Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:163

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
13/05865
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:2513, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1911, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht, arbeidsrecht, pensioenrecht. Beëindiging werkgeversbijdrage in premie ziektekostenverzekering oud-werknemers in verband met wijziging zorgstelsel. Vordering tegen voormalig werkgever tot voortzetting bijdrage. Vertrouwen oud-werknemers. Rechtens afdwingbare verbintenis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0091
AR 2015/151
NJB 2015/305
NJ 2015/91 met annotatie van
PJ 2015/79 met annotatie van T. Huijg
JWB 2015/39
RAR 2015/50
RvdW 2015/256
TRA 2015/40 met annotatie van M.D. Ruizeveld
JAR 2015/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 januari 2015

Eerste Kamer

nr. 13/05865

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],

4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats],

5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats],

6. [eiser 6],
wonende te [woonplaats],

7. [eiser 7],
wonende te [woonplaats],

8. [eiser 8],
wonende te [woonplaats],

9. [eiser 9],
wonende te [woonplaats],

10. [eiser 10],
wonende te [woonplaats],

11. [eiseres 11],
wonende te [woonplaats],

12. [eiser 12],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaten: mr. N.T. Dempsey en mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V., rechtsopvolger van Fortis Bank (Nederland) N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Bank.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaken 1138641 CV EXPL 10-10587, 1142474 CV EXPL 10-12295 en 1146794 CV EXPL 10-14339 van de kantonrechter te Amsterdam van 22 juni 2010 en 19 oktober 2010;

b. het arrest in de zaak 200.081.793/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 augustus 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 7 november 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1 genoemde feiten. Deze zijn, samengevat weergegeven, de volgende.

(i) De Bank is tijdens de in deze zaak gevoerde procedure in eerste aanleg door fusie rechtsopvolgster geworden van Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna: Fortis). [eiser] c.s. zijn gepensioneerden die gedurende hun werkzame leven in dienst zijn geweest van Fortis of van een rechtsvoorgangster van Fortis, zoals Crédit Lyonnais Bank Nederland N.V. (hierna: Crédit Lyonnais).

(ii) Paragraaf 5.7 (“De Collectieve Ziektekosten-verzekering”) in het overzicht van secundaire arbeidsvoorwaarden van Crédit Lyonnais van juli 1985 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Door de Bank is (...) een collectief contract gesloten voor de verzekering van ziektekosten (...). Alle medewerkers, alsmede hun gezinsleden (...) kunnen deelnemen (...). Ook oud-medewerkers, die een V.U.T.-uitkering of pensioen genieten kunnen met hun gezinsleden hun deelname aansluitend aan de beëindiging van hun dienstverband voortzetten. (...) De werkgeversbijdrage bedraagt 50% van de premie voor de verzekering (...) voor de medewerker en de tot zijn laste komende gezinsleden (...).”

(iii) In het informatieblad van Fortis van december 2000 was onder het hoofd “Werkgeversbijdrage” onder meer het volgende opgenomen:

“De bank heeft tegelijkertijd besloten om aan alle gepensioneerden, die aansluitend aan het actieve dienstverband met pensioen zijn gegaan en via ons collectief contract verzekerd zijn een bijdrage in de premie van de ziektekostenverzekering te verstrekken. De bijdrage (...) bedraagt 60% van de premie. (...) Dit is een belangrijke verbetering voor gepensioneerden van ex-VSB die tot dusver geen bijdrage ontvingen.”

(iv) De personeelsgids van Fortis van februari 2001 vermeldt in het hoofdstuk over de collectieve ziektekostenverzekering onder meer het volgende over het deelnemerschap:

“Deelnemers kunnen zijn:

2.1

Medewerkers;

(...)

2.3

Gepensioneerden die medewerker of gewezen medewerker waren (…) aan wie (…) een pensioen namens Fortis Bank wordt uitbetaald; (…)

2.7

Weduwen en weduwnaars. (…)”

Over de werkgeversbijdrage vermeldt de personeelsgids 2001 onder het hoofdje “subsidie”:

“Deelnemers aan de collectieve ziektekosten-verzekering komen in aanmerking voor een werkgeversbijdrage. Indien niet van de collectieve ziektekostenverzekering gebruik wordt gemaakt, zal geen subsidie worden verstrekt. De werkgevers-bijdrage in de kosten van deze verzekering wordt vastgesteld op grond van de CAO Fortis Bank en bedraagt naar de situatie per 1 januari 2001: 60%.”

(v) In de gids voor senioren en zogeheten postactieven van Fortis van juni 2003 is een soortgelijke regeling opgenomen. De gids vermeldt dat de ontvanger ervan zich niet kan beroepen op de daarin opgenomen regelingen en dat Fortis zich het recht voorbehoudt de onderliggende regels uit de CAO en de personeelsgids tussentijds te wijzigen of in te trekken.

(vi) In de “Fortis Tribune” van mei 2004 en van oktober 2005, bestemd voor alle medewerkers en oud-medewerkers van Fortis, is herhaald dat een werkgeversbijdrage in de ziektekosten wordt verstrekt. Vermeld is verder dat die werkgeversbijdrage “wordt vastgesteld op grond van de CAO Fortis Bank Nederland”.

(vii) [eiser] c.s. hebben, voor zover hun pensionering of vervroegde uittreding voor 1 januari 2006 plaatsvond, tot die datum een bijdrage ontvangen in de premie van de collectieve ziektekostenverzekering. In december 2005 was die bijdrage 60% van de premie voor de standaardpakketpolis derde klasse.

(viii) Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet van kracht geworden. Met de invoering van die wet is het zorgverzekeringsstelsel gewijzigd in die zin dat niet langer onderscheid wordt gemaakt in ziekenfonds-verzekerden en particulier verzekerden. Voor alle Nederlandse ingezetenen geldt sindsdien één basisverzekering. De verzekerde betaalt een nominale premie en een inkomensafhankelijke bijdrage. Die inkomensafhankelijke bijdrage wordt in het nieuwe systeem voor actieve werknemers verplicht door de werkgever vergoed. Jegens gepensioneerden geldt die verplichting niet. Zij betalen een lager percentage inkomens-afhankelijke bijdrage. Daarnaast is voor hen, bij wijze van tegemoetkoming in de negatieve inkomenseffecten van het nieuwe stelsel, een aantal flankerende koopkrachtmaatregelen getroffen.

(ix) Fortis heeft in december 2005 bij brief aan alle oud-werknemers meegedeeld dat een akkoord is bereikt over een tweejarige CAO per 1 januari 2006, waarbij is afgesproken dat Fortis gedurende 24 maanden aan haar werknemers een bijdrage in de premie van de ziektekostenverzekering zal betalen van € 15,-- per maand en dat zij in aansluiting daarop heeft besloten eenzelfde bijdrage te betalen aan postactieven jonger dan 65 jaar. Bij die brief heeft Fortis tevens meegedeeld dat de op dat moment geldende regeling voor ziekenfonds- en particulier verzekerden zal komen te vervallen, dat voor de groep van 65 jaar en ouder de bijdrage van december 2005 nog zal worden uitgekeerd tot en met juni 2006 en dat voor de periode daarna voor die groep nog een besluit zal worden genomen.

(x) Bij brief van 28 juni 2006 heeft Fortis aan alle oud-werknemers meegedeeld dat de regeling werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering geleidelijk zal worden afgebouwd; voor personen van 65 jaar en ouder in vier jaar van 100% naar nul. Bij brief van 5 november 2007 heeft zij meegedeeld dat de afbouwregeling zal worden verbeterd in die zin dat het bedrag dat in 2008 wordt uitbetaald ook zal gelden voor de jaren 2009 en 2010. Fortis stelde daarvoor als voorwaarde dat zou worden afgezien van elke toekomstige aanvullende vordering. Van de oud-werknemers heeft 92% tot 93% de verbeterde regeling voor akkoord getekend.

3.2.1

In dit geding vorderen [eiser] c.s. de Bank te veroordelen tot voortzetting van de regeling ter zake van de bijdrage in de ziektekosten na 1 januari 2006 op de in het petitum in verschillende varianten geformuleerde voet. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Bank contractueel gehouden is de regeling levenslang en onvoorwaardelijk op hen toe te passen. Volgens [eiser] c.s. heeft de Bank zonder hun instemming en zonder gegronde reden de werkgeversbijdrage eenzijdig beëindigd, heeft zij zich de bevoegdheid tot zodanige eenzijdige wijziging niet voorbehouden en had zij niet een zodanig zwaarwegend belang dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot eenzijdige beëindiging kon besluiten.

3.2.2

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het daartegen gerichte hoger beroep verworpen op de grond dat het voor [eiser] c.s. voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het verstrekken van de bijdrage aan oud-werknemers was gekoppeld aan het verstrekken van de bijdrage aan de actieve werknemers op grond van de toepasselijke CAO. Aan de betaling van de bijdragen, beschouwd in samenhang met de overgelegde stukken, hebben [eiser] c.s. niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat sprake was van een onvoorwaardelijk en levenslang recht op een bijdrage, ook wanneer de actieve werknemers geen bijdrage meer zouden ontvangen. (rov. 3.14) Met de door haar getroffen overgangsregeling is de Bank in voldoende mate aan de belangen van de betrokken oud-werknemers tegemoetgekomen (rov. 3.23).

3.3.1

De onderdelen 1.1 tot en met 1.3 van het middel klagen dat het hof heeft miskend dat op grond van de jarenlange betaling van een bijdrage in de premie voor een ziektekostenverzekering door de Bank en in de bedrijfstak, jegens de oud-werknemers een rechtens afdwingbare verbintenis is ontstaan uit overeenkomst, dan wel de redelijkheid en billijkheid of krachtens gewoonte, althans dat het hof zijn andersluidende oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

De onderdelen kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft niet miskend dat tussen partijen een rechtsverhouding is ontstaan die meebracht dat de oud-werknemers jegens de Bank aanspraak konden maken op een bijdrage in de verzekeringspremie. Het heeft geoordeeld dat deze rechtsverhouding niet, zoals door [eiser] c.s. is gesteld, inhield dat zij die aanspraak levenslang en onvoorwaardelijk zouden behouden, ongeacht toekomstige ontwikkelingen.

3.3.2

Onderdeel 1.4 neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat de verbintenis van de Bank niet inhield dat zij gehouden was na de stelselwijziging met ingang van 1 januari 2006 een bijdrage te leveren in de kosten van de uit hoofde van de Zorgverzekeringswet verschuldigde nominale of inkomensafhankelijke premie. Dat uitgangspunt is juist. Het onderdeel acht genoemd oordeel onbegrijpelijk in het licht van (i) de omstandigheid dat de wijziging van het zorgstelsel niet eraan afdoet dat de oud-werknemers kosten dienden te blijven maken voor een ziektekostenverzekering en (ii) het gebruik door de Bank van woorden als “stopzetten”, “opzeggen”, “afschaffen” en “afbouwen” van de regeling.

3.3.3

Het onderdeel faalt. Het hof heeft geoordeeld dat de aanspraak van oud-werknemers op een bijdrage in de kosten van een ziektekostenverzekering betrekking had op de kosten die voortvloeiden uit deelname aan de collectieve particuliere ziektekostenverzekering, die in het tot 1 januari 2006 geldende stelsel door de Bank werd georganiseerd. Het hof heeft verder geoordeeld dat het verstrekken van een bijdrage aan oud-werknemers was gekoppeld aan de aanspraak op een bijdrage van actieve werknemers overeenkomstig de toepasselijke CAO en dat dit voor de oud-werknemers voldoende duidelijk is geweest. Het daarop voortbouwende oordeel houdt in dat de oud-werknemers niet erop mochten vertrouwen dat de Bank haar bijdrage aan de kosten van een ziektekostenverzekering zou voortzetten in het nieuwe stelsel, waarin geen sprake meer was van een aanspraak van actieve werknemers krachtens de CAO op een bijdrage in de kosten van een collectieve ziektekostenverzekering, en dat dus niet op die grond een daartoe strekkende verbintenis jegens de oud-werknemers is ontstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het onderdeel genoemde omstandigheden. De enkele omstandigheid dat de oud-werknemers kosten dienden te blijven maken voor een ziektekostenverzekering brengt immers niet mee dat de Bank deze kosten voor haar rekening moet blijven nemen. Het gebruik door de Bank van woorden als "stopzetten", "opzeggen", "afschaffen" en "afbouwen" van de regeling houdt naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof geen erkenning van de Bank in dat zij bestaande rechten van de oud-werknemers eenzijdig heeft beëindigd.

3.3.4

Onderdeel 1.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat een (oud-)werkgever een rechtens afdwingbare verbintenis slechts kan beëindigen indien nakoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans indien de (oud-)werkgever een voldoende zwaarwegend belang heeft om de regeling niet ongewijzigd voort te zetten. Onderdeel 1.6 neemt tot uitgangspunt dat het hof dit niet heeft miskend, maar acht het oordeel van het hof dat aan deze maatstaf is voldaan onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

De onderdelen kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers geoordeeld dat met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 2006 geen sprake was van een rechtens afdwingbare verbintenis van de Bank jegens oud-werknemers.

3.4

De klacht van onderdeel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5

Bij het voorgaande verdient opmerking dat, zoals in de inleiding op het cassatiemiddel en in de conclusie van de Advocaat-Generaal is vermeld, in diverse uitspraken van rechtbanken en hoven een ander oordeel is bereikt dan het oordeel van het hof in de onderhavige zaak en dat een tegen een dergelijke uitspraak, die eveneens betrekking had op de onderhavige regeling, gericht cassatieberoep eerder is verworpen (HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8363). Dit hangt samen met de uiteenlopende wijzen van procederen in de diverse zaken en met een verschillende waardering van de feiten en omstandigheden door de feitenrechters, die in geval van cassatieberoep slechts beperkt toetsbaar is.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 januari 2015.