Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1515

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
16/01160
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Griffierecht ter zake van verzoekschrift tot faillietverklaring van een v.o.f. en van haar vennoten (na HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251). Is het griffierecht één maal verschuldigd of voor elk van de verzochte faillissementen afzonderlijk? Art. 3 lid 2 en 15 lid 1 Wgbz.

Wetsverwijzingen
Wet griffierechten burgerlijke zaken
Wet griffierechten burgerlijke zaken 3
Wet griffierechten burgerlijke zaken 15
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2021
JWB 2016/301
RvdW 2016/812
NJ 2016/312 met annotatie van
Prg. 2016/237
NJB 2016/1491
FutD 2016-1954
JOR 2016/316
JBPR 2017/5 met annotatie van Mr. L. Krieckaert
INS-Updates.nl 2016-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2016

Eerste Kamer

16/01160

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

Mr. A.E.M. BIERENS, advocaat van Sygenta Seeds B.V.,
gevestigd te Enkhuizen,

VERZOEKERS in eerste aanleg,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

t e g e n

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERDER in eerste aanleg,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Bierens en de griffier.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de verwijzingsbeschikking in de zaak C/10/483243/HA RK 15-701 van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2016.

De verwijzingsbeschikking van de rechtbank is aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij voormelde verwijzingsbeslissing heeft de rechtbank bepaald dat aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv de in zijn beslissing onder 3.7 omschreven vraag wordt gesteld.

Partijen hebben geen schriftelijke opmerkingen ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad op de prejudiciële vraag zal antwoorden dat één ingediend verzoekschrift dat strekt tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma en haar twee vennoten, sedert het arrest van 6 februari 2015 kan worden beschouwd als één geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven.

3 Beantwoording van de prejudiciële vraag

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) Mr. Bierens heeft namens een cliënte bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend, houdende een faillissementsverzoek, gericht tegen een vennootschap onder firma en haar twee vennoten.

(ii) In het verzoekschrift is verzocht het faillissement uit te spreken van zowel de vennootschap onder firma als van haar vennoten.

(iii) De griffier van de rechtbank heeft ter zake van dat verzoekschrift een griffierecht geheven van drie maal een bedrag van € 613,--, zijnde het bedrag aan griffierecht dat ten tijde van de heffing gold voor ‘zaken met betrekking tot een verzoek van onbepaalde waarde’ bij een rechtbank.

3.2

Mr. Bierens heeft verzet gedaan tegen de beslissing van de griffier en betoogt, kort gezegd, dat voor het bedoelde faillissementsverzoek slechts één [keer] griffierecht kan worden geheven, nu van één verzoekschrift sprake is.

3.3.1

Art. 3 lid 2 Wgbz bepaalt dat voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift een griffierecht wordt geheven, voor zover bij of krachtens die wet of een andere wet niet anders is bepaald. De systematiek van de Wgbz houdt in dat griffierecht wordt geheven volgens de als bijlage bij die wet opgenomen tabel, waarvan de bedragen afhankelijk zijn van de instantie en het financiële belang van de zaak. Daarmee is, naar nader is uiteengezet in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 4, het systeem voortgezet dat sedert 1960 ook onder de toenmalige Wtbz (art. 3) gold. Voordien was het griffierecht gerelateerd aan de noodzakelijke verrichtingen van de griffier.

3.3.2

De Wgbz kent slechts één bepaling die betrekking heeft op subjectieve cumulatie, te weten art. 15. Het tweede lid van dat artikel is voor de beoordeling van de voorliggende vraag niet van belang. Lid 1 luidt:

“Van partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren, wordt slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht geheven. Hetzelfde geldt voor verzoekers en belanghebbenden die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften of verweerschriften indienen.”

Art. 15 lid 1 Wgbz geeft dus een regel voor het geval aan een zijde meer dan één partij optreedt en er aanleiding is van die partijen gezamenlijk slechts eenmaal griffierecht te heffen. Het ziet niet ook op de zich hier aan de zijde van de cliënte van mr. Bierens voordoende situatie, aangezien sprake is van één verzoeker en bovendien van één verzoekschrift.

3.3.3

In de parlementaire geschiedenis van een wet die een wijziging van de Wtbz bracht, is naar aanleiding van art. 3, de voorloper dus van art. 15 lid 1 Wgbz, namens de regering opgemerkt:

“Voor elk verzoekschrift wordt afzonderlijk een vast recht geheven, ook indien er sprake is van met elkaar samenhangende verzoekschriften. Indien meerdere verzoeken in één request worden gedaan zal dit - zeker indien tussen verschillende verzoeken geen direct verband bestaat - ertoe kunnen leiden dat dit wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.”

(Kamerstukken II 1983-1984, 17 838, nr. 9, p. 6).

3.3.4

Hieruit blijkt dat de mogelijkheid bestaat – in afwijking van de regel die thans in art. 3 lid 2 Wgbz is opgenomen – een verzoekschrift dat meerdere verzoeken bevat, te beschouwen als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven. Daarvoor is nodig dat tussen de verschillende verzoeken in het verzoekschrift geen ‘direct verband’ bestaat.

3.3.5

In zijn arrest van 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, waarin is teruggekomen van de bestaande rechtspraak dat een faillissement van een vennootschap onder firma van rechtswege het faillissement van haar vennoten meebrengt, heeft de Hoge Raad overwogen (rov. 3.4.8):

“Gelet op het hiervoor overwogene dient een schuldeiser, indien hij niet alleen het faillissement van de vof maar ook dat van de vennoten wil bewerkstelligen, dat in zijn verzoekschrift ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk te verzoeken, en dient de rechter te onderzoeken of ook ten aanzien van de vennoten afzonderlijk aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan. Gelet op art. 18 WvK en de wenselijkheid dat de faillissementen van de vof en van de vennoten zoveel mogelijk tegelijk worden uitgesproken en afgewikkeld, verdient het overigens aanbeveling dat deze verzoeken zoveel mogelijk tezamen worden gedaan en behandeld.”

Niet alleen blijkt hieruit dat de verzoeken in één verzoekschrift kunnen worden opgenomen, maar de overweging bevestigt ook dat dergelijke verzoeken een nauwe samenhang vertonen en daarmee tussen hen een ‘direct verband’ bestaat als bedoeld in het citaat uit de parlementaire geschiedenis van art. 3 Wtbz, vermeld hiervoor in 3.3.3. Dat een zodanig verzoekschrift meer werkzaamheden voor de griffie meebrengt en tot afzonderlijke beoordeling van de verzoeken noopt, werpt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen, geen gewicht in de schaal.

3.4

De slotsom luidt dat de prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat voor de indiening van een verzoekschrift strekkend tot de faillietverklaring van zowel een vennootschap onder firma als haar vennoten, slechts eenmaal griffierecht dient te worden geheven.

4 Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vraag op de wijze als hiervoor in 3.4 vermeld.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 juli 2016.