Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:15

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12/03531
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2012:1168, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Intrekken h.b. na aanvang van de behandeling in h.b. HR herhaalt HR LJN BP2709. Het stond het Hof vrij om geen toepassing te geven aan art. 416.2 Sv op grond dat het Hof niet uitsloot dat het t.a.v. verdachte tot een andere beslissing zou komen dan de Rb. In het midden kan blijven of HR LJN ZC9463 steun biedt aan het bestaan van een algemene regel voor zaken waarop de Wet stroomlijnen hoger beroep nog niet van toepassing was, inhoudende dat verdachte en OvJ ook nadat de zaak is uitgeroepen bevoegd zijn het h.b. in te trekken, mits de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen, nu na de invoering van die wet aan een dergelijke voorziening geen behoefte meer bestaat. Art. 416 Sv biedt immers de appelrechter thans de mogelijkheid om in geval een wens tot “intrekking” van het h.b. wordt geuit na aanvang van de behandeling in h.b., de n-o van het h.b. uit te spreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/915
SR-Updates.nl 2013-0290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2013

Strafkamer

nr. 12/03531

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 maart 2012, nummer 24/000764-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in het door hem ingestelde hoger beroep, omdat hij dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft ingetrokken.

2.2.

Het tussenarrest van het Hof van 17 november 2011 houdt onder meer het volgende in:

"Verdachte heeft op 8 april 2011 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Bij akte van 31 augustus 2011 heeft de raadsman te kennen gegeven dat het beroep wordt ingetrokken. (...)

De zaak heeft op 19 mei 2011 voor het eerst bij het hof op zitting gestaan. Dit betrof een regiezitting. Verdachte noch het openbaar ministerie heeft toen onderzoekswensen geuit. Bij brief van 27 juni 2011 heeft de raadsman verzocht de medeverdachte Lisauskas te horen. Dit verzoek is op de zitting van 11 augustus aan de orde geweest en door het hof afgewezen.

Aldus doet zich de situatie voor dat het hoger beroep is ingetrokken nadat de zaak een aanvang heeft genomen, maar voordat enig onderzoek in de zaak zelf is gedaan. Uit de intrekking valt af te leiden dat verdachte geen belang meer heeft bij het onderzoek in hoger beroep. Indien ook overigens geen belang van strafvordering het onderzoek in hoger beroep vordert, kan op voet van het bepaalde in artikel 416 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat is wat verdachte beoogt en waartegen de advocaat-generaal zich verzet.

(...)

Het hof acht het niet uitgesloten dat het - zoals ook met betrekking tot de medeverdachte het geval was - ten aanzien van verdachte tot een andere beslissing zal komen dan de rechtbank. Daarom zal geen toepassing worden gegeven aan de bevoegdheid het door verdachte ingestelde hoger beroep op de voet van artikel 416 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren (vergelijk HR 27 september 2011, LJN: BR1148).

(...)

Beslissing

Het hof

verklaart verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep (...)"

2.3.

Voor de beoordeling van het middel is van belang dat in HR 28 juni 2011, LJN BP2709 met betrekking tot het wettelijk systeem, zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep, die ook op de onderhavige zaak van toepassing is, onder meer het volgende is overwogen:

"2.4.4. Samengevat komt het huidige wettelijke systeem dus hierop neer dat de partijen in geval van gevoegde zaken als bedoeld in art. 407, tweede lid, Sv de omvang van hetgeen aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen zelf kunnen beperken doch uitsluitend - binnen de door de wet getrokken grenzen - door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien. Indien het hoger beroep niet op deze wijze is beperkt, is het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis aan het oordeel van de rechter in hoger beroep onderworpen. In dit opzicht komt noch aan de schriftuur houdende grieven noch aan hetgeen de verdachte en het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent verklaren, betekenis toe. Wel kan de rechter de behandeling in hoger beroep concentreren op de door de procespartijen ingebrachte bezwaren en bestaat voor hem de in art. 416 Sv geschapen mogelijkheid de afdoening daarop toe te snijden.
Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat indien na de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bezwaren niet worden gehandhaafd, een dergelijke "intrekking" onder omstandigheden tot toepassing van art. 416, tweede en derde lid, Sv kan leiden - om welke toepassing procespartijen bovendien kunnen verzoeken. Voor zover het daarbij gaat om een gedeeltelijke "intrekking", gelden daarbij de wettelijke grenzen van art. 407 Sv over de mogelijkheden om het appel te beperken. In dit verband moet ook worden gewezen op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waarin met betrekking tot art. 416, tweede en derde lid, Sv is beslist dat de rechter niet uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de verdachte of de officier van justitie kan uitspreken, maar dat een dergelijke beslissing ook na dat onderzoek kan worden gegeven (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010/88 betreffende het derde lid van art. 416 Sv en HR 28 september 2010, LJN BN0019, NJ 2010/536 betreffende het tweede lid van art. 416 Sv). In eerstgenoemd arrest is daarnaast beslist dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing terzake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld.
(...)
3.3. Op grond van art. 453 Sv in verbinding met art. 454 Sv kan de intrekking van een rechtsmiddel uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep geschieden door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, dan wel, in het geval de advocaat-generaal bij het hof gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot intrekking krachtens art. 453, tweede lid, Sv, ter griffie van het gerechtshof. Ingevolge art. 270 Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, begint het onderzoek - en neemt dus de behandeling een aanvang - door het doen uitroepen van de zaak. Dat betekent dat de genoemde verklaring moet zijn afgelegd vóórdat de zaak is uitgeroepen."

2.4.

In het licht van deze overwegingen en gelet op de omstandigheid dat in de onderhavige zaak de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen ter terechtzitting van 19 mei 2011 waar de zaak voor het eerst in hoger beroep is behandeld, geeft het in het middel bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het stond het Hof vrij geen toepassing te geven aan zijn bevoegdheid het door de verdachte ingestelde hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat het Hof niet uitsloot dat het ten aanzien van de verdachte tot een andere beslissing zou komen dan de Rechtbank.

2.5.

In de toelichting op het middel wordt met een beroep op HR 19 oktober 1993, LJN ZC9463, NJ 1994/69 betoogd dat - in afwijking van het wettelijk systeem - moet worden aangenomen dat de verdachte en de officier van justitie ook nadat de zaak is uitgeroepen, bevoegd zijn het hoger beroep in te trekken, mits de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen.

In het midden kan blijven of genoemd arrest steun biedt aan het bestaan van een zo algemene regel voor zaken waarop de Wet stroomlijnen hoger beroep nog niet van toepassing is, nu moet worden vastgesteld dat na invoering van die wet aan een voorziening als in het speciale geval van dat arrest getroffen, geen behoefte meer bestaat. Zoals in het hiervoor onder 2.3 aangehaalde arrest van 28 juni 2011 onder 2.4.4 is overwogen, biedt thans art. 416 Sv de appelrechter de mogelijkheid om in geval een wens tot "intrekking" van het hoger beroep wordt geuit na aanvang van de behandeling in hoger beroep, de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 25 juni 2013.