wet van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek. Het betreft daarentegen – evenals bij de hiervoor in 3.5.2 weergegeven regel die in de Slotervaartbeschikking is geformuleerd – een uitleg van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW in het licht van de strekking van het enquêterecht. Aan een zodanige uitleg staat niet in de weg dat de wetgever bij de herziening van het enquêterecht per 1 januari 2013 (Stb. 2012, 274 en 305) de voorwaarden voor het bestaan van de bevoegdheid tot het verzoeken van een enquête heeft aangescherpt (zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 5-6, p. 6-7, p. 17 en p. 27).

3.6

Anders dan de Staat c.s. aanvoeren, staan doel en strekking van de Interventiewet niet in de weg aan ontvankelijkheid van VEB c.s. en Stichting Beheer. Vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat een onteigening heeft plaatsgevonden niet reeds als zodanig in de weg staat aan een enquête, bijvoorbeeld op verzoek van een vakorganisatie als bedoeld in art. 2:347 BW of op verzoek van de Staat als huidige aandeelhouder. Ook zijn partijen het – terecht – erover eens dat een onteigening niet zou nopen tot het afbreken van een reeds aanhangig gemaakte enquête (zie rov. 3.21 van de bestreden beschikking).

Een argument van de Staat c.s. in dit verband is dat de algehele overgang van de onteigende aandelen op de Staat tot gevolg heeft gehad dat ook de bevoegdheid van de voormalige aandeelhouders tot het verzoeken van een enquête is komen te vervallen. Voor zover dat argument steunt op de omstandigheid dat door de onteigening de hoedanigheid van aandeelhouder geheel verloren is gegaan, stuit het af op hetgeen hiervoor in 3.5.2–3.5.6 is overwogen. Uit die overwegingen volgt ook dat de enkele omstandigheid dat aan de Staat in verband met zijn positie als nieuwe aandeelhouder enquêtebevoegdheid toekomt, niet verhindert dat ook de (gedwongen) onteigende houders van die aandelen bevoegd kunnen zijn een enquête te verzoeken op de voet van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b, BW.

Voor zover het argument van de Staat c.s. steunt op de wetsgeschiedenis van de Interventiewet, gaat het evenmin op. De passages waarnaar de Staat c.s. hebben verwezen, geven geen aanleiding tot de veronderstelling dat de wetgever onteigende aandeelhouders, anders dan bijvoorbeeld vakverenigingen, enquêtebevoegdheid na de onteigening heeft willen onthouden (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.8 en 4.10). Tot een zodanige veronderstelling geeft evenmin de wijziging per 1 januari 2013 van art. 2:346 BW aanleiding (zie ook hiervoor in 3.5.7).

3.7

De Staat c.s. hebben erop gewezen – vooral in onderdeel 6.5 – dat een onteigening ingevolge de Interventiewet (mede) als doel heeft te komen tot sanering en herstel van gezonde verhoudingen in het financiële stelsel door de financiële onderneming te stabiliseren en te reorganiseren. In dat verband hebben zij gesteld dat het aannemen van ontvankelijkheid het verkoopproces door NLFI (namens de Staat) kan frustreren doordat kopers kunnen worden afgeschrikt door de (mogelijke) enquête, dat het verzoeken van een enquête niet bijdraagt aan het creëren van rust rondom SNS Reaal, dat sprake zal zijn van negatieve publiciteit, en dat een enquête een aanzienlijke organisatorische belasting kan opleveren voor de betrokken financiële onderneming en haar management.

Deze bezwaren van de Staat c.s., die doelen op specifieke negatieve gevolgen van een enquête die volgt op een onteigening ingevolge de Wft, dienen geen rol te spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag. Zij dienen aan de orde te komen bij de beantwoording van de vraag of de verzoeken dienen te worden toegewezen, zoals de ondernemingskamer terecht heeft geoordeeld in de slotzin van rov. 3.24. In dat verband dient immers een belangenafweging plaats te vinden, waarbij – indien het verzoek niet reeds wordt afgewezen omdat wordt geoordeeld dat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen – de bezwaren die een enquête voor de onderneming oplevert worden meegewogen (vgl. HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173 (Unilever)).

In de te maken belangenafweging kunnen ook andere door de Staat c.s. aangevoerde bezwaren worden betrokken, zoals de enquêtekosten, de verstreken tijd tussen het verlies van het aandeelhouderschap en het indienen van het enquêteverzoek (vgl. HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2646, NJ 1997/188 (Wijsmuller)), en de vraag naar de reikwijdte van een eventueel te gelasten enquête. Ook dit zijn factoren die bij de vraag naar ontvankelijkheid geen rol dienen te spelen.

3.8

Op grond van het voorgaande kunnen de klachten van de onderdelen 4-6 niet tot cassatie leiden. De overige onderdelen bevatten geen klachten.

3.9

SNS Reaal c.s. en Propertize hebben in hun verweerschriften steun betuigd aan het standpunt van de Staat c.s. en zijn dus in deze procedure niet in het gelijk gesteld. De Staat c.s. zullen daarom niet in hun proceskosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat en NLFI in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VEB c.s. en Stichting Beheer elk begroot op € 845,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, aan de zijde van [A] begroot op € 390,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van R.O.O.S Stichting begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 4 november 2016.