Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1326

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
13/01404
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2208
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:689
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Aanvragen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/700
NJB 2015/1104
NJ 2015/372 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
EeR 2015, afl. 4, p. 146
SR-Updates.nl 2015-0240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 mei 2015

Strafkamer

nr. 13/01404 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op aanvragen tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 augustus 1984, nummer 230392-84, gewezen in de strafzaak van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 6 februari 1984 – de betrokkene ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. Voorts heeft het Hof bevolen dat hij ter beschikking van de regering zal worden gesteld teneinde van harentwege te worden verpleegd.

2 De procedure tot herziening

2.1.

De aanvragen tot herziening zijn gedaan door:

(1) de Advocaat-Generaal D.J.C. Aben, wiens schriftelijke vordering aan na te noemen tussenarrest is gehecht;

(2) de raadslieden van de betrokkene, mr. G.G.J. Knoops en mr. L. Vosman, beiden advocaat te Amsterdam, wier schriftelijke aanvraag eveneens aan dat tussenarrest is gehecht.

2.2.

De aanvraag van de Advocaat-Generaal strekt tot herziening van voormelde veroordeling en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden berecht en afgedaan op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv is voorzien. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de door de raadslieden gedane aanvraag gegrond zal verklaren.

2.3.

De Hoge Raad heeft in een tussenarrest van 2 december 2014 geoordeeld dat nader onderzoek noodzakelijk was omtrent het in de aanvragen aangevoerde met betrekking tot de geloofwaardigheid van de bekentenissen die de betrokkene destijds heeft afgelegd. In het tussenarrest is bedoeld onderzoek – met inbegrip van de benoeming van een deskundige indien hem zulks geraden voorkomt – opgedragen aan de raadsheer mr. N. Jörg, die daartoe tot Raadsheer-Commissaris is benoemd.

2.4.

Ter uitvoering van het tussenarrest hebben na te noemen deskundigen een gedragskundig onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de betrokkene. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 april 2015 dat de Raadsheer-Commissaris op de voet van art. 469, vierde lid, Sv aan de Hoge Raad heeft doen toekomen.

2.5.

Een afschrift van dit rapport is ingevolge art. 469, vijfde lid, Sv toegezonden aan de raadslieden van de betrokkene. Zij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Het Hof heeft ten laste van de betrokkene bewezenverklaard:

"dat hij te Hilversum op 10 november 1981 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij toen en daar opzettelijk, zich op korte afstand van genoemde [slachtoffer] bevindend, met een geladen vuurwapen, gericht op diens hoofd, een schot op [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan [slachtoffer] schotverwonding van de hersenen heeft opgelopen en hij dientengevolge op 13 november 1981 is overleden."

3.2.

Wat betreft de bewijsvoering waarop deze bewezenverklaring steunt, houdt de vordering van de Advocaat-Generaal het volgende in:

"8. Doordat het namens [betrokkene] ingestelde cassatieberoep is ingetrokken, is geen uitwerking beschikbaar van de bewijsmiddelen waarop de veroordeling door het gerechtshof te Amsterdam is gegrond. Dit levert een hindernis op voor de waardering van de bewijsconstructie die het hof voor ogen moet hebben gestaan. Niettemin is bij lezing van het dossier m.i. toereikend vast te stellen hoe de motivering van de bewezenverklaring zou hebben geluid indien het gerechtshof tot uitwerking daarvan zou zijn overgegaan. Zo mag worden aangenomen dat het gerechtshof zijn oordeel niet heeft gebaseerd op het bestaan van forensisch-technisch bewijsmateriaal waarmee bijvoorbeeld een verband kon worden gelegd tussen het moordwapen en de veroordeelde, of waarmee de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict kon worden aangetoond, om de eenvoudige reden dat het dossier destijds geheel geen belastend forensisch-technisch bewijsmateriaal bevatte. Dergelijke verbanden konden dus niet worden gelegd. (...) Ook mag worden aangenomen dat 's hofs bewijsconstructie niet berust op waarnemingen van getuigen omtrent het misdrijf zelf of omtrent gedragingen van [betrokkene] waaraan rechtstreeks een verband met het misdrijf viel te ontlenen, om de eenvoudige reden dat dergelijk bewijsmateriaal niet bestond. (...)

9. Het interlocutoir vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 september 1983, waarbij een bewezenverklaring is uitgesproken en het onderzoek ter terechtzitting is heropend teneinde een nader onderzoek te doen instellen naar de persoonlijkheid en geestvermogens van de (toen nog) verdachte, bevat wel een opsomming van de bewijsmiddelen. Behoudens bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] is doodgeschoten, behelzen de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de vraag wie verantwoordelijk is voor dit gewelddadig overlijden uitsluitend verklaringen van [betrokkene] of verklaringen van getuigen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]) die melding maken van jegens hen gedane uitlatingen van [betrokkene] van de strekking dat hij, [betrokkene], [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het bewijs van het daderschap van [betrokkene] berust dus in de bewijsconstructie die door de arrondissementsrechtbank is opgetuigd in essentie uitsluitend op één bron, en dat is [betrokkene] zelf, met inbegrip van (ontkennende) verklaringen van [betrokkene] die door de rechtbank als leugenachtig zijn bestempeld.

10. Van de zittingen van het gerechtshof te Amsterdam zijn handgeschreven processen-verbaal beschikbaar. Hieruit is met enige moeite op te maken op basis van welke argumenten de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam op 2 augustus 1984 heeft gerequireerd tot een veroordeling van [betrokkene]. Klaarblijkelijk berust het bewijs tegen [betrokkene] (ook) volgens de advocaat-generaal enkel op de verklaringen van [betrokkene], op de daarin aangetoonde daderwetenschap, alsmede op de leugenachtigheid en de ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen voor zover hij op een later moment zijn daderschap is gaan ontkennen.

11. Uit een en ander valt m.i. af te leiden dat [betrokkene] in 1984 door het gerechtshof te Amsterdam uitsluitend is veroordeeld op bewijsmateriaal dat middellijk of onmiddellijk is terug te voeren op de verklaringen en uitlatingen van [betrokkene] zelf. Ander bewijsmateriaal van zijn daderschap was er (kennelijk) niet. (...)"

4 De grondslag voor herziening

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

5 Beoordeling van de aanvragen

5.1.

De Hoge Raad heeft in voormeld tussenarrest geoordeeld dat, alvorens een beslissing kon worden genomen, nader onderzoek noodzakelijk was omtrent het in de aanvragen aangevoerde, welke aanvragen onder meer berusten op de stelling dat, kort gezegd, zodanig ernstige twijfel is gerezen omtrent de geloofwaardigheid van de bekentenissen die de betrokkene destijds heeft afgelegd, dat het Hof – ware het daarmee bekend geweest – die (nadien ingetrokken) bekentenissen niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en de betrokkene zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. In het bijzonder wenste de Hoge Raad beantwoording van de volgende vragen:

"(1) Was de betrokkene ten tijde van of omstreeks het plegen van het misdrijf dan wel ten tijde van het opsporingsonderzoek en/of ten tijde van de behandeling van de zaak door de Rechtbank respectievelijk het Gerechtshof lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens?

Zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

(2) Was de eventueel ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van de betrokkene ten tijde van het misdrijf en/of gedurende de behandeling van zijn strafzaak, en wel zodanig dat zulks mede daaruit verklaard kan worden?

Zo ja, op welke manier en in welke mate is dit geschied?"

5.2.1.

Ter uitvoering van het tussenarrest hebben drs. M.R. Weeda, psychiater, geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen in het gebied volwassenen, drs. B. van Giessen, klinisch psycholoog, geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen in het gebied volwassenen, en P. van der Meer, forensisch milieuonderzoeker, in opdracht van de Raadsheer-Commissaris na inzage van de gerechtelijke stukken een gedragskundig onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de betrokkene. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in voormeld rapport van 22 april 2015.

5.2.2.

Dit rapport houdt wat betreft de beantwoording van de in het tussenarrest geformuleerde vragen het volgende in:

"1. Was betrokkene ten tijde van of omstreeks het plegen van het misdrijf dan wel ten tijde van het opsporingsonderzoek en/of ten tijde van de behandeling van de zaak door de Rechtbank respectievelijk het Gerechtshof lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens? Zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Ja, bij betrokkene was ten tijde van het plegen van het misdrijf, ten tijde van het opsporingsonderzoek en ten tijde van de behandeling van de zaak door de rechtbank en het gerechtshof sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken. Voorts was er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een recidiverende depressieve stoornis. Er kan echter niet worden geobjectiveerd op welke momenten en in welke intensiteit deze laatstgenoemde stoornis zich voordeed. Wel is duidelijk dat deze depressieve stoornis in hoge mate samenhing met de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken. Tot slot was sprake van alcoholafhankelijkheid en misbruik dan wel afhankelijkheid van rustgevende medicatie.

2. Was de eventueel ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van de betrokkene ten tijde van liet misdrijf en/of gedurende de behandeling van zijn strafzaak, en wel zodanig dat zulks mede daaruit verklaard kan worden? Zo ja, op welke manier en in welke mate is dit geschied?

Er zijn geen aanwijzingen dat de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken en/of de recidiverende depressieve stoornis invloed hebben gehad op zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het misdrijf. Betrokkene heeft het plegen van de moord immers ontkend waardoor er niet met hem kon worden gesproken over zijn gevoelens, gedachtes en gedrag op dat moment.

Ten tijde van het eerste verhoor door de politie op 17 januari 1983 zijn er wel aanwijzingen dat sprake is geweest van invloed van de beschreven pathologie van betrokkene. Het is goed mogelijk dat hij vanuit zijn verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en het zelfs verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken, heeft kunnen komen tot het afleggen van een valse bekentenis. Betrokkene ervoer hoge emotionele druk, stress en vermoeidheid gedurende de verhoren. Deze factoren hebben de aanwezige pathologie bij betrokkene vermoedelijk verergerd. Zie voorts hoofdstuk 9 voor een uitgebreide motivering en uitleg omtrent deze invloed.

De invloed van de persoonlijkheidspathologie was duidelijk aanwezig in de periode na de moord op [slachtoffer] namelijk toen hij tegenover bekenden de suggestie wekte dat hij iets met de moord te maken had, dan wel dat hij onomwonden zei de moord gepleegd te hebben. Hierbij speelde betrokkenes hunkering naar aandacht en bevestiging, alsmede zijn neiging tot het verliezen van grip op zijn eigen fantasieverhalen een rol. Een vergelijkbare invloed van de pathologie op zijn gedragskeuzes en gedragingen vond plaats vanaf het moment dat hij op 17 januari 1983 een naar zijn zeggen valse bekentenis aflegde. Zie hoofdstuk 9 voor een uitgebreide motivering en uitleg omtrent deze invloed.

Tot slot zijn er geen duidelijke aanwijzingen gevonden dat de pathologie ten tijde van de behandeling van de strafzaak door de rechtbank en het gerechtshof zijn gedragskeuzes en gedragingen hebben beïnvloed."

5.2.3.

Voormeld hoofdstuk 9 ("forensische analyse") van het rapport houdt het volgende in:

"Betrokkene is opgegroeid in een samengesteld gezin, waarin sprake was van affectieve en pedagogische verwaarlozing. Hij ontwikkelde een symbiotische, maar tevens zeer ambivalente relatie met zijn moeder, de onderlinge relaties binnen het gezin waren disfunctioneel en zijn vader werd goeddeels als afwezig ervaren. Tot zijn veertiende jaar leek betrokkene in sociaal en maatschappelijk opzicht redelijk te functioneren, hoewel hij zich vanaf jonge leeftijd ten opzichte van zijn broers buitengesloten voelde. Betrokkene kon als kind voorts heftig en snel aangebrand reageren, maar voor zover bekend leidde dit niet tot gedragsproblemen.

Op zijn veertiende jaar, hij was zich al bewust van zijn homoseksualiteit, werd betrokkene door twee jongemannen verkracht. Toen zijn moeder daar achter kwam reageerde zij daar nauwelijks en daarmee zeer inadequaat op. Ook rond die leeftijd vertelde betrokkene aan zijn familie dat hij homoseksueel was, hetgeen een grote (negatieve) impact op het gezin had. Betrokkene besloot kort daarna, op zijn vijftiende jaar, het ouderlijk gezin te verlaten en vertrok naar Amsterdam. Hij woonde enige tijd bij een man in en nadat deze (in 1976) overleed, begon hij een min of meer zwervend bestaan te leiden. Betrokkene prostitueerde zich vanaf zijn vijftiende jaar en begon zich in toenemende mate extravagant te kleden en theatraal te gedragen. Hij gebruikte alcohol, softdrugs en harddrugs en kwam in aanraking met de politie wegens diefstal. Parallel aan de prostitutiewereld, waarin waarheid en leugen bepaald niet gescheiden waren, begon betrokkene in toenemende mate 'fantasieverhalen' te vertellen. Hij verdraaide de waarheid, vergrootte die uit of bedacht compleet nieuwe verhalen. Door het veelvuldig fantaseren werd betrokkene door de mensen om hem heen veelal niet serieus genomen of geloofd, maar zijn verhalen leverden hem wel de aandacht op waar hij zo naar verlangde.

Rond zijn twintigste jaar probeerde betrokkene afstand te nemen van zijn 'oude leven' en probeerde hij een ander bestaan op te bouwen. Dit lukte echter maar beperkt. Begin 1981 bleek hij aan hepatitis A te lijden, waarna hij gedurende enkele maanden in het ziekenhuis werd opgenomen. Hij kreeg daarna een eigen flat, waarvan de huur door zijn toenmalige vriend werd betaald. Betrokkene werkte in het najaar van 1981 in een bejaardentehuis; daarnaast ontving hij een uitkering. Ondanks de zorg door zijn toenmalige vriend, was er sprake van schulden. Ten slotte werd ook zijn eigen woning door brand verwoest en woonde betrokkene dientengevolge wederom in bij verschillende mannen, die hem betaalden voor zijn seksuele diensten. Bovendien komt uit de analyse naar voren dat betrokkene zijn oude leven in de prostitutie miste; in dat oude leven had hij in elk geval het gevoel had dat hij volop in het leven stond en kreeg hij, als gewilde prostituee, bovendien de zo verlangde aandacht en bevestiging. Dit was in contrast met het leven dat hij eind 1981 en in 1982 leidde, waarin hij zich depressief voelde en het hem niet goed lukte om invulling te geven aan de wending die hij in zijn leven wel degelijk wenste.

In december 1982 werd de hem bekende taxichauffeur [betrokkene 4] vermoord. De politie had onvoldoende aangrijpingspunten om de moord op te lossen en op 10 januari 1983 werd een oproep gedaan in het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Betrokkene had financiële problemen en wilde de beloning die werd uitgeloofd graag ontvangen. Tevens werd er een beloning uitgeloofd voor tips over de moord op [slachtoffer], gepleegd in 1981. Betrokkene belde met Opsporing Verzocht en verwees onder een schuilnaam naar zichzelf: 'Ga maar eens met [betrokkene] praten'. De politie vond al snel uit dat de drie telefoongesprekken door betrokkene waren gepleegd en omdat hij bij zijn eerdere verklaringen onwaarheden had verteld, werd hij als verdachte aangehouden.

(...)

Met het oog op de gestelde vragen zal (...) alleen worden ingegaan op de vraag in hoeverre de bij betrokkene vastgestelde psychopathologie een rol gespeeld heeft in de gebeurtenissen van meer dan dertig jaar geleden.

Uit het onderhavige onderzoek komt consistent naar voren dat bij betrokkene in de periode rond de moord op [slachtoffer] sprake was van een recidiverende depressieve stoornis en een narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale kenmerken. Tevens speelden afhankelijkheid van alcohol, al dan niet deels in remissie, en misbruik dan wel afhankelijkheid van rustgevende medicatie.

Een persoonlijkheidsstoornis is een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die ten minste vanaf de adolescentieperiode of jongvolwassenheid aanwezig is en een duurzaam beloop kent. De behandeling ervan vergt doorgaans vele jaren intensieve behandeling. Betrokkene was wel onder psychotherapeutische behandeling geweest, maar alleen vanwege secundair aan de persoonlijkheidsproblematiek aanwezige depressieve klachten (welke behandeling overigens niet afdoende was gebleken). Bovendien werd de narcistische persoonlijkheidsstoornis ook tijdens de behandeling in de Dr. Henri van der Hoeven kliniek, na de veroordeling, vastgesteld. Derhalve kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geconcludeerd worden dat de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale kenmerken ook aanwezig was ten tijde van de verhoren door de politie en de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof.

Dat ten tijde van het verhoor en bij de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof ook sprake was van kenmerken van een depressieve stoornis, wordt door ondergetekenden eveneens als waarschijnlijk gezien. Echter, de precieze aard en ernst van de depressieve klachten op dat moment kan thans niet meer worden achterhaald. Het ging immers om een zogenoemde recidiverende depressie, hetgeen betekent dat depressieve klachten en verschijnselen wisselend aanwezig waren en er ook episodes waren van (enig) herstel. Hoe dan ook kan gesteld worden dat de depressieve stoornis in hoge mate samenhing met de narcistische persoonlijkheidsstoornis: krenkingen van het zelfgevoel leiden bij iemand met narcistische problematiek tot zowel forse boosheidsgevoelens als tot sombere gevoelens. Beide kanten waren aanwezig gedurende de depressieve episodes van betrokkene: een dergelijke depressie wordt ook wel 'gestolde woede' genoemd, die volgt op krenkingen van het zelfgevoel.

Niet vastgesteld kan worden of de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken en de recidiverende depressieve stoornis invloed hebben gehad op zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het plegen van het misdrijf. Betrokkene ontkent immers het misdrijf te hebben gepleegd en derhalve kan niet gesproken worden van invloed op zijn handelen.

Wel is duidelijk geworden dat betrokkene tegenover bekenden, in de periode tussen de moord in 1981 en de verhoren begin 1983, de suggestie gewekt heeft dat hij iets met de moord te maken had, dan wel zei hij onomwonden de moord gepleegd te hebben. Betrokkene stond in die tijd al langer bekend als iemand met een te grote fantasie, als iemand die verhalen verzon, halve waarheden vertelde dan wel de waarheid verdraaide. Hij vertelde vaker grootse verhalen, die door zijn omgeving niet werden geloofd of met een korreltje zout werden aangehoord. Betrokkene wilde met zijn verhalen gezien worden, maar ook dienden zijn theatrale uitingen (naast het verzinnen van verhalen, gedroeg en kleedde hij zich theatraal) om de onderliggende ernstige insufficiëntiegevoelens te camoufleren. Het 'gewone' bestaan en gedrag was voor betrokkene niet voldoende om zijn honger naar aandacht, liefde en geborgenheid te kunnen stillen en hij meende, zonder dat hij zich daarvan bewust was, dat alleen buitengewone verhalen en extravagant gedrag deze aandacht en erkenning van anderen kon opleveren. Dit was als het ware een tweede natuur van betrokkene geworden; hij zag niet meer dat hij anderen eerder van zich vervreemde, dan dat hij anderen met zijn gedrag aan zich bond. Maar de krenkingen als gevolg van buitensluiting (waar hij in zijn jeugd zeer gevoelig voor was geworden en die hij paradoxaal genoeg later ook weer actief zocht) kwamen telkenmale hard bij hem aan. In dat opzicht is sprake van een hoge mate van invloed van de vastgestelde stoornissen op zijn gedrag in de periode kort na de moord op [slachtoffer].

Ook ten tijde van het opsporingsonderzoek is er sprake van invloed van de narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken en de recidiverende depressieve stoornis op zijn gedragskeuzes en gedragingen.

Onder een schuilnaam tipte betrokkene na de uitzending van Opsporing Verzocht de politie dat men maar eens met [betrokkene] moest gaan praten. Zijn financiële nood was betrokkenes primaire drijfveer om contact te zoeken met de politie. Maar ook speelde mee dat betrokkene het 'tippen' spannend vond; hij vertelt letterlijk hoe hij, met het gebruik van aliassen, het gevoel had een rol te spelen in een van zijn lievelingsfilms. Tot slot speelde mee dat hij gevoelens van depressiviteit en eenzaamheid ervoer en dat hij nog weinig invulling had kunnen geven aan een andere levensstijl; het 'tippen' van de politie leverde hem aandacht op en gaf hem weer even het gevoel belangrijk en gewenst te zijn. Het was ten tijde van de prostitutie weliswaar een moeilijk leven, maar hij voelde zich gewild en had het gevoel midden in het leven te staan. Zoveel anders dan hij zich eind 1982 voelde, toen de depressies zich bij herhaling manifesteerden. Door zichzelf naar voren te schuiven als informant, wist betrokkene uiteraard dat hij in beide zaken ([betrokkene 4] en [slachtoffer]) door de politie zou worden gehoord. Hij zegt echter niet te hebben verwacht dat men op grond van zijn eerdere onjuiste verklaringen als verdachte van de moord zou worden aangemerkt.

Betrokkene heeft (...) op maandag 17 januari 1983 een bekennende verklaring afgelegd. (...) Er zijn vanuit onderhavige analyse (...) aanwijzingen naar voren gekomen dat deze bekentenis enig verband houdt met de vastgestelde psychopathologie bij betrokkene.

Zowel uit het dossier als uit betrokkenes eigen verhalen hieromtrent komt, zoals beschreven, naar voren dat zijn neiging tot suggereren, opscheppen en grootse fantasieverhalen vertellen voortkwam uit betrokkenes hunkering naar aandacht en erkenning. Deze behoefte kwam voort uit zijn onveilige jeugd en problematische relatie met zijn moeder, die bovendien zelf bekend stond als iemand die onwaarheden en fantasieverhalen vertelde. Daarbij is bij betrokkene de neiging aanwezig om de grip op wat hij vertelt te verliezen; hij is impulsief in zijn reacties, gemakkelijk te beïnvloeden door wat hem door anderen verteld en gesuggereerd wordt (een hoge mate van suggestibiliteit) en lijkt soms moeite te hebben gehad om fantasie en werkelijkheid volledig van elkaar te kunnen onderscheiden. Ook nu nog zijn gedurende het onderzoek bij betrokkene deze kenmerken aanwezig. Een hoge mate van suggestibiliteit waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar kunnen lopen kan passen bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken die bij betrokkene zijn vastgesteld. Te veronderstellen valt dat deze suggestibiliteit en de deels onbewuste neiging tot niet de waarheid vertellen en de grip op een verhaal te verliezen, in de loop der jaren minder op de voorgrond is komen te staan, zoals ook de persoonlijkheidspathologie bij betrokkene milder is geworden. Het feit dat deze kenmerken nu nog aanwezig zijn, doet vermoeden dat dit ruim dertig jaar geleden nog meer het geval is geweest. Daarbij kan worden gesteld dat onder invloed van stress en vermoeidheid de mate van suggestibiliteit van een persoon over het algemeen toeneemt. Door de emotionele druk die betrokkene in de verhoren ervoer, het feit dat hij niet goed kon uitleggen waar hij was op 10 november 1981 en zijn toenemende vermoeidheid en behoefte aan zorg (hij vroeg bij herhaling om hulp en medicatie), ging hij zelf twijfelen aan de waarheid: zou hij deze moord dan toch gepleegd kunnen hebben? Zo is betrokkene mogelijk uiteindelijk tot een (naar zijn zeggen) valse bekentenis gekomen.

Nadat hij een bekentenis had afgelegd, was er voor hem (althans in zijn beleving) geen weg terug en ging hij mee in hetgeen er naar zijn idee van hem verwacht werd. Hier manifesteerde zich de narcistische en theatrale problematiek opnieuw. Betrokkene was heel bedreven in het verzinnen van verhalen, zoals beschreven: het was zijn tweede natuur geworden. Zonder goed te beseffen waar hij zich in begaf, trachtte hij zo goed mogelijk antwoord te geven op de details rond de moord op [slachtoffer]. Door de hoge mate van suggestibiliteit hoefden de rechercheurs hem relatief weinig te voeden om tot een uitgebreide en gedetailleerde verklaring te komen. (...) Hij stond in het middelpunt van de belangstelling en werd daarmee even zeer belangrijk en bijzonder, hetgeen zijn gedrag bekrachtigde. Bovendien lijkt betrokkene zelf gedurende enige tijd in zijn bekentenis te hebben geloofd, hoewel hij zich ook realiseerde dat hij moeite had om onderscheid te maken tussen fantasie en realiteit (hij noemde zichzelf destijds 'psychisch ziek'). Hij werd na zijn bekentenis op 17 januari 1983 opnieuw verhoord op 18, 19, 21 en 26 januari 1983. Op 27 januari 1983 vond een reconstructie plaats. Twee weken later, op 14 februari 1983, bleef betrokkene bij zijn bekentenis. Gedurende de tweede helft van januari 1983 zat betrokkene bij wijze van spreken in een roller-coaster, waar hij niet zomaar uit kon stappen. In de uitzending van Opsporing Verzocht van 7 februari 1983 werd nog gemeld dat de moord op [slachtoffer] was opgelost, maar na het laatste verhoor op 14 februari 1983 leek het nieuwtje voorbij: betrokkene was niet meer in het nieuws. Twee maanden later, op 14 april 1983, vertelde betrokkene aan de rechter-commissaris dat hij onder dwang een bekentenis had afgelegd en dat deze vals was, nadat hij al kort na opname in het Pieter Baan Centrum op 9 maart 1983 aan de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum liet doorschemeren dat zijn bekentenis vals was geweest.

Er zijn geen aanwijzingen dat de geconstateerde narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken en de recidiverende depressie invloed hebben gehad op zijn gedragskeuzes en gedragingen tijdens de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Betrokkene heeft tijdens de terechtzittingen (27 juli 1983 en 23 januari en 21 mei 1984) ontkend de moord op [slachtoffer] gepleegd te hebben.

Omtrent de medicatie en het middelengebruik kan het volgende worden gesteld. Betrokkene gebruikte al geruime tijd rustgevende middelen, zowel op voorschrift van een arts als verkregen via anderen en in het illegale circuit. Betrokkene was derhalve gewend rustgevende medicatie te gebruiken. Voor de onderzoekers is het onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre het medicatiegebruik van betrokkene tot tolerantie en ontwenning heeft geleid in de periode voorafgaand aan de verhoren in januari 1983. Hetzelfde geldt voor zijn alcoholgebruik; er was sprake van problematisch gebruik maar in hoeverre dit in januari 1983 speelde is niet meer na te gaan. Of ontwenningsverschijnselen (dan wel van de rustgevende medicatie, dan wel van de alcohol) een rol hebben gespeeld in betrokkenes functioneren tijdens het verhoor op 17 januari 1983 is derhalve niet na te gaan. Betrokkene zelf noemt dit niet. Dat de door de door de politie ingeschakelde arts voorgeschreven rustgevende medicatie een belangrijke rol zou hebben gespeeld in betrokkenes bekentenis is onwaarschijnlijk. De medicatie werd om te beginnen voorgeschreven nadat betrokkene zijn bekentenis gedaan had. Bovendien is, gezien betrokkenes reguliere gebruik in die periode, het niet waarschijnlijk dat de rustgevende medicatie hem daarna ernstig in zijn functioneren beïnvloed heeft. Wellicht is sprake geweest van enige sedatie en een daardoor ervaren gevoel van controleverlies en onverschilligheid, hetgeen van invloed kan zijn geweest op betrokkenes gedrag in de dagen na de aanvankelijke bekentenis."

5.3.

De Hoge Raad verstaat voormeld rapport aldus dat volgens de deskundigen die het onderzoek hebben verricht, op grond van betrokkenes "verhoogde suggestibiliteit en neiging tot het verdraaien en verfraaien van de waarheid, en het zelfs verzinnen van fantasieverhalen, passend bij de theatrale persoonlijkheidskenmerken", moet worden aangenomen dat verband bestaat tussen de door hen vastgestelde psychopathologie en het afleggen door de betrokkene van zijn klaarblijkelijk voor het bewijs gebezigde verklaringen. Bezien in het licht van de klaarblijkelijk aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende bewijsvoering, zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven, geeft dit deskundigenoordeel grond aan de stelling waarop de aanvragen steunen, te weten dat, kort gezegd, zodanig ernstige twijfel bestaat omtrent de geloofwaardigheid van de bekentenissen die de betrokkene destijds heeft afgelegd, dat het Hof – ware het daarmee bekend geweest – die (nadien ingetrokken) bekentenissen, anders dan het klaarblijkelijk heeft gedaan, niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en de betrokkene zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

5.4.

Gelet hierop vormt voormeld deskundigenrapport, waarmee het Hof niet bekend kon zijn, een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvragen zijn in zoverre gegrond.

5.5.

Opmerking verdient nog het volgende. Ingevolge het op 1 oktober 2012 in werking getreden art. 457 Sv is voor herziening vereist, voor zover hier van belang, dat sprake is van – kort gezegd – een zodanig nieuw gegeven (het zogenoemde novum) dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot vrijspraak zou hebben geleid. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot vorenbedoelde wetswijziging houdt onder meer in: "Voldoende is dat het «ernstige vermoeden» rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan." (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 27). Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij de betrokkene alsnog vrij te spreken (vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190, NJ 2013/278).

6 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist zodat de aanvragen voor het overige geen bespreking behoeven.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvragen tot herziening gegrond;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.

Mr. Balkema, mr. Ilsink en mr. Van de Griend zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.