Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1666

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
10/02774
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:354, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; Europeesrechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging; uitreiken van uitnodiging tot betaling zonder de douaneschuldenaar voorafgaand daaraan gelegenheid te bieden te reageren op het voornemen tot navorderen; aan schending van het verdedigingsbeginsel eventueel te verbinden gevolgen; aan het ontbreken van een (voldoende) motivering in de uitnodiging tot betaling te verbinden gevolgen; eindarrest na HvJ 3 juli 2014, Kamino en Datema, C-129/13 en C-130/13.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1816
VNT 2013/11t.4
VNT 2013/11t.4
V-N Vandaag 2013/415
NJB 2013/512
V-N 2015/33.5 met annotatie van Redactie
NJB 2015/1492
BNB 2015/186 met annotatie van M.J.W. van Casteren
FutD 2015-1574 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1928 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 10/02774bis

26 juni 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Kamino International Logistics B.V. te Ridderkerk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 mei 2010, nr. P08/00209, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 22 februari 2013, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2013:BR0666, BNB 2013/130, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“1) Op het beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging en het daaruit voortvloeiende recht van eenieder om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, zoals die gelden in het kader van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, kan door particulieren rechtstreeks een beroep worden gedaan voor de nationale rechter.

2) Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen. Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

3) De voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaal rechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel).

De nationale rechter, die verplicht is om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, kan bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.”

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest. Nu de reactie van de Staatssecretaris bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 30 maart 2015 nader geconcludeerd tot ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal.

2 Nadere beoordeling van de middelen I en II

2.1.

Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende niet voorafgaande aan de uitreiking van de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling is ingelicht en evenmin in de gelegenheid is gesteld om voorafgaande aan het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling haar zienswijze te geven.

Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

2.2.

Middel II betoogt onder meer dat schending van de rechten van de verdediging bij de besluitvorming van de douaneautoriteiten tot het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 221, lid 1, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), zonder meer behoort te leiden tot een vernietiging daarvan. Gelet op punt 3 van de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht van het Hof van Justitie faalt het middel voor zover het een beroep doet op het recht van de Europese Unie. Ook in het nationale recht vindt de stelling van het middel geen steun, zodat middel II in zoverre eveneens faalt.

2.3.1.

Middel II verzet zich voor het overige tegen het oordeel van het Hof dat schending van de rechten van de verdediging bij de besluitvorming van de douaneautoriteiten tot het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling in dit geval niet tot een vernietiging van de uitnodigingen tot betaling leidt aangezien belanghebbende door de schending van vermeld beginsel niet is benadeeld.

2.3.2.

Uit punt 3 van de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat de nationale rechter, onverminderd zijn verplichting om de volle werking van het recht van de Europese Unie te waarborgen, bij schending van de rechten van de verdediging van vernietiging van een uitnodiging tot betaling kan afzien, indien het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten met betrekking tot het vaststellen van die uitnodiging tot betaling zonder deze schending geen andere afloop zou kunnen hebben gehad.

2.3.3.

Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder deze schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de douaneautoriteiten zonder deze schending zouden hebben afgezien van het vaststellen van één of meer van de desbetreffende uitnodigingen tot betaling of dat zij deze op een lager bedrag zouden hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de uitnodiging tot betaling is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodiging tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.

2.3.4.

Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat tussen de Inspecteur en belanghebbende over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan nimmer verschil van mening heeft bestaan en dat het geschil tussen de Inspecteur en belanghebbende betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de Inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Gelet hierop ligt in ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet is benadeeld, besloten het oordeel dat indien belanghebbende wel vooraf was gehoord, dit niet tot andere besluiten zou hebben kunnen leiden dan de besluiten die de Inspecteur heeft genomen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

2.3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 tot en met 2.3.4 is overwogen, geeft ’s Hofs oordeel dat de schending van de rechten van de verdediging in dit geval niet behoeft te leiden tot vernietiging van de uitnodigingen tot betaling geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Middel II voor het overige faalt derhalve eveneens.

2.4.1.

Middel I ten slotte is gericht tegen het oordeel van het Hof dat aan het feit dat de op het aanslagbiljet vermelde motivering met betrekking tot het vaststellen van de onderhavige uitnodigingen tot betaling uiterst summier is geweest, met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden voorbijgegaan aangezien belanghebbende hierdoor naar het oordeel van het Hof niet is benadeeld. Het middel betoogt in de eerste plaats dat voormeld feit zonder meer moet leiden tot een vernietiging van de onderhavige uitnodigingen tot betaling.

2.4.2.

In de oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de op het aanslagbiljet zelf omschreven motivering niet voldeed aan de in artikel 6, lid 3, van het CDW gestelde eis dat een schriftelijke beschikking met redenen moet worden omkleed. Voor het antwoord op de vraag welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, geldt dat de door het middel opgeworpen stelling dat de uitspraak op bezwaar reeds hierom niet meer en niet anders kon behelzen dan vernietiging van de uitnodigingen tot betaling geen steun vindt in het recht van de Europese Unie. Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, is het in overeenstemming met het recht van de Europese Unie dat alsdan wordt beoordeeld of het gepleegde verzuim nadelige gevolgen heeft gehad voor de eventuele mogelijkheid om effectief bezwaar te maken tegen de uitnodigingen tot betaling. De stelling vindt gelet op het bepaalde in artikel 6:22 Awb evenmin steun in het nationale recht. Middel I faalt mitsdien in zoverre.

2.4.3.

Het middel faalt ook voor zover het is gericht tegen ’s Hofs oordeel dat van enig nadelig gevolg als hiervoor in 2.4.2 bedoeld geen sprake is geweest. In dit verband heeft het Hof – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat belanghebbende op 4 mei 2005 de beschikking kreeg over een lijst met de betrokken aangiften, dat zij op 10 mei 2005 het concept-controlerapport heeft ontvangen en bestudeerd en dat belanghebbende zodoende bij de verzending van het bezwaarschrift op 11 mei 2005 op de hoogte was van de achtergronden van de uitnodigingen tot betaling. In deze vaststellingen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de Inspecteur de gevolgen van de schending op een zodanig tijdstip en op zodanige wijze heeft gecompenseerd dat het meerbedoelde verzuim geen onherroepelijke gevolgen heeft gehad en onder instandhouding van de uitnodigingen tot betaling kon worden geheeld in de uitspraak op bezwaar. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel I voor het overige faalt derhalve eveneens.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op

26 juni 2015.