Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1255

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
13/00587
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:5666, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:442, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Art. 557.4 en art. 577b.2 Sv. De schatting van het w.v.v. is gebaseerd op tlgd. feiten waarvan het Hof, na terugwijzing van de hoofdzaak door de HR, betrokkene heeft vrijgesproken. Ex art. 557.4 Sv kan een uitspraak op een vordering van het OM, a.b.i. art. 36e Sr, eerst worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. de veroordeling, a.b.i. art. 36e.1 Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ex art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het OM a.b.i. art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en v.zv. de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van verdachte, a.b.i. art. 36e.1 Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. ECLI:NL:HR:1998:ZD1016). Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat ex art. 577b.2 Sv de rechter die de in art. 36e Sr bedoelde maatregel heeft opgelegd, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van betrokkene het door hem vastgestelde ontnemingsbedrag kan kwijtschelden of verminderen, heeft betrokkene geen belang bij het middel (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4399). Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1061
RvdW 2015/682
SR-Updates.nl 2015-0235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 mei 2015

Strafkamer

nr. S 13/00587 P

NA/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 2012, nummer 22/001447-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. Jap- A-Joe, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op in de tenlastelegging in de hoofdzaak impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten waarvan het Hof, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, de betrokkene heeft vrijgesproken.

2.2.

Ingevolge het vierde lid van art. 557 Sv kan een uitspraak op een vordering van het Openbaar Ministerie, als bedoeld in art. 36e Sr, eerst worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ingevolge art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016, NJ 1999/75). Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat ingevolge art. 577b, tweede lid, Sv de rechter die de in art. 36e Sr bedoelde maatregel heeft opgelegd, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de betrokkene het door hem vastgestelde ontnemingsbedrag kan kwijtschelden of verminderen, heeft de betrokkene geen belang bij het middel (vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4399, NJ 2011/317).

2.3.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 101.000,-.

4 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 96.000,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2015.