Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:217

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
13/05805
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2757, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/276
SR-Updates.nl 2015-0059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2015

Strafkamer

nr. 13/05805

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 september 2013, nummer 21/003696-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de akte van cassatie niet is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16/701109-12 onder 2 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/701109-12 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 3 in de zaak met parketnummer 16/701109-12 ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16/701109-12 onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 31 mei 2012 te Zeist, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning gelegen aan de [a-straat 1]) heeft weggenomen een pinpas en een I-pod, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0920 2012121779-1 (pg 45-47 van het proces-verbaalnummer PL0920 2012139948-18) gesloten en getekend op 10 juni 2012 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van insluiping in mijn woning aan de [a-straat 1] te Zeist. Ik woon hier samen met mijn vrouw. Mijn vrouw en ik zijn allebei visueel gehandicapt en kunnen niet zien. Op 31 mei 2012 kwam ik omstreeks 17.00 uur terug in mijn woning. Ik leg alles op exact dezelfde plaats terug anders kan ik het niet meer terug vinden. Zo heb ik mijn IPod Touch in een stalen geldkistje in een kast in de studeerkamer liggen. Toen ik mijn IPod uit het kistje wilde pakken, voelde ik dat de IPod weggenomen was.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0920 2012122391-1 (pg 48-50 van het proces-verbaalnummer PL0920 2012139948-18) gesloten en getekend op 10 juni 2012 door [verbalisant 1] voornoemd, inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Namens de benadeelde [betrokkene 2] ben ik gerechtigd tot het doen van aangifte van oplichting. Op 31 mei 2012 werd ik omstreeks 15.00 uur gebeld door een persoon die mij mededeelde dat hij van de politie was. De persoon deelde mij mede dat er iemand was aangehouden en dat bij die persoon de pinpas van mijn vrouw [betrokkene 2] was aangetroffen. Omdat mijn vrouw inderdaad haar pinpas kwijt was, vond ik dit een aannemelijk verhaal. Omstreeks 15.30 uur werd ik wederom gebeld. Ik hoorde de persoon zeggen dat zij de bankpas wilde blokkeren en zodoende mijn pincode nodig hadden. Ik heb mijn pincode doorgegeven. Omstreeks 16.00 uur werd ik weer gebeld. Ik hoorde de persoon zeggen dat de pas was geblokkeerd en dat alles goed zou komen. Omdat ik nog wat vragen had, heb ik na dit gesprek telefonisch contact opgenomen met de politie. Een medewerker van de politie vertelde mij dat er geen aanhouding had plaatsgevonden. Ik heb direct de ING gebeld om te vragen of er pintransacties hadden plaatsgevonden. Een medewerker van de ING vertelde mij dat er voor € 1250,00 was gepind.

De pinpas is van mijn vrouw. Op 31 mei 2012 heeft er om 16.09 uur een pintransactie van € 250,00 plaatsgevonden bij de Rabobank en om 16.10 uur een pintransactie van € 1000,00 bij de ING bank.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0920 2012121779-2 (pg 55-56 van het proces-verbaalnummer PL0920 2012139948-18) gesloten en getekend op 16 juni 2012 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

In verband met het opvragen van de beelden bij de Rabobank, deed ik onderzoek naar de locatie waar gepind was. Bij de transactie staan de volgende gegevens vermeld:

Opnamedatum 31 mei 2012

Opnametijdstip 16.09 uur

Bedrag € 250,00

Rekeningnummer [001]

Ik belde hierop de ING-bank, om de locatie te achterhalen. Ik hoorde de medewerkster zeggen dat zij niet de locatie kon achterhalen, maar wel een terminalnummer kon doorgeven. Ik hoorde dat zij het nummer [002] aan mij doorgaf. Hierna belde ik de Rabobank Utrecht. Ik hoorde dat de locatie behorende bij het terminalnummer [002] betrof:
Laan van Vollenhove 3171 te Zeist. Dit zou een losse automaat betreffen, zonder kantoor. Aangezien de tijd tussen beide opnames slechts één minuut betreft, is het niet anders mogelijk dan dat de ING-automaat waar het gepinde bedrag van € 1000,00 opgenomen is, de locatie betreft:
Laan van Vollenhove 3011.

Bij onderzoek naar de telecommunicatiegegevens blijkt dat het vaste telefoonnummer van aangever op 15.27 uur, 15.46 uur en 15.52 uur is gebeld door het telefoonnummer 06-[003].

In de politiesystemen stond laatstgenoemd 06-nummer gekoppeld aan [verdachte], geboren [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0920 2012121779-11 (pg 60 van het proces-verbaalnummer PL0920 2012141500) gesloten en getekend op 2 juli 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de historische gegevens van de telefoon van verdachte [verdachte] bleek dat hij op 31 mei 2012 te 15.53 en 16.24 uur had gebeld naar het mobiele nummer 06-[004]. Dit nummer bleek te horen bij aangever [betrokkene 1]. De vrouw van aangever [betrokkene 1] verklaarde desgevraagd dat zij op 31 mei 2012 op de vaste lijn is gebeld over haar pincode. Aangever [betrokkene 1] verklaarde desgevraagd dat hij op 31 mei 2012 twee maal op zijn mobiele nummer was gebeld door een "agent". De eerste keer dat hij werd gebeld, werd naar zijn pincode gevraagd om zijn pas te kunnen blokkeren. De tweede keer werd hij gebeld met de mededeling dat het blokkeren van de pas was gelukt.

7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, op 5 oktober 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat het telefoonnummer eindigend op [003] van mij was.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nr. PL0920 2012121779-14 (pg 92 van het proces-verbaalnummer PL0920 2012141500-C) gesloten en getekend op 10 juli 2012 door [verbalisant 3], brigadier van politie Utrecht en [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 25 juni 2012 hebben wij, verbalisanten, een bezoek gebracht aan de Rabobank in De Bilt. Dit was naar aanleiding van opgevraagde beelden van pintransacties. Deze beelden zijn door de Rabobank vastgelegd op 31 mei 2012 van 16.04 tot 16.08 uur.

Op de beelden is de linkerhand van verdachte goed te zien. Ik, verbalisant [verbalisant 3], herkende de handen van verdachte als zijnde de handen en vingers van [verdachte]. Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] nagels bijt. Verder zijn de overeenkomsten dat [verdachte] stompe vingers heeft. Ook dit was op de beelden goed te zien.

9. Een proces-verbaal van het getuigenverhoor van [getuige 1], genummerd 12/3291, gedateerd op 10 december 2012 en opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik heb van 2005 tot en met 2008 een relatie gehad met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). De politie heeft mij beelden laten zien van pinnen door middel van een gestolen pinpas. De beelden waren redelijk scherp. Ik herkende [verdachte] aan zijn lichaamshouding. Als ik met hem ging pinnen stond hij ook altijd met gekruiste benen. Ik herkende hem ook aan zijn lengte, hij is namelijk niet groot. Ook herkende ik hem aan zijn achterwerk."

2.3.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte een pinpas en een I-pod heeft weggenomen niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/701109-12 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.